Base description which applies to whole site

XIII Economische Zaken

GEREALISEERDE UITGAVEN EN ONTVANGSTEN

Figuur 1 Gerealiseerde uitgaven verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x € 1 mln). Totaal € 3.117,5 mln.

Figuur 2 Gerealiseerde ontvangsten verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x € 1 mln). Totaal € 573,8 mln.

A. ALGEMEEN

1. Aanbieding jaarverslag en verzoek tot dechargeverlening

AAN de voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Hierbij bied ik, het departementale jaarverslag van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) over het jaar 2025 aan.

Onder verwijzing naar de artikelen 2.37 en 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Economische Zaken decharge te verlenen over het in het jaar 2025 gevoerde financiële beheer.

Voor de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening stelt de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 7.14 van de Comptabiliteitswet 2016 een rapport op. Dit rapport wordt op grond van artikel 7.15 van de Comptabiliteitswet 2016 door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden. Het rapport bevat de bevindingen en het oordeel van de Algemene Rekenkamer over:

  • 1. het gevoerde begrotingsbeheer, financieel beheer, materiële bedrijfsvoering en de daartoe bijgehouden administraties van het Rijk;

  • 2. de centrale administratie van de schatkist van het Rijk van het Ministerie van Financiën;

  • 3. de financiële verantwoordingsinformatie in de jaarverslagen;

  • 4. de totstandkoming van de niet-financiele verantwoordingsinformatie in de jaarverslagen;

  • 5. de financiële verantwoordingsinformatie in het Financieel jaarverslag van het Rijk.

Bij het besluit tot dechargeverlening worden verder de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken betrokken:

  • 1. het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2025;

  • 2. het voorstel van de slotwet dat met het onderhavige jaarverslag samenhangt;

  • 3. het rapport van de Algemene Rekenkamer over het onderzoek van de centrale administratie van de schatkist van het Rijk en van het Financieel jaarverslag van het Rijk;

  • 4. de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer over de in het Financieel jaarverslag van het Rijk, over 2025 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten over 2025, alsmede over de saldibalans over 2025 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 7.14, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2016.

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen en voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De Minister van Economische Zaken en Klimaat,H.Herbert

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Tweede Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 2.40, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2016 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 verklaart de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, doorgezonden aan de Minister van Financiën.

2. Leeswijzer

De leeswijzer gaat in op de volgende onderwerpen:

  • 1. Opbouw jaarverslag;

  • 2. Ondergrenzen toelichtingen;

  • 3. Controlenormen financiële en niet-financiële gegevens;

  • 4. Groeiparagraaf;

  • 5. Grondslagen voor de vastlegging en de waardering;

  • 6. Motie Schouw en motie Hachchi c.s..

1. Opbouw jaarverslag

Dit jaarverslag bevat het beleidsverslag, een jaarrekening, en diverse bijlagen. Deze bevatten informatie over de in 2025 gerealiseerde beleidsresultaten en de budgettaire realisatiegegevens van EZ.

Het onderdeel beleidsprioriteiten van het beleidsverslag betreft de verantwoording over de beleidsagenda uit de EZ-begroting 2025. Naast het macro-economisch beeld worden in het beleidsverslag de behaalde resultaten op de prioriteiten van EZ voor 2025 toegelicht. Dit gebeurt via de volgende blokken:

  • Macro-economisch beeld;

  • Ondernemingsklimaat en regeldruk;

  • Een concurrerende economie;

  • Een weerbare economie;

  • Fysieke ruimte voor economie en regionaal economisch beleid;

  • Een innovatieve economie;

  • Een digitale economie;

  • Goed functionerende markten;

  • Europese en internationale samenwerking.

De beleidsartikelen in dit jaarverslag hebben dezelfde opzet als de begroting 2025 (Kamerstuk 36 600 XIII, nrs. 1 en 2) en zijn conform de Rijksbegrotingsvoorschriften opgesteld (https://rbv.rijksfinancien.nl). Elk beleidsartikel bevat een paragraaf beleidsconclusies waarin voor de belangrijkste instrumenten een oordeel wordt gegeven over de uitvoering van het beleid in het afgelopen jaar. De bedrijfsvoeringparagraaf doet verslag van relevante aandachtspunten in de bedrijfsvoering van het Ministerie van EZ.

De jaarrekening bestaat uit de departementale verantwoordingsstaten, de samenvattende verantwoordingsstaten inzake de agentschappen, de jaarverantwoordingen van de agentschappen, de saldibalans en de WNT-verantwoording.

De volgende bijlagen zijn opgenomen: Toezichtrelaties en Zelfstandige Bestuursorganen (ZBO’s) en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (RWT’s), Afgerond evaluatie- en overig onderzoek, Inhuur externen, Verantwoording EU-middelen in gedeeld beheer, Rapportage burgercorrespondentie en een lijst van afkortingen.

2. Ondergrenzen toelichtingen

Voor wat betreft het toelichten van significante verschillen in de uitgaven, ontvangsten en verplichtingen in de realisatie versus de vastgestelde begroting 2024 zijn de ondergrenzen gehanteerd zoals opgenomen in de onderstaande tabel.

Omvang begrotingsartikel (stand ontwerpbegroting) in € miljoen

Beleidsmatige mutaties (ondergrens in € miljoen)

Technische mutaties (ondergrens in € miljoen)

< 50

1

2

=> 50 en < 200

2

4

=> 200 < 1000

5

10

=> 1000

10

20

In sommige gevallen, waar politiek relevant, worden ook posten toegelicht beneden deze ondergrenzen.

3. Controlenormen financiële en niet-financiële gegevens

Het jaarverslag bevat zowel financiële als niet-financiële gegevens (kengetallen en indicatoren). Deze gegevens zijn aan verschillende controlenormen onderhevig. De controle van financiële informatie is gebaseerd op normen zoals deze voortvloeien uit de Comptabiliteitswet 2016 en de Rijksbegrotingsvoorschriften 2026 (RBV). De controle van beleidsinformatie en informatie over de bedrijfsvoering is gebaseerd op normen zoals deze voortvloeien uit de RBV.

4. Groeiparagraaf

Ingevolge het verzoek van de Tweede Kamer om bij het Financieel Jaarverslag van het Rijk 2025 aandacht te besteden aan het thema ‘Risico’s voor de goede inning en besteding van belasting- en premiegeld’ wordt eenmalig in het Jaarverslag 2025 het Focusonderwerp FJR 2025 opgenomen als onderdeel van het beleidsverslag.

5. Grondslagen voor de vastlegging en de waardering

De verslaggevingsregels en waarderingsgrondslagen die van toepassing zijn op de in dit jaarverslag opgenomen financiële overzichten zijn ontleend aan de Comptabiliteitswet 2016 en de daaruit voortvloeiende regelgeving, waaronder de Regeling rijksbegrotingsvoorschriften 2026 en de Regeling agentschappen 2024. Voor de departementale begrotingsadministratie wordt het verplichtingen-kasstelsel toegepast en voor de baten-lasten agentschappen het baten-lastenstelsel.

6. Motie Schouw en motie Hachchi c.s.

Motie Schouw

In juni 2011 is de motie Schouw c.s. ingediend en aangenomen (Kamerstuk 2010-2011, 21 501-20, nr. 537). Deze motie zorgt er voor dat de landspecifieke aanbevelingen van de Raad op grond van de nationale hervormingsprogramma's een eigenstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen.

In de landspecifieke aanbevelingen van de Europese Commissie voor Nederland in 2023-2024 (COM(2023) 619 final) werd onder andere aanbevolen:

  • De uitvoering van het herstel- en veerkrachtplan, met inbegrip van het REPowerEU-hoofdstuk, aanzienlijk versnellen en ervoor zorgen dat de hervormingen en investeringen uiterlijk in augustus 2026 tot een goed einde zijn gebracht. De uitvoering van de cohesiebeleidsprogramma’s versnellen. In het kader van de tussentijdse evaluatie daarvan gericht blijven op de overeengekomen prioriteiten en het testen en proefdraaien van oplossingen ter beperking van de congestie op het elektriciteitsnet bevorderen, daarbij de kansen die het platform voor strategische technologieën voor Europa biedt om het concurrentievermogen te verbeteren, in overweging nemend (aanbeveling 2).

In dit jaarverslag van het Ministerie van Economische Zaken wordt op deze aanbevelingen als volgt ingegaan: beleidsartikel 1 (Goed functionerende economie en markten) voor de maatregelen van het Nederlandse Herstel- en Veerkrachtplan waar het ministerie uitvoering aan geeft en beleidsartikel 2 (Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei) voor de beleidsinstrumenten EFRO, INTEREG A en het Fonds voor Rechtvaardige Transitie binnen het cohesiebeleid.

Landspecifieke afspraken HVP

Op 4 oktober 2023 is het definitieve Nederlandse Herstel- en Veerkrachtplan (HVP) goedgekeurd. Het Ministerie van Economische Zaken geeft uitvoering aan de volgende vier maatregelen: Health RI, Quantum Delta, AINed en Applied learning communities en Nationaal Onderwijslab AI. Zoals aangegeven werkt het kabinet hard aan de implementatie van het Herstel- en Veerkrachtplan (HVP).

Nederland heeft in 2024 twee betaalverzoeken en in 2025 één betaalverzoek ingediend bij de Europese Commissie ter waarde van € 1,3 mld en € 1,2 mld respectievelijk € 551 mln. Alle drie de betaalverzoeken zijn inmiddels goedgekeurd. Het Ministerie van Economische Zaken was voor de drie betaalverzoeken verantwoordelijk voor de uitvoering en verantwoording van verschillende mijlpalen en doelstellingen en het borgen van de financiële belangen van de Unie voor de relevante maatregelen van het Ministerie van Economische Zaken.

Motie Hachchi c.s.

Ter uitvoering van de motie Hachchi c.s. (Kamerstuk 33 000 IV, nr. 28) brengen departementen in kaart welke uitgaven zij doen in Caribisch Nederland, uitgesplitst per instrument. Voor het opnemen van deze uitgaven in de budgettaire tabellen geldt een ondergrens van € 1 mln. De totale uitgaven (realisatie) van EZ voor Caribisch Nederland in 2025 bedroegen € 6,3 mln. Deze uitgaven zijn verdeeld over de beleidsartikelen 1 (€ 5,4 mln) en 2 (€ 0,9 mln). 

B. BELEIDSVERSLAG

3. Beleidsprioriteiten

Inleiding

Het Ministerie van Economische Zaken (EZ) staat voor een innovatief en ondernemend Nederland en een sterke, weerbare economie, die iedereen kansen biedt. Het jaar 2025 stond voor EZ in het teken van geopolitieke opgaven, het verhogen van de productiviteit en het verminderen van de regeldruk voor ondernemers. Onze samenleving en het bedrijfsleven staan voor verschillende uitdagingen, zoals een aanhoudend tekort aan personeel, fysieke ruimte, stikstofruimte en toegang tot het stroomnet. Maar ook uitdagingen in het doorlopen van de energietransitie en de digitale transitie en de snel veranderende wereldorde. 

Bedrijven en hun medewerkers hebben innovatieve ideeën voor maatschappelijke opgaven en doen investeringen waar we in de toekomst de vruchten van plukken, bijvoorbeeld op het gebied van gezondheid, veiligheid, klimaat en digitalisering. We willen een welvarend land blijven én een schonere en gezondere wereld doorgeven aan onze kinderen en kleinkinderen. Samen met de bestaande en nieuwe innovatieve bedrijven en organisaties bouwen wij aan een bloeiende economie van morgen. Juist ook om de transities waar we voor staan succesvol door te maken en onze kwaliteit van leven op peil te houden, is een sterke en productieve economie met vindingrijke ondernemers essentieel. Ondernemen moet daarom gewaardeerd worden en lonen.

Macro-economisch beeld

Ondanks de grilligheid van de geopolitieke omgeving en de onzekerheid die dit met zich meebrengt, heeft de Nederlandse economie ook afgelopen jaar veerkracht getoond en groeide deze gestaag door. De wereldwijde economie heeft minder last van de internationale handelsspanningen dan verwacht en de wereldhandel is zelfs aangetrokken. De Nederlandse economie profiteerde hiervan en groeide in 2025 met 1,9 procent.1 De economie groeide met name door hogere overheidsbestedingen en toegenomen export, maar ook de consumptie van huishoudens zorgt voor een aanzienlijk deel van de economische groei. Het Centraal Planbureau (CPB) verwacht voor 2026 en 2027 een economische groei van respectievelijk 1,4 en 1,1 procent.2

De inflatie lag in 2025 in Nederland op 3,3 procent.3 Dat is even hoog als in 2024, maar boven het gewenste niveau van 2 procent en boven het Europese gemiddelde.4 Dat komt hoofdzakelijk doordat de Nederlandse economie beter presteert dan de rest van Europa. De binnenlandse vraag naar producten en diensten ligt hoger dan het aanbod, waardoor de prijzen omhooggaan. Wel is de trend neerwaarts. CPB verwacht dat het inflatiecijfer langzaam daalt in 2026 (2,3 procent) en 2027 (2,1 procent).5

De sterke loongroei speelt een belangrijke rol bij de inflatie. De prijzen van diensten hangen immers nauw samen met de hoogte van de lonen. Mede door de krapte op de arbeidsmarkt stegen de cao-lonen in 2025 met 5 procent. Dat is lager dan in de twee jaren ervoor, maar wel een van de hoogste groeipercentages in de afgelopen veertig jaar. Gecorrigeerd voor inflatie zijn de lonen met 1,6 procent toegenomen in 2025.6 De hogere lonen zorgden voor een toename van de koopkracht. Gemiddeld steeg de koopkracht met 1,0 procent in 2025 en de verwachting is dat voor 2026 de gemiddelde koopkracht stijgt met 1,4 procent en dat deze gelijk blijft voor 2027.7Het conflict in het Midden-Oosten zorgt echter voor grote onzekerheid over olie- en gasprijzen en daarmee ook over inflatie, koopkracht en economische groei.

Hoewel de Nederlandse economie in 2025 goed heeft gepresteerd, staat het verdienvermogen op de lange termijn onder druk. Dit heeft verschillende oorzaken. Zo zullen er door de vergrijzing steeds minder mensen werken, terwijl we onze publieke voorzieningen zoals onderwijs en zorg, betaalbaar en van goede kwaliteit willen houden. De arbeidsproductiviteit – de toegevoegde waarde per gewerkt uur – moet daarom stijgen om ons welvaartsniveau te behouden of te verhogen. Maar dat is al jaren een moeilijke opgave. Tussen 1974 en 2013 steeg de arbeidsproductiviteit jaarlijks met gemiddeld 1,5 procent. In de afgelopen tien jaar was dat nog maar 0,2 procent per jaar.8

In 2025 nam de arbeidsmarktkrapte af. Vraag en aanbod van arbeid komen langzaam meer met elkaar in balans. Desondanks blijft de spanning op de arbeidsmarkt in historisch perspectief hoog, zo is deze momenteel nog altijd vele malen hoger dan voor de coronapandemie en vinden veel bedrijven het nog moeilijk om aan geschikt personeel te komen. Naast de arbeidsmarktkrapte kampen bedrijven met andere knelpunten in de Nederlandse economie, zoals toegang tot het elektriciteitsnet, milieuruimte, en relatief hoge energie- en loonkosten. Deze factoren zorgen ervoor dat bedrijfsinvesteringen achterblijven, wat het verdienvermogen van Nederland op de lange termijn onder druk zet.

Omdat bedrijven moeite hebben om in Nederland te groeien, worden ook het doorlopen van belangrijke transities, zoals de energie en digitale transitie, lastiger. Gegeven de verschillende schaarstes, is het voor de Nederlandse economie belangrijk dat innovatief ondernemerschap en de inzet van arbeidsbesparende technologie wordt gestimuleerd. Dit draagt bij aan een hogere productiviteit en helpt om onze groei en voorzieningen te behouden. Een hogere productiviteit zorgt ervoor dat we meer kunnen doen met hetzelfde aantal of minder mensen. Daarom werken we aan het oplossen van  problemen waar bedrijven tegenaanlopen, zoals regeldruk, voldoende fysieke ruimte om te ondernemen, en een overbelast elektriciteitsnet.

Tot slot hangt de stand van de Nederlandse economie ook af van wat er in de rest van de wereld gebeurt. De geopolitieke grilligheid kan verder toenemen of vertraagd doorwerken in onze economie. Dat kan het vertrouwen van consumenten en bedrijven schaden, waardoor zij minder uitgeven. Nederland is afhankelijk van het buitenland via handel en investeringen. Hierdoor is de economie gevoelig voor wereldwijde schokken. Hoewel de directe handelsrelatie met de VS beperkt is, kunnen handelsbeperkingen de Nederlandse economie ook via indirecte kanalen raken, bijvoorbeeld als door heffingen de vraag naar Duitse eindproducten afneemt en daarmee ook de vraag naar Nederlandse halffabricaten. De onzekerheid hierover is flink toegenomen door internationale ontwikkelingen. Behalve risico’s biedt deze nieuwe situatie ook kansen. Zo zorgen Nederland en de EU onder andere via de handelsagenda en het versterken van samenwerkingsverbanden voor een schild tegen geopolitieke grilligheid, een springplank naar nieuwe afzetmarkten en groeikansen voor ons bedrijfsleven. Hiermee blijven we ons inzetten voor een concurrerende en weerbare economie zodat we onze kwaliteit van leven kunnen behouden.

Productiviteitsagenda

In september 2025 heeft het kabinet de eerste Productiviteitsagenda gepresenteerd, een pakket aan maatregelen om de afnemende groei van de arbeidsproductiviteit te doorbreken en de Nederlandse welvaart op de lange termijn veilig te stellen. De agenda richt zich op vijf gebieden: het versnellen van digitalisering en innovatie, het versterken van onze concurrentiekracht en het verminderen van de regeldruk, het verbeteren van de toegang tot bedrijfsfinanciering, het investeren in onderwijs en leven lang ontwikkelen, en het creëren van een meer dynamische arbeidsmarkt.

Om de Productiviteitsagenda kracht bij te zetten is in 2025 besloten om de Productiviteitsraad op te richten, met de wettelijke taak om het kabinet jaarlijks te adviseren over concrete maatregelen om de productiviteit te verhogen. Deze onafhankelijke raad van experts vertaalt inzichten direct naar praktisch beleid voor zowel bedrijven als de publieke sector. Met de Productiviteitsraad ontstaat structurele aandacht voor ons verdienvermogen.

Rapport Wennink

Op 12 december 2025 werd het Rapport Wennink gepresenteerd, dat in opdracht van het kabinet is opgesteld. Het onafhankelijke advies geeft een vertaling van het Draghi-rapport, dat de toekomst van het Europese verdienvermogen schetst, naar de Nederlandse context. Wennink benadrukt het belang van productiviteit en waarschuwt voor een afbrokkelende economische basis en toenemende technologische irrelevantie. Hij roept op tot een structurele kentering: het doorbreken van randvoorwaardelijke barrières zoals het stikstofslot en netcongestie, en een focus op 4 maatschappelijke en economische domeinen – Digitalisering en AI, veiligheid en weerbaarheid, energie- en klimaattechnologie en life sciences en biotechnologie, om daarmee ons verdienvermogen in de toekomst zeker te stellen.

Ondernemingsklimaat en regeldruk

Met een aantrekkelijk ondernemingsklimaat zorgen we ervoor dat ondernemers kunnen doen waar ze goed in zijn: ondernemen. Dit vraagt onder meer om minder regeldruk, maar ook om toegang tot talent en financiering. Ondernemers verzilveren hierbij de kansen van transities door het bedenken van oplossingen om daarmee kennis, producten en diensten te verkopen.

Nationale investeringsinstelling

In 2025 is de verkenning naar de integratie van Invest-NL en Invest International afgerond. Het kabinet heeft besloten beide organisaties samen te voegen tot één krachtige investeringsinstelling die bijdraagt aan het verdienvermogen en de internationale positie van Nederland.9 Daarnaast dient de integratie als basis voor een eventueel verdere bouw van een nationale investeringsinstelling. EZ werkt hierbij samen met o.a. FIN en BZ als coördinerend ministerie. Het streven is dat uiterlijk op 1 januari 2028 de integratie zal plaatsvinden.

OndernemersTop

Op 15 december 2025 vond in Amersfoort de tweede OndernemersTop plaats. De urgentie om de randvoorwaarden voor het ondernemingsklimaat in Nederland te verbeteren is hoog. Zowel om ondernemen weer aantrekkelijk te maken als om onze brede welvaart, ook voor toekomstige generaties, in stand te houden. Naast de dialoog tussen overheid en ondernemers, stond de dag in het teken van het bedenken van oplossingen om de regeldruk te verminderen. Ook was er veel aandacht voor de vraag hoe de inzet van AI kan helpen onze werkcultuur te verbeteren en de arbeidsproductiviteit te verhogen.

De tech-kampioenen van morgen

Ten aanzien van het ondernemingsklimaat voor startups en scale-ups is op 23 september 2025 de kamerbrief «Bouwen aan de tech-kampioenen van morgen» gepubliceerd.10 In deze brief is aangekondigd dat het Techleap-programma tot en met 2029 verlengd zal worden. Daarnaast zet het kabinet met een actieagenda in op beleidsinterventies («gamechangers») op het gebied van talent, financiering, kennistoepassing, ruimte en internationale markten. Hiermee wordt gewerkt aan de verbinding van het technologie- en innovatiebeleid aan innovatief ondernemerschap.

Minder regeldruk voor bedrijven

In 2025 is het wetsvoorstel voor de Instellingswet Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) aangenomen, waardoor het ATR vanaf 1 januari 2026 een permanente status en een breder mandaat heeft gekregen. Verder zijn in 2025 de resultaten van de eerste tranche van het Regeldrukreductieprogramma opgeleverd en zijn er 218 regels van de beoogde 500 geïdentificeerd die geschrapt of vereenvoudigd kunnen worden, zoals is aangekondigd in de Kamerbrief Ondernemingsklimaat van 5 september 2025.11

Een concurrerende economie

Met verstandig industriebeleid versterken we de positie van Nederland in mondiale waardeketens. Door het bouwen aan een concurrerende economie, leggen we het fundament voor een duurzaam verdienvermogen. Zo kunnen we ons hoge welvaartsniveau ook in een meer onzekere toekomst behouden.

Industriebeleid met focus

In 2025 heeft EZ het nieuwe Industriebeleid met focus gepubliceerd.12 Hierin is aangekondigd dat het topsectorenbeleid per 1 januari 2025 wordt stopgezet. Het nieuwe geïntegreerde industrie- en innovatiebeleid focust op zes markten: halfgeleiders, biotechnologie, aan de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (DSII) gerelateerde groeimarkten, digitale diensten (met name AI), machinebouw en innovatieve chemie. Dit zijn markten die bovengemiddeld kunnen bijdragen aan ons toekomstig verdienvermogen, economische weerbaarheid en maatschappelijke uitdagingen. Op deze markten bouwen we integrale programma's ter versterking van deze markten.

Semicon Board NL

In 2025 heeft EZ de Semicon Board NL opgericht, waarin overheid en sector gezamenlijk beleidsaanbevelingen uitwerken tot 2035 voor concurrentievermogen, kapitaal, talent en weerbaarheid. Hiermee is een publiek-private strategische visie opgesteld, inclusief benodigde innovatie- en investeringsrichtingen.

Een weerbare economie

Door aandacht te hebben voor economische veiligheid, weerbaarheid en kritieke grondstoffen behouden we een gediversifieerde en stabiele economie die schokken kan opvangen. Zo verkleinen we de impact van geopolitieke risico’s en afhankelijkheden van kwetsbare toeleveringsketens en blijven onze essentiële voorzieningen beschikbaar.

Grondstoffen

In 2025 is het Nederlands Materialen Observatorium (NMO) gelanceerd als centraal kenniscentrum voor kritieke grondstoffen en materialen. Daaropvolgend is geïnvesteerd in pilots ter uitwerking van de mogelijkheden voor voorraadvorming van kritieke grondstoffen ten aanzien van militaire schepen en medische technologie. Hierop aansluitend is er voor strategische projecten een centraal contactpunt ingericht bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), een werkgroep opgezet met publieke financiers en heeft de Speciaal Vertegenwoordiger Nationale Grondstoffenstrategie gesprekken gevoerd met de industrie over opties de verwerkingscapaciteit voor kritieke grondstoffen te ontwikkelen.13

Economische Veiligheid

In 2025 heeft EZ een campagne gelanceerd om het kennisintensieve bedrijfsleven bewust te maken van mogelijke economische veiligheidsrisico's binnen hun bedrijf en handvatten mee te geven om die risico's te ondervangen. Daarnaast heeft EZ samen met VNO-NCW en MKB Nederland bijeenkomsten georganiseerd om met het brede bedrijfsleven te spreken over de impact van crises en/of militair conflict op de continuïteit van bedrijven en de economie. Vanuit haar sectorale verantwoordelijkheid is hierover ook specifiek met vitale partijen uit de digitale infrastructuur gesproken. Verder heeft het kabinet op 1 juli 2025 een overzicht aan de Tweede Kamer aangeboden van het beleid en de beleidsinstrumenten op het terrein van economische veiligheid.14

Fysieke ruimte voor economie en regionaal economisch beleid

Door bewust om te gaan met ruimte voor bedrijvigheid kunnen haven- en industriegebieden, bedrijventerreinen, campussen en kennisintensieve stedelijke gebieden ook in de toekomst bijdragen aan onze welvaart. Regionaal economisch beleid draagt bij aan een kwalitatieve leefomgeving waarin ondernemers kansen en ruimte krijgen om te groeien.

Ruimtelijk Economische Visie

In 2025 heeft EZ de Ruimtelijk Economische Visie gepubliceerd.15 Met de Ruimtelijk Economische Visie richt het kabinet zich op het bieden van voldoende ruimte voor een dynamische en weerbare economie. Dit doen we door de ruimtelijke randvoorwaarden te borgen waarbinnen de economie zich kan ontwikkelen. De visie geeft richting aan het ruimtelijke economische beleid van het Rijk en vormt een belangrijke bouwsteen voor de economische aspecten van de nieuwe Nota Ruimte.

Versterking economische ontwikkeling en energie-infrastructuur Caribisch deel van het Koninkrijk

In 2025 is gewerkt aan versterking van duurzame groei in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Voor Aruba en Curaçao wordt de komende jaren circa € 116 mln geïnvesteerd in modernisering van de energie-infrastructuur.16 De Caribbean Climate & Energy Conference (CCEC) bracht regionale overheden, bedrijven en kennisinstellingen samen om de aanpak van klimaatverandering te versnellen en de samenwerking te versterken. Op Bonaire is het ondernemersprogramma ‘The Next Step’ gelanceerd om lokale ondernemers te ondersteunen in professionalisering en groei. Samen dragen deze activiteiten bij aan economische weerbaarheid en energietransitie.

Impulsaanpak Winkelgebieden

Via de Impulsaanpak Winkelgebieden zijn 44 gemeenten ondersteund. De afgelopen jaren is met € 88 mln subsidie ruim € 500 mln aan lokale investeringen gemobiliseerd. Hierdoor is 135.000 m² winkelruimte onttrokken en zijn circa 5.000 extra woningen gerealiseerd. Dit draagt bij aan compactere en levendigere binnensteden. Daarnaast wordt de komende jaren € 78 mln geïnvesteerd in de verbetering van de openbare ruimte, gericht op toegankelijkheid en klimaatbestendigheid. Ruim 80 gemeenten hebben uiteindelijk een aanvraag gedaan, waarvan ongeveer de helft gehonoreerd kon worden.

Een innovatieve economie

Met het aanwakkeren van investeringen in onderzoek, ontwikkeling en technologie kunnen we oplossingen creëren voor maatschappelijke uitdagingen en blijven we concurrerend en productief. Zo kunnen we onze brede welvaart behouden en blijft Nederland ook in de toekomst behoren tot de innovatiekoplopers van de wereld.

Kamerbrief 3%-actieplan

In juli van 2025 is de Kamerbrief ‘Investeren in een weerbare en toekomstbestendige economie: het 3%-R&D-actieplan’ naar de Tweede Kamer verstuurd.17 Het actieplan benadrukt de urgentie om toe te werken om 3% van het bruto binnenlands product te investeren in R&D en schetst 9 beleidsopties die hieraan bijdragen. Deze beleidsopties dragen bij aan het 1) stimuleren van bestaande bedrijven om meer aan R&D te doen, 2) het stimuleren van nieuwe R&D-intensieve start- en scale-ups en 3) een beter vestigingsklimaat om R&D-investeringen uit het buitenland aan te trekken. Onderdeel van het actieplan zijn onder andere een Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI), een nationale investeringsinstelling, inzet op technisch talent en structurele middelen voor Europese cofinanciering. Over deze onderdelen dient het nieuwe kabinet nog tot een besluit te komen.

Ministeriële Conferentie (MC25) European Space Agency (ESA)

De 23 lidstaten van de ESA spreken elke 3 jaar met elkaar af hoeveel ze gezamenlijk investeren in ruimtevaart. De gezamenlijke inschrijvingen van ESA-lidstaten bedragen € 22,3 mld voor de periode 2026–2028, een aanzienlijke stijging ten opzichte van de vorige conferentie in 2022 (ca. € 17 mld). Voor Nederland was de inschrijving in de periode 2023-2025 ca. € 320 mln, met daarnaast een incidentele ophoging van € 53,6 mln. Het kabinet heeft op de ESA MC2025 bekendgemaakt dat het de komende 3 jaar (2026-2028) € 450,3 mln in Europese ruimtevaartprogramma’s investeert. Het bedrag kent een incidentele verhoging van EZ en het Ministerie van Defensie van in totaal € 109 mln ten opzichte van de eerder in oktober 2025 aangekondigde inzet.18 De extra steun versterkt de bedrijven en kennisinstellingen in Nederland, inclusief ESTEC, het technologische hoofdkwartier van ESA in Noordwijk.

PIXEurope

Het consortium PIXEurope, gefinancierd vanuit onder meer EZ via het Nationaal Groeifondsprogramma PhotonDelta, bouwt een Europese innovatieve proefproductielijn voor fotonische chips in Eindhoven en Enschede. De publieke investeringen voor het Nederlandse aandeel in deze ‘proeffabriek’ komen in totaal op € 172 mln. Nederlandse bedrijven zoals Smart Photonics zijn betrokken om de proeffabriek te kunnen gebruiken. Fotonische chips maken het mogelijk om in de toekomst goedkopere, snellere en energiezuinige apparaten te bouwen. Die maken bijvoorbeeld eerdere diagnostiek van ziekten, veilige zelfrijdende voertuigen en een efficiëntere voedselproductie mogelijk.

Een digitale economie

We verzilveren de kansen van een digitale economie door de versterking van de digitale infrastructuur, het blijven stimuleren van digitale innovatieve toepassingen en het creëren van de juiste randvoorwaarden voor goedwerkende digitale markten en (cyber)veilige digitale producten en diensten. Zo hebben burgers en bedrijven betere toegang tot digitale diensten en vergroten we de mogelijkheden voor ondernemers voor innovatie.

AI-fabriek in Groningen

In 2025 is de financiering rondgekomen voor een AI-fabriek in Groningen.19 Deze AI-fabriek bestaat uit een krachtige AI-supercomputer en een expertisecentrum waar kennis en samenwerking centraal staan. Het expertisecentrum gaat bedrijven, onderzoekers en overheden helpen om het maximale uit de supercomputer te halen en samen te werken aan innovatieve AI-modellen en slimme toepassingen. Eind 2025 is de subsidie toegekend aan het consortium dat dit project gaat realiseren.20

Digitale wet- en regelgeving

In 2025 is de behandeling van diverse Europese digitale wet- en regelgeving gevorderd. Een belangrijke mijlpaal is de indiening van het voorstel voor de uitvoeringswet verordening cyberweerbaarheid (Cyber Resilience Act) op 22 december 2025.21 Hierin worden cybersecurityeisen voor alle producten met digitale elementen geïntroduceerd. Dit wetsvoorstel verplicht producenten en leveranciers van producten met digitale elementen om deze digitaal veilig te ontwerpen, produceren en op de markt te brengen en met gratis updates veilig te houden tijdens de gebruiksduur. Daarnaast zijn in 2025 vorderingen gemaakt met de uitvoeringswet gigabitinfrastructuurverordening, de cyberbeveiligingswet (Cbw), de inwerkingtreding van de uitvoeringwet van de dataverordening en de implementatie van de AI-verordening.

Cyberweerbaarheid bedrijfsleven

In 2022 is besloten om het Digital Trust Center en het CSIRT-DSP (het nationale Computer Security Incident Response Team voor digitale diensten) te integreren met het Nationaal Cyber Security Center (NCSC), onderdeel van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Het doel was om te komen tot één nationale cybersecurityorganisatie en hiermee verdere versnippering te voorkomen, één loket te creëren voor het bedrijfsleven (vitaal en niet-vitaal), en om krachten, expertise en middelen te bundelen. Eind 2025 was deze integratie succesvol afgerond en formeel een feit. EZ blijft opdrachtgever voor de wettelijke taken die zien op het bedienen van het niet-vitale bedrijfsleven.

Goed functionerende markten

Goedwerkend mededingingsbeleid is een essentiële randvoorwaarde voor de economie als geheel en het generieke vestigingsklimaat in Nederland. Ook in 2025 zette EZ zich ervoor in dat de concurrentie tussen bedrijven wordt geborgd, consumenten zoveel mogelijk waar voor hun geld krijgen en consumenten worden beschermd met moderne en toekomstbestendige consumentenregelgeving.

Verminderen regeldruk bij aanbesteden

In 2025 zijn stappen gezet om de regeldruk bij aanbesteden te verminderen. EZ heeft bij de evaluatie en herziening van de aanbestedingsrichtlijnen hiervoor voorstellen gedaan.22 Zo is in een reactie op een brief van Eurocommissaris Sejourné het belang van versimpeling en vereenvoudiging van de aanbestedingsregels benadrukt en is samen met Duitsland een non-paper opgesteld. 

Versterken van de interne markt 

De interne markt vergt continu onderhoud. In 2025 is nationaal verder gewerkt aan het wegnemen van belemmeringen via de interne-marktactieagenda.23 In Europa heeft EZ de Europese horizontale interne-marktstrategie van mei 2025 succesvol beïnvloed. Belangrijke input was het non-paper dat is opgesteld samen met 12 andere lidstaten en het Nederlandse 10-puntenplan.24 Veel Nederlandse speerpunten komen terug in de Europese strategie, waaronder de aanpak van territoriale leveringsbeperkingen en e-commerce.25 

Toekomstbestendig mededingings- en consumentenbeleid

In 2025 zijn de kaders voor toekomstbestendig mededingings- en consumentenbeleid verder vormgegeven. Zo zijn twee mededingingsinstrumenten verder verkend: de Markt Remedie Bevoegdheid (voorheen: New Competition Tool) en de inroepbevoegdheid (gericht op fusies die onder de huidige meldingsdrempels vallen).26 Voor het consumentenbeleid zijn de Nederlandse prioriteiten goed geland in de nieuwe EU Consumentenagenda, o.a. via een non-paper.27 

Europese en internationale samenwerking

Door ook op Europees en internationaal niveau te blijven samenwerken met onze partners blijven we toonaangevend op onze beleidsterreinen. Ook vinden we oplossingen voor uitdagingen die we niet alleen kunnen aanpakken.

Semicon Coalition

In 2025 heeft EZ het initiatief genomen om in EU-verband een semicon-verklaring op te stellen en aan te bieden aan de Europese Commissie. Alle 27 lidstaten hebben de verklaring getekend.28 De verklaring benadrukt het strategische belang van halfgeleiders voor de concurrentiekracht en veerkracht van de EU en bevat een gemeenschappelijk standpunt dat gericht is op het versterken van het EU-halfgeleiderbeleid als reactie op toenemende geopolitieke en geo-economische spanningen. In aansluiting hierop investeert Nederland € 230 mln via het IPCEI Advanced Semiconductor Technologies (AST) om de Nederlandse en Europese halfgeleiderketen te versterken.

European Competitiveness Fund (ECF)

Op 16 juli heeft de Europese Commissie, als onderdeel van het voorstel voor de nieuwe EU begroting 2028-2034, een voorstel gedaan voor een nieuw op te richten European Competitiveness Fund (ECF) met een voorgestelde budgettaire omvang van € 230 mld. Dit fonds is mede een reactie op de uitdagingen en aanbevelingen in het in september 2024 gepubliceerde Draghi-rapport over de toekomst van het Europees concurrentievermogen. Onder coördinatie van EZ is er een kabinetsinzet opgesteld en worden de onderhandelingen vanuit Nederland gecoördineerd om de Nederlandse inzet in Brussel uit te dragen. Dit fonds moet een belangrijke rol spelen in het aanpakken van de door Draghi geïdentificeerde uitdagingen tot 2034.

D9 – Amsterdam declaration

In 2025 heeft EZ de D9+ Top in Amsterdam georganiseerd waar ministers van 13 EU-lidstaten aanwezig waren die koploper zijn op het gebeid van digitalisering. Ook vicevoorzitter van de Europese Commissie Virkkunen, verantwoordelijk voor Technologische Soevereiniteit, Veiligheid en Democratie, was aanwezig. Aan haar is de D9+ Amsterdam verklaring overhandigd. Deze verklaring onderstreept het belang van een Europese investeringsstrategie voor digitale technologie om het concurrentievermogen en de strategische autonomie in Europa en Nederland te versterken.

Tot slot

In 2025 kwamen bij EZ verschillende grote uitdagingen samen. Vanwege een achterblijvende productiviteitsgroei en vergrijzing is ons toekomstig verdienvermogen geen gegeven. Om ook in de toekomst onze welvaart te behouden, moeten we stevig inzetten op hogere productiviteitsgroei.Die urgentie klinkt ook luid en duidelijk door in het rapport-Wennink. Er is een structurele kentering nodig volgens Wennink.

EZ stuurt op een economie waarin de gehele samenleving kan meeprofiteren van duurzame economische groei, waarin het ondernemers- en investeringsklimaat aantrekkelijker wordt en waarin we de energietransitie goed doorlopen. Daarbij moeten we sturen in tijden van grote geopolitieke onzekerheid. Dat brengt de extra opgave met zich mee dat we bovenstaande uitdagingen moeten aangaan met voldoende aandacht voor weerbaarheid en economische veiligheid.    

Realisatie periodieke rapportages / beleidsdoorlichtingen

Tabel 1 Realisatie periodieke rapportages/beleidsdoorlichtingen

BD/PR/ Overig1

Thema

Artikel(en)

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Kamerstuk

BD

Goed functionerende economie en markten

1

   

x

   

Kamerstuk 30 991, nr. 37

PR

Goed functionerende (digitale) economie en markten

1

       

Nog te starten

PR

Steun- en herstelbeleid Corona

2 en 3

      

x

Kamerstuk 35 420, nr. 541

BD/PR

Ondernemerschap

2

 

x

    

x

Kamerstuk 33 009, nr. 176

BD/PR

Innovatiebeleid

2 en 3

 

x

    

x

Kamerstuk 33 009, nr. 176

Overig onderzoek

Expertcommissie Evaluatiemethoden

1 t/m 4

   

x

   

Durf te leren, ga door met meten

1

BD = Beleidsdoorlichting; PR = Periodieke Rapportage; Overig = Overig onderzoek

Goed functionerende economie en markten: De beleidsdoorlichting van artikel 1 Goed functionerende economie en markten is afgerond en deze is in juni 2022 aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstuk 30 991, nr. 37).

Goed werkende (digitale) economie en markten: De beleidsdoorlichting van artikel 1 Goed functionerende economie en markten is in 2022 afgerond. Een belangrijk deel van het digitale economie beleid is hierin meegenomen. Een ander deel, het ICT-innovatiebeleid, was betrokken in de doorlichtingen van artikel 2 en 3 van de EZK begroting in 2020. Inmiddels is een groot deel van het digitale economie beleid samengebracht op artikel 1 van de EZ begroting waarvoor conform de ontwerpbegroting EZ 2025 een synthese wordt voorzien in 2027.

Steun- en herstelbeleid Corona: Dit beleid dient ter ondersteuning en herstel van het bedrijfsleven tijdens en na Covid-19. Hierbij is samen opgetrokken met FIN en SZW. De synthesestudie is in 2025 afgerond waarvoor onderstaand een korte samenvatting is opgenomen.

Ondernemerschap: Omdat het beleid onder artikel 2 Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei met de taakopdracht «Innovatieve Samenleving» meeliep in de «Brede Maatschappelijke Heroverwegingen», waarin de RPE-vragen 11 t/m 14 ook zijn beantwoord (Kamerstuk 32 359, nr. 4 - bijlage Innovatieve Samenleving, april 2020), kwam de geplande reguliere beleidsdoorlichting in 2020 te vervallen. In 2025 is een nieuw synthese onderzoek (Periodieke Rapportage) uitgevoerd voor het thema Ondernemerschap waarvoor onderstaand een korte samenvatting is opgenomen. De Periodieke Rapportage Ondernemerschap is in samenhang met de Periodieke Rapportage Innovatiebeleid uitgevoerd en dit heeft geleid tot één gezamenlijke rapportage die begin 2026 is aangeboden aan de Kamer.

Innovatiebeleid: Omdat het beleid onder artikel 3 Toekomstfonds met de taakopdracht «Innovatieve Samenleving» meeliep in de «Brede Maatschappelijke Heroverwegingen», waarin de RPE-vragen 11 t/m 14 ook zijn beantwoord (Kamerstuk 32 359, nr. 4 - bijlage Innovatieve Samenleving, april 2020), kwam de geplande reguliere beleidsdoorlichting in 2020 te vervallen. In 2025 is een nieuw synthese onderzoek (Periodieke Rapportage) uitgevoerd voor het thema Innovatiebeleid waarvoor onderstaand een korte samenvatting is opgenomen. De Periodieke Rapportage Innovatiebeleid is in samenhang met de Periodieke Rapportage Ondernemerschap uitgevoerd en dit heeft geleid tot één gezamenlijke rapportage die begin 2026 is aangeboden aan de Kamer.

De Expertcommissie evaluatiemethoden heeft in oktober 2022 het rapport «Durf te leren, ga door met meten» opgeleverd aan EZK over kaders en methoden voor de evaluatie van systeem- en transitiebeleid.

Samenvatting afgerond onderzoek 2025:

Synthesestudie Coronasteunmaatregelen (Steun- en herstelbeleid Corona)Twee jaar lang is financiële steun verleend aan bedrijven. Het steunpakket was als geheel doeltreffend en heeft bijgedragen aan het beperken van liquiditeits- en solvabiliteitsproblemen. De indirecte gevolgen hiervan zijn dat vraag- en aanboduitval in grote mate zijn voorkomen, waarmee economische groei snel is teruggebracht tot het groeipad van voor de crisis. De doeltreffendheid van liquiditeitssteun nam na verloop van tijd wel af. Ook heeft Nederland in internationaal perspectief veel en langdurig belastinguitstel verleend, terwijl dit na het eerste jaar nog weinig doeltreffend was. De steun was deels doelmatig door de omvangrijke budgettaire kosten en het optreden van neveneffecten. De maatregelen waren goed uitvoerbaar, met weinig gesignaleerd misbruik. Wel heeft er waarschijnlijk oneigenlijk gebruik plaatsgevonden. De kosteneffectiviteit was echter beperkt omdat de steun niet altijd in verhouding stond tot de geleden schade of noodzakelijk was om de pandemie door te komen. Ook heeft de steun de arbeidsdynamiek en bedrijvendynamiek tijdelijk verlaagd. Vanuit macro-economisch perspectief is de steun te lang voortgezet.

Periodieke Rapportage OndernemerschapHet thema Ondernemerschap omvat beleid met als doel om te zorgen voor een uitmuntend ondernemings- en vestigingsklimaat. Het ondernemerschapsbeleid is over het algemeen goed onderbouwd, sluit aan bij erkende falens en functioneert in de praktijk veelal (deels) doeltreffend en doelmatig. Zwakkere punten zijn de beperktere doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleidsonderdeel gericht op menselijk kapitaal. Dit komt vooral doordat ook andere ministeries arbeidsmarktprogramma’s ontwikkelen om het(zelfde) arbeidsaanbod te beïnvloeden en de inzet van EZ niet omvangrijk is. Daarnaast is de legitimatie van de meeste fiscale ondernemerschapsregelingen beperkt en gaan zij vaak gepaard met aanzienlijke neveneffecten.

De ambitie om het Nederlandse ondernemings- en vestigingsklimaat tot de wereldwijde top te laten behoren wordt behaald, maar staat onder druk. De beleidsmix van EZ draagt waarschijnlijk bij aan een beter ondernemings- en vestigingsklimaat, maar belemmeringen elders schaden het.

Periodieke Rapportage Innovatiebeleid.De strategische doelstelling van het innovatiebeleid is om bij te dragen aan innovatie en economische vernieuwing. Op de langere termijn wordt innovatie cruciaal geacht voor duurzame economische en welvaartsgroei. Er bestaat brede consensus dat innovatie kennisspillovers genereert en maatschappelijke uitdagingen helpt op te lossen en dat het innovatiebeleid hieraan veelal (deels) doeltreffend en doelmatig bijdraagt. Het beleid gericht op startups en scale-ups is goed onderbouwd maar heeft een duidelijkere afbakening en een schaalsprong nodig om meer impact te maken. Het beleid om Nederland een koploper van innovatie te maken slaagt, maar de 3%-doelstelling wordt (nog) niet behaald. Sectorspecifieke steun is economisch lastig te rechtvaardigen, maar kan vanuit strategische autonomie verdedigbaar zijn. Evaluaties tonen echter aan dat sectorondersteuning voordelen oplevert voor de betrokken sectoren, maar dat de doelmatigheid discutabel is en het effect op autonomie onzeker. Het innovatiebeleid is veelal generiek maar krijgt steeds meer een specifieke focus met risico op neveneffecten zoals verkeerde keuzes.

Voor het meest recente overzicht van de programmering van periodieke rapportages/beleidsdoorlichtingen, zie het overzicht Ingepland en uitgevoerd onderzoek op rijksfinanciën.nl.

Voor de realisatie van deze en andere grote (evaluatie)onderzoeken, zie bijlage 2 «Afgerond evaluatie- en overig onderzoek».

Overzicht van risicoregelingen

Tabel 2 Overzicht verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)

Art.

Omschrijving

Uitstaande garanties 2024

Verleend 2025

Vervallen 2025

Uitstaande garanties 2025

Garantieplafond

Totaal plafond

Totaalstand risicovoorziening

Artikel 2 Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei

BMKB

1.166.512

291.086

365.768

1.091.830

758.900

 

195.250

 

BMKB-Corona

15.015

0

10.035

4.980

 

735.000

14.264

 

Garantie Ondernemings-financiering (GO)

198.908

18.585

75.963

141.530

200.000

 

53.560

 

GO-Corona

17.119

0

14.011

3.108

 

2.100.000

19.914

 

Groeifaciliteit

72.877

0

7.846

65.031

30.000

 

57.798

 

Klein Krediet Corona

11.922

0

10.418

1.504

 

250.000

11.641

 

Microkredieten

61.275

23.000

13.614

70.661

 

153.000

 
 

Garantie MKB-financiering

53.320

0

28.820

24.500

 

268.200

23.051

 

Maatwerk garanties

 

70.000

0

70.000

 

70.000

30.000

Totaal

 

1.596.948

402.671

526.475

1.473.144

988.900

3.576.200

 
Tabel 3 Overzicht uitgaven en ontvangsten garanties (bedragen x € 1.000)

Art.

Omschrijving

Uitgaven 2024

Ontvangsten 2024

Saldo 2024

Uitgaven 2025

Ontvangsten 2025

Saldo 2025

Mutatie risicovoorziening 2025 en (2024)

Artikel 2 Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei

BMKB

16.830

16.950

120

13.078

18.083

5.005

11.892 (9.348)

 

BMKB-Corona

2.180

209

‒ 1.971

933

187

‒ 746

‒ 56.746 (-1.971)

 

Garantie Ondernemings-financiering (GO)

 

4.421

4.421

 

6.080

6.080

‒ 19.581 (2.632)

 

GO-Corona

 

1.012

1.012

 

123

123

‒ 136.877 (-4.738)

 

Groeifaciliteit

8.615

2.067

‒ 6.548

2.481

1.724

‒ 757

‒ 757 (-5.577)

 

Klein Krediet Corona

1.182

85

‒ 1.097

392

53

‒ 339

‒ 2.339 (-1.097)

 

Microkredieten

 

337

337

 

282

282

 
 

Garantie MKB-financiering

 

455

455

325

291

‒ 34

165 (354)

 

Maatwerk garanties

  

0

  

0

30.000

Totaal

 

28.807

25.536

‒ 3.271

17.209

26.823

9.614

 

Een risicovoorziening is een begrotingsreserve die altijd gekoppeld is aan een risicoregeling en wordt door het verantwoordelijke ministerie op een afzonderlijke rekening-courant bij het Ministerie van Financiën aangehouden. In de tabel ‘Overzicht verstrekte garanties’ wordt met ‘totaalstand risicovoorziening’ het saldo van de betreffende begrotingsreserve ultimo 2025 bedoeld. In de tabel ‘Overzicht uitgaven en ontvangsten garanties’ wordt met ‘mutatie risicovoorziening’ de storting (+) dan wel de onttrekking (-) aan deze begrotingsreserve bedoeld.

Artikel 2 Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei

BMKB

De BMKB biedt zowel banken als niet-bancaire financiers een borgstelling voorleningen aan midden- en kleinbedrijven (≤ 250 werknemers) voor zover deze bedrijven onvoldoende zekerheden kunnen bieden aan de bank. Het knelpunt dat met de BMKB wordt bestreden is het verschijnsel dat in de kern gezond MKB – met voldoende zicht op rentabiliteit en continuïteit – niet of onvoldoende in een kredietbehoefte kan voorzien door een tekort aan zekerheden (onderpand). Er is een begrotingsreserve (risicovoorziening) voor de BMKB waardoor een verevening mogelijk is van premie-inkomsten en schade-uitgaven over een reeks van jaren. De regeling is conjunctuurgevoelig (in tijden van krimp en recessie hogere verliezen) waardoor uitgaven en inkomsten kunnen fluctueren. Naast de BMKB heeft ook een BMKB-corona variant bestaan. Deze regeling is inmiddels gesloten en de uitfinanciering van de verplichtingen resteert nog. 

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

De garantieregeling GO is bestemd voor ondernemers die financiering willen aantrekken bij banken en is gericht op (middel)grote ondernemingen met substantiële activiteiten in Nederland en met bevredigende rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven. De GO is voor nieuwe bankleningen en/of bankgaranties van minimaal € 1,5 mln en maximaal € 150 mln met een garantie van 50% door de overheid. De overheid deelt mee in de opbrengsten uit zekerheden. De GO kent een jaarlijks garantieplafond van € 200 mln. Uitgangspunt is dat de GO-regeling kostendekkend is. Een eventueel verschil tussen premieontvangsten, schades en uitvoeringskosten in enig jaar worden afgestort naar dan wel onttrokken aan de begrotingsreserve. De horizonbepaling voor de GO is 1 juli 2026. Tevens bestond er een Covid variant van de GO. De GO was tot en met juni 2022 verruimd met een GO-coronamodule (GO-C), met als doel te voorzien in de liquiditeitsbehoefte als gevolg van de coronacrisis. Deze regeling is inmiddels gesloten en er volgt nu nog uitfinanciering van de destijds verleende garanties.

Groeifaciliteit

De regeling Groeifaciliteit hielp bedrijven bij het aantrekken van risicodragend vermogen door garanties te geven op achtergestelde leningen verstrekt door banken en op aandelen verstrekt door participatiemaatschappijen aan ondernemingen. De groeifaciliteit verliep 1 januari 2025 en er resteerd alleen de uitfinanciering van de verleende garanties.

Klein Krediet Corona (KKC)

De garantieregeling KKC was voor kleine ondernemers met kredietaanvragen van € 10.000 tot € 50.000. Er is een begrotingsreserve voor de KKC en de horizonbepaling van de KKC was 1 juli 2022.

Microkredieten

Er zijn verschillende garanties afgegeven op leningen aan Qredits voor het ondersteunen van MKBers via kleine leningen. Qredits is afhankelijk van financiering vanuit verschillende partijen voor deze activiteiten. Er is in 2025 een nieuwe garantie van 50% afgegeven op een lening van de EIB aan Qredits van € 40 mln (inclusief overige kosten totaal € 23 mln). Dit komt naast een eerdere garantie verstrekt aan de Europese Investeringsbank van € 86,7 mln op de funding van Qredits met € 100 mln voor de verstrekking van micro- en MKB-krediet. Voor deze garantie ontvangt de Staat een premie. Daarnaast is een garantie van € 13,3 mln verstrekt aan de Council of Europe Bank (CEB) voor de funding van Qredits met een bedrag van € 16,6 mln. Een garantie van € 25 mln is verstrekt aan het BNG voor € 50 mln funding van Qredits.

Garantie MKB-financiering

In het kader van het aanvullend actieplan MKB-financiering van 8 juli 2014 heeft het Kabinet inmiddels € 268,2 mln aan garanties verstrekt om de funding van nieuwe aanbieders van MKB-financiering mogelijk te maken. Er is een begrotingsreserve voor de verevening van premie-inkomsten en schade-uitgaven.

Maatwerk garanties

De Staat heeft een maatwerkgarantie van € 70 mln afgegeven. Premieontvangsten worden in rekening gebracht ter compensatie voor het risico dat de Staat middels de afgifte van de garantie loopt. De premieontvangsten worden na aftrek van de uitvoeringskosten toegevoegd aan een risicovoorziening op de EZ-begroting.

Tabel 4 Overzicht verstrekte leningen (bedragen x € 1.000)

nr.

Artikel omschrijving

Leningnemer

Huidig saldo

Einddatum

Totaalstand risicovoorziening 2025

Totaalstand mutatie volume risicovoorziening 2025 en 2024

1

Artikel 2 Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

Microkrediet Ned (Qredits)

44.630

1-4-2045

nvt

nvt

2

Artikel 2 Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

Microkrediet Ned (SZW)

270

onbepaald

nvt

nvt

3

Artikel 2 Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

Qredits

1.765

1-2-2026

nvt

nvt

4

Artikel 2 Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

MARIN

6.807

1-1-2500

nvt

nvt

5

Artikel 2 Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

Provincie Limburg (voorheen LIOF Swentibold)

15.882

31-12-2023

nvt

nvt

6

Artikel 2 Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

Stichting Qredits Microfinanciering

47.500

15-6-2030

nvt

nvt

7

Artikel 2 Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

B.V. Finance Continuïteit IHC

5.000

1-1-2500

nvt

nvt

8

Artikel 2 Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

Stichting Garantiefonds Reisgelden

77.077

8-4-2028

nvt

nvt

9

Artikel 2 Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

Stichting Qredits Microfinanciering Nederland

10.000

21-5-2028

nvt

nvt

10

Artikel 2 Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

VZR Garant Onderlinge Verzekeringen U.A.

200

15-12-2026

nvt

nvt

11

Artikel 2 Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

Stichting Qredits Microfinanciering Nederland

5.000

1-4-2030

nvt

nvt

12

Artikel 2 Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

Smart Photonics Holding B.V.

60.000

20-2-2033

nvt

nvt

13

Artikel 2 Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

PhiX B.V.

4.549

31-12-2033

nvt

nvt

14

Artikel 2 Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

Regionale Ontwikkelingsmaatschappij InnovationQuarter B.V.

3.500

1-1-2500

nvt

nvt

15

Artikel 2 Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

NOM MCPV

3.000

31-12-2030

nvt

nvt

16

Artikel 2 Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

NOM GDI

5.000

31-12-2031

nvt

nvt

17

Artikel 2 Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

INNL Publiek-Private Product Structurering B.V.

6.000

31-12-2033

nvt

nvt

18

Artikel 3 Toekomstfonds

NWO (Toegepaste en Technische Wetenschappen)

11.100

31-12-2032

nvt

nvt

19

Artikel 3 Toekomstfonds

Participatiemij Oost Nederland NV DVI-I

94.073

1-1-2030

nvt

nvt

20

Artikel 3 Toekomstfonds

Participatiemij Oost Nederland NV DVI-2

64.500

1-1-2035

nvt

nvt

21

Artikel 3 Toekomstfonds

StW 2014-2015

3.808

1-1-2500

nvt

nvt

22

Artikel 3 Toekomstfonds

StW 2016-2017

8.246

1-1-2500

nvt

nvt

23

Artikel 3 Toekomstfonds

Nedermaas Hightech Ventures

5.542

31-12-2023

nvt

nvt

24

Artikel 3 Toekomstfonds

LIOF (COL1/2)

9.691

31-12-2026

nvt

nvt

25

Artikel 3 Toekomstfonds

NOM (COL1/2)

13.668

31-12-2026

nvt

nvt

26

Artikel 3 Toekomstfonds

InnovationQuarter (COL1/2)

25.094

31-12-2026

nvt

nvt

27

Artikel 3 Toekomstfonds

NH Inwest (COL1/2)

18.975

31-12-2026

nvt

nvt

28

Artikel 3 Toekomstfonds

BOM Capital I B.V. (COL1/2)

10.063

31-12-2026

nvt

nvt

29

Artikel 3 Toekomstfonds

ROM Utrecht Region (COL1/2)

3.677

31-12-2026

nvt

nvt

30

Artikel 3 Toekomstfonds

Ontwikkelingsmaatschappij Oost-Nederland N.V. (COL1/2)

17.822

31-12-2026

nvt

nvt

31

Artikel 3 Toekomstfonds

Impuls Zeeland (COL1/2)

184

31-12-2026

nvt

nvt

32

Artikel 3 Toekomstfonds

Horizon Flevoland (Col1/2)

4.567

31-12-2026

nvt

nvt

33

Artikel 3 Toekomstfonds

BOM Capital I B.V. (Smart Photonics)

20.000

30-6-2030

nvt

nvt

34

Artikel 3 Toekomstfonds

NWO-TTW 2018

7.200

31-12-2030

nvt

nvt

35

Artikel 3 Toekomstfonds

Innovation Quarter

6.700

31-12-2026

nvt

nvt

36

Artikel 3 Toekomstfonds

Invest-NL Capital N.V. DACI

50.000

31-12-2042

nvt

nvt

37

Artikel 3 Toekomstfonds

Invest-NL Capital N.V. Dutch Future Fund

24.970

31-12-2038

nvt

nvt

38

Artikel 3 Toekomstfonds

NWO 2022/2023/2024

9.700

31-12-2035

nvt

nvt

39

Artikel 3 Toekomstfonds

Invest-NL Deeptechfonds

155.000

15-8-2037

nvt

nvt

40

Artikel 3 Toekomstfonds

EIF European Investment Fund / ETCI

56.900

31-12-2043

nvt

nvt

41

Artikel 3 Toekomstfonds

Invest-NL BEV

122.735

31-12-2034

nvt

nvt

42

Artikel 3 Toekomstfonds

NWO VFF

3.000

31-12-2025

nvt

nvt

43

Artikel 3 Toekomstfonds

SecFund B.V.

100.000

31-12-2039

nvt

nvt

44

Artikel 3 Toekomstfonds

NWO VFF 2025

7.920

31-12-2035

nvt

nvt

1 Microkrediet Nederland (Qredits)

Dit betreft een achtergestelde lening aan stichting Qredits voor het verstrekken van micro- en mkbkrediet aan ondernemers.

2 Microkrediet Nederland (Qredits SZW)

Dit betreft een achtergestelde lening aan stichting Qredits voor het verstrekken van microkrediet aan ondernemers.

3 Qredits (pilot achtergestelde leningen fonds)

Dit betreft een subsidie met terugbetaalverplichting in het kader van de pilot achtergestelde leningenfonds van Qredits.

4 MARIN

De lening van € 6,8 mln is in 2003 tussen de Staat en MARIN vastgelegd in een aangepaste overeenkomst van geldlening, in verband met de in 2003 opgerichte MARIN Stakeholders Association (MSA). In deze overeenkomst is bepaald dat MARIN is vrijgesteld van aflossingsverplichting voor zover de MSA voor ten minste het bedrag van de lening deelnemersovereenkomsten heeft gesloten.

5 Provincie Limburg

Dit betreft een lening aan de Provincie Limburg in het kader van Industriepark Swentibold.

6 Stichting Qredits microfinanciering

Dit betreft een lening aan Qredits ten behoeve van het verstrekken van overbruggingskredieten aan ondernemers.

7 B.V. Finance Continuïteit IHC

Dit betreft een vergoeding aan de Staat van € 5 mln voor een overbruggingslening voor de continuiteit van Koninklijke IHC. Deze vergoeding staat voor onbepaalde tijd uit als lening aan B.V. Financiering Continuiteit IHC

8 Stichting Garantiefonds Reisgelden

Het Kabinet heeft in 2021 een faciliteit van € 400 mln aan SGR beschikbaar gesteld voor de verstrekking van liquiditeitsleningen (voucherkredieten) aan reisorganisaties, die tijdelijk onvoldoende middelen hebben om vouchers terug te betalen aan consumenten.

9 Stichting Qredits Microfinanciering Nederland Corona overbruggingskrediet

Dit betreft een lening aan Qredits ten behoeve van het verstrekken van overbruggingskredieten aan startende ondernemers ten tijde van de Coronacrisis.

10 VZR Garant Onderlinge Verzekeringen U.A. (VZR)

Dit betreft een lening aan VZR Garant Onderlinge Verzekeringen U.A. in verband met verwacht extra beroep dat bedrijven in de reissector zullen doen op deze verzekering ten gevolge van de coronacrisis.

11 Stichting Qredits Microfinanciering Nederland TOA-krediet

Dit betreft een lening aan Qredits voor de uitvoering van de TOA-faciliteit. Dit is een faciliteit voor mkb-ondernemers die met gebruikmaking van de Wet homologatie onderhands akkoord (WHOA), hun bedrijf willen doorstarten in de periode 2021-2024.

12 Smart Photonics Holding B.V.

Dit betreft een lening aan Smart Photonics als onderdeel van het NGFproject PhotonDelta.

13 Phix B.V.

Dit betreft een lening aan Phix B.V. als onderdeel van het NGFproject PhotonDelta.

14 Regionale Ontwikkelingsmaatschappij InnovationQuarter B.V.

Dit betreft een lening aan Innovation Quarter ten behoeve van Airborne.

15 NOM MCPV

Dit betreft een lening aan de NOM voor MCPV Nederland BV. Het betreft een eenmalige bijdrage van maximaal € 3 mln uit het strategische acquisitiebudget Nij Begun Groningen (Economische Bedrijvigheid). MCPV Nederland BV heeft lening aangevraagd en ontvangen voor de voorbereidende fase van de realisatie van zonnecel- en moduleproductie in Veendam Groningen.

16 NOM GDI

Dit betreft een lening aan de NOM ten behoeve van Graphenix Development B.V.

17 INNL Publiek-Private Product Structurering B.V.

Dit betreft een lening aan invest-nl waarmee gerichte bedrijfsleningen worden afgegeven.

18 NWO (Toegepaste en Technische Wetenschappen) 2019, 2020 en 2021

Dit betreft een lening aan NWO voor het verstrekken van kredieten aan ondernemingen in het kader van de regeling Vroegefase-financiering.

19 Oost NL N.V. DVI

Dit betreft een lening aan Oost NL N.V. ten behoeve van het Dutch Venture Initiative.

20 Oost NL N.V. DVI-2

Dit betreft een lening aan Oost NL N.V. ten behoeve van het Dutch Venture Initiative II.

21 StW 2014-2015

Dit betreft een lening aan de Stichting Technische Wetenschappen voor het vertrekken van kredieten in het kader van de regeling Vroegefase-financiering.

22 StW 2016-2017

Dit betreft een lening aan de Stichting Technische Wetenschappen voor het vertrekken van kredieten in het kader van de regeling Vroegefase­financiering.

23 Nedermaas Hightech Ventures

Dit betreft een in 2009 aan de Regionale Ontwikkelingsmaatschappij LIOF verstrekte lening ten behoeve van Nedermaas Hightech Ventures, een nieuw venture-capital fonds dat zich richt op de vroege financiering van hightech start up's in de Provincie Limburg.

24 LIOF (COL 1 / 2)

Dit betreft een lening aan de Regionale Ontwikkelingsmaatschappij LIOF ten behoeve van het verstrekken van Corona overbruggingsleningen aan ondernemingen.

25 NOM (COL 1 / 2)

Dit betreft een lening aan de Noordelijke Ontwikkelingsmaatschappij (NOM B.V.) ten behoeve van het verstrekken van Corona overbruggingsleningen aan ondernemingen.

26 Innovation Quarter (COL 1 / 2)

Dit betreft een lening aan Innovation Quarter voor de investering in Innogenerics B.V. ten behoeve van het verstrekken van Corona overbruggingsleningen aan ondernemingen.

27 Noord Holland Inwest (COL 1/2)

Dit betreft een lening aan Innovation Quarter ten behoeve van het verstrekken van Corona overbruggingsleningen aan ondernemingen in de provincie Noord-Holland.

28 BOM Capital I B.V. (COL 1 / 2)

Dit betreft een lening aan de Brabantse Ontwikkelingsmaatschappij B.V. ten behoeve van het verstrekken van Corona overbruggingsleningen aan ondernemingen.

29 Corona Overbruggingslening Regio Utrecht B.V. (COL 1/2)

Dit betreft een lening aan COL RU ten behoeve van het verstrekken van Corona overbruggingsleningen aan ondernemingen

30 Oost NL N.V. (COL 1 / 2)

Dit betreft een lening aan de Regionale Ontwikkelingsmaatschappij Oost. N.V. ten behoeve van het verstrekken van Corona overbruggingsleningen aan ondernemingen.

31 Investeringsfonds Zeeland B.V. (COL 1 / 2)

Dit betreffen leningen aan Investeringsfonds Zeeland B.V. ten behoeve van het verstrekken van Corona overbruggingsleningen aan ondernemingen.

32 Horizon de Aanjager (COL 1 / 2)

Dit betreft een lening aan Horizon de Aanjager ten behoeve van het verstrekken van Corona overbruggingsleningen aan ondernemingen in de provincie Flevoland.

33 BOM Capital I B.V. Smart Photonics

Dit betreft een lening aan de Brabantse Ontwikkelingsmaatschappij (BOM) ten behoeve van de investering in Smart Photonics, een Eindhovense scale-up voor de productie van fotonische chips.

34 NWO (Toegepaste en Technische Wetenschappen) 2018, 2019

Dit betreft een lening aan NWO voor het verstrekken van kredieten aan ondernemingen in het kader van de regeling Vroegefase­financiering.

35 Innovation Quarter (Innogenerics)

Dit betreft een lening aan Innovation Quarter voor de investering in Innogenerics B.V. ten behoeve van de overname van de geneesmiddelenfabrikant Apotex.

36 Invest-NL Capital N.V.

Dit betreft een lening aan Invest-NL ten behoeve van het Dutch Alternative Credit Instrument (DACI).

37 Invest-NL Capital N.V. Dutch Future Fund

Dit betreft een lening aan Invest-NL ten behoeve van het Dutch Future Fund.

38 NWO 2022/2023/2024

Dit betreft een lening aan NWO voor het verstrekken van kredieten aan ondernemingen in het kader van de regeling Vroege fase financiering.

39 Invest-NL Deeptechfonds

Dit betreft een lening aan Invest-NL ten behoeve van het Deeptechfonds.

40 Lening aan EIF ten behoeve van ETCI

Dit betreft een lening aan EIF ten behoeve van European Tech Champions Initiative.

41 Invest-NL BEV

Dit betreft een lening aan Invest-NL ten behoeve van de Beschermingsvoorziening Economische Veiligheid (BEV).

42 NWO VFF

Dit betreft een lening aan NWO voor het verstrekken van kredieten aan ondernemingen in het kader van de regeling Vroege fase financiering.

43 SecFund B.V.

Dit betreft een lening aan de Brabantse Onwikkelingsmaatschappij (BOM) ten behoeve van Security Fund (SecFund). 

44 NWO VFF 2025

Dit betreft een lening aan NWO voor het verstrekken van kredieten aan ondernemingen in het kader van de regeling Vroege fase financiering.

Openbaarheidsparagraaf

Dit is de openbaarheidsparagraaf bij het jaarverslag van 2025 van het Ministerie van Economische Zaken en de bijbehorende concernonderdelen.29 Met deze openbaarheidsparagraaf laten we zien welke activiteiten zijn uitgevoerd op het gebied van openbaarmaking en informatiehuishouding. Zo maken we de omslag naar een meer open departement. De ministeries EZ, KGG en LVVN werken vanuit een gezamenlijke bedrijfsvoering aan deze opgave.

Openbaarmaking

Openbaar maken van overheidsinformatie vraagt continu aandacht en dialoog. Hoe verbeteren we onze interne processen om te voldoen aan wetgeving en recht te doen aan de doelstelling van die wetgeving? Hoe kan Artificiële Intelligentie (AI) ons op een verantwoorde manier helpen? Welke invloed heeft de geopolitieke context op wat we openbaar maken? En hoe gaan we om met zeer omvangrijke en complexe Woo-verzoeken? Om goed invulling te geven aan deze vraagstukken zijn in 2025 de onderstaande activiteiten uitgevoerd en resultaten behaald.

  • Besluit tot centrale directie openbaarheid. Voor de kerndepartementen is het besluit genomen om een centrale directie op te richten voor strategie, beleid en uitvoering rondom openbaarmaking. De werkzaamheden van het huidige programma zullen hierin opgaan na de afronding van de programmafase Open Overheid.

  • Passieve openbaarmaking. Voor het versnellen van het Woo-proces is gewerkt aan een werkwijze voor centraal zoeken van informatie, de implementatie van nieuwe laktooling, het verbeteren van processtappen, de inzet van een extern bureau en het opleiden van medewerkers. Tevens is gewerkt aan het verantwoord inzetten van AI om het Woo-proces te versnellen. Ook is er een beslishulp voor de voorinzage onder geheimhouding ontwikkeld en een succesvolle pilot gedraaid om de betrokkenheid van het management bij Woo-verzoeken te verbeteren.

  • Verplicht actieve openbaarmaking informatiecategorieën. De focus voor verplicht actieve openbaarmaking lag op de voorbereiding van het openbaar maken van de volgende tranche informatiecategorieën (tranche 2). Onder deze tranche vallen bijvoorbeeld de openbaarmaking van Woo-verzoeken en -besluiten, adviezen en jaarverslagen. Onderdeel van de voorbereiding is het inregelen van technische randvoorwaarden conform Woo publicatie-eisen en het beschikbaar stellen van hulpmiddelen voor medewerkers. Zo zorgen we dat deze informatiecategorieën straks goed vindbaar, doorzoekbaar en raadpleegbaar zijn op open.overheid.nl. Parallel is gewerkt aan de voorbereiding van tranche 3 en 4 door de hierbij behorende publicatieprocessen door te lichten.

  • Inspanningsverplichting actieve openbaarmaking. Om in de toekomst meer en gerichter informatie proactief openbaar te maken, zijn een richtlijn en afwegingskader in de praktijk getoetst bij verschillende dossiers. De praktijkervaring bij het dossier Kernenergie (KGG) heeft bijvoorbeeld meer inzicht gegeven in de proceskant van het publiceren. Aanvullend wordt periodiek de maatschappelijke informatiebehoefte in kaart gebracht. Dit dient als basis om gerichter informatie actief openbaar te maken.

  • Beslisnota’s. Naar aanleiding van het onderzoek van Centerdata over de ervaringen rondom de openbaarmaking van beslisnota’s is op het departement het verdiepende gesprek gevoerd over hoe meer uniformiteit kan worden aangebracht in de werkwijze en de transparantie kan worden vergroot. Dit gesprek wordt voortgezet in 2026, waarbij de uitkomsten hiervan worden meegenomen in de interdepartementale dialoog en aanstaande kabinetsreactie.

  • Opleidingsplan. Het ontwerp van het opleidingsplan openbaarmaking is opgeleverd en getoetst. Het doel hiervan was om kennis en vaardigheden van beleidsmedewerkers te versterken met betrekking tot de Woo. De belangrijkste uitkomst: de praktijkgerichte training, de Woo-Express, vergroot het kennisniveau en handelingsvermogen van beleidsmedewerkers. Ook werkt integratie van openbaarmaking in bestaande trainingen goed en biedt vernieuwde onboarding kansen voor structurele borging. Deze activiteiten worden daarom structureel ingebed in de organisatie.

  • Datalek metadata. Begin april 2025 is er een Rijksbreed datalek ontdekt waar dit ministerie ook door geraakt is. In de metagegevens van documenten die actief openbaar worden gemaakt waren persoonsgegevens te vinden. Inmiddels is dit datalek gedicht door reeds gepubliceerde documenten te schonen van metagegevens. Bij nieuw te publiceren documenten worden metagegevens handmatig ontdaan van persoonsgegevens in afwachting op een structurele Rijksbrede oplossing.

Informatiehuishouding

Het op orde zijn van de informatiehuishouding (IHH) is een belangrijke randvoorwaarde voor het goed functioneren van het ministerie. De roep om verbetering van de informatiehuishouding blijft groot, net zoals de welwillendheid om hier stappen in te zetten. Hiervoor is in 2025 gewerkt aan de volgende activiteiten en zijn onderstaande resultaten behaald:

  • Groeiplan IHH. Het Groeiplan IHH geeft voor de kerndepartementen een praktische invulling aan de actielijnen uit het generieke actieplan ‘Open op orde’. De implementatie van de projecten uit het groeiplan ondersteunt de ambitie van de kerndepartementen om eind 2026 op een volwassenheidsscore van 3,0 uit te komen. Dit volwassenheidsniveau betekent dat de organisatie inzicht, overzicht en grip heeft op informatie en dat medewerkers weten wat hun verantwoordelijkheid is ten aanzien van die informatie.

  • Informatieprofessionals. Voor het versterken van de rol en vaardigheden van (informatie)professionals is dit jaar het opleidingsplan ‘Goed omgaan met Informatie’ ontwikkeld en met de bijbehorende leerinterventies getoetst. Implementatie van dit opleidingstraject volgt in 2026, zodat alle medewerkers weten waarom en hoe ze documenten moeten opslaan. Wegens groot succes zijn in 2025 de archiefdagen en opruimdagen gecontinueerd. 

  • Volume en aard van informatie. Met behulp van informatiebeheerplannen werken we aan overzicht waar informatie te vinden is, wie toegang heeft en hoe informatie wordt beheerd. Bij de kerndepartementen hebben directies hun informatiebeheerplannen en bijbehorende verbeterplannen conform planning opgeleverd. Op basis hiervan is een top 9 van meest voorkomende verbeterpunten opgesteld zoals het kennisniveau van medewerkers over IHH en het hebben van werkafspraken binnen directies. Deze verbeterpunten vormen belangrijke input voor de prioritering op IHH in het nieuwe jaar.

  • Informatiesystemen. Om ervoor te zorgen dat ICT-systemen zoveel mogelijk de organisatie en werkprocessen ondersteunen, is een richtlijn opgeleverd en DUTO-check uitgevoerd in samenwerking met het Nationaal Archief (duurzame toegankelijkheid van informatie). Tevens is er een toolkit opgeleverd om bij (nieuwe) processen eerder rekening te houden met de informatieketen en de waarde van informatie die openbaar gemaakt moet worden. De werking van het systeem SIRIS is sterk verbeterd door de uitgevoerde upgrade. Aansluitend zijn verdere verbeteringen doorgevoerd.

  • Bestuur en naleving. Op dit onderdeel is gewerkt aan de vernieuwing van de Regeling Informatiebeheer. Dit is de juridische grondslag van de visie en inrichting van de IHH-organisatie ten behoeve van een kwalitatief hoogwaardige informatiehuishouding. Ook is er een handreiking ontwikkeld voor een kwaliteitssysteem. Deze handreiking wordt uitgewerkt tot een kader voor het hele concern. Andere activiteiten waren de start van het platform informatiehuishouding en het vaststellen en publiceren van hotspots op de website van het Nationaal Archief. Een hotspot is een onderwerp met veel maatschappelijke impact en aandacht, waarvan de informatie eeuwig wordt bewaard. Verdere implementatie van de Regeling Informatiebeheer en inrichting van de IHH-organisatie en kwaliteitssysteem volgen in 2026.

  • N-meting. Op basis van de jaarlijkse n-meting (in 2025 de 4-meting) is het volwassenheidsniveau van de IHH gemeten voor kerndepartementen en concernonderdelen. De gemiddelde score van het concern was voor 2025 een 2,40. Daarmee is er een verbetering ten opzichte van de score 2,27 uit 2024, maar blijkt ook dat er nog belangrijke verbeterstappen moeten worden gezet.

Overkoepelende activiteiten

  • Netwerk informatiehuishouding, openbaarmaking en transparantie. In het najaar heeft de vierde editie van de Week van de Transparantie plaatsgevonden. Met een divers programma is ingezet op zowel bewustwording, inhoudelijke verdieping en waardering voor professionals op IHH en openbaarmaking. De week maakt onderdeel uit van verschillende communicatie- en netwerkactiviteiten gedurende het jaar. Zo zijn er de maandelijkse ‘Denk, deel en doe mee’-bijeenkomsten voor kennisuitwisseling en het versterken van samenwerking. Aan de orde kwamen de nieuwe ambtseed en de ontwikkeling van AI-tool voor een effectief Woo-proces.

  • Werkbijeenkomst concernonderdelen. Tijdens de fysieke werkbijeenkomst met alle concernonderdelen is door middel van workshops en sprekers extra geïnvesteerd in de samenwerking en kennisuitwisseling tussen de kerndepartement en concernonderdelen.

Financiële toelichting

Bovenstaande activiteiten worden deels gefinancierd uit de gelden die beschikbaar zijn gesteld voor de acties die volgen uit de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (vanaf 2021) en Woo-gelden (vanaf 2022) en deels uit eigen middelen van het departement. Het totaalbudget wordt gestuurd en verantwoord vanuit een integrale visie op beide thema’s en voor de drie departementen EZ, LVVN en KGG.

De POK- en Woo-gelden zijn meerjarig toegekend door het Ministerie van BZK. In 2025 was er vanuit POK- en Woo-gelden een totaalbudget van ruim € 24,3 mln (integraal voor EZ, KGG en LVVN). Van dit budget was al eerder voor 2025 € 7,3 mln toegekend aan dienstonderdelen. Deze toekenningen zijn meerjarig doorgevoerd voor de planperiode t/m 2026.

In 2025 zijn de gelden conform budget besteed. Daarbij zijn er onderlinge verschuivingen tussen de verschillende budgetposten. Belangrijkste oorzaken hiervoor zijn dat enkele kosten lager zijn uitgevallen dan voorzien en dat een aantal projecten is opgeschoven in de tijd. Aan de andere kant zijn er ook extra initiatieven uitgevoerd en is op sommige trajecten juist versneld (met name binnen en tussen de concernonderdelen). Hierdoor is de totale realisatie conform budget.

29

De volgende concernonderdelen schrijven een eigen openbaarheidsparagraaf bij hun jaarverslag: Kamer van Koophandel (KvK), Autoriteit Consument en Markt (ACM), Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO).

Onderuitputting

Bij het jaarverslag van 2023 besteedden departementen, op verzoek van de Tweede Kamer, aandacht aan resultaatbereik in relatie tot onderuitputting. Voor dit focusonderwerp werd een bijlage voorgeschreven. Vanwege de politieke actualiteit moet het onderwerp onderuitputting nu verplicht worden opgenomen in het beleidsverslag bij het jaarverslag over 2025.

Aan de hand van onderstaande tabel wordt de totale onderuitputting gepresenteerd. Daarbij worden de grootste en belangrijkste meevallende realisaties toegelicht.

Tabel 5 Grootste posten met onderuitputting in 2025 (bedragen x € 1 mln)
 

Bedrag

Als percentage van de vastgestelde ontwerpbegroting 2025

NGF-project Material Independence & Circular Batteries

‒ 16,7

‒ 0,5%

PEGA - Ruimte voor economie

‒ 19,6

‒ 0,6%

Innovatiekrediet

‒ 14,5

‒ 0,4%

Overige personele uitgaven

‒ 23,5

‒ 0,7%

ICT

‒ 10,7

‒ 0,3%

Bijdrage SSO's excl. Dictu

‒ 18,0

‒ 0,5%

Overig

‒ 37,2

‒ 1,1%

Totaal

‒ 140,2

‒ 4,3%

Toelichting

NGF-project Material Independence & Circular Batteries

Voor het NGF-project Material Independence & Circular Batteries is onder andere bij de 1e Suppletoire Begroting € 91,6 mln aan kasmiddelen verschoven naar latere jaren in lijn met het verwachte uitfinancieringsritme van RVO voor de beschikking die dit jaar is aangegaan. Daarnaast is het resterende budget, in verband met vertraging bij het project, niet volledig uitgegeven. Hierdoor zijn er per saldo minder middelen tot besteding gekomen dan bij de Ontwerpbegroting geraamd.

PEGA - Ruimte voor economie

Vanuit het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is bij de 1e Suppletoire Begroting cumulatief € 108,8 mln overgeheveld als onderdeel van PEGA: Ruimte voor Economie. Deze middelen zijn bestemd voor strategische (internationale) acquisitie dat kan worden ingezet in samenspraak tussen de Provincie Groningen het Ministerie van Economische Zaken als onderdeel van de Economische Agenda van Nij Begun. Het Budget Strategische Acquisitie (BSA) heeft als doel het aantrekken van nieuwe (internationale) bedrijvigheid toegevoegde waarde voor de regio. In 2025 zijn er minder toekenningen gedaan voor het budget dan mogelijk. Hierdoor is de besteding lager dan bij de Ontwerpbegroting geraamd.

Innovatiekrediet

Het innovatiekrediet is een vraaggestuurd instrument. In 2025 is minder beroep gedaan op de twee verschillende luiken van het instrument waardoor er minder kredieten zijn afgegeven dan oorspronkelijk begroot. De besteding is hierdoor lager uitgevallen dan bij de Ontwerpbegroting geraamd.

Overige personele uitgaven

Voor de dekking van bedrijfsvoeringsproblematiek bij KGG zijn middelen verschoven van overige personele uitgaven naar andere onderdelen binnen het apparaatsartikel (€ 5,5 mln). Daarnaast is een deel van de begroting van de diensten is onjuist begroot onder overig personeel. Op dit deel van de begroting zijn vrijwel geen kosten geboekt.

ICT

Een deel van het ICT-budget is ingezet voor problematiek elders op de begroting (€ 9 mln).

Bijdrage SSO's excl. Dictu

Doorbelastingen van ICT-kosten naar concernonderdelen zijn als negatieve kosten geboekt onder bijdrage aan SSO’s, terwijl deze onder SSO DICTU geboekt hadden moeten worden. Hierdoor is een grote onderuitputting ontstaan op de bijdrage aan SSO’s.

Focusonderwerp FJR 2025

Focusonderwerp: Risico’s voor de goede inning en besteding van belasting- en premiegeld

De Tweede Kamer heeft 'Risico's voor een goede inning en besteding van belastinggeld' aangemerkt als focusonderwerp voor het jaarverslag over 2025. Het kabinet is verzocht om in ieder geval in te gaan op drie concrete, budgettair omvangrijke en/of strategisch belangrijke (beleids)programma's of activiteiten waar substantiële verbeteringen mogelijk zijn. Het kan daarbij gaan om bedrijfsvoeringsrisico's maar ook om beleidsmatige risico's.

Binnen mijn portefeuille heb ik gekozen voor drie risicogebieden: economisch veiligheidsbeleid, de kwaliteit en doelmatigheid van financiëel administratieve processen en Europese wetgevingstrajecten.

Economische veiligheid

Toenemende geopolitieke spanningen en een verslechterde internationale veiligheidssituatie maken zorgen voor onze economische veiligheid urgenter en actueler dan ooit. Statelijke actoren gebruiken zowel legale als illegale middelen, zoals gerichte investeringen, spionage, sabotage en cyberaanvallen voor geopolitieke doeleinden. Dit vergroot het risico dat hoogwaardige Nederlandse kennis, technologie weglekt, we strategisch afhankelijk(er) worden  en dat vitale processen zoals energie- en drinkwater voorziening worden verstoort.

Momenteel beschikt EZ over instrumenten zoals de Wet vifo en de Beschermingsvoorziening Economische Veiligheid (BEV) om risico’s voor de economische veiligheid te voorkomen of mitigeren. In 2025 is actief ingezet om het bedrijfsleven te betrekken bij economische veiligheid, onder andere via een communicatiecampagne om bedrijven te activeren tot het nemen van EV-maatregelen en via het Ondernemersloket Economische Veiligheid, dat ondersteuning en advies biedt bij het identificeren en mitigeren van risico’s. Ook pilots met een loket op locatie in Brainport en Delft bleken effectief in het versterken van het contact met het bedrijfsleven en het verhogen van het risicobewustzijn.

Tegen deze achtergrond groeit de beleids- en uitvoeringsopgave voor EZ op het terrein van economische veiligheid sterk. De herziening van de EU FDI-Verordening zal leiden tot een verplichte vergroting van het toepassingsbereik van de Wet vifo en een toename van toetsingen en casuïstiek, naast de al aangekondigde nationale uitbreiding van het toe. Daarnaast beoogt de Wet weerbaarheid defensie- en veiligheid gerelateerde industrie de Nederlandse Defensie Technologische Industriële Basis (NLDTIB) te beschermen en te versterken door middel van onder andere marktregulering en sectorale investeringstoetsing. De uitvoering van deze wet vraagt om intensieve samenwerking tussen EZ en Defensie en legt een substantiële nieuwe beleids-, uitvoerings- en toezichtstaak bij EZ, onder meer op het terrein van industriebeleid en strategische coördinatie. Ook de Europese Cyber Resilience Act (CRA) vergroot de opgave door het introduceren van verplichte cybersecurityvereisten voor een zeer brede groep digitale producten en componenten in toeleveringsketens, met doorlopende verplichtingen voor fabrikanten gedurende de gehele levensduur van het product. Zie in dit verband ook het laatste onderwerp in dit hoofdstuk.

Naast deze uitbreiding van het wettelijke kader vraagt de toegenomen dreiging om intensievere samenwerking met het bedrijfsleven, versterking van economische diplomatie en inlichtingen, en een stevigere coördinerende rol van EZ.

Het belangrijkste risico is dat deze snel groeiende en complexere opgave veel urgentie vraagt, mede op verzoek van de maatschappij en politiek, en dat daardoor te weinig tijd wordt genomen voor een zorgvuldige uitwerking van beleidsmaatregelen. Meer wetten, meer casuïstiek en hogere verwachtingen ten aanzien van regie, voorbereiding en weerbaarheid vergroten daarnaast de druk op de uitvoeringspraktijk. Behalve zorgvuldige beleidsvoorbereiding moet er daarom voldoende aandacht zijn voor uitvoering en toezicht. Het vraagt dus balanceren tussen snel en tijdig handelen om onze weerbaarheid te vergroten en zorgvuldigheid en rust om de juiste oplossingen te kiezen. Een te groot gebrek aan het één of het ander draagt het risico in zich dat risico’s onvoldoende vroeg worden onderkend, maatregelen worden vertraagd, gemist of juist disproportioneel worden ingezet. Een doelmatige besteding van belastinggeld kan dan in het geding komen en de weerbaarheid van economie en bedrijfsleven kan achterblijven. Dit kan leiden tot grotere kwetsbaarheden bij crises, verlies van strategische autonomie en maatschappelijke en economische schade. Het gebruik van bijvoorbeeld het Beleidskompas kan een belangrijke rol spelen bij het zorgvuldig vormgeven van het beleid.

Financiëel administratieve processen

Het is belangrijk dat middelen rechtmatig, doelmatig en transparant worden ingezet, onder andere zodat EZ effectief kan sturen op doelen en op een betrouwbare manier verantwoording kan afleggen. Daarbij is goed financieel beheer van belang. Door een forse toename van het aantal af te handelen (subsidie)dossiers, mede als gevolg van forse uitbreidingen van budgetten en personeel, en afname van de kwaliteit van deze dossiers was een toenemende druk op de financiële administratie waarneembaar aan het einde van het kalenderjaar. Deze verhoogde druk is een risico voor de zorgvuldigheid van de beoordeling en afhandeling van de dossiers. Dit kan onjuiste boekingen van financiële verplichtingen en betalingen tot gevolg hebben. Daarnaast ontstaat het risico dat aanvragen niet tijdig kunnen worden afgedaan en de jaargrens overschreden wordt. Dat is op zijn beurt een risico voor de beheersbaarheid van de begrotingsadministratie, met in het ene jaar onderuitputting en in het volgende jaar in potentie tekorten vanwege verlies van deze onderuitputting. Om dit risico te mitigeren heeft EZ verschillende maatregelen genomen. Zo is voor het subsidieproces een nieuwe handreiking opgesteld en zijn checklists geactualiseerd. Ook is geïnvesteerd in opleidingen en training van medewerkers en is de directie FEZ met alle directies in gesprek gegaan om kennis en informatie te delen en om inzicht te krijgen in wat komen gaat (wat zit er in de pijplijn en wanneer verwacht men dat dossiers kunnen worden aangeboden), zodat het werk beter gepland kan worden. Ook heeft de directie FEZ van EZ actief aangestuurd op het nemen van interne verbetermaatregelen bij beleidsdirecties.

Een ander risico voor de financiële administratie betreft de opeenvolging van departementale herverkavelingen. De administratieve aanpassingen die hiervoor nodig zijn vragen personele en financiële capaciteit die niet op reguliere wijze ingezet kan worden. Dat raakt ook de nodige vernieuwing van de financiële systemen. Met ervaringen uit eerdere herverkavelingen wordt zo gestandaardiseerd mogelijk te werk gegaan om dit risico te mitigeren.

Europese wetgevingstrajecten

De verplichtingen vanuit de Europese Unie nemen toe. EZ is stelselverantwoordelijk voor de werking van de interne Europese markt én voor de uitvoering van toenemende Europese wet- en regelgeving op het gebied van digitalisering. Dat vereist voortdurende inzet op het gebied van markttoezicht en regelgeving. Steeds meer Europese taken komen terecht bij EZ zelf maar ook bij diensten en uitvoeringsorganisaties onder ministeriële verantwoordelijkheid van EZ. Deze taken hebben vaak een wettelijke grondslag, maar komen tot stand zonder dat op voorhand goed duidelijk is wat de budgettaire gevolgen zijn, en zonder financiële compensatie vooraf. Dit betekent dat de uitvoering van nieuwe taken gefinancierd moet worden binnen een al krimpende begroting. Het gaat voornamelijk over wetgeving in het digitale domein. In recente jaren gaat het bijvoorbeeld om de Digitale Dienstenwet, de Cyberbeveiligingswet (beter bekend als NIS2) en de Dataverordening. Ook in komende jaren wordt implementatie van verschillende wetgevingsvoorstellen verwacht. EZ onderzoekt momenteel hoe interne besluitvormingsprocessen aangepast kunnen worden om beter te kunnen anticiperen op de budgettaire gevolgen van EU-wetgevingsvoorstellen.

4. Beleidsartikelen

Beleidsartikel 1 Goed functionerende economie en markten

Goed functionerende markten zijn een motor voor economische ontwikkeling, innovatie en brede welvaart. Dit geldt voor zowel de Nederlandse markt als de Europese interne markt. De Europese interne markt levert door de schaalgrootte nieuwe afzetmogelijkheden, de mogelijkheid om meer te specialiseren en voor nieuwe uitdagers de ruimte om snel op te schalen. Het kabinet zet zich daarom nationaal, Europees en internationaal in voor regels en afspraken die ervoor zorgen dat: (1) consumenten keuzevrijheid hebben, (2) bedrijven op een gelijk speelveld opereren en (3) markten open en transparant zijn.

EZ zet in op het realiseren van de volgende strategische doelen:

  • Het scheppen van voorwaarden voor goed functionerende markten;

  • Het scheppen van voorwaarden voor een goed functionerende digitale economie;

  • Het voorzien in maatschappelijke behoeften aan statistieken.

1. Het scheppen van voorwaarden voor goed functionerende markten

De Europese interne markt, met inbegrip van vrij verkeer van goederen, diensten, personen en kapitaal, vormt een kernonderdeel van de Europese Unie en is cruciaal voor het Nederlandse verdienvermogen. Goed functionerende markten die concurrentie stimuleren en waar de consument goed wordt beschermd, leveren een belangrijke bijdrage aan economische groei en innovatie. 

Een goed functionerende interne markt is niet vanzelfsprekend en staat onder druk vanwege geopolitieke spanningen. Daarnaast staat de interne markt in toenemende mate onder druk door oneerlijke concurrentie van binnen en buiten de EU. Digitalisering en vergroening leiden eveneens tot nieuwe uitdagingen. De rapporten van Letta en Draghi over de staat van de interne markt en concurrentiekracht geven weer wat de uitdagingen zijn voor de interne markt. Via een actieagenda voor de interne markt wordt ingezet op het wegnemen van belemmeringen, het verbeteren van de toepassing van interne-marktregels en het versterken van de weerbaarheid van de interne markt (Kamerstuk 22 112, nr. 3437).

EZ zet zich in EU-verband sterk in voor het competitief houden van markten en voor eerlijke onderlinge verhoudingen in markten. Hierdoor wordt de concurrentie tussen bedrijven geborgd, het vrije verkeer van diensten en goederen bevorderd en consumenten beschermd. Modern en toekomstbestendig consumentenbeleid draagt bij aan een sterke positie van consumenten, gezonde concurrentie, keuzevrijheid en kwalitatief goede producten en diensten. Goedwerkend mededingingsbeleid is een belangrijke randvoorwaarde voor de economie als geheel en het generieke vestigingsklimaat in Nederland. Het hangt nauw samen met de rest van ons economische beleid en kan een belangrijke bijdrage leveren aan het mogelijk maken van de complexe transities waar bijvoorbeeld klimaat, energie en digitalisering om vragen. Ook werkt EZ aan goede kaders om aanbestedingen te gebruiken als strategisch beleidsinstrument om doelen als duurzaamheid en open strategische autonomie te bevorderen. Ook de waarborg-, normalisatie- en accreditatiestelsels dragen bij aan de hiervóór genoemde doelen.

2. Het scheppen van voorwaarden voor een goed functionerende digitale economie

De digitale transitie levert ongekende kansen op voor economie en samenleving. Het plukken van de vruchten van de digitale transitie zorgt voor duurzame economische groei en de aanpak van maatschappelijke uitdagingen zoals rond onderwijs, zorg, klimaat en vergrijzing. De ambities, doelstellingen en acties van EZ op het gebied van de digitale economie richting 2030, staan beschreven in de Strategie Digitale Economie (Kamerstuk 26 643, nr. 941) en de agenda digitale open strategische autonomie (Kamerstuk 36 259, nr. 21). Vertrouwen is bij de digitale transitie van essentieel belang. Daarom moeten belangrijke randvoorwaarden als innovatie, veiligheid, eerlijke concurrentie en grip op gegevens geborgd zijn, en moeten we waar nodig risicovolle strategische afhankelijkheden op het gebied van digitale technologieën mitigeren.

In lijn met het Europese digitale beleidsprogramma is een doel van het kabinet om een concurrerende, weerbare en innovatieve digitale economie te behouden en te versterken. Om uitdagingen te adresseren en de vruchten van de digitale transitie te blijven plukken, zet EZ in op het versterken van ons verdienvermogen, digitale open strategische autonomie en de randvoorwaarden hiervoor in een steeds geopolitiekere context met de volgende prioriteiten:

  • Versnellen van digitalisering mkb

  • Stimuleren digitale innovatie en vaardigheden

  • Creëren van de juiste randvoorwaarden voor goedwerkende digitale markten en diensten

  • Behouden en versterken van een veilige, betrouwbare en hoogwaardige digitale infrastructuur

  • Versterken van cybersecurity

3. Het voorzien in maatschappelijke behoeften aan statistieken

EZ is voor het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) systeemverantwoordelijk voor het in stand houden van de onafhankelijke productie van goede en betrouwbare statistieken, en voor rechtmatige en doelmatige besteding van publieke gelden die daarmee gemoeid zijn. Het CBS heeft als onafhankelijk kennisinstituut de taak om betrouwbare statistische informatie te leveren. Onafhankelijke en betrouwbare statistieken zijn van belang om meer inzicht te krijgen in de samenleving en maatschappelijke fenomenen. Deze informatie draagt bij aan het voeren van becijferde maatschappelijke debatten en inzichten voor beleid.

De Minister van Economische Zaken ziet het als zijn taak belemmeringen voor het goed functioneren van markten te verminderen of weg te nemen en innovatie te stimuleren. In dat verband is de Minister systeemverantwoordelijk voor de Mededingingswet, de Aanbestedingswet en voor het functioneren van de Autoriteit Consument en Markt. Ook is de Minister systeemverantwoordelijk voor de Dienstenwet, de wet EU-beroepskwalificaties, de Metrologiewet, de Waarborgwet en het stelsel van normalisatie en accreditatie. Hij is voorts op grond van de Telecommunicatiewet verantwoordelijk voor het stellen van regels voor vaste en mobiele communicatienetwerken. Samen met bewindspersonen van J&V en BZK geeft de Minister van EZ invulling aan de Nederlandse Digitaliseringstrategie. Dat is een kabinetsbrede agenda om de maatschappelijke en economische kansen van digitalisering te benutten en het fundament van de digitale transitie te versterken, waaronder digitale vaardigheden, cybersecurity, cyberweerbaarheid, veiligheid, privacy, concurrentie en innovatie. De Minister heeft een systeemverantwoordelijkheid voor de statistische informatievoorziening van rijkswege.

Hieruit vloeien de volgende verantwoordelijkheden voort:

Stimuleren

  • Het stimuleren van een goede balans tussen de belangen van bedrijven en consumenten met generiek consumentenbeleid.

  • Het stimuleren van innovatie in het bedrijfsleven.

  • Het stimuleren van een goede werking van privaat-publieke samenwerking binnen de metrologie, waarborg, normalisatie en accreditatie.

Financieren

  • Het bijdragen aan het goed functioneren van markten door het financieren van een deel van de exploitatie van de Autoriteit Consument en Markt (ACM), van TenderNed (het elektronisch aanbestedingssysteem) en diverse organisaties op het gebied van metrologie, normalisatie, accreditatie en markttoezicht.

  • Het financieren van een deel van de exploitatie van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) en het verrichten van uitgaven voor opdrachten inzake beleidsvoorbereiding en evaluaties voor frequentiebeleid en veiligheid.

  • Het financieren van het CBS om het van overheidswege verrichten van statistisch onderzoek ten behoeve van praktijk, beleid en wetenschap en het openbaar maken van, uit onderzoek samengestelde, statistieken mogelijk te maken.

  • Het bijdragen aan een vrij, veilig en open internet door het financieren van een aantal (internationale) organisaties op het terrein van Internet Governance, waaronder het Internet Governance Forum (IGF).

(Doen) uitvoeren

  • Het tegengaan van mededingingsbeperkende gedragingen met generiek mededingingsbeleid, zoals opgenomen in de Mededingingswet.

  • Het bijdragen aan de ontwikkeling van Europees en nationaal beleid ten aanzien van consumentenbescherming, aanbestedingsregelgeving, interne markt en mededinging.

  • Het opstellen van regels voor het gebruik van de ether, door afspraken te maken in internationaal verband voor harmonisatie en door – in geval van schaarste – te bepalen op welke wijze het spectrum wordt verdeeld.

  • Het realiseren van hoogwaardige en innovatieve breedbandige mobiele communicatie en omroeptoepassingen door verruiming van gebruiksmogelijkheden van het spectrum en door de uitgifte van frequentieruimte.

Regisseren

  • Het bevorderen van goed functionerende markten door het scheppen van randvoorwaarden via wet- en regelgeving.

  • Het scheppen van de juiste voorwaarden voor concurrentie met de Waarborgwet, de Winkeltijdenwet, de Aanbestedingswet 2012, de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie en de Metrologiewet.

  • Het moderniseren van de telecommunicatieregelgeving om deze te kunnen laten meegroeien met de ontwikkelingen in de markt en de behoeftes in de samenleving.

Om - aanvullend op het jaarverslag - de Kamer te informeren over de voortgang en effecten van beleid treft u op de website https://www.cbs.nl/nl-nl/publicatieplanning de planning aan van de CBS-publicaties. Actuele en gedetailleerde informatie over de specifieke beleidsgebieden kunt u vinden op de websites van PIANOo, de Autoriteit Consument & Markt  (o.a. over de telecommunicatiemarkt), TNO (Monitor Draadloze Technologie) het CBS (Cybersecuritymonitor) en NCSC (cybersecurity dreigingen, incidenten en maatregelen).

Tabel 6 Prestatie-indicatoren digitale infrastructuur

Tabel 6 Prestatie-indicatoren

 

Kengetallen

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Ambitie 2025

Bron

1. Connectiviteit – beschikbaarheid vast breedband

97%

99%

>99%

>99%

>99%

>99%

>99%

>99%

EZ

2. Connectiviteit – beschikbaarheid mobiel breedband via 4G

99+%

99+%

99+%

99+%

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

DESI1

3. Connectiviteit – beschikbaarheid mobiel breedband via 5G

n.v.t.

n.v.t.

80%

97%

99+%

99+%

 

99+%

DESI2

4. ICT-veiligheidsincidenten in het bedrijfsleven

        

CBS3

- Uitval ICT-dienst door ICT-veiligheidsincident

27%

13%

11%

11%

12%

    

- Vernietiging data door ICT-veiligheidsincident

3%

2%

1%

1%

1%

    

- Onthulling door intern incident

2%

1%

1%

1%

1%

    
1

Beschikbaarheid op basis van DESI-indicator '4G mobile broadband coverage' tot het jaar 2021.

2

Beschikbaarheid op basis van DESI-indicator '5G coverage' vanaf het jaar 2021.

3

Aandeel van de bedrijven die te maken hebben gehad met ICT-veiligheidsincidenten op basis van de Cybersecuritymonitor van het CBS.

Digitale infrastructuur en economieIn bovenstaande tabel staan de kengetallen uit de meest recente gegevens van de Europese Commissie en de meeste recente CBS-statistiek t.a.v. de beschikbaarheid van de digitale infrastructuur. De cijfers tonen de beschikbaarheid voor het betreffende jaar. In de kolom ambitie 2025 staan de streefwaarden van EZ voor de genoemde indicatoren.

De DESI ranglijst rangschikte Europese landen als het gaat om de kwaliteit van de digitale infrastructuur, de mate en wijze waarop het bedrijfsleven digitaal onderneemt, gebruik van digitale toepassingen door en vaardigheden van de inwoners en de digitale dienstverlening door de overheid zelf. In 2023 is de Europese Commissie gestopt met het uitbrengen van een DESI rangschikking, maar brengt zij landenrapporten uit. In het jaarlijkse landenrapport voor Nederland van het Digitaal Decennium constateert de Europese Commissie dat Nederland een zeer sterke bijdrage levert aan de Digital Decade doelstellingen. De Europese Commissie wijst wederom op de goede staat van connectiviteit in Nederland en het hoge niveau van digitale vaardigheden van de Nederlandse bevolking. Tegelijkertijd benoemt zij ook dat er belangrijke uitdagingen bestaan als het gaat om het tekort aan ICT-specialisten en nu ook dalende publieke investeringen in digitale innovatie.30

1. Het scheppen van voorwaarden voor goed functionerende markten

Goed functionerende markten zijn niet alleen de motor achter economische ontwikkeling, innovatie en brede welvaart in Nederland. Soepel werkende markten zijn ook nodig om complexe transities mogelijk te maken die bijvoorbeeld klimaat, energie en digitalisering vragen.

Verminderen regeldruk bij aanbesteden

In 2025 heeft EZ stappen gezet om de regeldruk bij aanbesteden te verminderen door actief bij te dragen aan de evaluatie en herziening van het aanbestedingsstelsel. Daarbij is ingezet op het vereenvoudigen en beter uitvoerbaar maken van aanbestedingsregels, met behoud van de kernbeginselen van transparantie, non-discriminatie en gelijke behandeling.

In dit kader heeft EZ in 2025 richting de Europese Commissie het belang van versimpeling en vereenvoudiging van de aanbestedingsregels benadrukt, onder meer in een reactie op een brief van Eurocommissaris Séjourné (Kamerstuk 34 252, nr. 450). Daarnaast is in samenwerking met Duitsland en in afstemming met betrokken departementen een non-paper opgesteld waarin voorstellen zijn gedaan voor een toekomstbestendiger en werkbaarder aanbestedingskader.

Deze inzet richtte zich op het verminderen van onnodige procedurele lasten voor aanbestedende diensten en ondernemers, en op het creëren van meer ruimte voor proportionaliteit en maatwerk. De beleidsuitvoering in 2025 bestond daarmee vooral uit strategische beleidsvoorbereiding en Europese positionering.

Belemmeringen ondernemers

Op nationaal niveau is verder gewerkt aan het wegnemen van belemmeringen voor ondernemers via de interne-marktactieagenda (Kamerstuk 22 112, nr. 3437). Er zijn belangrijke resultaten behaald bij de versterking van de interne markt. Zowel in Nederland als in Europa. In 2025 is gewerkt aan de actualisering van de interne-marktactieagenda.

In Europa kreeg de interne markt in 2025 de nodige aandacht door de publicatie van de horizontale interne-marktstrategie van de Europese Commissie in mei 2025. Nederland heeft daarbij input geleverd via een gezamenlijk non-paper met twaalf andere lidstaten en het Nederlandse 10-puntenplan (Kamerstuk 21 501-30, nr. 621 en Kamerstuk 21 501-30, nr. 630). Nederlandse aandachtspunten komen in belangrijke mate terug in de Europese strategie (Kamerstuk 22 112, nr. 4096).

Territoriale leveringsbeperkingen

De inzet op territoriale leveringsbeperkingen (TLB) is een belangrijk onderdeel geweest van de interne markt inzet in 2025. Zo heeft de minister drie rondetafels georganiseerd met belanghebbenden. Ook heeft EZ samen met de ministers uit de Benelux een brief gestuurd aan de Europese Commissie. In het Europese Taskforce interne-markthandhaving (SMET) is in 2025 verder gewerkt aan de aanpak van TLB.

eCommerce

Er was aandacht voor de grote hoeveelheid non-conforme producten die via e-commerce de interne markt opkomen. NL ondersteunde de mededeling van de Europese Commissie over e-commerce (Kamerstuk 22 112, nr. 4008). EZ is samen met departementen, toezichthouders en de Douane aan de slag gegaan met de Nederlandse situatie en aanpak. In dat verband heeft de minister een rondetafel met belanghebbenden georganiseerd. Ook heeft Nederland in 2025 stappen gezet in de intensivering van het grenstoezicht door de markttoezichthouders en de Douane.

Verder heeft de Europese Commissie in 2025 een voorstel gepubliceerd voor het Meerjarig Financieel Kader (MFK) voor het interne Markt en Douane Programma 2028-2034. Nederland heeft in Brussel ingezet op haar prioriteiten (Kamerstuk 22 112, nr. 4188).

Rechtsbescherming bij aanbesteden

Het wetsvoorstel tot wijziging van de aanbestedingswet 2012 om klachtafhandeling bij aanbestedingen te verbeteren is aan de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstuk 36 874, nr. 2). Een onderdeel van de wetswijziging is het aanpassen van de rol van de bestaande Commissie van Aanbestedingsexperts (CvAE), zodat zij tijdens de aanbestedingsprocedure klachten van ondernemers in behandeling kan nemen en sneller kan adviseren. In de voorgenomen nieuwe situatie zal de CvAE haar adviezen binnen 14 dagen moeten uitbrengen. Dit is een aanzienlijk kortere adviestermijn dan nu de praktijk is.

Daarvoor is in 2025 een advies uitgebracht door Prohuman. Dit advies beschrijft een nieuwe werkwijze en organisatie om de beoogde transitie mogelijk te maken.

Mededingingsinstrumenten

In 2025 heeft EZ verdere stappen gezet in het vormgeven van een toekomstbestendig mededingings- en consumentenbeleid. Op het terrein van mededinging zijn de kaders voor nieuwe instrumenten verder verkend en uitgewerkt, waaronder de Markt Remedie Bevoegdheid en de inroepbevoegdheid gericht op fusies onder de bestaande meldingsdrempels (Kamerstuk 24 036, nr. 437). Deze inzet was gericht op het versterken van het mededingingsinstrumentarium in markten waar bestaande instrumenten onvoldoende effectief blijken.

Consumentenbeleid

Het kabinet verwelkomt de nieuwe Europese consumentenagenda die in 2025 is gepubliceerd. Deze agenda sluit goed aan bij de prioriteiten van Nederland, zoals weergegeven in non-paper (Kamerstuk 21 501-30, nr. 683), zoals een sterke interne markt, effectieve consumentenbescherming en circulaire economie. Het kabinet heeft zich in 2025 ingezet voor een ambitieuze uitvoering van de agenda en heeft in dit kader ook speciale aandacht hebben voor het verminderen van administratieve lasten en betere regelgeving.

Ook is in 2025 voorbereid op de inwerkingtreding van Europese consumentenregelgeving gericht op de groene transitie, waaronder de richtlijnen Versterken positie consument in de groene transitie en Recht op reparatie.

2. Het scheppen van voorwaarden voor een goed functionerende digitale economie

Het faciliteren van de transitie naar een welvarende en weerbare digitale economie is één van de strategische doelen van EZ. In de Strategie Digitale Economie staan de ambities, doelstellingen en acties van EZ op het gebied van de digitale economie richting 2030 verder uitgewerkt (Kamerstuk 26 643, nr. 941). De tweede voortgangsrapportage is in maart 2025 aan de Kamer aangeboden (Kamerstuk 26 643, nr 1309).

Stimuleren digitale innovatie en vaardigheden

AI-innovatie

Veel organisaties zien de kansen van AI, maar lopen vast zodra toepassing vraagt om gerichte keuzes, data, kennis en kunde. Daarom zijn vanuit het AiNed-programma in 2025 nieuwe activiteiten gestart, w.o. vier Innovatielabs en vijf Learning Communities. In deze samenwerkingsverbanden van kleine en grote bedrijven en onderzoeks- en onderwijsinstellingen wordt gewerkt aan innovatieve AI-oplossingen o.a. voor de zorg en de maakindustrie, kennisopbouw en onderwijsmethoden. Voor de niet technisch aspecten van verantwoorde AI zijn vier nieuwe ELSA-labs gestart, o.a. op het gebied van duurzame energie, zorg en stedelijke mobiliteit. Via de MIT AI-regeling voor het MKB zijn veertien nieuwe projecten gestart voor sectorale AI-toepassingen, o.a. voor voorspellend onderhoud van windturbines, optimaal energiegebruik, AI-gestuurde onkruidbestrijding en monitoring van bestuiving in kassen.

We gaan een AI-fabriek in Groningen realiseren, bestaande uit een AI-supercomputer en een AI-kenniscentrum, op basis van een investering van rond de € 200 mln, waarvan € 70 mln van het Rijk, € 60 mln van Regio Noord (Nij Begun) en € 70 mln van EuroHPC. Daarmee kunnen MKB-bedrijven, onderzoekers, consortia en overheden de komende jaren geavanceerde AI-modellen ontwikkelen voor in ieder geval veiligheid, zorg, landbouw, energie, overheidsdienstverlening, onderzoek, onderwijs en de (maak)industrie.

Cloud innovatie

Binnen het Important Project of Common European Interest on next generation Cloud Infrastructure and Services zijn drie Nederlandse projecten actief die lopen tot 2028. De totaal toegekende steun vanuit het Rijk is € 71,2 mln. In 2025 zijn de consortia achter deze projecten doorgegaan met de uitvoering van de projectplannen. Ook is gewerkt aan de voorbereiding van de Algemene Vergadering van het IPCEI CIS in Rotterdam in maart 2026, een bijeenkomst waar cloudbedrijven vanuit de hele EU bij worden verwacht. In juni 2025 heeft de branchevereniging Dutch Cloud Community in samenspraak met EZ een bijeenkomst georganiseerd om Nederlandse cloudbedrijven te informeren over Eurostack en andere innovatieve EU samenwerkingsprojecten.

Nationaal Onderwijslab AI

In 2025 is NOLAI gestart met 7 nieuwe co-creatie projecten wat het totaal op 25 co-creatie projecten brengt. In co-creatie projecten brengt NOLAI scholen, wetenschappers en het bedrijfsleven samen om prototypen van verantwoorde, educatieve AI te onderzoeken, ontwikkelen, en implementeren. Verder is NOLAI bezig met een co-implementatie pilot, hier worden kansrijke prototypes uit het co-creatie programma door ontwikkelt tot een schaalbaar product. In deze pilot werken NOLAI, Snappet en Lucas Onderwijs samen aan een methodiek voor deze co-implementatie en ontwikkelen tegelijkertijd een product voor curriculum-adaptiviteit in het rekenonderwijs. Tenslotte is NOLAI ook gestart met de EdTech ecosysteem pilot. Het doel van de EdTech Ecosysteem Pilot is het ondersteunen en verstevigen van het Nederlandse EdTech-ecosysteem. Hiermee wordt de ontwikkeling van digitale intelligente onderwijsinnovaties gestimuleerd en worden Nederlandse start-ups en scale-ups beter toegerust op het betreden ván en doorgroeien óp de (inter)nationale markt van het funderend onderwijs. NOLAI heeft een rapport opgesteld om beter te begrijpen hoe het Nederlandse EdTech-ecosysteem momenteel functioneert, waar het vastloopt en wat nodig is om van gefragmenteerde innovatie te komen tot bewezen impact op schaal.

Creëren van de juiste randvoorwaarden voor goedwerkende digitale markten en diensten

In 2025 zijn Europese regels in werking getreden of zijn onder invloed van EZ mijlpalen bereikt bij aankomende regelgeving om digitale markten beter te laten werken. Dit zijn de volgende wetgevingsonderdelen:

Digital Services Act (DSA)

De Digital Services Act harmoniseert de regels die van toepassing zijn op zogenaamde aanbieders van tussenhandeldiensten, waaronder online platforms, online marktplaatsen, sociale mediadiensten, hostingdiensten en internetaanbieders. De DSA bevat enerzijds een kader voor de aansprakelijkheid van aanbieders van tussenhandeldiensten voor door hun gebruikers verstrekte informatie en anderzijds een aantal zorgvuldigheidsverplichtingen waar deze aanbieders aan moeten voldoen bij het verlenen van hun diensten.

De DSA is sinds 17 februari 2024 van toepassing op alle aanbieders van tussenhandeldiensten.31 Op 15 oktober 2024 is het wetsvoorstel Uitvoeringswet digitaledienstenverordening (Kamerstuk 36 531 nr. A) aangenomen door de Tweede Kamer en op 28 januari 2025 door de Eerste Kamer. Op 3 februari 2025 is het in het Staatsblad gepubliceerd (Stb. 2025, 21). Sindsdien kunnen de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) de DSA handhaven en uitvoeren, hetgeen zij ook doen. Zo is de ACM een onderzoek gestart naar Snapchat in verband met de handel in illegale vapes via die dienst. Daarnaast kunnen onderzoekers bij de ACM nu een aanvraag indienen om toegang te krijgen tot niet-openbare data van grote online platforms en zoekmachines en heeft de ACM vier trusted flaggers gecertificeerd.

Digital Markets Act (DMA)

Daarnaast is in 2025 de uitvoeringswet voor het toezicht op de Digital Markets Act (DMA) door de ACM in werking getreden. Medio 2025 heeft de Europese commissie een start gemaakt met de evaluatie van de DMA. EZ heeft hier een bijdrage aan geleverd, conform bestaand kabinetsbeleid. De evaluatie zal de eerste effecten van het toezicht op de DMA  inzichtelijk maken. Verder is in 2025 het marktordeningskader opgeleverd aan de Tweede Kamer (Kamerstuk 32 637, nr. 687), zodat ook bij nieuwe ontwikkelingen inzichtelijk blijft wanneer digitale markten goed werken.

Dataverordening

De Dataverordening heeft als doel eerlijke toegang tot data en gebruikersrechten in de data-economie te versterken. Deze verordening is gericht op het benutten van kansen van data en bevat nieuwe regels voor het gebruik van en toegang tot data in de EU. De regels uit de Dataverordening zijn per september 2025 van toepassing. In november 2025 is de Uitvoeringswet Dataverordening in werking getreden. De uitvoeringswet wijst de ACM aan als coördinerend toezichthouder. De ACM is ook belast met het toezicht op de meeste onderdelen van de verordening. De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) is aangewezen als toezichthouder voor het onderdeel dat gaat over het opvragen van gegevens door overheidsinstanties in situaties van uitzonderlijke noodzaak en specifieke bepalingen die zien op verwerking van persoonsgegevens en uitleg van AVG-begrippen.

AI-verordening

De AI-verordening creëert een Europees regelgevend kader voor kunstmatige intelligentie in de EU. De AI-verordening is op 12 juli 2024 gepubliceerd en op 1 augustus 2024 in werking getreden. De regels worden stapsgewijs van toepassing tussen 2025 en 2030. Effectief toezicht en handhaving is van groot belang om te zorgen dat de AI-verordening er daadwerkelijk toe bijdraagt dat AI op de Europese markt veilig is en fundamentele rechten niet schaadt. Het Ministerie van EZ bereidt in samenwerking met andere ministeries uitvoeringswetgeving voor om de verordening in Nederland uit te voeren, waaronder de inrichting van het nieuwe AI-toezichtstelsel. In 2025 heeft het Ministerie van EZ zich ingespannen om met name mkb op laagdrempelige manier te informeren over de AI-verordening, onder andere via de actualisatie van de Gids AI-verordening. In 2025 is de pilot voor een Nederlandse AI Regulatory Sandbox afgerond. In een regulatory sandbox zoals voorgeschreven door de AI-verordening bieden toezichthouders ondersteuning aan aanbieders van AI-systemen die tijdens de ontwikkeling vragen hebben over hoe zij aan de AI-verordening kunnen voldoen zodat zij hun product conform de regels op de markt kunnen brengen. Op basis van de pilot is een voorstel geformuleerd voor de inrichting van deze sandbox in Nederland.

eIDAS verordening - vertrouwensdiensten

In 2025 is EZ betrokken geweest bij de onderhandelingen ten aanzien van de twintig uitvoeringsverordeningen die de herziening van de eIDAS verordening heeft voorgeschreven. Op een enkele uitvoeringsverordening na zijn deze nu afgerond. Verder heeft EZ vanuit de revisie van de eIDAS verordening de plicht om gratis gekwalificeerde handtekeningen voor burgers te realiseren. In 2025 is in eerste instantie in opdracht van EZ een verkenningsfase uitgevoerd. Aan de hand van de adviezen uit deze fase, is vervolgens medio 2025 een overeenkomst met DICTU gesloten om de praktische uitvoering ter hand te nemen. Ook is verder gewerkt aan de Nederlandse uitvoeringswet die hoort bij de revisie van de eIDAS verordening. De onderdelen daarin onder verantwoordelijkheid van EZ zijn gereed voor het verdere wetgevingsproces. Dit proces wordt vervolgd wanneer de onderdelen onder verantwoordelijkheid van BZK, eerstverantwoordelijk voor de uitvoeringswet, eveneens gereed zijn.

In 2024 heeft de Minister van EZ aan de Tweede Kamer toegezegd om meer te communiceren over vertrouwensdiensten. Ter uitvoering van die toezegging is in 2025 een gids met uitleg over vertrouwensdiensten samengesteld en gepubliceerd en een symposium over vertrouwensdiensten georganiseerd.32

Behouden en versterken van een veilige, betrouwbare en hoogwaardige digitale infrastructuur

Nederland heeft zich in 2025 ingezet voor de beïnvloeding van het in 2026 verwachte nieuwe voorstel van de Europese Commissie voor een Digital Networks Act, onder andere met het non-paper Digital Connectivity van mei 2025 (Bijlage bij Kamerstuk 21 501-33, nr. 1130). Daarnaast is digitale infrastructuur aangemerkt als een van de twaalf nationale belangen in de ontwerpnota Ruimte (Kamerstuk 29 435 nr. 269)

Gigabit Infrastructure Act

Op 11 november 2025 is de Gigabit Infrastructure Act (GIA) grotendeels van kracht geworden, met uitzondering van enkele bepalingen die een langere termijn kennen. Deze verordening moet ervoor zorgen dat het gemakkelijker en goedkoper wordt om glasvezel en 5G in de EU aan te leggen. In de zomer van 2025 is het concept wetsvoorstel ter uitvoering van de verordening openbaar geconsulteerd. Nederland zet zich met de uitvoeringswet in voor een proportionele uitvoering die onnodige administratieve lasten voorkomt en voor zo veel mogelijk behoud van de staande nationale praktijk m.b.t. de aanleg van glasvezel en 5G.

Frequentiebeleid: beschikbaarstelling van frequentieruimte

Samen met de andere EU-lidstaten heeft Nederland een opinie opgesteld over de toekomstige beschikbaarstelling van een deel van de 6 gigahertz frequentieband voor mobiel gebruik met mogelijk ook ruimte voor extra bandbreedte voor wifi. Onderzoek is afgerond naar de waarde van alternatieve bestemmingen in de 3,8-4,2 gigahertz frequentieband. Ten behoeve van commerciële radio-omroep zijn veilingen uitgevoerd voor de verdeling van 27 niet-landelijke FM/DAB+-kavels en 44 niet-landelijke DAB-only vergunningen.

Actieplan Duurzame Digitalisering

Op 19 november 2025 stuurde de Minister van Economische Zaken, mede namens de Minister van Klimaat en Groene Groei, de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, het Actieprogramma Duurzame Digitalisering 2026 ‒ 2028 naar de Tweede Kamer (Kamerstuk 2025D47122). Dit programma bouwt voor op het Actieplan Duurzame Digitalisering dat eind 2025 afliep en waarvan een voortgangsrapportage is bijgesloten bij de Kamerbrief van 19 november. Deze rapportage bevat feedback die is opgehaald vanuit de private sector, de betrokken overheidsorganisaties en de Europese Commissie. Hieruit blijkt dat de Nederlandse publiek-private samenwerking o.h.g.v. duurzame digitalisering als Europese best practice wordt gezien. Ook bevat deze rapportage een overzicht van de status van de 44 acties die opgenomen zijn in het Actieplan en grotendeels tijdig zijn afgerond.

Versterken cybersecurity

Versterken cybersecurity: een veilige digitale samenleving

Met de toegenomen digitale dreigingen blijft cybersecurity een urgent thema voor de Nederlandse digitale economie en samenleving. In 2025 is onder regie van het Ministerie van Justitie en Veiligheid verder gewerkt aan het implementeren van de Nederlandse Cybersecurity Strategie (NLCS) (Kamerstuk 26 643, nr. 1229). EZ richt zich op de thema’s consumentenbescherming en de versterking van de digitale weerbaarheid van het bedrijfsleven. Dit betekent dat het aanbod van ICT-producten en diensten veiliger moet worden en dat consumenten en bedrijven zich bewuster moeten worden van digitale dreigingen en risico’s en daar meer weerbaar tegen worden.

Cybersecurity innovatie

Om cybersecurityinnovatie en –kennisontwikkeling te bevorderen zijn er in 2025 investeringen gedaan in verschillende onderzoekscalls. Vanuit EZ, BZK, JenV en AIVD is een gezamenlijke investering van in totaal € 9 mln gedaan in een wetenschappelijk programma voor weerbare digitale ecosystemen, onder de Nationale Wetenschapsagenda Programmalijn 2 (NWA Lijn 2) van NWO. Ook is er een call opgezet van € 1,75 mln voor het ontwikkelen van Cybersecurity Learning Communities om de samenwerking van hogescholen, bedrijven en kennisinstellingen te bevorderen, en daarmee een impuls te geven aan talentontwikkeling. Verder zijn er voorbereidingen getroffen voor een subsidie van € 2,5 mln (Cybersecurity Innovation Fund – CIF-NL) aan o.a. mkb'ers voor het ontwikkelen van innovatieve producten en diensten die bijdragen aan het verhogen van de cyberweerbaarheid, en is de actielijn Cybersecurity onder het bredere programma Human Capital Agenda ICT (HCA ICT) verder opgezet.

Cyber Resilience Act

Op 11 december 2024 is de Cyber Resilience Act gepubliceerd. Deze Europese verordening schrijft essentiële cybersecurityvereisten voor ten aanzien van producten met digitale elementen (vrijwel alle hardware, software en componenten) die vanaf 11 december 2027 op de interne markt worden aangeboden. Ook moeten fabrikanten er gedurende de hele verwachte gebruiksduur met gratis veiligheidsupdates voor zorgen dat de producten veilig blijven. RDI is de verantwoordelijke markttoezichtautoriteit. Daarnaast geldt er vanaf 11 september 2026 een meldplicht voor incidenten en voor actief geëxploiteerde kwetsbaarheden. Daarvoor is het NCSC verantwoordelijk, onder opdrachtgeverschap van EZ. Het kabinet heeft zich sinds 2021 actief ingezet voor dergelijke horizontale Europese wetgeving om fabrikanten verantwoordelijk te maken voor de cybersecurity van digitale producten (Kamerstuk 22 112, nr. 3734). Het wetsvoorstel voor de Uitvoeringswet verordening cyberweerbaarheid is op 22 december 2025 ingediend bij de Tweede Kamer.

Digital Trust Center

Het Digital Trust Center (DTC) helpt bedrijven en organisaties met advies en tools om veilig digitaal te ondernemen. Het DTC heeft zich in 2025 met onverminderde energie ingezet om de € 2,4 mln niet-vitale bedrijven digitaal weerbaarder te maken. Via de website, webinars en evenementen is praktische informatie en advies gegeven op tal van onderwerpen zoals basisprincipes voor cyberweerbaarheid, digitale risico’s via toeleveringsketens en NIS2 voor toeleverende bedrijven. De website is ruim 430.000 keer bezocht. Via interactieve tools worden bedrijven verleid om in actie te komen en stappen te zetten in het verbeteren van hun cyberveiligheid. Van de interactieve zelfscans, PDF’s, quizzen, beslisbomen en video’s, is ruim 25.000 keer gebruik gemaakt. De CyberVeilig Check voor zzp en mkb is met 11.000 op maat gemaakte actielijsten de door bedrijven het meest gebruikte tool van het Digital Trust Center.

Kleine ondernemers (1 tot en met 50 medewerkers) konden in 2025 met behulp van de subsidieregeling «Mijn Cyberweerbare Zaak» subsidie aanvragen. Voor deze regeling was een maximaal budget beschikbaar van € 1 mln. Er zijn 1.171 subsidieaanvragen gedaan voor een totaal aangevraagd subsidiebedrag van € 1.189.293.

De DTC Community heeft in 2025 maar liefst 1.650 nieuwe leden verwelkomd. Bij dit online platform voor uitwisseling van cyberkennis en -informatie zijn nu ruim 6.400 ondernemers, CISO’s en IT-professionals aangesloten. Het totaal aantal notificaties dat sinds de start in juni 2021 verstuurde aan bedrijven (‘gevraagd’ en ‘ongevraagd’) is ruim 400.000. Door het verzenden van deze waarschuwingen kunnen ondernemers tijdig reageren om bijvoorbeeld een beveiligingslek te herstellen. In het kader van Doelwit- en Slachtoffernotificatie zijn in 2025 662.772 systemen genotificeerd.

Verder is in 2025 door intensieve samenwerking tussen betrokken partijen stevig verder gewerkt aan de totstandkoming van de nieuwe nationale cybersecurityorganisatie. De integratie van het CSIRT voor Digitale Diensten en het DTC is eind 2025 geformaliseerd.

Om bewustwording onder burgers op het gebied van digitale weerbaarheid te stimuleren, specifiek rondom het gebruik van slimme apparaten zoals de slimme meter, smart TV, slimme wasmachine, is in 2025 de laatste publiekscampagne ‘Doe je updates’ uitgevoerd.

Richtlijn Netwerk- en informatiesystemen (NIS2)

De cyberbeveiligingswet (Cbw) ter implementatie van de herziening van de richtlijn netwerk- en informatiebeveiliging (de NIS2-richtlijn) is in juni 2025 door de Minister van Justitie en Veiligheid bij de Tweede Kamer ingediend. Daarnaast is het concept-cyberbeveiligingsbesluit eind 2025 voor advies aan de Raad van State aangeboden. De Minister van Economische Zaken heeft eind 2025 de concept-regeling cyberbeveiliging EZ geconsulteerd. Eveneens bereiden de RDI alsmede het NCSC zich voor op hun toezichthoudende- respectievelijk CSIRT-taken die zij op grond van de Cbw zullen krijgen.

Digitale open strategische autonomie (DOSA)

Op nationaal en Europees vlak is de aandacht voor digitale open strategische autonomie sterk gegroeid. De Agenda DOSA is hierin richtinggevend en is inzet geweest bij onder meer de onderhandelingen over de Europese verklaring over digitale soevereiniteit en als aanpak gebruikt bij ontluikende werkzaamheden binnen BZK over digitale autonomie. EZ heeft daarnaast drie afhankelijkhedenanalyses afgerond, voor AI, netwerktechnologie en cryptografie. Hiermee is een beter beeld geschetst van de (risicovolle) strategische afhankelijkheden op deze terreinen. Voor cloud is een afhankelijkhedenanalyse opgestart.

Versnellen digitalisering mkb

Deze pijler uit de Strategie Digitale Economie wordt uitgevoerd en verantwoord via de middelen op artikel 2.

Tabel 7 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 1 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting1

Verschil

 

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Verplichtingen

258.215

362.214

349.133

517.431

518.602

469.758

48.844

        

Uitgaven

260.228

291.380

335.956

457.440

437.341

465.763

‒ 28.422

        

Subsidies

3.625

16.262

31.800

60.468

114.445

138.748

‒ 24.303

Cyber security

677

966

6.416

4.879

6.967

1.176

5.791

Telecom Caribisch Nederland

2.890

3.629

3.560

10.361

4.772

3.500

1.272

EU-cofinanciering Digital Europe

  

4.246

4.050

6.131

13.050

‒ 6.919

Beter aanbesteden

58

488

297

285

9

 

9

AI-fabriek

    

5.600

 

5.600

NGF - project AiNed

 

5.719

10.519

17.049

16.911

36.841

‒ 19.930

NGF - project Nationaal onderwijslab

 

5.460

6.538

 

7.695

9.821

‒ 2.126

NGF - project 6G Future Network Services

   

23.818

24.608

25.759

‒ 1.151

NGF - projecten subsidie route

    

22.067

20.201

1.866

Inkoopdomein

  

224

26

213

 

213

Digitale veiligheid

    

19.472

28.400

‒ 8.928

        

Opdrachten

28.978

20.008

31.500

108.176

20.313

47.097

‒ 26.784

Onderzoek en Opdrachten

2.040

1.571

2.484

3.248

3.180

6.904

‒ 3.724

Beleidsvoorbereiding en evaluaties Frequenties en Veiligheid

5.413

6.112

3.693

3.924

4.088

4.108

‒ 20

Digital trust centre

356

227

408

1.208

610

6.936

‒ 6.326

Cyber security

689

2.180

4.083

4.833

5.279

11.609

‒ 6.330

ICT beleid

5.673

7.031

8.298

5.236

4.354

8.338

‒ 3.984

Terugbetaling boetes ACM

14.228

1.633

11.338

89.270

2.721

 

2.721

CSIRT-DSP

 

3

19

30

4

6.971

‒ 6.967

Nationaal Groeifonds

579

1.251

1.177

427

77

2.231

‒ 2.154

        

Bijdragen aan agentschappen

47.694

51.255

67.540

73.798

72.843

69.372

3.471

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

14.626

15.166

23.599

26.532

23.896

15.783

8.113

Rijksinspectie Digitale Infrastructuur

33.068

36.089

43.941

47.266

48.947

53.589

‒ 4.642

        

Bijdragen aan ZBO’s /RWT’s

176.185

200.228

201.068

210.444

225.468

205.821

19.647

Metrologie

15.980

11.524

17.293

12.029

19.332

12.924

6.408

Raad voor Accreditatie

274

1.099

1.394

1.615

640

838

‒ 198

ACM

670

712

726

749

798

899

‒ 101

CBS

159.261

186.893

181.655

196.051

204.698

191.160

13.538

        

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

3.746

3.625

4.048

4.553

4.269

4.725

‒ 456

Nederlands Normalisatie Instituut (NEN)

1.187

1.245

1.254

1.390

1.390

1.468

‒ 78

Internationale organisaties

2.559

2.380

2.794

3.163

2.879

3.257

‒ 378

        

Ontvangsten

428.676

120.881

171.159

220.117

13.881

43.679

‒ 29.798

Ontvangsten ACM

163

162

162

162

162

162

0

High Trust

6.846

117.969

28.060

6.454

2.194

41.550

‒ 39.356

Diverse ontvangsten

421.667

2.750

142.937

213.502

10.984

1.967

9.017

NGF - project AINed

    

50

 

50

NGF - projecten subsidie route

    

490

 

490

1

Stand inclusief amendementen, moties en NvW.

Verplichtingen

Voor artikel 1 is in 2025 voor € 48,8 mln meer aan verplichtingen aangegaan dan origineel geraamd bij de Ontwerpbegroting. De belangrijkste oorzaken zijn als volgt:

  • Het aangaan van de verplichting voor het realiseren van de AI-fabriek (€ 131,5 mln). Deze middelen waren nog niet geraamd bij de Ontwerpbegroting aangezien zij pas zijn toegekend bij de eerste suppletoire begroting.

  • Voor het NGF-project AiNed is € 31,9 mln minder aan verplichtingen gerealiseerd dan origineel geraamd. De oorzaak hiervan is de vertraging op het NGF-project waarbij een verplichtingenschuif is doorgevoerd op basis van het nieuwe uitbetalingsritme welke rekening houdt met deze vertraging.

  • Door de overheveling van middelen naar het NCSC voor de uitvoering van de sectorale CSIRT-taken die voortvloeien uit de NIS2 is € 7,0 mln minder verplicht in 2025 dan origineel geraamd.

  • Voor de uitvoering van de Metrologiewet is € 32 mln minder aan verplichtingen aangegaan dan origineel geraamd. Dit is het gevolg van een verplichtingenschuif van naar latere jaren. Deze heeft betrekking op de bijdrage aan VSL voor de uitvoering van hun wettelijke taak in het kader van de Metrologiewet. Eerder is de verplichtingenruimte naar voren geschoven van 2026 t/m 2028 naar 2025, echter het naar voren halen van de verplichtingenruimte blijkt in de praktijk niet met de voorziene werkwijze voor een subsidiekader en jaarlijkse beschikkingen te werken.

Uitgaven

Subsidies

Cyber security

Voor de post Cyber security is € 5,8 mln meer gerealiseerd dan origineel geraamd bij de Ontwerpbegroting. De oorzaken hiervan zijn het beschikbaar stellen van middelen ter financiering van de jaarbundel 2026 voor de Electronic Commerce Platform (ECP) en Small Business Innovation projecten (SBIR) alsmede middelen die beschikbaar zijn gesteld vanuit Digital Trust center voor de uitvoering van hun subsidies (Mijn cyberweerbare zaak).

EU-cofinanciering Digital Europe

Voor Digital Europe zijn er middelen overgeheveld naar verschillende uitvoeringsorganisaties voor de uitvoering van verschillende onderdelen van de EU-programma Digital Europe (Europese Digitale Innovatie Hubs en large Scale Pilots eIDAS).

AI-fabriek

Dit betreft middelen voor de investering in de AI-fabriek vanuit verschillende financieringsbronnen (BZK/ Nij Begun, DEF, OCW, VWS en LVVN). Om de middelen voor de AI-fabriek in de juiste ritme te krijgen voor de subsidiebeschikking aan het consortium om uitvoering te geven aan de AI-fabriek, zijn de kasmiddelen bij de suppletoire begroting september in het juiste ritme geplaatst waarvan € 0,5 mln in 2025. Bij de tweede suppletoire begroting is een bedrag van in totaal € 5,1 mln naar voren gehaald om tijdig voorbereidingen te kunnen treffen om de benodigde activiteiten op te kunnen starten, onder andere dat er voldoende praktijktoepassingen beschikbaar zijn om AI-modellen te trainen, en dat er tijdig een breed scala aan databronnen op een verantwoorde manier toegankelijk wordt gemaakt voor het gebruik van AI.

NGF-project AiNed

Voor het NGF-project AINed is € 19,9 mln minder gerealiseerd dan origineel geraamd bij de Ontwerpbegroting. De oorzaak hiervan is dat Voor het NGF-project AINed alle niet bestede middelen, als gevolg van vertragingen in 2024 (€ 15,8 mln), zijn toegevoegd aan het budget voor 2025 via de 100% eindejaarsmarge die voor alle NGF-projecten geldt. In aanvulling hierop is er door dezelfde vertraging een kasschuif doorgevoerd op basis van het nieuwe uitbetalingsritme welke rekening houdt met deze vertraging.

Digitale Veiligheid

Het verschil van € 8,9 mln voor de post Digitale Veiligheid is ontstaan als gevolg van een kasschuif bij de suppletoire begroting september waarbij de middelen op basis van een geactualiseerde raming in het juiste kasritme geplaatst zijn.

Opdrachten

Digital trust center

Op het financiële instrument zijn middelen gereserveerd voor de uitvoering van de subsidies van het Digital Trust Center (DTC) welke zijn overgeheveld naar het RVO. Daarnaast zijn ook middelen overgeheveld voor het personeel ten behoeve van het DTC.

Cyber security

Het verschil tussen de realisatie en wat origineel geraamd was bij de Ontwerpbegroting komt hoofdzakelijk door overheveling van middelen voor onder andere de uitvoerring van het Programmabureau Dcypher door RVO alsmede de uitvoering van de Small Business Innovation (SBIR) en National Coordination Centre (NCC).

CSIRT-DSP

Het verschil wordt voornamelijk veroorzaakt door de overheveling van middelen naar het NCSC voor de uitvoering van de sectorale CSIRT-taken die voortvloeien uit de NIS2.

Bijdragen aan agentschappen

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

Het verschil van € 8,1 mln wordt voornamelijk veroorzaakt door de overhevelingen van middelen voor de opdracht aan RVO voor het jaar 2025. Het betreft uitvoeringskosten van onder meer het Nationaal Groeifonds, en de subsidieregelingen Cyberweerbaarheid en Mijn cyberweerbare zaak.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Metrologie

Het verschil van € 6,4 mln wordt voornamelijk veroorzaakt door het vervangen van verschillende meetapparaturen die zijn verouderd. Een bedrag van € 6 mln wordt ingezet om deze verouderde (meet)apparaturen te vervangen die bijdragen aan de kalibraties van meetstandaarden in de Nederlandse industrie, maatschappelijke instellingen en binnen de zorg conform de Metrologiewet.

CBS

Het verschil ter hoogte van € 13,5 mln wordt veroorzaakt door de uitkering van de loon- en prijsbijstelling alsmede verschillende opdrachten in het kader van Werk aan Uitvoering (WaU) en aanvullende verplichtingen vanuit de EU voor het aanleveren van statistieken.

Ontvangsten

High Trust

De High Trust-ontvangsten vallen lager uit dan geraamd. Deze ontvangsten bestaan voornamelijk uit door de ACM ontvangen boetes. Die fluctueren door de jaren heen. Dit komt onder andere door het aantal en de hoogte van door de ACM opgelegde boetes. De ACM is hierin volledig onafhankelijk.

Diverse ontvangsten

Het verschil aan diverse onvangsten voornamelijk de gedeeltelijke ontvangsten (€ 4,7 mln) van de veiling van vergunningen voor niet-landelijke commerciële radio (FM en DAB+) welke in 2025 heeft plaatsgevonden. Daarnaast betreft het ontvangsten voor de bemiddelingsdiensten voor eindgebruikers met een hoor- of spraakbeperking (€ 4,2 mln) welke het Ministerie van EZ jaarlijks voorfinancieert. De geregistreerde aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken- en diensten dragen uiteindelijk de kosten.

31

De verordening was sinds 25 augustus 2023 al van toepassing op 17 aanbieders van zeer grote online platforms en twee aanbieders van zeer grote online zoekmachines die op 25 april 2023 als zodanig zijn aangewezen door de Europese Commissie.

Beleidsartikel 2 Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei

Het bedrijvenbeleid ondersteunt de transitie naar een duurzame, weerbare en inclusieve economie met een sterk verdienvermogen, een hoge arbeidsproductiviteit(groei) en een sterk ondernemings- en vestigingsklimaat dat bijdraagt aan de welvaart van alle burgers nu en in de toekomst.

De maatschappelijke bijdrage van bedrijven is groot. Een gezonde economie en florerende bedrijven zijn noodzakelijk voor de welvaart in Nederland. Ze bieden voor veel mensen bestaanszekerheid. Zonder een stabiele economie en een krachtig mkb zijn er geen banen en is er geen geld voor publieke voorzieningen. Ondernemers zijn nodig om te investeren en zijn van grote waarde voor onze samenleving. Door innovatie en ondernemerschap te bevorderen draagt het bedrijvenbeleid bij aan brede welvaartsgroei, door economische vooruitgang op een evenwichtige wijze te combineren met een hoge kwaliteit van onze leefsituatie. Opdat Nederland internationaal aantrekkelijk blijft om in te wonen, te werken en te leven.

Bedrijven spelen ook een onmisbare rol bij het voorzien in de basisbehoeften, de materiële welvaart en de maatschappelijke vooruitgang waarop onze samenleving drijft: voedsel, medische hulpmiddelen, huizen, werk, inkomen, ontplooiingsmogelijkheden, mobiliteit, connectiviteit, energie, (economische) veiligheid, ontspanningsmogelijkheden in de vrije tijd en digitale diensten. Dit geldt ook op het terrein van verduurzaming zoals met zonnepanelen, windmolens, energiebesparingsmogelijkheden, de ontwikkeling van alternatieve energiebronnen zoals waterstof en bij het realiseren van maatschappelijke vernieuwing door te investeren in de ontwikkeling van de technologieën van de toekomst en toepassingen te ontwikkelen van nieuwe sleuteltechnologieën. Bedrijven dragen op deze manier wezenlijk bij aan de kwaliteit van ons bestaan. Ze vervullen daarmee een sleutelrol in onze samenleving.

De overheid geeft bedrijven de ruimte om te ondernemen en stuurt bij waar nodig. Hiervoor schept de overheid randvoorwaarden. De overheid kan helpen waar het knelt om maatschappelijke opgaven te behalen. Bijvoorbeeld door netcongestie aan te pakken. Een sterk ondernemersklimaat is gebaat bij voldoende ruimte voor ondernemen en werken, zowel op bedrijventerreinen als in de stad.

Samenwerking en maatschappelijke betrokkenheid is cruciaal voor onze welvaartsgroei. Samenwerking tussen grote internationaal opererende ondernemingen en het midden- en kleinbedrijf inclusief startups en scale-ups is essentieel voor het ondernemerssucces. Ook internationale samenwerking is onmisbaar voor een open economie als de onze. Strategische samenwerking tussen bedrijven, onderwijs en kennisinstellingen is belangrijk omdat de wetenschap en de (hoge)scholen fundamentele ideeën en ontwikkelcapaciteit bieden, en het bedrijfsleven de mogelijkheden ziet waar nieuwe technologieën kunnen worden toegepast in nieuwe producten of productieprocessen. Deze samenwerking is ook belangrijk op het terrein van de maatschappelijke uitdagingen zoals fossielarm energiegebruik, gezondheid, hybride werken en (economische) veiligheid. Door ruimte te geven aan ondernemende geesten ontstaan kansen voor bestaande en nieuwe bedrijven. Dat gebeurt in partnerschap tussen Rijk, regionale overheden, Europa en met bilaterale internationale samenwerking.

Een stabiele Nederlandse economie en gezonde bedrijven kunnen niet zonder een goed vestigingsklimaat. Het kabinet heeft de ambitie om weer tot de top-5 van meest concurrerende landen wereldwijd te horen. Kijkend naar de internationale ranglijsten dan behoort Nederland vaak tot de mondiale top van de meest dynamische en concurrerende (kennis)economieën ter wereld. In de basis kent Nederland dan ook een goede uitgangspositie. Toch zijn er aandachtspunten en is ons concurrentievermogen geenszins een vanzelfsprekendheid. Het belastingklimaat, uitvoerbaarheid van regelgeving, financiering (specifiek durfkapitaal), voorspelbaarheid van beleid en het sentiment over het bedrijfsleven komen naar voren als algemene verbeterpunten, zo blijkt uit de Monitor Ondernemingsklimaat 2024.

Nederland kent een solide ondernemingsklimaat, maar de kunst is dit hoge niveau vast te houden en tijdig verbetering aan te brengen waar nodig. Het kabinet versterkt het verdienvermogen, het ondernemingsklimaat en de bestaanszekerheid. Dat doen we samen met bedrijven, werkenden, vakbonden, maatschappelijke organisaties en medeoverheden. Het verbeteren van het Nederlandse ondernemersklimaat en het terugdringen van de regeldruk zijn belangrijke stappen om ondernemers in hun kracht te zetten. Bovendien moet er voldoende fysieke ruimte komen voor bedrijven en moeten we ons mkb en grootbedrijf beschermen en weerbaarder maken tegen buitenlandse dreigingen. Onze kenniseconomie maakt Nederland tot een aantrekkelijk doelwit voor landen die kennis en technologie willen vergaren ten gunste van hun eigen (technologische) positie. Geopolitiek spanningen verhogen de risico’s voor onze economische veiligheid. Dit vraagt om een aanpak die deze risico’s adequaat ondervangt en de weerbaarheid van Nederland versterkt.

Om het verdienvermogen te versterken zet het Kabinet in op het realiseren van de volgende drie strategische doelen op terrein van bedrijfsleven & innovatie:

  • 1. Het bevorderen van een innovatieve, concurrerende en weerbare economie voortbouwend op de sterktes van de Nederlandse ecosystemen met een sterke positionering op de groeimarkten van de toekomst.

  • 2. Een goed functionerend en maatschappelijk verantwoord bedrijfsleven door het waarborgen van een sterk ondernemings- en vestigingsklimaat met optimale randvoorwaarden voor succesvol ondernemerschap.

  • 3. Het faciliteren van de transitie naar een toekomstbestendige circulaire en inclusieve economie.

1) Het bevorderen van een innovatieve, concurrerende en weerbare economie voortbouwend op de sterktes van de Nederlandse ecosystemen met een sterke positionering op de groeimarkten van de toekomst

Innovatie is één van de belangrijkste bronnen voor economische groei, welvaart en vooruitgang op tal van maatschappelijke terreinen. Succesvolle innovaties creëren niet alleen toegevoegde waarde, maar bieden ook (deel)oplossingen voor de maatschappelijke vraagstukken, onder meer op de terreinen «Energietransitie», «Circulaire Economie», «Landbouw, Water en Voedsel», «Gezondheid en Zorg» en «Veiligheid». Om bedrijven aan te zetten tot innovatie, stimuleert en financiert de overheid onderzoek en ontwikkeling (R&D) bij publieke kennisinstellingen en bedrijven. Dat gebeurt met generiek beleid gericht op innovatie in het bedrijfsleven, met gericht industrie- en innovatiebeleid om sterke posities in hoogwaardige waardeketens te realiseren en met missiegedreven innovatiebeleid dat zich richt op het adresseren van maatschappelijke uitdagingen en sterktes in sleuteltechnologieën. Daarnaast zetten we in op de bedrijven van de toekomst met het startup en scale-upbeleid: het beleid voor jonge innovatieve technologie gedreven bedrijven.

Voor een innovatieve economie streeft het kabinet naar de doelstelling om in 2030 3% van het bruto binnenlands product uit te geven aan investeringen in onderzoek en ontwikkeling (R&D). Dit betreft een voortzetting van de door het vorige kabinet geformuleerde ambitie voor de omvang van de R&D-uitgaven in Nederland (Kamerstukken 33 009, nr. 117 en Kamerstuk 33 009, nr. 131), waarbij wordt aangesloten bij de in EU-verband geldende R&D-ambitie van 3% van het bruto binnenlands product in 2030 voor de EU in totaliteit (COM(2023) 168 final). Het kabinet heeft in 2025 een 3%-R&D-actieplan opgesteld om die ambitie op termijn te kunnen realiseren (Kamerstuk 33 009, nr. 165).

Investeren in R&D is echter geen doel op zich, maar vormt één van de fundamenten voor het innovatief vermogen van een land, naast een goed ondernemingsklimaat, een goede kennisinfrastructuur, kennissamenwerking, een goed werkende financieringsmarkt (zie hiervoor ook beleidsartikel 3 van deze begroting) en het beschikbaar zijn van bekwaam personeel. Nederland kan en moet beter presteren bij het toepassen en het economisch en maatschappelijk benutten van kennis. Daarom krijgt in het innovatiebeleid juist dat meer specifieke aandacht: valorisatie van kennis bij publieke instellingen, het vergroten van innovatieve toepassingen door effectieve samenwerking in innovatieecosystemen, het versterken van het ecosysteem voor startups en scale-ups en het realiseren van een excellent toepassingsgericht kennisstelsel gericht op maatschappelijke en economische vooruitgang.

Met het missiegedreven innovatiebeleid worden R&D-investeringen van publieke en private partijen gericht op het vinden van oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen. Dat gebeurt mede met behulp van inzet op sleuteltechnologieën en digitalisering, die een belangrijke rol vervullen bij het adresseren van maatschappelijke uitdagingen en voorts van groot belang zijn voor het economisch verdienvermogen van Nederland. Met de uitvoering van de Kennis- en Innovatieagenda’s en het daaraan gerelateerde Kennis- en Innovatieconvenant voor de periode 2024-2027 wordt invulling gegeven aan dit beleid door bedrijven, kennisinstellingen en overheidspartijen (Kamerstuk 33 009, nr. 135). Daarbij is het missiegedreven innovatiebeleid sterker dan in de periode 2020-2023 gericht op de grote transities waar Nederland voor staat, met name waar het gaat om klimaat/energie, digitalisering en circulaire economie. Ook wordt in de Kennis- en Innovatieagenda’s en het Kennis- en Innovatieconvenant voor de periode 2024-2027 sterker dan voorheen ingezet op het naar de markt brengen van kennis en innovaties, met specifiek inzet op valorisatie en marktcreatie als speerpunt. Dat gebeurt onder andere via het verbinden van de netwerken en instrumenten van de provincies en de ROM’s voor het versterken van de regionale innovatie-ecosystemen met de inzet van de overige partners. Als nieuwe partner levert ook Invest-NL een belangrijke bijdrage aan valorisatie en impact binnen het Kennis- en Innovatieconvenant, door middelen in te zetten langs de lijnen van Capital en Business Development.

Op het terrein van sleuteltechnologieën is een Nationale Technologiestrategie (NTS) opgesteld, die in januari 2024 naar de Tweede Kamer is gestuurd (Kamerstuk 33 009, nr. 140). De strategie geeft bouwstenen voor een strategisch technologiebeleid door 10 prioritaire sleuteltechnologieën te identificeren waar het Nederlandse kennisveld en het Nederlandse bedrijfsleven een positieve impact mee kan maken en waar een unieke Nederlandse positie op mogelijk is. In de context van de Kennis- en Innovatieagenda Sleuteltechnologieën zijn door het veld actieagenda’s opgesteld op de tien kansrijke technologieën uit de NTS. Die zijn in januari 2026 gepubliceerd (website ‘Actieagenda's (NTS)’).

Tezamen met een sterke positie van Nederland in prioritaire sleuteltechnologieën is een goede positionering op groeimarkten een belangrijke uitdaging voor de toekomst van Nederland. In een rapport dat in oktober 2025 naar de Tweede Kamer is gestuurd als bijlage bij de Kamerbrief «Industriebeleid met focus» (Kamerstuk 29826, nr. 277) zijn kansrijke groeimarkten voor Nederland in kaart gebracht. Op basis van deze groeimarkten worden in het nieuwe «Industriebeleid met focus» zes programma’s opgezet, waarbij de Nederlandse positie op deze markten met gericht industriebeleid wordt versterkt. Deze markten zijn gekozen op basis van hun bijdrage aan het verdienvermogen, weerbaarheid en maatschappelijke impact. De komende tijd worden de programma’s verder uitgewerkt. De analyse van groeimarkten heeft reeds input gevormd voor keuzes van prioritaire sleuteltechnologieën in de NTS. Sleuteltechnologieën bieden oplossingen die kunnen worden toegepast in groeimarkten. De keuzes van prioritaire sleuteltechnologieën in de NTS zijn daarom mede op groeimarkten gebaseerd.

Het Nederlandse bedrijfsleven en specifiek onze industrie spelen een cruciale rol in het versterken van de weerbaarheid en het concurrentievermogen van Nederland. De ambitie is het behouden van een veilige en weerbare economie, met een sterk technologisch hoogwaardige industrie als belangrijk onderdeel daarvan. Hiervoor is naast het stimuleren van strategische markten en technologieën, ook het beschermen van onze economische veiligheid van belang. Het kabinet Schoof doet dit door middel protect-beleid (beschermende maatregelen) als promote-beleid (stimulerende en versterkende maatregelen). In september 2023 is een overzicht van het instrumentarium op het gebied van economische veiligheid en een toelichting op de Beschermingsvoorziening Economische Veiligheid gedeeld met de kamer (Kamerstuk 30821, nr. 199).

In 2020 heeft het kabinet Rutte 3 het Nationaal Groeifonds (NGF) opgericht om daarmee vanaf 2021 € 20 mld aan (publieke) investeringen te doen in R&D en innovatie, infrastructuur en kennisontwikkeling (Kamerstuk 35 300, nr. 83). In de vorige kabinetsperiode zijn de middelen herverdeeld, waarbij de middelen voor de pijler ‘Onderzoek, ontwikkeling en innovatie’ en Kennisontwikkeling binnen het Nationaal Groeifonds in totaliteit met € 6,7 mld werden verhoogd en de pijler infrastructuur werd overgeheveld naar het Mobiliteitsfonds. Een deel van de middelen van het NGF vloeit via toekenningen voor NGF-projecten naar artikel 2 van EZ-begroting, waarbij het primair om middelen vanuit de pijler ‘Onderzoek, ontwikkeling en innovatie’ gaat. Er zijn de afgelopen jaren drie indieningsronden geweest voor de aanvraag van middelen uit het NGF ter financiering van projecten. In het hoofdlijnenakkoord van PVV, VVD, NSC en BBB uit mei 2024 is bepaald dat het Nationaal Groeifonds wordt uitgefaseerd door de vierde en de vijfde ronde te laten vervallen.

Vanuit het budget voor Faciliteiten Toegepast Onderzoek (FTO) zijn onder het kabinet Rutte 4 middelen beschikbaar gekomen voor versterking van faciliteiten voor toegepast onderzoek bij TO2-instellingen en Rijkskennisinstellingen (Kamerstuk 31 288, nr. 964). In 2023 heeft de eerste financieringsronde plaatsgevonden. Daarin is een bedrag van € 185 mln aan financiering toegezegd voor 14 hoogwaardige faciliteiten voor toegepast onderzoek (Kamerstuk 27 406, nr. 230). De gehonoreerde investeringsvoorstellen zijn afkomstig van de TO2-instellingen TNO, MARIN, NLR en Wageningen Research en van de Rijkskennisinstellingen Naturalis, Nederlands Forensisch Instituut, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en RIVM. Op advies van de Adviescommissie Faciliteiten voor Toegepast Onderzoek is in aanvulling hierop in 2024 een budget van € 103 mln beschikbaar gesteld voor gezamenlijke voorstellen van TO2-instellingen en Rijkskennisinstellingen op de thema’s digitalisering en duurzaamheid (Kamerstuk 27 406, nr. 230). Voor het bestemmen van de resterende middelen heeft een tweede financieringsronde plaatsgevonden in 2025, waarbij een bedrag van € 105 mln is toegezegd voor 11 onderzoeksfaciliteiten.

Invulling van landspecifieke aanbevelingen van de Europese Commissie

In de landspecifieke aanbevelingen van de Europese Commissie voor Nederland in 2024-2025 (COM(2024) 619 final) zijn in relatie tot artikel 2 van de EZ-begroting enkele aanbevelingen opgenomen ten aanzien van het cohesiebeleid. Aanbevolen is: a) de uitvoering van de cohesiebeleidsprogramma’s te versnellen en 2) in het kader van de tussentijdse evaluatie van die programma’s gericht te blijven op de overeengekomen prioriteiten en voorts het testen en proefdraaien van oplossingen ter beperking van de congestie op het elektriciteitsnet te bevorderen, daarbij in overweging nemend de kansen die het platform voor strategische technologieën voor Europa biedt om het concurrentievermogen te verbeteren. Beleidsinstrumenten op artikel 2 van de EZ-begroting zijn in dit verband EFRO, INTERREG A en het Fonds voor Rechtvaardige Transitie. Hierbij zijn de door EZ beschikbaar gestelde financiële middelen cofinancieringsmiddelen in aanvulling op de middelen die worden verstrekt door de Europese Unie. Deze regelingen worden uitgevoerd door regionale uitvoeringsorganisaties. In het geval van EFRO en INTERREG A heeft EZ een systeemverantwoordelijkheid. In het geval van het Fonds voor Rechtvaardige Transitie is er een gedeelde verantwoordelijkheid van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid samen met EZ. Het Fonds voor Rechtvaardige Transitie is in 2023 tot uitvoer gekomen met zes regionale subsidieprogramma’s. Bij EFRO en INTERREG A is in respectievelijk 2023 en 2022 gestart met de eerste openstellingen binnen de nieuwe programmaperiode 2021-2027. De programma’s onder het cohesiebeleid in Nederland zijn op dit moment bezig met de tussentijdse herziening van het cohesiebeleid en hebben daartoe allemaal stappen ondernomen om tot een gedegen evaluatie te komen van het onder de programma’s ingezette beleid. Over het algemeen is de verwachting dat de eerder overeengekomen prioriteiten van belang zullen blijven, al kan dit per programma en per regio verschillen. De energietransitie in den brede is hierbij een onderwerp dat in veel programma’s aandacht krijgt.

2) Een goed functionerend en maatschappelijk verantwoord bedrijfsleven door het waarborgen van een sterk ondernemings- en vestigingsklimaat met optimale randvoorwaarden voor succesvol ondernemerschap

Het Ministerie van Economische Zaken stimuleert langs verschillende wegen een goed en maatschappelijk verantwoord functionerend bedrijfsleven. EZ helpt bedrijven in het vernieuwen en toekomstbestendig maken van hun business model door middel van wet- en regelgeving, onder meer ten aanzien van zaken als bescherming van intellectueel eigendom en het merkenrecht. Bij het ontwikkelen van wet- en regelgeving is toetsing op werkbaarheid en uitvoerbaarheid voor met name het mkb steeds vaker de norm. Dit is belangrijk, aangezien regeldruk een veelgehoord knelpunt is voor ondernemers. In opschaling en uitrol van bijvoorbeeld nieuwe technologieën ondersteunt EZ het bedrijfsleven onder andere door standaardisatie en het vastleggen van voorwaarden. Andere knelpunten waar ondernemers tegenaan lopen zien bijvoorbeeld toe op fiscaliteit, de energie-infrastructuur en een negatief sentiment jegens het bedrijfsleven.

Ons concurrentievermogen valt of staat met voldoende mensen met de juiste vaardigheden die willen en kunnen werken. Met name in kraptesectoren zoals de techniek, ‘groene’ banen en digitale banen. Toegang tot talent is cruciaal voor bedrijven om te kunnen ondernemen. Daartoe zet het kabinet het Actieplan Groene en Digitale Banen voort en verkent het de best practices in om- en bijscholingsprogramma’s en schaalt initiatieven die aantoonbaar goed werken op.

De schaarste aan ontwikkelruimte - in fysiek opzicht, maar ook gezien restricties ten aanzien van stikstof, geluid en andere milieufactoren - vraagt om een actieve rol van het Rijk Samen met partners zoals provinciale, regionale en lokale overheden, uitvoeringsorganisaties en (vertegenwoordiging van) bedrijfsleven geeft EZ uitvoering aan het Programma Ruimte voor Economie met als doel een nationale aanpak te bieden voor de ruimtelijke economische uitdagingen (Kamerstuk 34 682, nr. 103). De beleidslijn voor grote bedrijfsvestigingen, het starten van pilots voor toekomstbestendige bedrijventerreinen, en ruimtelijke planning zijn belangrijke onderdelen. EZ werkt daarnaast mee aan de ruimtelijke ordening van Nederland via de Nota Ruimte (Kamerstuk 29 435, nr. 264). Daarnaast ontwikkelen we met decentrale overheden een Uitvoeringsagenda Ruimte voor Economie naar aanleiding van de Ruimtelijk Economische Visie (REV) (Kamerstuk 34 682 nr. 229).

Via een Pact Ondernemersklimaat wilde het kabinet Schoof werken aan het versterken van de randvoorwaarden van het Ondernemingsklimaat voor ondernemers. Maar het Kabinet heeft daar uiteindelijk vanaf gezien, wegens de urgente uitdagingen waar onze economie en samenleving voor staan. In de Kamerbrief Ondernemingsklimaat en regeldruk, (Kamerstuk 32637, nr. 706) heeft het kabinet uiteengezet langs welke weg dit wordt aangepakt. Daarnaast staat de wereld niet stil. Geopolitieke ontwikkelingen en een veranderend mondiaal speelveld hebben impact op ons verdienvermogen en ondernemingsklimaat. Dit heeft onder meer betrekking op economische veiligheid; denk aan het beschermen van vitale belangen en sectoren, het voorkomen van ongewenste strategische afhankelijkheden en het vrijwaren van spionage en sabotage. Daarnaast zitten concurrerende economieën ook niet stil en nemen zij soms maatregelen die tot pull-effecten kunnen leiden en/of het internationaal gelijk speelveld kunnen beïnvloeden. Heden ten dage geldt eens te meer dat een sterke interne markt en openheid naar derde landen het uitgangspunt moeten vormen van ons handelen, zij het met inachtneming van mogelijke risico’s. Bedrijven moeten de kans krijgen om op een veilige en eerlijke manier internationaal te ondernemen en mee te profiteren van de schaalvoordelen die de interne markt ons biedt.

Tot het bedrijvenbeleid in internationaal opzicht wordt daarnaast het streven naar voorspelbaar en stabiel beleid gerekend. Het kabinet zet waar mogelijk geen nieuwe nationale koppen op Europees beleid en heroverweegt en schrapt waar nodig en mogelijk bestaande nationale koppen op basis van bestaande en aanvullende inventarisaties.

3) Het faciliteren van de transitie naar een toekomstbestendige, circulaire en inclusieve economie

De industrie vervult een centrale rol in de realisatie van een circulaire Nederlandse economie. In 2050 moet de industrie circulair zijn en worden er geen primaire grondstoffen (van niet-biogene oorsprong) meer gebruikt. De bijdrage die EZ levert aan de circulaire maakindustrie in het kader van het Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE) 2023-2030 draagt hier mede aan bij. Daarnaast versterkt het kabinet voor de weerbaarheid van Nederland de leveringszekerheid van kritieke grondstoffen via de Nationale Grondstoffenstrategie. De inzet op hergebruik van kritieke grondstoffen is hier onderdeel van een breder pallet aan handelingsperspectieven. Als randvoorwaarde wordt ingezet op behouden en versterken de concurrentiepositie van de industrie. Verduurzaming en circulaire economie biedt immers grote kansen voor bedrijven die vooroplopen in de transitie. Verder zorgt EZ ervoor dat bedrijven de economische en maatschappelijke kansenkunnen pakken die de digitalisering van de economie biedt (zie verder beleidsartikel 1 van deze begroting).

Bedrijven zijn verantwoordelijk om rekening te houden met mens, milieu in hun waardeketens en bedrijfsvoering. Om dit te stimuleren ondersteunt EZ, met andere ministeries (BZ is hiervoor primair verantwoordelijk), het opstellen van effectieve (Europese) (I)MVO-wetgeving, die een groep grotere bedrijven verplicht inzicht te vergroten in hun waardeketens en eventuele misstanden aan te pakken. Zo stimuleert EZ dat bedrijven transparant rapporteren over de impact van hun bedrijfsvoering en beleid op mens en milieu, ofwel hoe zij maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO). Sinds 2004 werd hiervoor de Transparantiebenchmark uitgevoerd. Per 2024 stopt EZ hiermee. De komst van de Europese Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD), die begin november 2022 door het Europees parlement is goedgekeurd, maakt de Transparantiebenchmark vanaf boekjaar 2024 overbodig. De CSRD verplicht een groep bedrijven om in hun jaarrapportage hun duurzaamheidsprestaties te rapporteren volgens nieuwe en meer gedetailleerde richtlijnen. Nationaal wordt ook gewerkt aan wetgeving (Kamerstuk 26485, nr. 398). Daarnaast worden (I)MVO-standaarden toegepast op het bedrijfsleveninstrumentarium van EZ. Zo worden bedrijven geïnformeerd over risico’s voor mens en milieu wanneer zij een subsidie ontvangen voor de inkoop van zonnepanelen of een innovatietraject, en geadviseerd en gestimuleerd om op een verantwoorde manier met deze risico’s om te gaan door ze in kaart te brengen, te mitigeren en zo nodig waardeketens te verleggen en/of toegang tot herstel te bieden. Op deze manier worden bedrijven geholpen met MVO. Tot eind 2023 liep hiervoor een pilot, die gebruikt wordt om de komende jaren (I)MVO proportioneel te integreren in het instrumentarium.

Kengetallen bedrijvenbeleid

In de aansluitende tabel staan de voornaamste kengetallen voor het bedrijvenbeleid. Het kabinet Schoof heeft de ambitie dat Nederland wereldwijd moet behoren tot de top 5 van de landen met een goede concurrentiepositie. Op basis van de meest recente World Competitiveness Ranking staat Nederland negende. Verder wordt met het bedrijvenbeleid gestreefd naar een koppositie voor Nederland op de internationale ranglijsten van de arbeidsproductiviteitsniveau en het European Innovation Scorebord.

Tabel 8 Kengetallen

Kengetallen

         
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Bron

1. Arbeidsproductiviteitsniveau (positie NL)

9

9

10

10

10

10

10

11

Conference Board

2. Global Competitiveness index / World Competitiveness Ranking (positie NL)1

6

4

4

4

6

5

9

10

World Economic Forum / IMD Business School

3. European Innovation Scoreboard (positie NL)

4

4

5

4

4

4

4

3

Europese Commissie

4. R&D intensiteit (in % van BBP)

2,14

2,18

2,32

2,27

2,3

2,23

2,29

n.n.b

CBS

5. Rapportcijfer ondernemingsklimaat door bedrijven

    

6,7

6,4

6

6,1

Monitor ondernemingsklimaat

6. Aandeel industrie in bbp (in %)

11,1

10,8

10,8

11,1

11,4

11,6

11,2

n.n.b

CBS-statline

1

Het World Economic Forum is vanaf 2020 gestopt met het publiceren van de cijfers.

Onderstaande tabel geeft een samenvattend overzicht van de rollen en verantwoordelijken die de Minister van Economische Zaken heeft in het bedrijvenbeleid. In de tekst onder de tabel wordt verder toegelicht wat deze rollen en verantwoordelijkheden behelzen en op welke van de twee hierboven onderscheiden strategische doelen ze betrekking hebben.

Tabel 9 Rol en verantwoordelijkheid
 

Stimuleren

Financieren

Regisseren

(Doen) uitvoeren

Het stimuleren van innovatie met een grote impact op de economische en maatschappelijke vooruitgang en voortbouwend op de sterktes van de Nederlandse ecosystemen

 

Goed functionerend en maatschappelijk verantwoord bedrijfsleven door het waarborgen van een sterk ondernemings- en vestigingsklimaat met optimale randvoorwaarden voor succesvol ondernemerschap

 

Het faciliteren van de transitie naar een toekomstbestendige, circulaire en inclusieve economie

 

 

Het stimuleren van innovatie met een grote impact op de economische en maatschappelijke vooruitgang en voortbouwend op de sterktes van de Nederlandse ecosystemen

Stimuleren

De minister stimuleert innovaties die bijdragen aan maatschappelijke vooruitgang door private investeringen in R&D te bevorderen via onder meer de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO). Voor het stimuleren van private deelname aan publiek-private onderzoeksinitiatieven wordt onder meer de pps-toeslag ingezet vanuit de Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s).

Financieren/regisseren

De Minister van Economische Zaken is verantwoordelijk voor toegepast onderzoek en innovatie en werkt nauw samen met de Minister van OCW, die verantwoordelijk is voor het stelsel van (fundamenteel) onderzoek en wetenschap en de verwevenheid met onderwijs. De Minister van EZK coördineert het missiegedreven innovatiebeleid en financiert het ontwikkelen en benutten van hoogwaardig (internationaal) publiek gefinancierd onderzoek en technologie, inclusief publiek-private samenwerking door onder meer:

  • de TO2-instituten TNO, Deltares, MARIN en NLR te financieren; 

  • gezamenlijke regie met OCW op de publiek-private samenwerking via NWO, waarbij EZ een deel van NWO-TTW subsidieert;

  • cofinanciering van de EFRO-programma's (Europees Fonds Regionale Ontwikkeling); voor de EFRO-programma's binnen Nederland draagt de Minister systeemverantwoordelijkheid;

  • het bevorderen van innovatiegericht inkopen door overheden;

  • het stimuleren van strategische markten en technologieën met o.a. sectoragenda’s;

  • het bevorderen van de oprichting en groei van startups naar scale-ups, o.a. door de inzet van TechLeap;

  • het beschermen van de economische veiligheid o.a. met de Beschermingsvoorziening Economische Veiligheid en het ondernemersloket Economische Veiligheid.

Goed functionerend en maatschappelijk verantwoord bedrijfsleven door het waarborgen van een sterk ondernemings- en vestigingsklimaat met optimale randvoorwaarden voor succesvol ondernemerschap

Stimuleren

De Minister stimuleert een goed functionerend en maatschappelijk verantwoord bedrijfsleven door onder meer:

  • het aanbieden van een pakket van fiscale ondernemersstimulering gericht op zelfstandig ondernemerschap, bedrijfsoverdrachten en bedrijfsinvesteringen; daarnaast biedt het bedrijvenbeleid een samenhangend aanbod van financieringsinstrumenten om gewenste investeringen in bedrijven en projecten mogelijk te maken die onvoldoende financiering in de markt kunnen aantrekken (zie ook artikel 3 van deze begroting);

  • het stapsgewijs integreren van advies en eisen met betrekking tot maatschappelijk verantwoord ondernemen in het bedrijfsleveninstrumentarium;

  • het inrichten van een effectief en efficiënt werkend stelsel van intellectueel eigendom.

Regisseren

De Minister regisseert en coördineert de condities voor een gezond en maatschappelijk verantwoord bedrijfsleven door onder meer:

  • samenwerking met de relevante regionale netwerken en partners;

  • informeren en ondersteunen van ondernemers (van het starten van een bedrijf tot het vinden van een opvolger) via de Kamer van Koophandel (KvK);

  • mkb-ondernemers meer bij wet- en regelgeving betrekken via MKB-toets;

  • het regisseren en uitvoeren van het nieuwe ‘programma vermindering regeldruk ondernemers’.

(Doen) uitvoeren

De Minister biedt overheids- en informatiediensten aan ter ondersteuning van ondernemers op regionaal, nationaal en internationaal niveau door onder meer toegang tot overheidsdiensten (financieel en/of door middel van kennis) via:

(a) de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland;

(b) het aansturen van het Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) met als oogmerk het aantrekken van buitenlandse investeerders, samen met de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking; en

(c) het Innovatie Attaché Netwerk ter ondersteuning van topsectoren, ondernemers en kennisinstellingen uit binnen- en buitenland bij hun internationale R&D- en innovatie-ambities.

Het faciliteren van de transitie naar een toekomstbestendige, circulaire en inclusieve economie

Stimuleren

De minister stimuleert de transitie naar een toekomstbestendige, circulaire en inclusieve economie door onder meer:

  • het stimuleren van transparante MVO-rapportage door bedrijven, middels de Transparantiebenchmark en Europese wetgeving;

  • samen met IenW in te zetten op maatschappelijk verantwoord inkopen en circulair ondernemen;

  • versnelling van en toepassing van digitalisering in het mkb.

Regisseren

De Minister regisseert en coördineert de condities voor inclusieve economie door onder meer:

  • samenwerking met de relevante regionale netwerken en partners;

  • informeren en ondersteunen van ondernemers (van het starten van een bedrijf tot het vinden van een opvolger) via de Kamer van Koophandel (KvK);

  • mkb-ondernemers meer bij wet- en regelgeving betrekken via MKB-toets;

  • het regisseren en uitvoeren van het nieuwe ‘programma vermindering regeldruk ondernemers’.

Om – aanvullend op het jaarverslag – de Kamer te informeren over voortgang en effecten van beleid treft u op de website www.bedrijvenbeleidinbeeld.nl informatie aan over de indicatoren en kengetallen. Deze website is te zien als een digitale bijlage van het EZK-jaarverslag. Deze website geeft tevens een volledig overzicht van de uitkomsten van alle op dit artikel uitgevoerde evaluaties.

Doorontwikkeling missiegedreven innovatie- en topsectorenbeleid

In 2025 is voortgebouwd op de succesvolle tripartiete samenwerking uit het topsectorenbeleid en de interdepartementale inzet om met innovatie zowel economisch als maatschappelijk impact te maken. Per 2026 is het topsectorenbeleid vervangen door ‘industriebeleid met focus’ en werken we in met missiegedreven innovatiebeleid samen in een nieuwe structuur. De regie over de thematische Kennis- en Innovatieagenda's ligt nu bij de betrokken vakdepartementen, zodat innovatie beter verbonden kan worden aan andere beleidsinstrumenten en de samenwerkingsstructuur toegankelijker wordt voor bedrijven en andere organisaties. Het Ministerie van Economische Zaken heeft, naast de coördinerende van het missiegedreven innovatiebeleid, specifiek de regie over de dwarsdoorsnijdende Kennis- en Innovatieagenda's maatschappelijk verdienvermogen, digitalisering en sleuteltechnologieën - waarbinnen uitvoering wordt gegeven aan de Nationale Technologiestrategie.

Toegepast Onderzoek Organisaties (TO2)

Naar aanleiding van de resultaten en aanbevelingen uit de TO2-evaluatie heeft het kabinet in 2025 de Kabinetsreactie op evaluatie Toegepast Onderzoek Organisaties (TO2) 2020-2023 en TO2 strategische plannen 2026-2029 naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstuk 32 637, nr.711). Hierin staat beschreven hoe de departementen en de TO2-instituten (Deltares, MARIN, NLR, TNO en Wageningen Research) zich de komende jaren gaan inzetten zodat deze instituten hun taken voor onze economie, maatschappij en weerbaarheid goed kunnen blijven uitoefenen.

Lancering TechBridge call VK

Het Ministerie van Economische Zaken stimuleert internationale samenwerking tussen bedrijven, kennisinstellingen en overheden op het gebied van innovatie, technologie en wetenschap. Internationale samenwerking is een belangrijke component in het verder brengen van de technologieën uit de NTS. Met TechBridge is het mogelijk om bilaterale innovatieprojecten op te zetten met landen die een belangrijke aanvulling kunnen leveren aan de strategische ontwikkeling van de NTS-technologieën. In 2025 is de call met het VK op gebied van quantum de eerste die onder TechBridge werd opengesteld. 

Intellectueel eigendomsbeleid

In 2025 is het beleid op het gebied van intellectueel eigendom voortgezet. Er is in april 2025 een onderzoeksrapport met betrekking tot economische omvang van het auteursrecht gepubliceerd . Deze studie meet de economische bijdrage van auteursrechtrelevante industrieën. Uit deze studie blijkt dat in 2022 de auteursrechtindustrieën € 60 mld bijdroegen aan de toegevoegde waarde, goed voor 6,0% van het Nederlandse bbp. Daarnaast is de website www.octrooicentrum.nl gelanceerd. Hiermee profileert Octrooicentrum Nederland zich als hét centrale expertisecentrum voor octrooien en brede IE-voorlichting. De nieuwe portal bundelt versnipperde informatie en biedt ondernemers, met name in het mkb, een helder startpunt om het IE-systeem optimaal te benutten. Door een herkenbaar eigen logo en actieve doorverwijzing naar partners binnen het ecosysteem, versterkt OCNL zijn rol als gids in de wereld van intellectueel eigendom.

Industriebeleid met focus

In 2025 is de uitvoering van het industriebeleid volgens plan verlopen. Met de publicatie van Industriebeleid met focus is een duidelijke koerswijziging ingezet, waarbij het bestaande topsectorenbeleid is herijkt en voorbereid op afschaffing per 2026. De beleidsmatige omslag naar een gerichter, strategischer industriebeleid is tijdig en zorgvuldig vormgegeven, in nauwe samenhang met groeimarkten en de Nationale Technologiestrategie.

De inzet heeft geleid tot scherpere prioritering en meer focus op strategische sectoren en waardeketens, mede tegen de achtergrond van toenemende geopolitieke spanningen en mondiale concurrentie.

Nationale Grondstoffenstrategie

Onder de Nationale Grondstoffenstrategie is in 2025 het Nederlands Materialen Observatorium (NMO) gelanceerd als centraal kenniscentrum voor kritieke grondstoffen en materialen. (Kamerstuk 32 852, nr. 395), d.d. 9 december 2025. Verder is geïnvesteerd in pilots ter uitwerking van de mogelijkheden voor voorraadvorming van kritieke grondstoffen ten aanzien van militaire schepen en medische technologie. Nederland neemt ook actief deel aan gesprekken over voorraadvorming in EU-verband. Daarnaast zijn eerste maatregelen genomen om verwerking van kritieke grondstoffen te stimuleren. Zo is er voor strategische projecten een centraal contactpunt ingericht bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), is er een werkgroep opgezet met publieke financiers, en heeft de Speciaal Vertegenwoordiger Nationale Grondstoffenstrategie gesprekken gevoerd met de industrie over opties om verwerking te ontwikkelen.

Economische Veiligheid

In het geopolitieke klimaat van 2025 was het thema economische veiligheid en weerbaarheid actueler dan ooit. Het kabinet acht het van cruciaal belang dat bedrijven de verschillende risico’s en hun handelingsopties kennen, om actuele uitdagingen op het gebied van economische veiligheid het hoofd te bieden en voorbereid te zijn op crises en/of conflicten. Daarom heeft EZ het bedrijfsleven via de campagne ‘Bescherm wat je sterk maakt’ in 2025 bewuster gemaakt van de risico's die bedrijven lopen op het terrein van economische veiligheid en zijn sessies met bedrijven georganiseerd ter voorbereiding op mogelijke crisissituaties.

Semicon

Om de prominente positie van Nederland in de halfgeleidersector te behouden zijn nationaal en internationaal belangrijke stappen gezet en resultaten behaald. Zo heeft EZ de Semicon Board NL gelanceerd. Vanuit dit platform met vertegenwoordigers uit de halfgeleidersector en kabinetsleden wordt een publiek-private agenda tot en met 2025 uitgewerkt op strategisch niveau, inclusief innovatie- en investeringsstrategie. Internationaal is, op initiatief van Nederland en onderschreven door alle Lidstaten, op 29 september de Europese Semicon Coalition verklaring ondertekend. Hierin is de gezamenlijke inzet voor herziening en versnelling van de Europese Chips Act gepresenteerd. En met de Important Project of Common European Interest (IPCEI) voor Advanced Semiconductor Technologies (AST) kiezen we voor de versterking van de halfgeleiderketen van Nederland en Europa.

Financiering

Het uitgevoerde beleid is volgens plan verlopen, er is meer beleid gevoerd dan initieel opgenomen in de beleidsprioriteiten. Op basis van het IBO-bedrijfsfinanciering zijn er diverse maatregelen genomen om de financieringsmarkt te versterken. Voor Durfkapitaal betrof dat onder meer de bijdrage aan het vervolgfonds van ETCI (Toekomstfonds) en de versterking van Invest-NL via het eigen vermogen, Blended Finance en het DeepTech Fonds (Toekomstfonds). Met deze versterking van investeringsfondsen komt er meer durfkapitaal beschikbaar voor startups en scale-ups, direct of via private investeringsfondsen (fonds-in-fonds).

Daarnaast is gestart met de uitwerking van de integratie van Invest-NL en Invest International en de vorming van een nationale investeringsinstelling. Er is speciale aandacht geweest voor Defensie binnen bestaande financieringsinitiatieven. Verder is ingezet op een versteviging van de bovenregionale samenwerking van de ROM’s, die een belangrijke rol spelen in de vroege fase financiering.

FinancieringsGids

Om voor mkb-ondernemers de toegang tot financiering te verbeteren heeft de KvK de FinancieringsGids ontwikkeld in opdracht van EZ en met publieke en private partijen. De ondernemer kan hier terecht voor informatie over financieringsopties en advies mogelijkheden. Financiers en dienstverleners die een ondernemer niet zelf kunnen helpen, kunnen naar de FinancieringsGids worden doorverwezen, zodat er ‘no wrong door’ is voor de ondernemer. In 2025 is de FinancieringsGids 237.402 keer bezocht, hebben 6.776 ondernemers de tool geheel doorgelopen en hebben 4.815 ondernemers contact opgenomen met een KvK adviseur.  

Nationaal Programma Ruimte voor Economie

Op 20 juni 2025 is de ruimtelijk economische visie (REV) naar de Tweede Kamer gestuurd. Het doel van de visie is om richting te geven aan hoe we ruimte bieden voor economische dynamiek in tijden van verandering. Dit betekent voor nu en in de toekomst voldoende en kwalitatief goede ruimte voor bedrijvigheid op de juiste plek. Om zo het verdienvermogen te versterken, een aantrekkelijk vestigingsklimaat te creëren, nationale belangen te beschermen en een weerbare economie te borgen door een diversiteit aan economische functies.

De REV heeft inmiddels een doorvertaling gekregen in de Ontwerp Nota Ruimte. Op 17 november 2025 hebben we de tweede voortgangsrapportage over «Ruimte voor Economie» aan de Tweede Kamer gestuurd. In deze brief heeft het kabinet de ontwikkelingen en maatregelen om voldoende ruimte te waarborgen voor economische activiteit, zoals op bedrijventerreinen, campussen en industrieclusters rekening houdend met maatschappelijke transities. Meer specifiek is ingegaan over de aanpassing van de Wet Bedrijveninvesteringszones (BIZ) en de pilots toekomstbestendige bedrijventerreinen. Voor 2026 zal in samenwerking met provincies, gemeenten en ondernemers een uitvoeringsagenda worden opgesteld.

Tabel 10 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 2 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting1

Verschil

 

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Verplichtingen

10.788.922

5.290.393

3.812.305

2.604.278

2.339.686

2.839.457

‒ 499.771

        

Uitgaven

7.004.468

4.995.025

2.282.168

2.097.900

1.816.564

2.005.808

‒ 189.244

        

Subsidies

5.702.794

3.956.769

1.073.308

836.353

533.031

871.559

‒ 338.528

MKB Innovatiestimulering Topsectoren (MIT)

10.818

7.626

9.172

10.619

4.640

24.124

‒ 19.484

Eurostars

17.764

18.930

20.645

20.672

20.140

22.558

‒ 2.418

Bevorderen Ondernemerschap

21.714

19.417

18.766

20.265

18.472

36.719

‒ 18.247

Cofinanciering EFRO, inclusief INTERREG

14.674

25.675

24.441

26.819

26.411

32.077

‒ 5.666

Bijdrage aan ROM's

7.154

8.620

13.109

17.251

12.710

11.623

1.087

Verduurzaming industrie

9.149

45.380

57.217

65.401

  

0

Startup-beleid

10.684

10.821

11.677

5.616

6.053

4.214

1.839

Urgendamaatregelen industrie

27.494

90

3.792

3.818

  

0

Noodloket (TOGS)

164

4

    

0

Qredits (subsidie)

   

3.000

  

0

Tegemoetkoming vaste lasten

5.434.647

3.486.352

236.810

37.007

10.326

30.000

‒ 19.674

Tegemoetkoming vaste lasten Caribisch Nederland

25.922

228

    

0

Invest-NL

6.387

10.276

20.257

5.623

12.740

12.231

509

Europees Defensie Fonds cofinanciering

 

5

17

157

138

1.200

‒ 1.062

Omscholing naar tekortsectoren

368

596

11

   

0

Tegemoetkoming vaste lasten starters

13.007

14.820

3.625

205

 

500

‒ 500

Infrastructuur duurzame industrie

4.832

285

1.192

29

  

0

R&D mobiliteitssectoren

8.173

32.452

33.581

34.493

24.664

27.900

‒ 3.236

SEG

78.974

76.166

13.145

121

782

 

782

Herstructurering winkelgebieden

 

6.219

15.215

14.563

15.537

14.888

649

NGF - project Groenvermogen Nederlandse Economie

 

10.706

30.607

54.469

  

0

NGF - project Health-RI

 

10.000

12.000

11.533

11.000

11.000

0

NGF - project RegMed XB

9.400

15.541

12.061

6.294

5.959

5.751

208

NGF - project QuantumDeltaNL

 

45.855

82.508

83.763

54.780

151.714

‒ 96.934

NGF - project Oncode-PACT

 

3.236

44.968

53.253

58.543

40.875

17.668

NGF - project Circulaire Plastics

  

7.279

28.083

  

0

NGF - project NXTGEN HIGH TECH

  

126.616

37.283

58.235

58.705

‒ 470

NGF - project PhotonDelta

  

39.812

35.118

47.993

53.261

‒ 5.268

NGF - project Opschaling PPS beroepsonderwijs

  

38.256

33.156

33.366

35.089

‒ 1.723

NGF - project Biobased Circulair

   

2.572

  

0

NGF - project Material Independence & Circulair Batteries

    

17.120

70.868

‒ 53.748

Indirecte kostencompensatie ETS

 

59.802

 

147.311

  

0

IPCEI Cloudinfrastructuur en services

  

1.506

11.078

9.735

14.252

‒ 4.517

IPCEI Micro elektronica

  

21.173

16.079

20.660

20.811

‒ 151

Aanvullende tegemoetkoming evenementen

 

19.882

267

 

41

 

41

Omzetderving Limburg

 

23.600

    

0

Investeringen Verduurzaming Industrie Klimaatfonds

  

3.947

29.306

  

0

EuroHPC

  

647

647

2.678

13.000

‒ 10.322

EuroQCI

     

15.177

‒ 15.177

Tegemoetkoming Energiekosten

  

156.233

10.270

341

5.387

‒ 5.046

Qredits duurzaamheid

    

4.000

4.000

0

Actieplan Groene en Digitale Banen

    

4.932

5.000

‒ 68

Brexit Adjustment Reserve

 

609

9.504

185

30

81.136

‒ 81.106

Ruimte voor economie

    

587

9.770

‒ 9.183

Maritieme Maakindustrie

    

2.065

18.000

‒ 15.935

Nationaal Versterkingsplan Microchip-talent

    

41.357

30.398

10.959

Stikstofaanpak piekbelasters industrie

   

4.600

  

0

PEGA - Ruimte voor economie

    

1.700

 

1.700

Overige subsidies

1.469

3.576

3.252

5.694

5.296

9.331

‒ 4.035

        

Leningen

230.500

1.500

64.549

0

11.000

0

11.000

Bedrijfssteun

193.000

1.500

  

6.000

 

6.000

Qredits (leningen)

37.500

     

0

NGF - project PhotonDelta (leningen)

  

64.549

   

0

PEGA - economische bedrijvigheid

    

5.000

 

5.000

        

Garanties

29.003

27.868

31.357

28.807

17.209

75.965

‒ 58.756

BMKB

23.826

12.233

18.299

19.010

14.011

40.248

‒ 26.237

Klein Krediet Corona

521

1.428

1.004

1.182

392

 

392

Groeifaciliteit

15

3.092

4.654

8.615

2.481

8.972

‒ 6.491

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

4.641

11.115

   

11.745

‒ 11.745

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO) Corona

  

7.400

  

15.000

‒ 15.000

MKB financiering

    

325

 

325

        

Opdrachten

7.927

5.896

9.065

16.300

8.857

9.939

‒ 1.082

Onderzoek en opdrachten

4.206

2.999

4.981

6.032

6.732

6.039

693

Caribisch Nederland

501

558

169

1.030

391

799

‒ 408

ICT beleid

73

3

 

0

  

0

Regeldruk

731

836

1.134

667

962

2.336

‒ 1.374

Regiekosten regionale functie

11

     

0

Budget samenwerking regio

 

379

223

806

756

 

756

Small Business Innovation Research

2.405

1.121

1.058

 

16

765

‒ 749

Stikstofaanpak piekbelasters industrie

  

1.500

7.125

  

0

Verduurzaming industrie

   

640

  

0

        

Bijdragen aan agentschappen

168.731

179.045

165.473

190.828

149.105

112.647

36.458

Bijdrage RVO.nl

168.023

178.480

164.670

190.061

148.457

111.868

36.589

Rijksinspectie Digitale Infrastructuur

708

565

803

767

648

779

‒ 131

        

Bijdragen aan ZBO’s /RWT’s

369.824

373.731

431.896

529.100

554.951

428.546

126.405

Bijdrage aan TNO

207.525

216.876

251.535

302.304

345.506

237.764

107.742

Kamer van Koophandel

134.518

143.881

159.177

202.813

187.115

160.148

26.967

NWO TTW

27.781

12.974

21.184

23.983

22.330

30.634

‒ 8.304

        

Bijdragen aan medeoverheden

20.570

23.282

38.274

31.532

30.649

19.010

11.639

MKB Innovatiestimulering Topsectoren (MIT)

20.570

23.282

38.274

31.532

30.649

19.010

11.639

        

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

378.120

405.813

428.175

457.248

469.704

488.142

‒ 18.438

Internationaal Innoveren

40.751

38.246

45.406

47.778

51.861

52.752

‒ 891

PPS-toeslag

171.099

199.531

185.314

173.765

191.229

189.311

1.918

TO2 (exclusief TNO)

62.593

60.122

63.010

79.449

76.010

70.724

5.286

Topsectoren overig

8.843

6.492

9.355

7.615

8.783

18.198

‒ 9.415

Ruimtevaart (ESA)

75.287

82.162

85.685

89.890

94.933

85.403

9.530

Bijdrage NBTC

9.425

9.755

10.497

10.218

11.569

10.285

1.284

Bijdragen organisaties

3.423

3.251

2.545

2.783

3.514

6.192

‒ 2.678

Economische ontwikkeling en technologie

6.699

6.237

 

21

141

6.657

‒ 6.516

EU-cofinanciering JTF

 

17

18.961

15.992

14.232

16.331

‒ 2.099

Faciliteiten toegepast onderzoek TO2 en RKI

   

20.007

9.143

24.000

‒ 14.857

NGF - project NXTGEN HIGH TECH Ruimtevaart

  

7.402

9.730

8.289

8.289

0

        

Stortingen in begrotingsreserves

96.999

21.117

40.071

7.731

42.057

0

42.057

Storting reserve BMKB

3.564

4.123

15.161

7.377

11.892

 

11.892

Storting reserve Groeifaciliteit

52.210

     

0

Storting reserve GO

40.506

 

24.154

   

0

Storting reserve maatwerk garanties

    

30.000

 

30.000

Storting reserve MKB Financiering

719

844

756

354

165

 

165

Storting reserve BMKB-groen

 

16.150

    

0

        

Ontvangsten

591.029

1.004.319

330.798

282.502

416.082

390.119

25.963

Luchtvaartkredietregeling

1.801

2.447

3.065

2.494

1.242

 

1.242

Rijksoctrooiwet

46.554

51.954

52.857

53.780

53.885

47.066

6.819

Eurostars

5.370

5.011

4.906

3.419

4.514

4.250

264

F-35

4.669

5.399

4.893

2

 

10.576

‒ 10.576

Diverse ontvangsten

14.140

23.012

17.525

11.611

17.334

1.244

16.090

Bedrijfssteun

46.269

21.425

34.532

33.908

33.653

40.367

‒ 6.714

Noodloket (TOGS)

1.363

186

26

18

4

 

4

Tegemoetkoming vaste lasten

155.355

275.539

173.682

75.733

41.306

76.700

‒ 35.394

Tegemoetkoming vaste lasten starters

202

191

728

364

  

0

Omscholing tekortsectoren

  

23

4

  

0

BMKB

23.116

22.684

23.112

17.159

18.270

33.000

‒ 14.730

Onttrekking reserve BMKB

126.882

   

56.746

 

56.746

Klein Krediet Corona

461

80

170

85

  

0

Onttrekking reserve KKC

140.061

8.847

778

1.097

2.339

 

2.339

Groeifaciliteit

1.753

2.053

1.785

2.067

1.724

8.000

‒ 6.276

Onttrekking reserve Groeifaciliteit

 

867

2.647

5.577

757

 

757

SEG

 

373

9

175

  

0

NGF - project Groenvermogen van de Nederlandse economie

   

4.900

  

0

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

22.245

16.038

9.067

5.433

6.203

13.000

‒ 6.797

Onttrekking reserve Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

 

81.752

 

2.106

156.458

 

156.458

NGF - project Opschaling PPS beroepsonderwijs

    

1.789

 

1.789

Tegemoetkoming Energiekosten

  

137

61.770

19.285

34.916

‒ 15.631

MKB Financiering

788

913

843

792

573

 

573

Brexit Adjustment Reserve

 

485.547

13

4

 

121.000

‒ 121.000

1

Stand inclusief amendementen, moties en NvW.

Tabel 11 Uitsplitsing verplichtingen (bedragen x € 1.000)
      

Vastgestelde begroting1

Verschil

 

2021

2022

2023

2024

 

2025

2025

Verplichtingen

10.788.922

5.290.393

3.812.305

2.604.278

2.339.686

2.839.457

‒ 499.771

waarvan garantieverplichtingen

535.736

333.583

368.822

325.012

402.671

1.250.000

‒ 847.329

waarvan overige verplichtingen

10.253.186

4.956.810

3.443.485

2.279.266

1.937.015

1.589.457

347.558

1

Stand inclusief amendementen, moties en NvW.

Verplichtingen

Garantieverplichtingen

De garantieverplichtingen zijn voor € 847,3 mln niet benut. Dit wordt deels veroorzaakt door de reguliere garantieregelingen.

De onderbenutting betreft de volgende regelingen: BMKB € 473,9 mln; Garantie Ondernemingsfinanciering € 381,4 mln en de Groeifaciliteit € 85 mln.

Overige verplichtingen

Naast de garantieverplichtingen is er per saldo voor € 347,6 mln meer aan verplichtingen aangegaan dan begroot. De belangrijkste oorzaken zijn:

  • De regeling MKB-Innovatiestimulering Topsectoren (MIT) wordt centraal uitgevoerd door RVO, het decentrale gedeelte wordt via SPUKs uitgevoerd door de Provincies. De middelen voor de SPUKs over 2025 zijn in de 1e suppletoire begroting overgeheveld naar het mede-overheden instrument voor de MIT om vanaf dat instrument de SPUKs af te geven. Hiertoe is € 30 mln aan verplichtingen budget in 2025 overgeheveld. Het restant op dit instrument voor 2025 is de realisatie op het gedeelte van de MIT dat door RVO wordt uitgevoerd. Dit is het nationale vangnet voor projecten die inter-regionaal zijn en niet via de Provincies kunnen worden gefinancierd.

  • Het Ministerie van Economische Zaken is penvoerder van TNO en verstrekt in die rol de Rijksbijdrage aan TNO. De realisatie op het verplichtingsbudget over 2025 is € 160 mln hoger dan origineel geraamd in de Ontwerpbegroting. Dit als gevolg van het verstrekken van aanvullende opdrachten aan TNO vanuit het Rijk waarvoor andere departementen middelen hebben overgeheveld naar de EZ-begroting.

  • Voor de Faciliteiten Toegepast Onderzoek (FTO) is in de 1ste suppletoire begroting € 46,6 mln aan verplichtingenbudget toegevoegd voor het begrotingsjaar 2025. Door vertraging in de uitvoering van de deelvoorstellen DigiLab en Duurzaamheid zijn deze verplichtingen eind 2024 niet meer aangegaan. In 2025 zijn de beschikking afgegeven en uitbetaald aan de deelnemende TO2-instellingen en RKI's.

  • Voor het NGF-project PhotonDelta zijn in 2024 niet alle middelen verplicht en tot besteding gekomen. Vanwege de 100%-eindejaarsmarge op NGF-middelen zijn de resterende middelen in 2025 bij de 1e Suppletoire Begroting aan het budget van dit jaar toegevoegd. Daarnaast is er bij de 1e Suppletoire Begroting een nieuwe toekenning gedaan voor het project, resulterend in een ophong van het verplichtingenbudget van € 53,8 mln in 2025. Dit betrof een eerder voorwaardelijke toekenning op de NGF begroting. Deze middelen zijn op het instrument geplaatst en verplicht. Hierdoor is de verplichtingenrealisatie hoger dan initeel geraamd.

  • Voor het NGF-project QuantumDelta zijn in 2024 niet alle middelen verplicht en tot besteding gekomen. Vanwege de 100%-eindejaarsmarge op NGF-middelen zijn de resterende middelen in 2025 bij de 1e Suppletoire Begroting aan het budget van dit jaar toegevoegd. Daarnaast is er op basis van een nieuwe RVO-raming van de besteding van de middelen, onder andere bij de 2e Suppletoire Begroting € 45,0 mln aan verplichtingenbudget geschoven naar 2026. In totaal is er in 2025 € 73,8 mln minder verplicht dan geraamd bij de Ontwerpbegroting 2025.

  • Voor het NGF-project Material Independence & Circular Batteries zijn in 2024 niet alle middelen verplicht en tot besteding gekomen. Vanwege de 100%-eindejaarsmarge op NGF-middelen zijn de resterende middelen in 2025 bij de 1e Suppletoire Begroting aan het budget van dit jaar toegevoegd. € 129,3 mln is vervolgens verplicht, waardoor de realisatie bij de verplichtingen hoger is dan bij de Ontwerpbegroting 2025 geraamd.

  • Bij de 2e Suppletoire Begroting is onderdeel van een grote verplichting ten behoeve van PIXEurope wordt een verplichting aangegaan op het Internationaal Innoveren instrument. Hierdoor is de verplichtingen realisatie € 47,8 mln hoger dan in de Ontwerpbegroting werd geraamd.

Uitgaven

Subsidies

MKB Innovatiestimulering Topsectoren (MIT)

De MIT richt zich specifiek op het innovatieve mkb en is een gezamenlijk(e) (gefinancierde) regeling van Rijk en provincies. De MIT is bedoeld als laagdrempelige regeling om de innovatiekracht van het mkb te benutten voor de doelen van het Missiegedreven Innovatiebeleid en een bijdrage te leveren aan regionale innovatiestrategieën. Sinds 2015 werken EZ en de provincies samen in de MIT-regeling die onder 1.340 ondernemers op jaarlijkse basis van een positieve naamsbekendheid geniet als stabiel en laagdrempelig EZ-beleid.

De middelen voor de MIT over 2025 zijn bij de 1e suppletoire begroting overgeheveld naar het mede-overheden instrument voor de MIT om vanaf dat instrument de SPUKs af te geven. Hiertoe is € 12 mln aan kasbudget in 2025 overgeheveld. Het restant op dit instrument voor 2024 is de realisatie op het gedeelte van de MIT dat door RVO wordt uitgevoerd. Dit is het nationale vangnet voor projecten die inter-regionaal zijn en niet via de Provincies kunnen worden gefinancierd.

Bevorderen Ondernemerschap

Op het kasbudget van Bevorderen Ondernemerschap is in 2025 € 18,2 mln minder gerealiseerd dan geraamd. Het budget is negatief bijgesteld als gevolg van het overhevelen van budget ter dekking van de RVO-uitvoeringskosten van de directie Ondernemingsklimaat en Topsectoren en Industriebeleid, waaronder respectievelijk € 4,8 mln uit het werkbudget van de directie Ondernemingsklimaat en € 2,3 mln uit het werkbudget van de directie Topsectoren en Industriebeleid en € 2,6 mln uit de beleidsmiddelen voor Grondstoffen en Circulair. Daarnaast is een bijdrage van € 4,1 mln ter financiering van de FinancieringsGids overgeheveld naar het KvK-instrument. Verder werden deze middelen ingezet ter dekking van diverse kleine tekorten en opdrachten.

Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL)

De TVL is inmiddels gesloten. Voor de TVL zijn alleen nog uitbetalingen voorzien voor lopende bezwaar- en beroepzaken, overgang tot betaling is afhankelijk van wanneer een uitspraak wordt gedaan of een bezwaar- of beroepzaak gegrond wordt verklaard. Dit jaar zijn er minder bezwaar- en beroepzaken tot uitspraak gekomen waardoor er ook minder uitgaven zijn gedaan. In totaal zijn de uitgaven hierdoor € 19,7 lager dan geraamd bij de ontwerpbegroting.

NGF-projec QuantumDeltaNL

Voor het NGF-project Quantum Delta is gedurende 2025 op basis van de voortgang en uitvoeringsinformatie van het project een gedeelte van het verplichtingen en kas budget doorgeschoven naar latere jaren. Hierdoor is de realisatie lager dan in de ontwerpbegroting was voorzien.

NGF-project Oncode-PACT

Gedurende 2024 is door vertraging in de uitvoering € 17 mln minder kasbudget uitgegeven via het NGF-project Oncode. Dit is in 2025 toegevoegd aan de middelen en vervolgens in 2025 wel tot uitbetaling gekomen. Hierdoor is de realisatie hoger dan er in de ontwerpbegroting werd verwacht.

NGF-project Material Independence & Circular Batteries

Voor het NGF-project Material Independence & Circular Batteries is bij de 1e Suppletoire Begroting € 91,6 mln aan kasmiddelen verschoven naar latere jaren in lijn met het verwachte uitfinancieringsritme van RVO voor de beschikking die dit jaar is aangegaan voor het vorig jaar goedgekeurde NGF-project. Hierdoor zijn er minder middelen tot besteding gekomen dan bij de Ontwerpbegroting geraamd.

EURO-HPC

Om de AI-gedreven transformatie bij te kunnen houden en sturen en het AI-ecosysteem verder versterken en de afhankelijkheden van geavanceerde AI-modellen bij grote techplatforms verminderen, wordt er geïnvesteerd in een AI-faciliteit. Vanuit de EZ begroting zijn middelen overgeheveld vanuit EuroHPC om dit mogelijk te maken. Hierdoor is in 2025 de realisatie lager geweest dan in de ontwerpbegroting werd verwacht.

EURO-QCI

Binnen EURO QCI zijn middelen gereserveerd voor uitvoering door TNO. Voor de betaling aan TNO zijn middelen overgeheveld naar een ander instrument waardoor de realisatie niet op dit instrument plaatsvond en daardoor lager uitvalt dan orgineel geraamd. Daarnaast wordt er in verband met een lagere liquiditeitsbehoefte door TNO ook € 5 mln naar een later jaar verschoven om beter aan te sluiten bij de kas- en verplichtigenbehoefte.

Brexit Adjustment Reserve

De Onderuitputting heeft voornamelijk betrekking op het onderdeel saneringsregeling binnen de Visserijsector. Deze regeling is opgesteld voor Nederlandse visserijbedrijven die negatieve gevolgen ondervinden als gevolg van de Brexit en hierdoor geen toekomst meer zien in de visserij. In totaal zijn er 82 aanvragen ingediend. Na beoordeling is gebleken dat 31 van de 82 saneringsaanvragen niet konden worden doorgezet. Deze aanvragen zijn ingetrokken of afgewezen omdat deze niet voldeden aan de vereisten van de regeling.

De Minister van LVVN heeft zich ingezet om te onderzoeken of er mogelijkheden bestaan om een aanvullende regeling open te stellen binnen dit onderdeel. Gezien het aflopen van de BAR, en door juridische- en beleidstechnische belemmeringen zijn er geen mogelijkheden gevonden om een aanvullende regeling open te stellen.

Maritieme Maakindustrie

Voor de Innovatieregeling vanuit het Rijksregiebureau Maritieme Maakindustrie voor Maritieme Innovatie Projecten is in 2025 de eerste call opengesteld en verplicht. Op basis van de financieringsbehoefte van de goedgekeurde projecten is bij de 1e suppletoire begroting 2025 een kasschuif doorgevoerd. Als gevolg hiervan is het kasbudget met € 15,9 mln verlaagd in 2025 en verschoven naar latere jaren op de begroting.

Nationaal Versterkingsplan Microchip-talent

Bij de 1e suppletoire begroting zijn extra middelen overgeheveld van de Aanvullende Post (AP) voor het onderdeel Levenslang Ontwikkelen (LLO) van het Versterkingplan. De extra middelen voor 2025 zijn volledig tot besteding gekomen.

Garanties

BMKB

Voor de Borgstelling MKB-kredieten (BMKB) zijn in 2025 minder uitgaven gematerialiseerd dan verwacht. Dit is te verklaren doordat de afgelopen jaren niet alle ruimte voor nieuwe garanties is benut. Hierdoor zijn zowel de uitgaven als de inkomsten lager uitgevallen.

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

Onder de GO regeling worden garanties afgegeven op middelgrote en grote leningen. In 2025 zijn er minder schadebetalingen geweest op de bestaande garanties waardoor minder is uitgegeven dan verwacht.

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO-C)

De Garantie Ondernemingsfinanciering (GO) Corona is sinds 2022 gesloten en er zijn in 2025 geen toekenningen voor uitbetalingen ingediend. Hierdoor is er minder uitgegeven dan verwacht. De middelen van de GO-C vloeien terug naar de generale middelen.

Bijdragen aan agentschappen

Bijdrage RVO.nl

In verband met bijstellingen en extra opdrachten aan de RVO zijn er meer uitgaven gedaan in 2025 dan eerst was begroot. Gedurende het jaar is er extra budget toegevoegd wat het verschil tussen de begrote en gerealiseerde uitgaven verklaard.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Bijdrage aan TNO

Het Ministerie van Economische Zaken is penvoerder van TNO en verstrekt in die rol de Rijksbijdrage aan TNO. De realisatie op het kasbudget over 2025 is € 107,7 mln hoger dan origineel geraamd in de Ontwerpbegroting. Dit als gevolg van het verstrekken van aanvullende opdrachten aan TNO vanuit het Rijk waarvoor andere departementen middelen hebben overgeheveld naar de EZ-begroting.

Kamer van Koophandel

Gedurende het jaar zijn er extra budgetten toegevoegd om additionele opdrachten door de Kamer van Koophandel (KvK) te laten uitvoeren. Daarnaast is bij de 2e suppletoire begroting is € 11,7 mln aan kasbudget toegevoegd aan het budget voor de Kamer van Koophandel. Deze ophoging betreft o.a. aanvullende bijdragen vanuit andere departementen (o.a. SZW, J&V, I&W, BZK, LVVN, Fin, en VWS) voor het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. De verhoging is het gevolg van sterk gestegen kosten.

Bijdragen aan mede-overheden

MKB-Innovatiestimulering Topsectoren (MIT)

De regeling MKB-Innovatiestimulering Topsectoren (MIT) wordt centraal uitgevoerd door RVO, het decentrale gedeelte wordt via SPUKs en Decentralisatie Uitkering uitgevoerd door de Provincies. De middelen voor de SPUKs over 2025 zijn bij de 1ste suppletoire begroting overgeheveld naar het mede-overheden instrument voor de MIT om vanaf dat instrument de SPUKs af te geven. Hierdoor is de realisatie van de kasuitgaven € 11,6 mln hoger dan origineel geraamd in de Ontwerpbegroting.

Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

Faciliteiten toegepast onderzoek TO2 en RKI

Voor het themavoorstel DigiLab, onderdeel van de eerste FTO-ronde, hebben de deelnemende TO2’s en RKI’s een geactualiseerde liquiditeitsprognose opgesteld. Omdat de benodigde middelen voor 2025 lager uitvallen dan aanvankelijk geraamd, is € 9 mln verschoven naar latere jaren. Daarnaast is een deel van de uitgaven via de begroting van het Ministerie van IenW gefaciliteerd.

Stortingen Begrotingsreserves

Storting reserve BMKB

Er is een begrotingsreserve (risicovoorziening) voor de BMKB waardoor een verevening mogelijk is van premie-inkomsten en schade-uitgaven over een reeks van jaren. De regeling is namelijk conjunctuurgevoelig (in tijden van krimp en recessie hogere verliezen) waardoor uitgaven en inkomsten kunnen fluctueren. In verband met de hogere ontvangsten dan uitgaven op de garanties onder de BMKB is € 11,9 mln gestort in de begrotingsreserve.

Storting reserve Maatwerkgarantie

Bij de 1e suppletoire begroting is er een bedrag van € 30 mln gestort in een nieuwe begrotingsreserve. Deze begrotingsreserve betreft een risicovoorziening voor de inrichting van een maatwerkgarantie, welke is gevuld met een storting van het Ministerie van Defensie en het Ministerie van Economische Zaken

Kengetallen

Strategisch doel 1: Het bevorderen van een innovatieve, concurrerende en weerbare economie voortbouwend op de sterktes van de Nederlandse ecosystemen met een sterke positionering op de groeimarkten van de toekomst

Tabel 12 Kengetallen behorend bij strategisch doel 1
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Bron

MIT

           

RVO

Aantal bedrijven dat deelneemt aan MIT

1.206

1.287

1.434

1.422

1.693

1.846

1.576

1.498

1.589

14051

n.n.b

 

Omvang private R&D-uitgaven ondersteund met MIT (x € 1 mln)

86

83

96

106

112

119

114

111

109

100

n.n.b

 

Eurostars

           

RVO

Aantal Nederlandse deelnemers aan Eurostars

69

75

72

72

68

74

87

81

82

79

72

 

waarvan bedrijven

50

52

49

55

43

48

64

67

67

60

61

 

waarvan hightech MKB (%)

96%

90%

98%

93%

88%

94%

95%

91%

90%

97%

93%

 

Door Eurostars ondersteunde private R&D-uitgaven van Nederlandse deelnemers (x € 1 mln)

32

28

30

36

30

33

40

39

41

38

40

 

Horizon Europe

           

RVO/ EC

Aantal Nederlandse deelnemers aan Horizon Europe

      

39

806

1.267

1.638

1.793

 

waarvan bedrijven

      

8

527

871

1.150

1.264

 

Omvang Horizon EU-middelen voor Nederlandse deelnemers (retour in mln euro)

      

34,5

1.365

3.124

4.307

4.963

 

waarvan aan bedrijven (%)

      

5%

19,7%

26,5%

25,8%

25,4%

 

Retourpercentage voor Nederland (%)

      

5,9%

9,0%

9,4%

9,0%

8,6%

 

WBSO

           

RVO

Aantal bedrijven (met S&O verklaring) dat gebruik maakt van WBSO

22.980

22.330

21.265

20.279

20.046

20.340

20.339

19.484

19.392

18.979

n.n.b

 

Door WBSO ondersteunde private R&D-uitgaven (S&O-loon, x € 1 mln)

3.868

3.930

4.008

4.042

4.291

4.396

4.611

4.728

5.017

5.036

n.n.b

 

Door WBSO ondersteunde private R&D-uitgaven (S&O- NIET-loonuitgaven, x € 1 mln)

2.426

2.787

2.686

2.746

2.831

2.857

3.150

3.494

3.689

3.331

n.n.b

 

TO2

            

Klanttevredenheid Deltares

8,7

8,6

8,2

8,7

9,2

9,1

8,7

9,1

9

9,1

9,2

Deltares

Klanttevredenheid MARIN

8,8

8,9

9,1

9

8,9

9,2

9,1

9,6

9,1

9,6

9,7

Marin

Klanttevredenheid NLR

8,8

8,7

8,7

8,7

8,7

8,7

8,9

8,9

8,9

8,8

8,8

NLR

Klanttevredenheid TNO

8,4

8,6

8,6

8,8

8,7

8,9

8,9

8,9

8,9

8,8

n.n.b

TNO

Kennisbenutting Deltares

96%

97%

93%

95%

88%

82%

96%

93%

100%

100%

100%

Deltares

Kennisbenutting Marin

97%

100%

100%

100%

97%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

Marin

Kennisbenutting NLR

99%

99,5%

99%

96%

97%

98%

96%

98%

97%

98%

98%

NLR

Kennisbenutting TNO

98%

98%

98%

99%

96%

97%

97%

97%

98%

96%

n.n.b

TNO

Europese Ruimtevaartorganisatie (ESA)

            

Aantal Nederlandse bedrijven dat deelneemt aan ruimtevaartprogramma’s ESA

121

121

136

160

179

193

208

218

218

241

n.n.b

ESA

Ruimtevaart geo-return/retour (%)

1,02

1,18

1,16

1,11

1,13

1,07

1,09

1,08

1,08

1,04

n.n.b

ESA

1

in verband met de verzilveringsperiode van MIT-kennisvouchers zijn de cijfers van 2024 voorlopig, met een peildatum van 6 februari 2026. Dat het definitieve aantal bedrijven dat deelneemt aan MIT nog niet beschikbaar is, heeft te maken met kennisvouchers die nog verzilverd kunnen worden.

Strategisch doel 2: Een goed functionerend en maatschappelijk verantwoord bedrijfsleven door het waarborgen van een sterk ondernemings- en vestigingsklimaat met optimale randvoorwaarden voor succesvol ondernemerschap

Tabel 13 Kengetallen behorend bij strategisch doel 2
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Bron

BMKB1

           

RVO

Verstrekte garanties BMKB, x € 1 mln (90%)

401

591

502

527

538

380

301

326

311

268

291

 

Totaal aantal verstrekte garanties

2.545

3.688

3.299

3.094

2.751

1.962

1.138

1.042

975

858

941

 

BMKB-Corona2

           

RVO

Verstrekte garanties BMKB, x € 1 mln (90%)

     

448

42

1

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

 

Totaal aantal verstrekte garanties

     

4.123

245

7

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

 

Groeifaciliteit

           

RVO

Verstrekte garanties Groeifaciliteit, x € 1 mln

19

37

21

19

10

3

10

8

8

25

4

 

Totaal aantal verstrekte garanties

14

17

8

10

9

7

7

7

6

23

6

 

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

           

RVO

Verstrekte garanties GO, x € 1 mln

137

58

91

56

45

158

34

11

41

36

8

 

Totaal aantal verstrekte garanties

76

36

80

54

31

15

6

6

11

33

15

 

GO-Corona

           

RVO

Verstrekte garanties GO, x € 1 mln

     

572

91,3

2

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

 

Totaal aantal verstrekte garanties

     

92

14

1

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

 

Klein Krediet Corona

           

RVO

Verstrekte garanties KKC, x € 1 mln (95%)

     

36

27

0,2

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

 

Totaal aantal verstrekte garanties

     

1.117

913

8

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

 

Qredits

           

Qredits

Aantal verstrekte kredieten

1.373

1.750

2.238

3.557

4.277

4.988

4.155

3.835

4.546

3.800

3.954

 

Innovatie Attaché Netwerk

           

IAN/RVO.nl

Geformaliseerde samenwerkingsverbanden

78

97

60

57

37

15

21

51

69

114

n.n.b

 

Klanttevredenheid

8,6

8,1

8,2

8

8,6

8,2

8,2

8,4

8,7

8,5

n.n.b

 

Netherlands Foreign Investment Agency3

           

NFIA/RVO.nl

Projecten

207

227

224

248

268

180

265

211

174

171

164

 

Investeringsomvang (x € 1 mln)

1.765

1.467

1.227

2.755

4.105

1.443

2.074

3.819

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

 

Werkgelegenheid (arbeidsplaatsen)

7.779

7.570

8.158

8.475

10.866

6.397

9.905

7.943

4.230

4.302

3.845

 

KvK4

           

KvK

Waardering Kamer van Koophandel

7,1

7,2

‒ 10

‒ 10

‒ 5

5

6

7

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

 

Klanttevredenheid Kamer van Koophandel

        

80%

82%

n.n.b.

 
1

In december 2022 is de BMKB-groen (BMKB-G) gestart om de financieringsmogelijkheden voorverduurzamingsinvesteringen voor het mkb te vergroten. In 2025 is het aantal BMKB-Gborgstellingen 2 met een garantieomvang van € 1,5 mln.In 2019 is door (toenmalig) EZK afgesproken dat voor de cijfers van de BMKB niet meer wordtuitgegaan van 100% van het borgstellingskrediet, maar van 90% van het krediet, waar wedaadwerkelijk borg voor staan. Dit is voor de hele reeks met terugwerkende kracht aangepast.

2

De ‘Corona-modules’ van de BMKB en de GO zijn vervallen, evenals de KKC-regeling.Bij de KKC regeling staat de overheid voor 95% garant van de hoofdsom

3

Sinds 2023 maakt de investeringsomvang geen onderdeel meer uit van de kernindicatoren van NFIA, omdat 1) de investeringsomvang geen target is voor de NFIA en daarmee buiten de strategie valt, en 2) omdat de investeringsomvang een vertekend beeld geeft: de investeringsomvang om een project in Nederland te realiseren/ operationaliseren wordt niet noodzakelijkerwijs volledig in Nederland besteed.

4

De KvK houdt vanaf 2023 de ”Waardering Kamer van Koophandel” niet meer bij. Customer Satisfaction (CSAT) is in plaats gekomen. Dit is een score van 0 tot 100%, die aangeeft hoe tevreden klanten waren met een product, dienst, of kanaal.

Ontvangsten

F-35 (Joint Strike Fighter)

Bij de 2e suppletoire begroting zijn de geraamde ontvangsten voor Joint Strike Fighter (JSF) met € 10,5 mln naar beneden bijgesteld naar 0. Eind 2023 is besloten om de afdracht voor 2023-2025 te pauzeren. De reden hiervoor is dat in de contracten van deze jaren geen rekening gehouden is met de hoge inflatie in Nederland. Er is afgesproken dat deze vrijstelling mogelijk is omdat de leveranciers voor het afgesproken jaar 2062 alsnog de totale afdracht kunnen doen.

Diverse Ontvangsten

Het instrument Diverse ontvangsten is in de 2e suppletoire begroting met € 10 mln naar boven bijgesteld. Dit betreft onder andere het desalderen van de afrekening van de RVO-opdracht 2024 die lager uitviel dan eerder geraamd.

Tegemoetkoming Vaste lasten

Voor de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) wordt teruggevorderd indien bij de definitieve vaststelling blijkt dat de daadwerkelijke omzetderving lager is geweest dan aanvankelijk door de aanvrager was geraamd. In dergelijke gevallen wordt (een deel van) het eerder uitgekeerde voorschot teruggevorderd. Uiteindelijk is in vergelijking met de Ontwerpbegroting 2025 aan het eind van 2025 € 35,4 mln minder ontvangsten binnen gekomen dan geraamd.

BMKB

Voor de Borgstelling MKB-kredieten (BMKB) zijn in 2025 minder uitgaven gerealiseerd dan verwacht. Dit is te verklaren doordat de afgelopen jaren niet alle ruimte voor nieuwe garanties is benut. Hierdoor zijn zowel de uitgaven als de ontvangsten lager uitgevallen.

Ontrekking Reserve BMKB

De BMKB-corona (BMKB-C) module is vervallen op 30 juni 2022, wel is er nog een kasbuffer aangehouden voor eventuele schades. Door het verval van de regeling is de blootstelling afgenomen. Bij de 2e suppletoire begroting is daarom € 56,0 mln ontrokken uit de risicoreserve. Het restenderende bedrag is onttrokken bij de Slotwet. Deze onttrekkingen gaan ten guste van het generale beeld.

Ontrekking reserve Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

De risicovoorziening is de reserve voor de garantieregeling GO. Wanneer er meer schade betalingen moeten worden gerealiseerd dan begroot, voorziet de reserve in dekking. Bij de 1e Suppletoire Begroting is € 24 mln uit de risicovoorziening onttrokken ten behoeve van de nieuwe risicovoorziening Garantiestelling Maritieme Industrie. Daarnaast is de GO-Corona (GO-C) module vervallen op 30 juni 2022, wel is hiervoor nog een kasbuffer aangehouden voor eventuele schades. Door het verval van de regeling is de blootstelling afgenomen. Bij de 2e suppletoire begroting is daarom € 142,0 mln ontrokken uit de risicoreserve. Deze onttrekking gaat ten guste van het generale beeld. Het resterende verschil in de realisatie betreft een bijstelling van den risicoreserve.

Tegemoetkoming Energiekosten

Betreft een actualisatie van de ontvangstenraming van de Tegemoetkoming Energiekosten-regeling (TEK). In 2025 zijn de ontvangsten € 15,6 mln lager geweest dan origineel geraamd.

Brexit Adjustment Reserve

De Europese Commissie heeft met instemming van Nederland besloten om de resterende Brexit Adjustment Reserve (BAR) middelen niet meer uit te betalen aan de verschillende lidstaten en elders in te zetten. Het gevolg hiervan is dat de geraamde ontvangsten van € 121 mln niet meer gerealiseerd worden.

Beleidsartikel 3 Toekomstfonds

Het Toekomstfonds is onderdeel van het bedrijvenbeleid en richt zich op het vergroten en beschikbaar stellen van (risico)financiering voor bedrijven en onderzoek en het behouden van vermogen voor toekomstige generaties. Het beoogt de innovatiekracht van Nederland te versterken en mogelijk te maken door het beschikbaar stellen van financiering voor het innovatief en snelgroeiend mkb en voor valorisatie. Om commercialisatie van kennis vanuit de kennisinstellingen te ondersteunen en de toegang tot risicokapitaal te faciliteren zet EZ met het Toekomstfonds diverse instrumenten in, zoals de Thematische Technology Transferregeling, het Innovatiekrediet, de regeling Vroegefasefinanciering (VFF), Seed Capital (incl. Seed Business Angel) en de Dutch Venture Initiatieven (DVI). Ook de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) zijn ondergebracht in het Toekomstfonds.

De Minister van EZ is rijksbreed verantwoordelijk voor versterking van het innovatievermogen, in het bijzonder gericht op het bedrijfsleven, en verantwoordelijk voor het scheppen van randvoorwaarden voor een excellent ondernemings- en vestigingsklimaat.

De Minister heeft sinds de integratie (zie Kamerstuk 36 410 XIII, nr. 97) volledig formeel zeggenschap over het Toekomstfonds. Beslissingen over investeringen in valorisatie en fundamenteel en toegepast onderzoek worden in gezamenlijkheid met de Minister van OCW gemaakt (zie artikel 2). Vanuit deze verantwoordelijkheden heeft de Minister een financierende en faciliterende rol, zoals vermeld in artikel 2 van deze begroting.

Financieren/faciliteren

  • Het mede-financieren van investeringen in R&D en innovatie waaronder ten behoeve van kennisbenutting (valorisatie); zie tevens artikel 2;

  • Het faciliteren van toegang tot en financieren van (risico)kapitaal voor bedrijven.

Om – aanvullend op de begroting – de Kamer te informeren over voortgang en effecten van beleid treft u op de website www.bedrijvenbeleidinbeeld.nl informatie aan over de indicatoren en kengetallen. Deze website is te zien als een digitale bijlage van de EZ-begroting.

Voor het grootste deel van het beleid wat binnen het Toekomstfonds wordt uitgevoerd is het beleid volgens plan verlopen. Met ingang van 2024 is de uitzondering op de eindejaarsmarge vervallen. Dit heeft ertoe geleid dat gedurende 2024 verschillende aanpassingen zijn gedaan in de budgetten (verplichtingen- en kasschuiven) naar aanleiding van de meest recente uitvoeringsinformatie. De aard van de regelingen zorgt ervoor dat een continue bijstelling noodzakelijk is. Hiernaast is op specifieke instrumenten binnen het Toekomstfonds het volgende te melden.

SEED Capital en VFF

Voor de SEED Capital regeling is er in 2025 een additionele tender van € 25 mln opengesteld voor specifiek deeptech investeringsfondsen, om investeringen in deze sector te stimuleren. Daarnaast is het NWO-luik van de VFF opgehoogd wegens de hoge vraag en het creëren van consistentie met de bredere VFF-regeling. Als gevolg hiervan kunnen nu bij alle VFF-luiken leningen van € 450.000 aangevraagd worden door ondernemers.

ETCI en Blended Finance Faciliteit

In 2025 is tevens € 200 mln vrijgemaakt voor het European Tech Champion Initiative (ETCI). ETCI heeft als doel het vergroten van de slagkracht van Europese risicokapitaalfondsen waardoor Europese innovatieve scale-ups minder afhankelijk worden van niet-Europees risicokapitaal.

Tevens werd er in 2025 gewerkt aan de uitwerking van een Blended Finance faciliteit van € 250 mln binnen het Toekomstfonds, als onderdeel van de versterking van Invest-NL. Deze financieringsvorm combineert publiek- en privaatkapitaal en ligt tussen subsidies en reguliere financiering in, om meer kapitaal voor scale-ups te mobiliseren.

TTT-regeling

Begin 2025 heeft een tender voor de TTT-regeling plaatsgevonden. Hier was € 40 mln voor beschikbaar. In eerste instantie is een aanvraag afgewezen vanwege budgettaire krapte. De aanvrager is tegen dit besluit in bezwaar gegaan, welke gegrond is verklaard. Dit heeft ertoe geleid dat een extra aanvraag is gehonoreerd. Met de vijf gehonoreerde aanvragen tezamen wordt valorisatie door middel van het oprichten en financieren van start-ups op alle tien de prioritaire NTS-sleuteltechnologieën ondersteund. De benodigde budgettaire ruimte wordt binnen de huidige kaders van het Toekomstfonds gevonden.

Gelijktijdig met deze tender zijn er via de TTT-regeling ook middelen vanuit VWS toegekend voor valorisatie op het thema pandemische paraatheid. Eind vorig jaar is tevens een nieuwe TTT-tender gepubliceerd met middelen vanuit Defensie gericht op de doelen van de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie 2025-2029.

Tabel 14 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 3 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting1

Verschil

 

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Verplichtingen

389.876

330.250

216.531

227.588

359.315

270.486

88.829

        

Uitgaven

328.336

136.227

208.266

356.624

308.374

293.096

15.278

        

Subsidies

2.905

2.941

3.413

3.292

2.387

3.650

‒ 1.263

Smart Industry

120

38

13

   

0

Haalbaaarheidsstudies STW

796

547

547

274

  

0

Thematische Technology Transfer

1.989

2.356

2.853

3.018

2.387

3.650

‒ 3.650

        

Leningen

316.250

123.838

195.836

343.779

294.913

279.942

14.971

Startups / MKB financiering

       

Volledig revolverend

       

Fund to Fund

7.000

 

7.000

  

11.905

‒ 11.905

ROM's

207.162

5.036

19.301

3.108

2.247

2.457

‒ 210

Co-investment venture capital instrument / EIF

      

0

Dutch Future Fund

 

6.083

4.333

12.584

1.999

2.000

‒ 1

Deep Tech Fund

  

35.000

70.000

50.000

50.000

0

Fonds Alternatieve Financiering

 

7.844

6.250

25.907

10.000

10.000

0

Economisch Veiligheids Fonds

   

100.000

22.735

25.000

‒ 2.265

European Tech Champions Initiative

  

21.900

 

35.000

25.000

10.000

Secfund

   

25.000

75.000

 

75.000

Deels revolverend

       

Innovatiekrediet

53.334

41.211

43.591

40.827

40.457

50.000

‒ 9.543

Risicokapitaal Seed Capital

34.916

38.039

41.099

36.944

31.564

53.920

‒ 22.356

Vroegefasefinanciering / informal investors

6.855

16.961

10.394

18.791

17.354

35.443

‒ 18.089

Investeringen in fundamenteel en toegepast onderzoek

       

met vermogensbehoud

       

Fundamenteel en toegepast onderzoek

2.514

117

  

113

 

113

Onco research

1.016

4.441

2.209

4.211

4.423

5.500

‒ 1.077

Smart Industry

231

74

19

   

0

Thematische Technology Transfer

3.222

4.032

4.740

6.407

3.800

5.500

‒ 1.700

RegMed XB

    

221

3.217

‒ 2.996

        

Bijdrage aan agentschappen

9.181

9.449

9.017

9.552

11.073

9.504

1.569

Bijdrage RVO.nl

9.181

9.449

9.017

9.552

11.073

9.504

1.569

        

Ontvangsten

82.025

106.437

138.565

102.940

86.277

40.692

45.585

Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen

20.889

38.421

64.134

42.293

33.495

5.504

27.991

Investeringen in fundamenteel en toegepast onderzoek

980

642

635

304

642

777

‒ 135

Smart Industry

  

187

118

116

411

‒ 295

Innovatiekrediet

28.021

42.070

58.100

39.885

24.337

21.000

3.337

Seed Capital

30.362

23.189

13.648

17.672

24.049

13.000

11.049

Vroege fase financiering

1.530

2.082

1.861

2.667

2.685

 

2.685

Thematische Technology Transfer

243

2

  

952

 

952

Dutch Future Fund

 

30

    

0

1

Stand inclusief amendementen, moties en NvW.

Verplichtingen

De verplichtingenrealisatie op artikel 3 is € 88,8 mln hoger dan geraamd bij de Ontwerpbegroting 2025. Deze hogere realisatie is hoofdzakelijk het gevolg van de aangegane verplichting aan de Brabantse Ontwikkelings Maatschappij (BOM) van € 75 mln voor de ophoging van het SecFund. Deze middelen zijn bij de 1e suppletoire begroting overgeheveld van het Ministerie van Defensie naar het Toekomstfonds. Het SecFund is een fond dat eind 2024 is opgericht bij de BOM met een startbudget van € 25 mln en ondersteunt startups en MKB'ers om tot een succesvolle ontwikkeling van producten te komen die zowel door Defensie als de civiele markt afgenomen kunnen worden.

Uitgaven

Leningen

Fund to Fund

Voor de resterende kasbudgetten op de EZ-begroting voor het Dutch Venture Initiative (DVI) I en II is bij de eerste suppletoire begroting een kasschuif doorgevoerd waarbij € 11,9 mln aan kasbudget van begrotingsjaar 2025 naar begrotingsjaar 2029 is geschoven. Op basis van de huidige uitvoeringsinformatie van de uitvoerder van DVI I en II, de Regionale Ontwikkelingsmaatschappij OostNL, was er voor 2025 geen kasbudget benodigd. Hierdoor is vergeleken met de Ontwerpbegroting 2025 het kasbudget met € 11,9 mln naar benenden bijgesteld.

European Tech Champions Initiative

Het European Tech Champions Initiative (ETCI) is een nieuw Europees fonds dat belegd is bij het Europees Investeringsfonds (EIF). Nederland neemt sinds 2023 deel aan ETCI voor in totaal € 100 mln. Uitbetalingen aan ETCI vinden plaats op basis van capitall calls, op welk moment alle deelnemende landen middelen overhevelen naar het EIF. In 2024 stond er € 10 mln gereserveerd om over te maken naar het EIF voor ETCI. Deze overheveling is uiteindelijk niet doorgegaan. Omdat de middelen reeds volledig juridisch verplicht zijn aan het EIF, zijn deze weer toegevoegd aan het budget voor 2025 en tot besteding gekomen.

SecFund

Bij de 1e suppletoire begroting is er € 75 mln van het Ministerie van Defensie naar het Toekomstfonds overgeheveld voor de verhoging van het SecFund fondsbudget. Doordat de middelen vervolgens zijn overgeveld naar de BOM, zijn er meer uitgaven gerealiseerd dan geraamd bij de Ontwerpbegroting.

Innovatiekrediet

Het innovatiekrediet is een vraaggestuurd instrument. In 2025 is minder beroep gedaan op de twee verschillende luiken van het instrument waardoor er minder kredieten zijn afgegeven dan oorspronkelijk begroot.

Risicokapitaal Seed

Vergeleken met de Ontwerpbegroting 2025 is het kasbudget voor de SEED-regeling (SEED Capital en SEED Business Angels) met € 22,3 mln naar beneden bijgesteld. Deze bijstelling is het gevolg van kasschuiven die zijn doorgevoerd bij de eerste suppletoire begroting (€ -8,8 mln) en suppletore begroting september (€ -18,7 mln). Met deze bijstellingen zijn deze kasbudgetten naar latere jaren op de begroting geschoven op basis van de uitvoeringsinformatie van RVO. Hiernaast is er bij de eerste suppletoire begroting € 4,5 mln opgeboekt voor de SEED als gevolg van afspraken rondom het Toekomstfonds waarbij hoger dan geraamde ontvangsten voor o.a. de SEED uit het voorgaande begrotingsjaar mee worden genomen naar het daaropvolgende begrotingsjaar via een 100% eindejaarsmarge. In totaal is hiermee per saldo het kasbudget voor de SEED € 22,3 mln lager dan origineel geraamd in de Ontwerpbegroting 2025.

Vroegefasefinanciering / informal investors

Vergeleken met de Ontwerpbegroting 2025 is het kasbudget voor de Vroegefasefinanciering (VFF) met € 18 mln naar beneden bijgesteld. Deze bijstelling is het gevolg van kasschuiven die zijn doorgevoerd bij de eerste suppletoire begroting (€ -6,2 mln) en suppletore begroting september (€ -12,7 mln). Met deze bijstellingen zijn deze kasbudgetten naar latere jaren op de begroting geschoven op basis van de uitvoeringsinformatie van RVO en NWO-TTW. Hiernaast is er bij de eerste suppletoire begroting € 2,6 mln opgeboekt voor de VFF als gevolg van afspraken rondom het Toekomstfonds waarbij hoger dan geraamde ontvangsten voor o.a. de VFF uit het voorgaande begrotingsjaar mee worden genomen naar het daaropvolgende begrotingsjaar via een 100% eindejaarsmarge. In totaal is hiermee per saldo het kasbudget voor de VFF € 18 mln lager dan origineel geraamd in de Ontwerpbegroting 2025.

Tabel 15 Kengetallen

Kengetallen

            
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Bron

Innovatiekrediet

           

RVO

Aantal bedrijven dat Innovatiekrediet gebruikt

33

32

29

31

29

27

19

16

22

26

23

 

Omvang private R&D-uitgaven ondersteund met een Innovatiekrediet (x € 1 mln)

119

136

159

173

139

167

97

116

134

105

153

 

Seed Capital en Fund of funds

           

RVO.nl/EIF

Aantal participaties via SEED (vanaf 2018 incl. SEED Business Angels)

35

37

48

58

77

51

42

108

110

94

104

 

Omvang gestimuleerd risicokapitaal voor innovatieve bedrijven door SEED (x € 1 mln) (vanaf 2018 incl. SEED Business Angels)

31,1

31,6

40,4

47

54,6

52,8

69,6

79,4

88,3

74,1

63,8

 

Vroegefasefinanciering1

           

RVO.nl/NWO-TTW

Aantal ondernemers dat Vroege Fase Financiering gebruikt

21

22

19

20

19

17

22

7

1

0

2

 

Aantal ondernemers dat Vroege Fase Financiering gebruikt bij de regionale fondsen

      

3

24

47

33

55

 

Aantal ondernemers dat Vroege Fase Financiering gebruikt via TTW

17

15

22

18

18

18

18

19

20

24

22

 

Thematische Technology Transfer (TTT) regeling

           

RVO

Het aantal nieuwe (initiële) participaties in het afgelopen kalenderjaar van TTT-fondsen

     

10

13

13

15

18

n.n.b

 

Aantal startende bedrijven ten gevolgen van de valorisatieactiviteiten door een TTT-samenwerkingsverband

     

6

25

59

60

44

n.n.b

 
1

Er waren 0 toekenningen bij RVO in 2024. Deze trendbreuk was al eerder ingezet: in 2023 was er 1 toekenning. De voornaamste oorzaak is dat de regeling tegenwoordig overwegend door de regio’s wordt uitgevoerd. Hierdoor zijn er nauwelijks meer aanvragen bij het landelijke loket/RVO.

Ontvangsten

Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen

Bij de Corona Overbruggingsleningen (COL), die worden beheerd door de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM's), is voor € 28 mln meer aan ontvangsten gerealiseerd dan bij de Ontwerpbegroting 2025 geraamd door vervroegde aflossingen van de leningen. Omdat het corona-middelen betreffen kunnen deze ontvangsten niet opnieuw worden ingezet binnen het Toekomstfonds en zal het volledig ontvangen bedrag terugvloeien naar het generale beeld.

Seed Capital

De ontvangsten op de SEED-regeling (SEED Capital en SEED Business Angels) zijn in 2025 € 11 mln hoger uitgevallen dan orgineel geraamd in de Ontwerpbegroting 2025. Bij de suppletoire begroting september is de raming met € 5 mln opgehoogd op basis van de toen bekende uitvoeringsinformatie van de verwachte ontvangsten. Bij Slotwet heeft er een aanvullende bijstelling van € 6 mln plaatsgevonden op basis van de uiteindelijke realisatie over 2025. Deze hogere ontvangsten zijn voornamelijk te verklaren door verkopen van bedrijven waarin SEED-fondsen aandeelhouders zijn, waarvan een deel terugvloeit naar het Toekomstfonds.

Beleidsartikel 4 Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

Vanaf begrotingsjaar 2025 zijn de budgetten overgeheveld naar het Ministerie van Klimaat en Groene Groei. De budgetten vanaf 2025 staan op artikel 31 van de begroting van KGG en worden daar toegelicht.

Tabel 16 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 4 (bedragen x € 1.000)
      

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Verplichtingen

6.728.172

28.512.525

18.448.402

13.030.134

   
        

Uitgaven

3.388.161

8.880.062

7.707.014

4.205.697

   
        

Subsidies (regelingen)

3.038.233

4.912.846

5.725.251

2.270.182

   

Missiegedreven Onderzoek Ontwikkeling en Innovatie (MOOI)

54.508

59.862

66.176

54.385

   

Hernieuwbare Energietransitie (HER+)

25.539

29.610

31.114

30.617

   

Energie-efficiency

2.959

1.273

2.435

759

   

Green Deals

25

45

2.284

6

   

Demonstratieregeling Energie- en Klimaatinnovatie (DEI+)

53.144

71.256

49.777

41.352

   

Subsidieregeling Duurzame Scheepsbouw (SDS)

4.890

3.307

2.939

1.228

   

Projecten Klimaat en Energieakkoord

671

2.227

706

1.940

   

SDE

604.440

204.728

701

217.850

   

SDE+

1.932.881

666.705

397.600

612.579

   

SDE++

120

1488

102.375

35.414

   

Aardwarmte

15.000

17.500

30.000

37.500

   

ISDE-regeling

112.141

249.518

510.696

460.485

   

Compensatie Energie-intensieve bedrijven (ETS)

172.739

0

0

0

   

Carbon Capture Storage (CCS)

3.927

2.677

2.786

2.242

   

Hoge Flux Reactor

6.401

6.401

6.401

5.440

   

Caribisch Nederland

32.304

34.887

19.064

15.099

   

Overige subsidies

16.421

57.565

49.134

12.492

   

Opschalingsinstrument waterstof

0

0

2.150

46.321

   

Maatregelen voor CO2-reductie

0

0

0

614

   

Ombouw grootverbruikers

0

0

1.949

0

   

Subsidieregeling Coöperatieve Energieopwekking (SCE)

19

496

0

1.871

   

Subsidieondersteuning verduurzaming MKB

104

8.424

655

1

   

IPCEI waterstof

0

45

124.282

0

   

Vulmaatregelen gasopslag

0

0

67.921

112.999

   

MIEK

0

1.039

5.821

838

   

Schadeafhandeling mijnbouw Limburg

0

0

27

141

   

Warmtenetten Investeringssubsidie (WIS)

0

0

78

3.116

   

NGF-project NieuweWarmteNu!

0

0

10.153

17.470

   

Tegemoetkoming energieprijzen 2022

0

3.123.553

9.366

1.092

   

Tijdelijk prijsplafond energie kleinverbruikers 2023

0

370.240

3.668.290

206.408

   

Compensatie aanbestedende diensten SEFE-contracten

0

0

0

31.836

   

Tegemoetkoming blokaansluitingen

0

0

496.880

229.666

   

Uitbreiding ontwikkelfonds energiecoöperaties warmteprojecten

0

0

26.791

0

   

Investeringen waterstofbackbone

0

0

36.700

34.503

   

NGF - project Circulaire zonnepanelen

0

0

0

15.614

   

Kwaliteitsbudget energieprojecten

0

0

0

93

   

Energiecoöperaties en burgerbetrokkenheid energietransitie

0

0

0

29

   

Subsidie project Djewels

0

0

0

15.146

   

Correctieregeling duurzame warmte

0

0

0

20.348

   

Efficiëntere benutting elektriciteitsnetten

0

0

0

2.688

   
        

Leningen

5.000

1.061.400

83.800

29.654

   

Lening EBN

5.000

61.400

19.000

24.000

   

Lening EBN voor vullen Bergermeer

0

1.000.000

0

0

   

Lening InvestNL

0

0

64.800

370

   

Leningen NGF - project Circulaire zonnepanelen

0

0

0

5.284

   
        

Opdrachten

10.571

16.234

34.309

84.468

   

Onderzoek mijnbouwbodembeweging

2.515

2.552

1.352

1.598

   

SodM onderzoek

1.193

1.153

1.781

1.843

   

Uitvoeringsagenda klimaat

163

320

275

167

   

Klimaat mondiaal

156

139

330

1.996

   

Onderzoek en opdrachten

6.544

12.070

23.056

13.362

   

Programma Opwek Energie op Rijksvastgoed (OER)

0

0

7

7.071

   

Energiehulp Oekraïne

0

0

7.508

27.476

   

Projecten Kernenergie

0

0

0

30.955

   
        

Bijdrage aan agentschappen

89.683

106.102

140.635

172.751

   

Bijdrage RVO.nl

77.196

90.998

119.398

146.573

   

Bijdrage RDI

882

4.002

4.621

4.834

   

Bijdrage NEa

7.117

7.197

12.843

16.104

   

Bijdrage KNMI

2.047

1.424

1.872

2.952

   

Bijdrage NVWA

841

846

0

339

   

Bijdrage RWS

1.600

1.635

1.901

1.949

   
        

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

125.186

134.579

148.464

155.316

   

Doorsluis COVA-heffing

89.426

96.233

104.973

97.803

   

TNO kerndepartement

34.688

36.965

41.718

56.119

   

TNO SodM

1.072

1.381

1.773

1.394

   
        

Bijdrage aan medeoverheden

19.020

13.236

367.187

579.038

   

Uitkoopregeling

19.020

2.454

2.749

932

   

Regeling toezicht energiebesparingsplicht

0

10.732

12.858

12.849

   

Uitvoeringskosten klimaat medeoverheden

0

50

351.580

565.257

   
        

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

33.578

9.110

9.344

61.590

   

Nuclear Research Group (NRG)

32.094

7.789

8.194

45.199

   

Internationale contributies

1.484

1.321

1.150

16.391

   
        

Storting/onttrekking begrotingsreserve

66.890

2.626.555

1.198.024

852.697

   

Storting in begrotingsreserve duurzame energie en klimaattransitie

66.333

2.626.555

1.198.024

852.697

   

Storting in begrotingsreserve aardwarmte

557

0

0

0

   
        

Ontvangsten

4.346.787

6.819.604

2.407.827

2.912.495

   

Ontvangsten COVA

89.426

96.233

104.973

97.803

   

Opbrengst heffing ODE (SDE++)

3.077.606

2.825.906

259.779

‒ 33.203

   

Ontvangsten zoutwinning

2.412

3.288

2.536

2.254

   

Onttrekking reserve duurzame energie en klimaattransitie

259.886

1.576.186

454.186

1.218.529

   

ETS-ontvangsten

893.987

1.135.862

1.281.353

927.960

   

Diverse ontvangsten

23.470

116.008

241.535

637.932

   

Ontvangsten NGF-project NieuweWarmteNu!

0

0

0

301

   

Ontvangsten lening EBN Bergermeer

0

1.002.656

0

0

   

Opbrengsten tenders Wind op Zee

0

63.465

63.465

60.857

   

Maatschappelijke Investeringssubsidie Warmtenetten (MIW)

0

0

0

60

   
Tabel 17 Uitsplitsing verplichtingen (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Verplichtingen

6.728.172

28.512.525

18.448.402

13.030.134

   

waarvan garantieverplichtingen

8.250

799.000

140.000

110.000

   

waarvan overige verplichtingen

6.719.922

27.713.525

18.308.402

12.920.134

   

Beleidsartikel 5 Een veilig Groningen met perspectief

Vanaf begrotingsjaar 2025 zijn de meeste budgetten overgeheveld naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken. De budgetten vanaf 2025 staan op artikel 15 van de begroting van BZK en worden daar toegelicht. Enkele budgetten gerelateerd aan mijnbouwactiviteiten zijn overgeheveld naar artikel 31 van de begroting van KGG en worden daar toegelicht.

Tabel 18 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 5 (bedragen x € 1.000)
   

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Verplichtingen

1.056.576

10.924.819

2.630.163

2.951.213

   
        

Uitgaven

1.036.547

11.139.678

2.507.998

2.178.255

   
        

Subsidies

138.100

716.536

559.841

133.989

   

Waardevermeerderingsregeling

138.020

116.016

46.612

62.642

   

Geestelijke bijstand

80

40

574

1.100

   

Uitgaven Nadeelcompensatie

0

0

51

    

Duurzaam Herstel

0

0

0

15.914

   

Woonbedrijf

0

3.523

1.330

1.330

   

Diverse subsidies versterken

0

71.254

151.202

47.719

   

Subsidieregelingen bestuurlijke afspraken

0

521.277

203.833

25

   

Huurderscompensatie

0

112

473

0

   

Nieuwbouwregeling

0

4.314

2.766

2.259

   

Economische bedrijvigheid

0

0

0

3.000

   

Uitbreiding bereik woningsverbeteringssubsidie

0

0

153.000

0

   
        

Inkomensoverdrachten

606.189

      

Schadevergoedingen

309.843

      

Vergoedingen waardedaling Groningen

295.460

      

Vergoeding immateriële schade Groningen

506

      

Bijdrage Commissie Bijzondere Situaties

380

      
        

(Schade)vergoeding

0

367.875

330.657

699.524

   

Vergoeding fysieke schade

0

269.101

167.744

507.263

   

Vergoeding waardedaling

0

38.435

20.865

18.657

   

Vergoeding immateriële schade

0

55.775

100.620

103.385

   

Commissie Bijzondere Situaties

0

435

1.527

2.533

   

Herbeoordeling waardedaling

0

0

21.150

297

   

Vastgelopen dossiers

0

206

24

580

   

Vergoeding zelf aangebrachte voorzieningen

0

1.072

5.516

0

   

Vergoeding schade door versterkingsmaatregelen

0

2.851

8.311

33.531

   

Knelpunten (bestuurlijke afspraken)

0

0

3.081

6.778

   

Versterken industrie

0

0

99

459

   

Knelpunten IMG

0

0

0

43

   

Versterken in eigen beheer

0

0

1.720

25.998

   

Duurzaam herstel

0

0

0

0

   
        

Opdrachten

1.805

9.654.904

1.144.833

749.982

   

Werkbudgetten

1.805

5.187

3.005

6.152

   

Versterkingsoperatie

0

312.398

377.947

488.413

   

Knelpunten (bestuurlijke afspraken)

0

1.867

4.915

13.153

   

Versterken industrie

0

50

101

1.791

   

Vergoeding Norg akkoord

0

9.335.402

756.647

233.448

   

Vastgelopen dossiers

0

0

2.185

1.191

   

Verduurzaming bij versterken

0

0

33

5.795

   

Duurzaam Herstel

0

0

0

39

   
        

Bijdrage aan agentschappen

283.206

254.799

229.986

275.252

   

Bijdrage RVO.nl

281.256

252.551

227.416

273.252

   

Bijdrage aan bestuur Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG)

1.950

2.248

2.570

2.000

   
        

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

977

1.438

1.461

1.462

   

TNO publieke SDRA

977

1.438

1.461

1.462

   
        

Bijdrage aan medeoverheden

2.200

142.117

241.220

318.046

   

MKB-programma (bestuurlijke afspraken)

2.200

0

4.400

5.880

   

Nationaal Programma Groningen

0

19.693

100.284

77.657

   

Compensatie gemeenten en provincie (bestuurlijke afspraken)

0

122.424

35.670

112.015

   

Clustering en gebiedsfonds (bestuurlijke afspraken)

0

0

93.782

68.806

   

Sociaal-emotionele ondersteuning door gemeenten (bestuurlijke afspraken)

0

0

6.584

8.167

   

NCG bijdrage aan medeoverheden

0

0

500

6.200

   

Knelpunten gemeenten sociaal domein

0

0

0

14.320

   

Leefbaarheid en wijkontwikkeling

0

0

0

11.681

   

Erfgoedprogramma

0

0

0

13.320

   
        

Bijdrage aan (internationale) organisaties

4.070

2.009

0

0

   

Adviescollege Veiligheid Groningen (ACVG)

2.485

2.009

0

0

   

Comissie Bijzondere Situaties

1.585

0

0

0

   
        
        

Ontvangsten

191.193

3.025.192

4.779.961

3.127.291

   

Ontvangsten NAM fysieke schade

110.034

422.333

0

471.850

   

Ontvangsten NAM uitvoeringskosten schade

46.333

278.425

236

406.232

   

Dividenduitkering EBN

2.789

0

2.159.391

1.328.593

   

Dividenduitkering GasTerra

3.600

3.600

3.600

3.600

   

Ontvangsten Mijnbouwwet

25.816

1.614.617

2.429.474

292.712

   

Ontvangsten NAM waardedaling

948

471.174

118

62.822

   

Ontvangsten NAM immateriële schade

0

545

17

166.268

   

Ontvangsten NAM publieke SDRA

618

482

602

375

   

Ontvangsten NAM versterken industrie

440

238

359

0

   

Diverse Ontvangsten

615

36.301

39.725

5.481

   

Ontvangsten NAM versterkingsoperatie

0

172.477

146.439

369.746

   

Nationaal Programma Groningen (bijdrage NAM)

0

25.000

0

19.612

   

5. Niet-beleidsartikelen

Artikel 40 Apparaat

Op dit artikel zijn de personele en materiële uitgaven en ontvangsten van EZ en KGG (voormalig EZK) geraamd, voor zover die betrekking hebben op het kerndepartement (directoraten-generaal en stafdirecties) en de diensten van EZ en KGG (ACM33, CPB, en SodM). De uitgaven externe inhuur, de uitgaven aan ICT en bijdragen aan shared service organisaties (SSO's) zijn apart inzichtelijk gemaakt. Tevens bevat dit artikel onder SSO DICTU de realisatiegegevens voor de bijdrage aan agentschappen voor zover het opdrachten betreft ten behoeve van de kernministeries EZ en KGG.

Tabel 19 Apparaatsuitgaven Kerndepartement Budgettaire gevolgen (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting1

Verschil

 

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Verplichtingen

304.961

466.055

610.217

713.754

555.203

516.829

38.374

        

Uitgaven

304.961

466.055

610.217

713.754

555.203

516.829

38.374

        

Personele uitgaven

226.323

350.417

453.036

551.702

421.504

386.034

35.470

eigen personeel

199.337

325.740

328.537

404.306

367.384

231.818

135.566

inhuur externen

14.641

16.985

117.410

140.383

48.182

140.540

‒ 92.358

overige personele uitgaven

12.345

7.692

7.089

7.013

5.938

13.676

‒ 7.738

        

Materiële uitgaven

78.638

115.638

157.181

162.052

133.699

130.795

2.904

ICT2

2.807

1.965

6.816

9.436

8.349

33.303

‒ 24.954

bijdrage aan SSO's

14.066

13.382

28.834

33.559

10.901

28.839

‒ 17.938

DICTU

21.147

20.225

42.993

42.664

46.003

27.256

18.747

overige materiële uitgaven

40.618

80.066

78.538

76.393

68.446

41.397

27.049

        

Ontvangsten

59.857

49.178

44.918

31.136

57.560

22.846

34.714

Overig

59.857

49.178

44.918

31.136

57.560

22.846

34.714

1

Stand inclusief amendementen, moties en NvW.

2

Het totaal van de ICT-uitgaven van het kerndepartement en de buitendiensten bestaat uit de ICT-uitgaven geraamd onder de post materiële uitgaven en de bijdrage aan SSO DICTU.

Toelichting op de verplichtingen en uitgaven

Personeel

De gerealiseerde personele uitgaven in 2025 liggen circa € 35,5 mln hoger dan in de Vastgestelde begroting. Dit is het saldo van diverse mutaties toegelicht in de suppletoire begrotingen 2025.

Eigen personeel

De realisatie laat een overuitputting zien ten opzichte van de begroting van circa € 135,6 mln. Dit heeft met name te maken met een fout bij de herkaveling van de NCG, waarbij het inhuurbudget van de NCG per abuis in mindering is gebracht op het budget voor eigen personeel. Dit is met de Ontwerpbegroting van 2026 gecorrigeerd.

Inhuur externen

De uitgaven voor externe inhuur zijn circa € 92,4 mln lager dan begroot. Dit komt mede door een fout bij de herkaveling van de NCG, waarbij het inhuurbudget van de NCG per abuis in mindering is gebracht op het budget voor eigen personeel. Dit is met de Ontwerpbegroting van 2026 gecorrigeerd.

Overige personele uitgaven

De overige personele uitgaven zijn € 7,7 mln lager dan begroot. Dit komt onder andere doordat een deel van de begroting van de diensten onjuist is begroot onder overige personele uitgaven. Op dit deel van de begroting zijn vrijwel geen kosten geboekt. Er wordt aan gewerkt dit in de toekomst te voorkomen.

Materieel

Het totaal van de gerealiseerde materiële uitgaven van het kerndepartement en de diensten ligt circa € 2,8 mln hoger dan de raming in de Vastgestelde begroting. Dit is tevens het saldo van diverse mutaties toegelicht in de suppletoire begrotingen 2025.

ICT

De ICT-uitgaven zijn ongeveer € 25 mln lager dan oorspronkelijk geraamd. Dit is het saldo van diverse afromingen die gedurende het jaar hebben plaatsgevonden. Zo zijn de toegekende middelen uit het programma Transparantie in Informatie overgeheveld naar de betreffende onderdelen en is bijvoorbeeld € 5 mln als onderuitputting afgeboekt van de ACM-begroting.

Bijdrage aan SSO's

Op het gebied van bijdrage aan SSO's is € 17,9 mln minder gerealiseerd dan begroot. Dit komt onder andere doordat doorbelastingen van ICT-kosten naar concernonderdelen als negatieve kosten zijn geboekt onder bijdrage aan SSO’s, terwijl deze onder SSO DICTU geboekt hadden moeten worden. Hierdoor is een grote onderuitputting ontstaan op de bijdrage aan SSO’s.

DICTU

Er is een overuitputting van ongeveer € 18,7 mln op DICTU. Doorbelastingen van kosten naar concernonderdelen zijn als negatieve kosten geboekt onder bijdrage aan SSO’s, terwijl deze onder SSO DICTU geboekt hadden moeten worden. Hierdoor is een grote overuitputting ontstaan op de bijdrage aan DICTU. Daarnaast zijn er gedurende het jaar aanvullende beleidsopdrachten voor DICTU aangevraagd.

Overige materiële uitgaven

De overige materiële uitgaven zijn € 27 mln hoger dan geraamd. De apparaatstaakstelling uit het Hoofdlijnenakkoord is in eerste instantie met het budget voor overige materiële uitgaven ingevuld. Voor 2025 wordt dit nu doorberekend aan de organisatieonderdelen waarmee de overige materiële uitgaven weer worden opgehoogd. Dit was ook te zien in de 1e suppletoire begroting.

Toelichting op de ontvangsten

In 2025 zijn de ontvangsten € 34,7 mln hoger dan geraamd. Dit is te verklaren door hogere retributieontvangsten en door het afromen van bovenmatig eigen vermogen van onder andere RDI en DICTU.

Tabel 20 Totaaloverzicht apparaatsuitgaven/kosten inclusief agentschappen en Zelfstandige Bestuursorganen/Rechtspersonen met een wettelijke taak (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting1

Verschil

 

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Totaal apparaatsuitgaven Ministerie

304.960

466.054

501.679

538.845

505.203

564.646

59.443

Kerndepartement (beleid en staf)

199.293

348.668

367.668

373.103

327.803

380.089

‒ 52.286

Apparaatsuitgaven diensten:

       

Centraal Planbureau (CPB)

18.265

17.846

20.289

22.416

23.543

25.082

‒ 1.539

Autoriteit Consument en Markt (ACM)

68.561

79.882

92.296

114.367

119.024

122.317

‒ 3.293

Staatstoezicht op de Mijnen (SodM)

18.841

19.658

21.426

28.959

34.833

37.158

‒ 2.325

        

Totaal apparaatskosten agentschappen

1.298.292

1.382.079

1.385.234

1.446.772

1.543.784

1.764.037

‒ 220.253

Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI)

57.997

64.488

70.482

83.544

93.265

98.652

‒ 5.387

Dienst ICT Uitvoering (DICTU)

300.845

318.007

357.569

371.484

404.160

396.933

7.227

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl)

939.450

999.584

957.183

991.744

1.046.359

1.268.452

‒ 222.093

        

Totaal apparaatskosten ZBO's en RWT's

951.533

996.184

1.188.858

1.237.568

1.250.857

1.285.493

‒ 34.636

Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)

200.011

204.571

233.942

266.2722

273.098

274.036

‒ 938

Raad voor de Accreditatie

13.943

15.612

17.238

13.570

15.018

15.328

‒ 310

Bestuur Autoriteit Consument en Markt (ACM)

670

712

726

749

798

899

‒ 101

TNO3

512.704

522.238

666.090

666.6904

666.6905

687.033

‒ 20.343

Kamer van Koophandel (KvK)

224.205

253.051

270.862

290.287

295.253

308.197

‒ 12.944

1

Stand inclusief amendementen, moties en NvW.

2

Bij het jaarverslag 2024 was €233.942 opgenomen, omdat de realisatie 2024 nog niet bekend was

3

De cijfers van 2020-2023 zijn aangepast om zorg te dragen dat over de jaren heen dezelfde posten worden meegerekend voor het totaal van de apparaatskosten van TNO voor deze jaren.

4

Bij het jaarverslag 2024 was €666.090 opgenomen, omdat de realisatie 2024 nog niet bekend was

5

De realisatie is opgenomen uit 2024, omdat de realisatie 2025 nog niet bekend is.

33

De leden van het bestuur van ACM vormen een ZBO. De uitgaven voor dit ZBO zijn geraamd op beleidsartikel 1.

Artikel 41 Nog onverdeeld

Dit niet-beleidsartikel bevat de posten prijsbijstelling, loonbijstelling, onverdeeld en onvoorzien.

Tabel 21 Nominaal en onvoorzien: opbouw verplichtingen, uitgaven en ontvangsten van de vastgestelde begroting 2025, realisatie en het verschil (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting1

Verschil

 

2021

2022

2023

2024

2025

2025

2025

Verplichtingen

0

0

0

0

0

0

0

        

Uitgaven

0

0

0

0

0

0

0

        

Loonbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

Prijsbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

Onverdeeld

0

0

0

0

0

  

Onvoorzien

0

0

0

0

0

0

0

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

1

Stand inclusief amendementen, moties en NvW.

Op dit artikel is geen sprake van realisatie. Bij de 1e suppletoire begroting 2025 is de loon- en prijsbijstellingstranche 2025 uitgekeerd. Deze bijstellingen zijn bij 2e suppletoire begrotingswet 2025 toebedeeld naar de relevante onderdelen.

6. Bedrijfsvoeringsparagraaf

Inleiding

In de bedrijfsvoeringsparagraaf (BVP) wordt verslag gedaan van relevante aandachtspunten in de bedrijfsvoering. De informatie opgenomen in de BVP is tot stand gekomen vanuit het departementale management control systeem en informatie uit audits van de Auditdienst Rijk (ADR). Deze paragraaf omvat drie elementen:

Paragraaf 1 - Rapportage voor de volgende verplichte onderdelen:

a. Rechtmatigheid

b. Totstandkoming niet-financiële verantwoordingsinformatie

c. Begrotingsbeheer, financieel beheer en materiële bedrijfsvoering

d. Misbruik en oneigenlijk gebruik

e. Overige aspecten van de bedrijfsvoering

f. Fraude- en corruptierisico's

Paragraaf 2 - Rijksbrede bedrijfsvoeringsonderwerpen

Paragraaf 3 - Belangrijke ontwikkelingen en verbeteringen in de bedrijfsvoering

1. Rapportage voor de volgende verplichte onderdelen

a. Rechtmatigheid

Vanuit de bij het Ministerie van EZ bekende informatie zijn er fouten en onzekerheden in de rechtmatigheid van de verantwoordingsinformatie die gerapporteerd moeten worden.

Inkopen

Over 2025 merkt EZ een toename van de onrechtmatigheden bij aanbestedingen. Er zijn onrechtmatigheden die voor een deel worden veroorzaakt door geïmporteerde onrechtmatigheden vanwege catergoriemanagement op inkoopcontracten die worden beheerd door andere departementen. Verder worden de onrechtmatigheden veroorzaakt door verlengingen en overbruggingen van aflopende raamcontracten.

Tabel 22 Overzicht overschrijdingen rapporteringstoleranties fouten en onzekerheden (bedragen x € 1.000)

(1) Rapporteringstolerantie

(2) Verantwoord bedrag in € (omvangsbasis)

(3) Rapporterings-tolerantie voor fouten en onzekerheden in €

(4) Bedrag aan fouten in €

(5) Bedrag aan onzekerheden in €

(6) Bedrag aan fouten en onzekerheden in €

(7) Percentage aan fouten en onzekerheden t.o.v. verantwoord bedrag = (6)/(2)*100%

Totaalniveau artikelen verplichtingen

3.772.806

75.456

28.653

0

28.653

n.v.t.1

Totaalniveau artikelen uitgaven/ ontvangsten

3.691.282

73.826

25.000

11.754

36.754

n.v.t.1

       

Artikel 40 verplichtingen

555.203

27.760

24.505

0

24.505

n.v.t.1

       

Samenvattende staat baten-lastenagentschappen

1.849.036

36.981

132.413

0

132.413

7,2

1

Hiervoor geldt dat het bedrag aan fouten en onzekerheden mede is bepaald door middel van steekproeven. De maximale fout overschrijdt de rapporteringstolerantie, de meest waarschijnlijke fout daarentegen niet. Daarom wordt hier geen percentage weergegeven.

De belangrijkste oorzaken voor de fouten in de verplichtingen van artikel 40 zijn waiverprocedures / voldongen feiten (€ 6,4 mln) alsook onrechtmatige overbruggingen van rijksbrede raamcontracten (€ 18,1 mln). Het bedrag aan fouten en onzekerheden mede is bepaald door middel van steekproeven. De maximale fout overschrijdt de rapporteringstolerantie, de meest waarschijnlijke fout daarentegen niet. Daarom wordt in kolom 7 in de tabel geen percentage weergegeven.

De overschrijdingen op totaalniveau op de verplichtingen en de uitgaven en ontvangsten kennen dezelfde oorzaak als de overschrijding op artikel 40.

De tolerantiegrens op de samenvattende staat baten-lastenagentschappen wordt overschreden. De overschrijding wordt vooral veroorzaakt door onrechtmatige inkopen. Een deel hiervan wordt veroorzaakt door Buiten Procedurele Inkopen die het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) betreffen. Bij de verkaveling van Herstel Groningen is de ZBO IMG overgegaan van het Ministerie van Economische Zaken (EZ) naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). Omdat RVO belast is met de uitvoering en administratieve afhandeling van de inkoopprocessen van IMG, worden deze fouten bij RVO verantwoord.

b. Totstandkoming niet-financiële verantwoordingsinformatie

Er zijn geen bijzonderheden te vermelden.

c. Begrotingsbeheer, financieel beheer en de materiële bedrijfsvoering

Opvolging aanbevelingen Algemene Rekenkamer

De AR heeft met haar verantwoordingsonderzoek EZK en NGF 2024 van 21 mei 2025 geconcludeerd dat de bedrijfsvoering en de financiële verantwoordingsinformatie in het jaarverslag EZK en NGF 2024 aan de gestelde eisen voldoet. Wel zijn daarbij twee onvolkomenheden vastgesteld, te weten, (1) het autorisatiebeheer financieel systeem (Oracle eBS) en (2) het inkoopbeheer, en daarnaast enkele aandachtspunten en aanbevelingen.

Ten aanzien van het autorisatiebeheer zijn verbeteracties uitgezet. Er wordt gewerkt aan het verkrijgen van inzicht in conflicterende rollen, waaronder het helder beleggen van de toezichthoudende rol binnen EZ. Tevens wordt gewerkt aan het verkrijgen van centraal inzicht in de kwaliteit van het autorisatiebeheer. Een interpretatieverschil heeft er echter voor gezorgd dat de gezette stappen nog niet hebben geleid tot het oplossen van de onvolkomenheid. Eind 2025 zijn hier hernieuwde afspraken over gemaakt. In 2026 wordt de nieuwe koers ingezet in nauwe afstemming met alle betrokken partijen.

Ten aanzien van het inkoopbeheer; de professionalisering hiervan is in 2025 voortgezet met een focus op datagestuurd werken en procesbeheersing. Sinds juli 2025 is het gebruik van een standaarddocument voor spendanalyses verplicht, wat direct bijdraagt aan een hogere koppelingsgraad van contracten en geoptimaliseerde inkoopdata.

Om de kwaliteit van aanbestedingsdocumenten te waarborgen, heeft het Inkoop Uitvoering Centrum (IUC) het proces ‘tegenlezen’ verscherpt. In december 2025 is een pilot gestart met TenderIQ (geïntegreerd in TenderNed), software die het tegenlezen faciliteert en traceerbaar maakt.

Het aantal voldongen feiten is teruggedrongen door actieve voorlichting over de juiste inkoopprocessen en het belang van een tijdige start. Dit vergt grote inspanning van de behoeftesteller, die het IUC tijdig moet betrekken. De CDI wijst behoeftestellers nadrukkelijk op deze verantwoordelijkheid. Tot slot werkt CDI-office aan een verbeterd overzicht van onrechtmatige inkopen.

d. Misbruik en oneigenlijk gebruik

Ter voorkoming en bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidies, beschikt EZ over een toereikend M&O-beleid. Dit beleid voorziet onder meer in het opstellen/onderhouden van een risicoanalyse per regeling, heldere en eenduidige definities van begrippen, voorlichting, het kunnen opvragen van accountantsproducten bij financiële verantwoordingen en het melden van gegronde vermoedens van fraude door subsidieaanvragers bij het OM. Toepassing van het departementale M&O-beleid is verankerd in het ‘Stappenplan voor het opstellen of wijzigen van een beleidsinstrument’ van de Werkgroep EZ-subsidies, reflectie vanuit de Monitorcommissie EZ en het toezicht door FEZ. RVO ondersteunt beleidsdirecties bij de uitvoering van de risicoanalyse, het opstellen van de regeling, het geven van voorlichting en de vraag welk accountantsproduct bij een (ontwerp) regeling het meest passend is.

e. Overige aspecten van de bedrijfsvoering

Er zijn geen bijzonderheden te vermelden.

f. Fraude- en corruptierisico's

In 2025 zijn geen materiële interne fraudes en/of corrupties aan het licht getreden die in de bedrijfsvoeringsparagraaf moeten worden vermeld. EZ beschikt over een vastgesteld integriteitsbeleid, een Beveiligingsautoriteit (BVA), zoals bedoeld in artikel 3 van het Besluit BVA-stelsel Rijksdienst 2021 en een BVA-team. Het BVA-team geeft advies, houdt toezicht op de integrale beveiliging en laat analyses en audits uitvoeren. Dienstonderdelen geven in het jaarplan en tussentijdse voortgangsrapportages aan welke grote risico’s het dienstonderdeel in de realisatie van de doelen voorziet en hoe deze risico’s worden beheerst. Daarnaast worden in de Bestuursraad de actuele strategische risico's besproken. Risicomanagement is ook onderdeel van de departementale P&C-cyclus. Het acteren op risico’s in dit verband, die gepaard gaan met interne- en externe ontwikkelingen is een continu proces bij EZ.

Het frauderisicomanagement is opgenomen in de handreiking financieel en materieel beheer EZ, KGG en LVVN en is voor het laatst in november 2025 geactualiseerd. Medewerkers van EZ kunnen ook, al dan niet bewust, betrokken raken bij diverse vormen van fraude. Om die reden is het van belang dat medewerkers bij belangrijke beslissingen in teamverband werken, bij inkopen gebruik maken van het inkoopplein, bij het verstrekken van subsidies gebruik maken van geautomatiseerde systemen en bij het registreren van verlof en werkkosten gebruik maken van P-Direkt. De medewerkers zijn via voorlichting bekend met het departementale integriteitsbeleid inclusief een procedure voor het melden van integriteitsschendingen en regels om belangenverstrengeling te voorkomen.

2. Rijksbrede bedrijfsvoeringsonderwerpen

Herstel- en Veerkrachtplan

Het Ministerie van Financiën zal conform het Nederlands Herstel- en Veerkrachtplan (HVP) vanaf 2024 tot en met 2026 vijf onderbouwde betalingsverzoeken bij de Europese Commissie (EC) indienen. EZ beschikt over een door de Bestuursraad vastgesteld Verantwoordingskader HVP-EZK met afspraken om risico’s in de tussentijdse verantwoording over realisatie van in het HVP opgenomen mijlpalen en doelen te verdelen over het departement. Het financieel belang van het HVP is circa € 5,4 mld in totaal. EZ is samen met KGG veruit de grootste uitvoerder van HVP-projecten (€ 2,5 mld van de € 5,4 mld). Bij tekortkomingen in de verantwoording kan de EC een korting op ingediende betaalverzoeken opleggen. De verantwoordingseisen van het HVP leveren bij departementen uitdagingen op.

Nederland heeft inmiddels drie betaalverzoeken ingediend, in mei 2024 van € 1,3 mld, in december 2024 van € 1,2 mld en in december 2025 van € 551 mln. De Europese Commissie heeft de eerste twee betaalverzoeken positief beoordeeld en de middelen uitgekeerd aan Nederland, het derde betaalverzoek is nog in behandeling.

In het najaar van 2025 heeft Nederland een wijzigingsverzoek ingediend bij de Europese Commissie, omdat Rijksbreed een aantal maatregelen om uiteenlopende redenen niet (tijdig) kon worden gerealiseerd. Het wijzigingsverzoek is in januari 2026 goedgekeurd door de Europese Commissie in de Ecofinraad.

Nederland is voornemens om het vierde en vijfde betaalverzoek (€ 2,4 mld) in respectievelijk Q2 en Q3 van 2026 in te dienen bij de Europese Commissie. Conform planning vinden er tot en met het eerste kwartaal van 2027 controle- en rapportagewerkzaamheden plaats.

Audit Committee

In 2025 heeft het Audit Committee (AC) viermaal vergaderd, in maart, juni, oktober en in december. Hierbij is onder meer gesproken over het auditrapport van de ADR, het verantwoordingsonderzoek van de AR, Artificial Intelligence en de taakstelling/reorganisatie bij EZ en KGG.

Het functioneren van de Audit Committees van het Rijk wordt momenteel geëvalueerd door het Ministerie van Financiën (conform artikel 12.1 van de Regeling Audit Committees van het Rijk). Tijdens deze evaluatie wordt gekeken hoe de huidige regeling functioneert en of deze aansluit bij een effectieve en efficiënte inrichting van Audit Committees binnen het Rijk. Het concept evaluatierapport is in 2025 gereed; aanpassing van de regeling zal in 2026 gereed zijn. In overleg met het AC wordt bezien welke aanpassingen door het departement worden doorgevoerd naar aanleiding van de gewijzigde regeling.

3. Belangrijke ontwikkelingen en verbeteringen in de bedrijfsvoering

Nationaal Groeifonds

Het Nationaal Groeifonds (NGF) investeert in 50 grootschalige projecten die bijdragen aan het duurzaam verdienvermogen van Nederland. Daarmee is een bedrag van € 11,3 mld gemoeid. Het betreft grootschalige programma’s, onder meer op het gebied van groene waterstof, de verduurzaming van de landbouw, het bestrijden van laaggeletterdheid en sleuteltechnologieën als quantum en kunstmatige intelligentie. De projecten worden de komende vijf tot tien jaar uitgevoerd.

Op verzoek van de Europese Commissie is eind 2024 een eerste rapportage opgesteld over de projecten die door de Subsidieregeling Nationaal Groeifonds zijn ondersteund.

Op 15 januari en 14 februari 2025 is het Evaluatierapport Nationaal Groeifonds aan respectievelijk Tweede Kamer en de Eerste Kamers gepresenteerd.

In het evaluatieonderzoek wordt inzicht gegeven in de kenmerken van de subsidieverleningen, uitspraak gedaan over kansrijke methoden voor evaluaties van deze projecten en inzicht gegeven in de beschikbare data.

Er worden ook enkele aanbevelingen gedaan voor de evaluatie van de projecten, die via de departementale route vanuit het Nationaal Groeifonds zijn ondersteund.

De doeltreffendheid en doelmatigheid van het Nationaal Groeifonds als geheel zal iedere vijf jaar worden geëvalueerd. De eerste evaluatie zal plaatsvinden in 2026, conform de Strategische Evaluatieagenda. Vervolgevaluaties zullen vanaf 2031 worden uitgevoerd. Daarbij zullen, zoveel als mogelijk, de effecten van de individuele NGF-projecten in kaart worden gebracht om op basis daarvan een uitspraak te doen over de doeltreffendheid en de doelmatigheid van het Nationaal Groeifonds als geheel.

Aandachtspunt hierbij is dat in 2026 de uitvoering van de NGF-projecten nog in volle gang is en nog niet alle resultaten en effecten zich hebben kunnen voordoen. De verwachting is daarom dat de evaluatie in 2026 meer het karakter zal hebben van een tussentijdse evaluatie waarbij de focus ligt op de voortgang van de voorgenomen activiteiten en de eerste projectresultaten.

Verduurzaming EZ , KGG en LVVN in de bedrijfsvoering

EZ/KGG en LVVN publiceren jaarlijks het gezamenlijke verslag over de duurzaamheid van de eigen organisaties.

In mei 2025 is het Duurzaamheidsverslag 2024 van EZ, KGG en LVVN gepubliceerd op rijksoverheid.nl. Bij het opstellen van dit duurzaamheidsverslag zijn de rapportagestandaarden van het Global Reporting Initiative (GRI) in beschouwing genomen. Het duurzaamheidsverslag geeft inzicht in de verduurzaming van de eigen bedrijfsvoering en ketenverduurzaming bij EZ, KGG en LVVN, hun diensten en agentschappen, waaronder de RVO, SodM, NVWA, ect.

De aansturing van verduurzaming vindt plaats via het Bedrijfsvoeringsoverleg van EZ, KGG en LVVN. In dit overleg vindt de strategische besluitvorming plaats over bedrijfsvoeringsonderwerpen die alle organisatieonderdelen raken. De plaatsvervangend secretarissen-generaal zijn opdrachtgever voor het interne Manifest Verduurzaming Bedrijfsvoering. De bestuursraden van EZ/KGG en LVVN zijn eindverantwoordelijk voor de totale verduurzaming van de organisaties.

Hoewel de ministeries een mooie vooruitgang hebben geboekt, blijven er aandachtsgebieden die extra inspanning vragen. Vooral zakelijke vliegreizen en het gebruik van privéauto’s voor werkdoeleinden zorgen nog steeds voor relatief hoge CO₂-uitstoot. De komende jaren zetten de ministeries hier sterker op in, om ook hierop verdere verduurzaming te realiseren.

Sinds 2025 maken EZ, KGG en LVVN een meer gedetailleerde doorkijk naar 2030. Door de beschikbaarheid van steeds betere data kunnen zij hun aanpak gerichter bijsturen. Tegelijkertijd is het vernieuwde Klimaatplan 2025–2035 in werking getreden. Dit plan vormt een belangrijk kader voor het verduurzamen van de bedrijfsvoering binnen de Rijksoverheid. In aansluiting daarop wordt ook het Manifest Verduurzaming Bedrijfsvoering van EZ, KGG en LVVN herzien. Dit manifest vertaalt de doelen uit het Klimaatplan naar concrete en uitvoerbare maatregelen binnen de organisaties.

C. JAARREKENING

7. Departementale verantwoordingsstaat

Tabel 23 Departementale verantwoordingsstaat 2025 van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) (bedragen x € 1.000)

Art.

Omschrijving

Vastgestelde begroting (1)1

Realisatie (2)

Verschil realisatie en vastgestelde begroting (3) = (2) - (1)

  

Verplichtingen

Uitgaven

Ontvangsten

Verplichtingen

Uitgaven

Ontvangsten

Verplichtingen

Uitgaven

Ontvangsten

 

Totaal

4.089.396

3.274.362

497.336

3.772.806

3.117.482

573.800

‒ 316.590

‒ 156.880

76.464

           
 

Beleidsartikelen

3.579.701

2.764.667

474.490

3.217.603

2.562.279

516.240

‒ 362.098

‒ 202.388

41.750

1

Goed functionerende economie en markten

469.758

465.763

43.679

518.602

437.341

13.881

48.844

‒ 28.422

‒ 29.798

2

Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei

2.839.457

2.005.808

390.119

2.339.686

1.816.564

416.082

‒ 499.771

‒ 189.244

25.963

3

Toekomstfonds

270.486

293.096

40.692

359.315

308.374

86.277

88.829

15.278

45.585

           
 

Niet-beleidsartikelen

509.695

509.695

22.846

555.203

555.203

57.560

45.508

45.508

34.714

40

Apparaat

516.829

516.829

22.846

555.203

555.203

57.560

38.374

38.374

34.714

41

Nog onverdeeld

‒ 7.134

‒ 7.134

0

0

0

0

7.134

7.134

0

1

Stand inclusief amendementen, moties en NvW.

8. Samenvattende verantwoordingsstaat agentschappen

Tabel 24 Samenvattende verantwoordingsstaat 2025 inzake de baten-lastenagentschappen van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

Vastgestelde begroting (1)

Realisatie (2)

Verschil realisatie en vastgestelde begroting (3)=(2)-(1)

Realisatie 2024 (4)

Dienst ICT Uitvoering

    

Totale baten

396.933

418.488

21.555

397.754

Totale lasten

396.933

404.160

7.227

390.359

Saldo van baten en lasten

0

14.328

14.328

7.395

     

Totale kapitaaluitgaven

39.910

37.265

‒ 2.645

28.314

Totale kapitaalontvangsten

25.000

15.025

‒ 9.975

18.307

     

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland1

    

Totale baten

1.282.185

1.328.097

45.912

1.231.937

Totale lasten

1.282.185

1.280.433

‒ 1.752

1.200.919

Saldo van baten en lasten

0

47.664

47.664

31.018

     

Totale kapitaaluitgaven

35.480

54.764

19.284

57.431

Totale kapitaalontvangsten

15.000

23.966

8.966

38.171

     

Rijksinspectie Digitale Infrastructuur1

    

Totale baten

103.840

102.451

‒ 1.389

92.280

Totale lasten

103.840

98.854

‒ 4.986

88.434

Saldo van baten en lasten

0

3.597

3.597

3.846

     

Totale kapitaaluitgaven

12.727

16.235

3.508

4.844

Totale kapitaalontvangsten

14.031

1.394

‒ 12.637

0

1

Bij RDI en RVO zijn er door aanpassingen in de Rijksbegrotingsvoorschriften wijzigingen doorgevoerd in de presentatie van de begroting 2025 en/of de realisatie 2024, om vergelijking van de cijfers mogelijk te maken. Deze wijzigingen worden toegelicht in de agentschapsparagraaf.

9. Jaarverantwoording baten-lastenagentschappen per 31 december 2025

Dienst ICT Uitvoering (DICTU)

Tabel 25 Verantwoording van het baten-lastenagentschap DICTU voor het jaar 2025(bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting (1)

Realisatie (2)

Verschil (3) = (2) - (1)

Realisatie 2024 (4)

Baten

    

- Omzet

396.933

418.250

21.317

397.731

waarvan omzet moederdepartement

256.892

274.486

17.594

256.515

waarvan omzet overige departementen

138.512

141.988

3.476

138.668

waarvan omzet derden

1.529

1.776

247

2.548

Rentebaten

0

205

205

0

Vrijval voorzieningen

0

4

4

0

Bijzondere baten

0

29

29

23

Totaal baten

396.933

418.488

21.555

397.754

     

Lasten

    

Apparaatskosten

271.113

271.198

85

268.744

- Personele kosten

234.305

236.586

2.281

236.164

waarvan eigen personeel

132.902

124.109

‒ 8.793

111.406

waarvan inhuur externen

96.142

108.920

12.778

121.413

waarvan overige personele kosten

5.262

3.557

‒ 1.705

3.345

- Materiële kosten

36.808

34.612

‒ 2.196

32.580

waarvan apparaat ICT

5.667

4.741

‒ 926

3.559

waarvan bijdrage aan SSO's

27.957

27.388

‒ 569

26.317

waarvan overige materiële kosten

3.184

2.483

‒ 701

2.704

Kosten uitbesteed werk en andere externe kosten

109.553

117.586

8.033

102.740

Rentelasten

857

923

66

759

Afschrijvingskosten

14.910

13.326

‒ 1.584

14.928

- Materieel

12.378

11.247

‒ 1.131

11.346

waarvan apparaat ICT

12.378

11.247

‒ 1.131

11.346

waarvan overige materiële afschrijvingskosten

0

0

0

0

- Immaterieel

2.532

2.079

‒ 453

3.582

Overige lasten

500

1.127

627

3.188

waarvan dotaties voorzieningen

500

428

‒ 72

822

waarvan bijzondere lasten

0

699

699

2.366

Totaal lasten

396.933

404.160

7.227

390.359

Saldo van baten en lasten gewone bedrijfsuitoefening

0

14.328

14.328

7.395

Agentschapsdeel Vpb-lasten

0

0

0

0

Saldo van baten en lasten

0

14.328

14.328

7.395

Tabel 26 Voorgestelde resultaatbestemming (bedragen x € 1.000)

Voorgestelde resultaatbestemming

Vastgestelde begroting (1)

Realisatie (2)

Verschil (3) = (2) - (1)

Realisatie 2024 (4)

(Voorgesteld het resultaat als volgt te verdelen)

    
     

Toevoeging/ onttrekking:

    

- Pok/ Wau

0

135

135

365

- Exploitatiereserve

    

Saldo van baten en lasten

0

14.463

14.463

7.760

Toelichting op de baten

De totale baten zijn € 21,6 mln hoger ten opzichte van de ontwerpbegroting.

De gerealiseerde omzet van € 418,3 mln is 5% hoger dan begroot. De hogere omzet wordt op totaal niveau met name veroorzaakt door een hogere vraag naar dienstverlening met betrekking tot werkplekservices (€ 9,3 mln), applicatiebeheer (€ 8,2 mln) en ontwikkelopdrachten (€ 5,8 mln).

Toelichting op de lasten

De totale lasten zijn € 3,9 mln hoger dan opgenomen in de ontwerpbegroting.

De personele kosten zijn in de realisatie € 2,1 mln hoger dan begroot. Alle energie die is gezet in 2025 om minder afhankelijk te worden van externe inzet heeft geresulteerd in een toename van de gemiddelde bezetting van 94 FTE tot 1.067 FTE. Dit is 7% lager dan de begrote gemiddelde bezetting van 1.145 FTE. Het aantal extern ingehuurde FTE is minder gedaald dan opgenomen in de begroting (472 FTE) en uitgekomen op gemiddeld 569 FTE (2024 = 660 FTE). De post externe inhuur valt met € 12,6 mln hoger uit ten opzichte van de begroting. Desondanks is de externe inhuur fors afgenomen in 2025 en zijn hierdoor verdere stappen gezet in een passende verhouding van intern en extern personeel. De overige personele kosten zijn door lagere reiskosten in de realisatie gunstiger uitgevallen dan opgenomen in de begroting.

De materiele kosten zijn lager dan begroot. Door een aanpassing in de Rijksbegrotingsvoorschriften worden de kosten uitbesteed werk en andere externe kosten vanaf 2025 separaat opgenomen in de jaarrekening. Vanwege een vraagtoename is er meer hardware aangeschaft voor opdrachtgevers, wat de hogere overige materiele kosten verklaart. De rentelasten zijn door een stijging van de rentepercentages in 2025 hoger dan begroot. De afschrijvingskosten zijn lager dan begroot doordat in 2024 activa in aanbouw-projecten met betrekking tot Rijkszaak en Datadiensten zijn afgewaardeerd.

De post Bijzondere lasten betreft een afwaardering van de beginbalans en opschoning als gevolg van vergelijking van de onderliggende systemen. Daarnaast betreft het een buitengebruikstelling van een activa in aanbouw project.

Tabel 27 Omzet moederdepartement per soort dienst (bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting 2025

Realisatie 2025

Verschil realisatie en vastgestelde begroting

Realisatie 2024

Applicatiebeheer (applicatieservices)

88.617

94.052

5.435

81.128

Ontwikkelopdrachten

49.863

53.553

3.690

53.729

Generieke Diensten

34.186

33.563

‒ 622

32.222

Werkplekservices

72.754

79.217

6.463

78.567

Cloud Services

0

0

0

0

Overige omzet

3.671

4.707

1.037

2.147

Generieke eBS

7.802

9.395

1.593

8.721

Totaal

256.892

274.486

17.594

256.515

De ten opzichte van de ontwerpbegroting hogere omzet applicatiebeheer zit met name bij de klanten Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) (+ € 2,7 mln) en Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) (+ € 2,4 mln) en is een gevolg van het in beheer nemen van eerder ontwikkelde onderdelen. De vraag naar nieuwe ontwikkelopdrachten is met name hoger bij RVO (+ € 2,7 mln) en EZ (+ € 1,0 mln). Vanwege hogere aantallen werkplekken is de omzet op het onderdeel Werkplekservices ruim € 6,4 mln hoger en zit vooral bij de klanten EZ (+ € 4,7 mln) en RVO (+ € 1,2 mln). De toename overige omzet zit ook bij EZ en betreft met name de hoog beveiligde onderdelen. Bij de post generieke eBS zit de toename vooral bij  EZ, dit wordt veroorzaakt door de centralisatie van de aanrekening van deze kosten (+ € 5,1 mln). Bij klant RVO is de omzet hierdoor juist lager (- € 3,1 mln).

Tabel 28 Omzet overige departementen per soort dienst (bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting 2025

Realisatie 2025

Verschil realisatie en vastgestelde begroting

Realisatie 2024

Applicatiebeheer (applicatieservices)

61.737

64.317

2.580

63.430

Ontwikkelopdrachten

6.127

7.774

1.647

9.044

Generieke Diensten

28.619

30.212

1.593

30.894

Werkplekservices

29.130

31.936

2.806

29.197

Cloud Services

0

15

15

0

Overige omzet

11.282

7.734

‒ 3.548

4.356

Generieke eBS

1.618

0

‒ 1.618

1.746

Totaal

138.512

141.988

3.476

138.668

Ten opzichte van de vastgestelde begroting is de omzet overige departementen € 4,0 mln (2,9%) hoger. De hogere omzet applicatiebeheer zit met name bij de klant Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en betreft in beheer nemen van eerdere ontwikkelingsopdrachten. De hogere omzet ontwikkelopdrachten zit bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid (J&V) en betreft de ontwikkeling van websites. De hogere omzet generieke diensten wordt beïnvloed door de verschuiving van de klant Nationaal Coördinator Groningen (NCG) van omzet moederdepartement naar omzet overige departementen. Buiten deze verandering zit de hogere omzet met name bij de klant Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) en betreft beheer van Blueriq en Rijksdoc.

Net als bij de vergelijking omzet moederdepartement is de hogere omzet werkplekservices met name een gevolg van hogere aantallen werkplek accounts. Ook deze hogere omzet zit met name bij de klant LVVN.

De overige omzet laat in tegenstelling tot het algemene beeld juist een daling zien ten opzichte van de vastgestelde begroting. Deze lagere omzet zit met name bij de klant Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (I&W) en betreft de hoog beveiligde onderdelen. De lagere omzet bij Generieke eBS zit bij de klant LVVN en betreft de eerder genoemde aangepaste verrekenmethodiek met de kosten van eBS.

Tabel 29 Omzet overige departementen per departement (bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting 2025

Realisatie 2025

Verschil realisatie en vastgestelde begroting

Realisatie 2024

Ministerie van KGG

2.373

2.438

65

1.867

Ministerie van BZK

50.877

49.958

‒ 919

55.313

Ministerie van Fin

145

‒ 21

‒ 166

71

Ministerie van IenW

16.220

14.939

‒ 1.281

11.791

Ministerie van J&V

1.740

4.981

3.242

2.645

Ministerie van LVVN

58.023

59.987

1.964

56.651

Ministerie van OCW

198

205

7

189

Ministerie van SZW

593

22

‒ 570

67

Ministerie van VWS

8.303

9.387

1.085

10.036

Overig

40

91

51

37

Totaal

138.512

141.988

3.476

138.668

De lagere omzet bij de klant I&W en betreft de hoog beveiligde onderdelen. De hogere omzet bij J&V betreft met name de ontwikkeling van websites. Daarnaast is er ook meer omzet gegenereerd met betrekking tot Rijkszaak dienstverlening. De hogere omzet bij klant LVVN betreft beheer van Blueriq en Rijksdoc. Bij de klant Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) betreft dit het beheer van TVS.

Tabel 30 Omzet derden (bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting 2025

Realisatie 2025

Verschil realisatie en vastgestelde begroting

Realisatie 2024

Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (CCMO)

487

576

89

792

Staatsbosbeheer

359

0

‒ 359

0

Tweede Kamer der Staten-Generaal

631

1.129

497

1.267

Overige Derden

51

71

19

489

Totaal

1.529

1.776

246

2.548

Tabel 31 Balans per 31 december 2025 (bedragen x € 1.000)
 

Balans 2025

Balans 2024

Activa

  

Vaste activa

35.839

37.300

Immateriële vaste activa

4.674

6.693

Materiële vaste activa

31.165

30.607

waarvan grond en gebouwen

0

0

waarvan machines en installaties

29.011

28.575

waarvan andere vaste bedrijfsmiddelen

2.154

2.032

waarvan vaste bedrijfsmiddelen in uitvoering en vooruitbetaald op materiële vaste activa

0

0

waarvan niet aan de bedrijfsuitvoering dienstbaar

0

0

Vlottende activa

88.495

77.728

Voorraden

0

0

waarvan grond- en hulpstoffen

0

0

waarvan onderhanden werk

0

0

waarvan gereed product en handelsgoederen

0

0

waarvan vooruitbetaald op voorraaden

0

0

Vorderingen

55.668

46.364

waarvan debiteuren

20.415

19.617

waarvan overige vorderingen

0

0

waarvan overlopende activa

35.253

26.747

Liquide middelen

32.827

31.364

Totaal activa

124.334

115.028

   

Passiva

  

Eigen Vermogen

32.550

24.881

Bestemmingsfonds(en)

0

0

Pok/ Wau reserve

0

0

Exploitatiereserve

18.222

17.486

Onverdeeld resultaat

14.328

7.395

Voorzieningen

689

824

Langlopende schulden

24.812

25.273

Leningen bij het Ministerie van Financiën

24.812

25.273

Kortlopende schulden

66.283

64.050

Crediteuren

10.259

3.177

Belastingen en premies sociale lasten

533

395

Kortlopend deel leningen bij het Ministerie van Financiën

11.387

13.971

Overige schulden

44.104

46.507

Overlopende passiva

0

0

Totaal passiva

124.334

115.028

Activa

Vaste Activa

De daling van de vaste activa hebben met name te maken met desinvesteringen als gevolg van nieuw activeringsbeleid van DICTU en opschoningsacties komende uit de vergelijking van de onderliggende systemen.

Vlottende activa

De toename heeft met name betrekking op de overlopende activa en is het gevolg van nieuwe contracten welke halverwege 2025 zijn afgesloten en doorlopen in 2026.

Passiva

Eigen vermogen

Tabel 32 Tabel vermogensontwikkeling (bedragen x € 1.000)
 

2022

2023

2024

2025

1. Eigen vermogen per 1/1

31.207

34.290

17.121

24.881

2. Saldo baten en lasten

18.477

‒ 431

7.395

14.328

3. Directe mutaties in het eigen vermogen

‒ 15.394

‒ 16.738

365

‒ 6.659

‒ 3a Uitkering aan moederdepartement

15.701

17.100

0

6.794

‒ 3b Bijdrage door moederdepartement ter versterking eigen vermogen

307

362

365

135

‒ 3c Overige mutaties

0

0

0

0

4. Eigen vermogen per 31/12

34.290

17.121

24.881

32.550

Het hogere eigen vermogen is een gevolg van het nog onverdeelde exploitatie resultaat over 2025.

Tabel 33 Voorzieningen (bedragen x € 1.000)
 

Boekwaarde 1-1-2025

Dotaties

Onttrekkingen

Vrijval

Boekwaarde 31-12-2025

Voorziening personeel

570

65

155

0

480

Voorziening jubilea

254

209

254

0

209

Overige Voorzieningen

0

0

0

0

0

Voorzieningen

De voorziening personeel wordt benut als voorziening voor contractuele afspraken met medewerkers.

Van deze voorziening is per 31 december 2025 € 65 k onttrokken en € 155 k gedoteerd. De voorziening Jubilea wordt gebruikt voor de jubilea-uitkeringen die in het komende boekjaar vallen.

Tabel 34 Kasstroomoverzicht over het jaar 2025 (bedragen x € 1.000)
  

Vastgestelde begroting (1)

Realisatie (2)

Verschil realisatie en vastgestelde begroting (3)=(2)-(1)

1.

Rekening-courant RHB 1 januari 2025 + stand depositorekeningen

15.407

31.361

15.954

 

Totaal ontvangsten operationele kasstroom (+)

396.933

415.884

18.951

 

Totaal uitgaven operationele kasstroom (-/-)

‒ 382.023

‒ 392.184

‒ 10.161

2.

Totaal operationele kasstroom

14.910

23.700

8.790

 

Totaal investeringen (-/-)

‒ 25.000

‒ 12.565

12.435

 

Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

0

29

29

3.

Totaal investeringskasstroom

‒ 25.000

‒ 12.536

12.464

 

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)

0

‒ 6.794

‒ 6.794

 

Eenmalige storting door het moederdepartement (+)

0

135

135

 

Aflossingen op leningen (-/-)

‒ 14.910

‒ 17.906

‒ 2.996

 

Beroep op leenfaciliteit (+)

25.000

14.861

‒ 10.139

4.

Totaal financieringskasstroom

10.090

‒ 9.704

‒ 19.794

5.

Rekening-courant RHB 31 december 2025 + stand depositorekeningen  (=1+2+3+4)

15.407

32.821

17.414

Toelichting kasstroomoverzicht

Operationele kasstroom

In 2025 zijn de ontvangsten in de operationele kasstroom € 18,9 mln hoger dan begroot door een  grotere hoeveelheid geleverde diensten van DICTU. Dit wordt versterkt door een beter debiteurenbeleid. De uitgaven van de operationele kasstroom liggen € 10,1 mln. boven het niveau van de begroting. Dit komt door een hogere hoeveelheid geleverde diensten van DICTU, waardoor de uitgaven ook toenemen.

Investeringskasstroom

De investeringskasstroom is € 12,5 mln lager dan begroot. Met name de Infra investeringen zijn uitgesteld naar 2026, o.a. vanwege doorontwikkeling bedrijfsstrategie.

Financieringskasstroom

In 2025 is voor € 14,9 mln aan leningen afgeroepen, dit bedrag is inclusief € 2,2 mln onterecht afgeroepen leningen over 2025. De aflossingen van € 17,9 mln hebben betrekking op € 12,6 mln  reguliere aflossingen, € 3,1 mln versnelde aflossing in verband met afboeking Rijkszaak in 2024. Daarnaast is de onterecht afgeroepen lening € 2,2 mln ook versneld afgelost. In verband met een overschot eigen vermogen heeft een afdracht plaatsgevonden van € 6,8 mln. 

Tabel 35 Overzicht doelmatigheidsindicatoren per 31 december 2025
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

 

2022

2023

2024

2025

2025

Omschrijving generiek deel

     

Kostprijzen per product (groep)

     

a. Basistarief werkplek CW

3.126

3.026

2.960

3.019

3.019

Tarieven/uur

     

a. Senior medewerker (ontwikkeling)

135

141

161

160

160

b. Medior medewerker (bouw)

111

116

132

126

126

c. Junior medewerker (test en beheer)

99

103

118

107

107

Indicatoren

     

Aantal werkplekken CW1

18.042

19.186

20.029

20.597

19.882

FTE-totaal (excl. externe inhuur)2

927

925

973

1.067

1.145

Aantal interne FTE’s in percentage van het totale aantal FTE’s

54,0%

54,0%

60,0%

65,2%

70,8%

Saldo van baten en lasten (%)3

5,24%

‒ 0,12%

1,86%

3,42%

0,0%

Ziekteverzuim

6,3%

6,1%

5,1%

5,8%

4,0%

Klanttevredenheid

7,7

7,3

7,5

7,6

7,0

Beschikbaarheid applicaties

99,5%

99,7%

99,7%

99,5%

98,0%

Aantal grote verstoringen

4

5

6

3

max 5

Eindgebruikerstevredenheid afhandeling incidenten

8,4

8,5

8,5

8,7

7,0 ‒ 7,5

Oplospercentage 1ste lijn helpdesk

81%

83%

83%

82%

75%

Servicedesk; in 1 keer geholpen

  

84%

81%

80%

Servicedesk; dienstverleningsniveau volgens afspraken

  

42%

66%

85%

Betalingen aan crediteuren: min. 95% cf. betaaltermijn

   

98,7%

95%

1

Aantal werkplekken ultimo jaar.

2

Gemiddeld aantal FTE over het jaar.

3

Saldo als percentage van de baten.

Basistarief werkplek CW

Het tarief voor de basis Cloudwerkplek is in 2025 met 2% verhoogd ten opzichte van 2024.

Aantal werkplekken CW

In de ontwerpbegroting is een gemiddeld aantal van 19.882 Cloudwerkplekken begroot. De vraag naar werkplekken door klanten is hoger uitgevallen waardoor de realisatie van het aantal geleverde werkplekken is uitgekomen op 20.597 Cloudwerkplekken eind 2025.

Aantal interne FTE in % van het totale aantal FTE

Het aantal interne FTE als percentage van het totale aantal FTE is met 65,2% nog wel lager dan begroot (70,8%) en laat een sterke stijging zien ten opzichte van voorgaande jaren. Dit is het gevolg van extra inzet op werving, een hogere vraag dan voorzien naar ICT dienstverlening en krapte op de arbeidsmarkt.

Saldo van baten en lasten

DICTU heeft in 2025 een positief resultaat geboekt van € 17,7 mln.

Ziekteverzuim

Het jaargemiddelde verzuimpercentage over 2025 is 5,8%, ten opzichte van 5,1% in 2024.

Het kortdurend verzuim neemt af, terwijl middel- en langdurig verzuim toenemen, wat duidt op complexere ziektegevallen. DICTU richt zich op vroegtijdige signalering, nauwe samenwerking tussen leidinggevenden, O&P en Bedrijfszorg en structurele analyse van langdurig verzuim om verdere stijging te voorkomen.

Klanttevredenheid

Iedere maand ontvangt een aantal willekeurige eindgebruikers een vragenlijst, waarin een oordeel gegeven kan worden over de werkplek, kantoor applicaties en bedrijfsapplicaties. De gemeten KPI is in 2025 een 7,6 waarmee de doelstelling van 7,0 wordt gehaald.

Beschikbaarheid Applicaties

De beschikbaarheid van frontend-applicaties wordt gemeten door middel van tooling (BSM). Er wordt per applicatie gemeten per maand over beschikbaarstellingsperiode, exclusief overeengekomen onderhoudsperioden. De in de doelmatigheidsindicatoren opgenomen percentages betreffen basis en basis 24, met als doel de beschikbaarheid van 98%. Bij basis gaat het om beschikbaarheid op werkdagen van 7.00 ‒ 18.00 uur. Bij basis 24 op alle dagen 00.00 ‒ 24.00 uur. Het gemeten percentage in 2025 (99,5%) ligt boven de doelstelling (98,0%).

Aantal grote verstoringen

Een grote verstoring is minimaal een type C1 verstoring conform de prioriteitenmatrix Incidenten DICTU. In 2025 zijn er 3 grote verstoringen geweest waarmee de doelstelling (max. 5) is gehaald.

Eindgebruikerstevredenheid afhandeling incidenten

Iedere dag wordt aan een aantal willekeurig gekozen personen die een incident hebben ingediend dat de dag ervoor is opgelost, een uitnodiging voor een onderzoek gestuurd dat betrekking heeft op de afhandeling van incidenten. De respondent kan op een tienpuntschaal aangeven in hoeverre hij tevreden is over de afhandeling van het betreffende incident. De KPI wordt gemeten per kalendermaand en is in 2025 onverminderd hoog met een 8,7 waarmee de doelstelling van 7,0-7,5 ruimschoots wordt gehaald.

Oplospercentage 1e lijn helpdesk

Dit percentage geeft weer hoeveel procent van de meldingen door de 1e lijn (frontdesk) is opgelost. Het gemeten percentage (82%) in 2025 ligt boven de doelstelling (75%).

Servicedesk: in 1 keer geholpen

Van elke melding die bij de Servicedesk binnenkomt, werd in 2025 over het jaar genomen, gemiddeld 81% direct opgelost (first time fix). Dit ligt boven de doelstelling van 80%.

Servicedesk; dienstverleningsniveau volgens afspraken

De afspraken zoals opgenomen in de Service Level Agreement (SLA) op meldingen zijn niet gehaald. Ondanks de verbetering ten opzichte van 2024, ligt het gemeten percentage (66%) in 2025 ruim onder de doelstelling (85%).

Betalingen aan crediteuren

Minimaal 95% van de betalingen aan leveranciers dient binnen betaaltermijn te zijn. In 2025 heeft DICTU een gemiddeld percentage van 98,7 gehaald.

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl)

Tabel 36 Verantwoording van het baten-lastenagentschap RVO.nl voor het jaar 2025(bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting (1)

Realisatie (2)

Verschil (3) = (2) - (1)

Realisatie 2024(4)

Baten

    

- Omzet

1.275.185

1.315.302

40.117

1.223.907

waarvan omzet moederdepartement

223.598

200.825

‒ 22.773

597.906

waarvan omzet overige departementen

1.008.574

1.056.634

48.060

569.732

waarvan omzet derden

24.742

37.468

12.726

31.107

waarvan bijdrage WaU en POK/Woo

18.271

20.375

2.104

25.162

Rentebaten

7.000

5.924

‒ 1.076

8.027

Vrijval voorzieningen

0

0

0

0

Bijzondere baten

0

6.871

6.871

3

Totaal baten

1.282.185

1.328.097

45.912

1.231.937

     

Lasten

    

Apparaatskosten

1.268.452

1.046.359

‒ 222.093

991.744

- Personele kosten

735.702

809.847

74.145

760.752

waarvan eigen personeel

537.062

595.600

58.538

539.975

waarvan inhuur externen

176.568

183.449

6.881

190.720

waarvan overige personele kosten

22.071

30.798

8.727

30.057

- Materiële kosten

532.750

236.512

‒ 296.238

230.992

waarvan apparaat ICT

5.327

55.963

50.636

51.932

waarvan bijdrage aan SSO's

293.012

166.149

‒ 126.863

164.536

waarvan overige materiële kosten

234.410

14.400

‒ 220.010

14.524

Kosten uitbesteed werk en andere externe kosten

0

198.495

198.495

172.432

Rentelasten

1.134

1.846

712,36

1.813

Afschrijvingskosten

12.600

17.415

4.815

17.991

- Materieel

100

3

‒ 97

13

waarvan apparaat ICT

0

0

0

0

waarvan overige materiële afschrijvingskosten

100

3

‒ 97

13

- Immaterieel

12.500

17.412

4.912

17.978

Overige lasten

0

16318

16.318

16.939

waarvan dotaties voorzieningen

0

13.243

13.243

16.910

waarvan bijzondere lasten

0

3.075

3.075

29

Totaal lasten

1.282.185

1.280.433

‒ 1.752

1.200.919

Saldo van baten en lasten gewone bedrijfsuitoefening

0

47.664

47.664

31.018

Agentschapsdeel Vpb-lasten

0

0

0

0

Saldo van baten en lasten

0

47.664

47.664

31.018

Tabel 37 Voorgestelde resultaatbestemming (bedragen x € 1.000)

Voorgestelde resultaatbestemming

Vastgestelde begroting (1)

Realisatie (2)

Verschil (3) = (2) - (1)

Realisatie 2024 (4)

(Voorgesteld het resultaat als volgt te verdelen)

    
     

Toevoeging/ onttrekking:

    

- Pok/ Wau

0

0

0

0

- Exploitatiereserve

0

‒ 47.664

‒ 47.664

0

Saldo van baten en lasten

0

47.664

47.664

0

Toelichting op de staat van baten en lasten

De presentatie van de kolom Vastgestelde begroting (1) en de kolom Realisatie 2024 (4) wijkt af van de daadwerkelijke vastgestelde begroting 2025 en jaarverslag 2024 van de RVO. De afwijkingen worden door een paar zaken veroorzaakt.

Op basis van de nieuwe regeling agentschappen 2024 wordt de verantwoording van WaU, POK en Woo middelen nu onder de omzet verantwoord en daarom is de bijhorende bestemmingsreserve opgeheven. Dit leidt tot wijzigingen in de weergave van de vastgestelde begroting.

Verder worden mutaties omtrent dubieuze debiteuren nu verantwoord onder materiële lasten in plaats van dotaties en onttrekkingen aan voorzieningen, wat tot wijzigingen leidt in de weergave van de realisatie 2024 en de vastgestelde begroting.

Toelichting op de baten

Algemeen

Vanaf 1 januari 2025 geldt de nieuwe Regeling Agentschappen (2024). Deze regeling staat, naast outputfinanciering, ook inputfinanciering toe.  Vanaf 2025 worden de bijdragen die RVO ontvangt voor door haar uitgevoerde werkzaamheden als outputfinanciering gezien. Voor programma’s zoals POK, WaU764 en Woo geldt dat deze worden gezien als inputfinanciering.

De baten zijn ten opzichte van de begroting met 3,6% gestegen. Dit is voornamelijk te verklaren door een groter opdrachtenpakket dan begroot. Daarnaast valt de bijdrage vanuit WaU, POK en Woo nu onder de omzet wegens de nieuwe Regeling Agentschappen (2024). Hieronder wordt de stijging van de omzet ten opzichte van de ontwerpbegroting nader verklaard op inhoudelijke wijzigingen in de opdrachten.

Tabel 38 Omzet moederdepartement (bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting 2025

Realisatie 2025

Verschil realisatie en vastgestelde begroting

Realisatie 2024

DG Bedrijfsleven en Innovatie

168.862

156.855

‒ 12.007

257.963

DG Klimaat en Energie

0

0

0

11.195

DG Groningen en Ondergrond

0

9

9

23.829

DG Groningen Ondergrond kosten commissie

0

0

0

1.248

DG Economie en Digitalisering

30.709

24.997

‒ 5.712

118.682

Overig

24.026

18.964

‒ 5.062

184.989

Totaal

223.598

200.825

‒ 22.773

597.906

Omzet moederdepartement

De gerealiseerde omzet van het moederdepartement is ten opzichte van de oorspronkelijke begroting 10,2% lager uitgevallen.

Voor DG Bedrijfsleven en Innovatie (B&I) bedraagt de omzet in 2025 € 156,9 mln. Dit is € 12,0 mln lager dan begroot. Deze daling wordt grotendeels verklaard door het feit dat het cluster Verduurzaming Industrie in 2025 is overgegaan van B&I naar het Ministerie van Klimaat en Groene Groei en daardoor niet langer in de omzet van B&I is opgenomen.

Voor DG Economie en Digitalisering (E&D) bedraagt de omzet in 2025 € 25,0 mln. Dit is € 5,7 mln lager dan oorspronkelijk begroot. Deze afwijking wordt voornamelijk verklaard doordat bij de ontwerpbegroting is uitgegaan van een voorgenomen verhoging van de Nederlands Cybersecurity Coördinatiecentrum-opdracht, welke in 2025 uiteindelijk niet is gerealiseerd.

De omzet Overig bedraagt voor 2025 € 19,0 mln. Dit is € 5,1 mln lager dan begroot. Onder overig eersten valt de opdracht van EZ Coördinerend Directeur Inkoop (CDI, Inkoop Uitvoering Centrum). Andere opdrachten zijn Unit Omgevingskennis en Nationaal Groeifonds Financiële Administratie.

Omzet bijdrage WaU en POK/Woo

Onder de nieuwe regeling agentschappen 2024 wordt de verantwoording van de opbrengsten uit de Werk aan Uitvoering (WaU), de Parlementaire ondervragingscommissie kinderopvangtoeslag (POK) en de Wet open overheid (Woo) geclassificeerd onder de post ‘omzet’. In de ontwerpbegroting waren deze opbrengsten nog opgenomen onder de voorgestelde resultaatbestemming.

Het cumulatieve bedrag van de opbrengsten uit WaU, POK en Woo bedraagt € 20,4 mln. Dit bedrag ligt € 2,1 mln boven de oorspronkelijk begrote omvang, waarbij de afwijking met name het gevolg is van een verhoogde inzet van middelen binnen het kader van WaU.

Tabel 39 Omzet overige departementen (bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting 2025

Realisatie 2025

Verschil realisatie en vastgestelde begroting

Realisatie 2024

Ministerie van Landbouw,Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

305.413

339.490

34.077

324.571

Ministerie van Klimaat en Groene Groei

142.833

161.085

18.252

0

Ministerie van Buitenlandse Zaken

128.234

133.250

5.016

134.693

Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

32.234

36.131

3.897

0

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

333.407

313.372

‒ 20.035

46.047

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

48.316

53.574

5.258

48.269

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

7.079

8.280

1.201

6.939

Ministerie van Justitie en Veiligheid

1.830

1.173

‒ 657

1.393

Ministerie van Asiel en Migratie

725

40

‒ 685

0

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

691

727

36

694

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

7.811

6.781

‒ 1.030

5.490

Overig

0

2.731

2.731

1.575

Totaal

1.008.574

1.056.634

48.060

569.671

Omzet overige departementen

De omzet overige departementen betreft de uitvoering van opdrachten voor diverse ministeries en uitvoeringsorganisaties. De gerealiseerde omzet van de overige departementen is ten opzichte van de oorspronkelijke begroting 4,8% hoger uitgevallen.

LVVN

De omzet vanuit het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) bedraagt in 2025 € 339,5 mln en ligt daarmee € 34,1 mln hoger dan begroot. Deze afwijking wordt verklaard doordat LVVN bij de ontwerpbegroting is uitgegaan van een lager opdrachtvolume voor 2025. De definitieve opdracht was hoger, waardoor de omzet hoger is uitgekomen dan begroot. Daarnaast is in de loop van het jaar sprake geweest van meerwerk, hetgeen eveneens heeft bijgedragen aan de hogere realisatie. De grootste meerwerkopdrachten zijn Duurzame dierlijke ketens en Kennis Duurzaam Jong Leren Eten.

KGG

De omzet vanuit het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (KGG) bedraagt in 2025 € 161,1 mln, wat € 18,3 mln hoger is dan begroot. De toename is te verklaren door de overheveling van Verduurzaming Industrie naar KGG, de oprichting van Instituut voor Milieu, Mens en Mijnbouw Limburg (I3ML) en de intensivering bij Energie-Innovatie regelingen, Netcongestie en Gebiedsgerichte Aanpak Energie.

BZK

De omzet van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) bedraagt in 2025 € 313,4 mln, dit is € 20,0 mln lager dan oorspronkelijk begroot. Deze daling wordt voornamelijk veroorzaakt door een daling van de omzet bij Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG). Dit is het gevolg van een lagere instroom van aanvragen en meer afwijzingen c.q. intrekkingen dan verwacht. Dit heeft zich vooral voorgedaan bij de Aanvullende Vaste Vergoeding (AVV), Vaste Eenmalige Schadevergoeding (VES), Duurzaam Herstel en Waardedaling. Als gevolg hiervan zijn er ook minder uitvoeringskosten gemaakt.

Daarnaast is de omzet van BZK lager door de afbouw en stapsgewijze beëindiging van enkele kleinere opdrachten zoals Regelhulpen, de compensatieregelingen eHerkenning Belastingdienst en het CE-voor-niet-KVK TRR-register.

VRO

De omzet van het opdrachtenpakket van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) bedraagt in 2025 € 36,1 mln. Dit is € 3,9 mln hoger dan oorspronkelijk begroot. Het opdrachtenpakket kent een stabiel karakter. Afgelopen jaar heeft een stijging plaatsgevonden in de opdrachten die gerelateerd zijn aan de verduurzaming van bestaande bouw (onder meer EU EPBD, Energieprestatie gebouwen, verduurzaming U-bouw, Subsidie verduurzaming onderhoud huurwoningen (SVOH) en Subsidie aardgasvrije woningen (SAH)). Daarnaast heeft er een stijging plaatsgevonden in de opdrachten gerelateerd aan de woningbouwopgave (onder meer Expertiseprogramma Woningbouw, Wonen in het buitengebied en Regeling tegemoetkoming herplaatsing flexwoningen (RTHF)).

BZ

De omzet van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ) bedraagt in 2025 € 133,3 mln, wat € 5,0 mln hoger is dan begroot. Dit verschil wordt voornamelijk veroorzaakt door de groei in het opdrachtenpakket van DG Internationale Samenwerking. De grootste afwijking komt door de toevoeging op de Oekraïne faciliteit aan het opdrachtenpakket

I&W

De omzet voor het opdrachtenpakket van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) inclusief Partners voor Water bedraagt € 53,6 mln. Dit is € 5,3 mln hoger dan begroot. De toename komt mede door intensivering bij Verduurzaming in Logistiek. Daarnaast zijn aanvullende opdrachten verstrekt voor onder andere Ruimte voor de Rivier 2.0 en Demonstratie klimaattechnologieën en –innovaties in transport.

OCW

De omzet van het opdrachtenpakket van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) bedraagt € 8,3 mln, €1,2 mln hoger dan begroot. Dit verschil komt met name door de additionele opdracht Small Business Innovation Research-IX.

SZW

Het opdrachtenpakket van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) komt uit op een realisatie van € 0,7 mln.

J&V

De omzet van het opdrachtenpakket van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (J&V) is € 0,7 mln lager dan begroot, met een realisatie van € 1,2 mln. Dit verschil wordt voornamelijk verklaard door een vertraagde case bij de Wet tegemoetkoming schade bij rampen (WTS) Limburg. Daarnaast zijn er een aantal inhoudelijke aanpassingen van opdrachten, die eveneens hebben bijgedragen aan dit verschil.

A&M

De omzet van het Ministerie Asiel & Migratie (A&M) is € 0,7 mln lager dan begroot. In de begroting was de opdracht vanuit het Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) opgenomen onder A&M, uiteindelijk is de opdracht rechtstreeks verleend door IND zelf.

VWS

Het opdrachtenpakket van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) is € 1,0 mln lager dan initieel begroot, met een realisatie van € 6,8 mln.

Overig Tweeden

De realisatie van de omzet Overig Tweeden is € 2,7 mln hoger dan begroot. Onder Overig Tweeden vallen opdrachten vanuit Rijkswaterstaat, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, de Immigratie- en Naturalisatiedienst en het Centraal Justitieel Incasso Bureau.

Tabel 40 Omzet derden (bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting 2025

Realisatie 2025

Verschil realisatie en vastgestelde begroting

Realisatie 2024

Europese Unie

4.220

5.134

914

2.508

Provincies

19.248

29.700

10.452

26.966

Overig

1.275

2.634

1.359

1.633

Totaal

24.742

37.468

12.726

31.107

Omzet derden

De omzet Derden heeft betrekking op opdrachten voor met name de Provincies en Europese Unie. De gerealiseerde omzet derden is ten opzichte van de oorspronkelijke begroting 51,4% hoger uitgevallen.

De gerealiseerde omzet van de Europese Unie is € 5,1 mln, € 0,9 mln hoger dan begroot.

De omzet van Provincies is in 2025 € 29,7 mln, wat € 10,5 mln hoger is dan de ontwerpbegroting. Dit verschil wordt veroorzaakt door een lagere begroting van de werkzaamheden op Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP) en Nationaal Strategisch Plan (NSP) bij de provincies. De omvang van beide opdrachten is in 2025 gestegen.

Toelichting op de lasten

Algemeen

De som van de lasten zijn ten opzichte van de begroting met € 1,8 mln gedaald. Hieronder worden de lasten toegelicht.

Personele kosten

De personele kosten vallen € 74,1 mln hoger uit dan begroot, wat neerkomt op een stijging van 10,1%. Dit is met name het gevolg van het hogere opdrachtvolume, zoals hierboven toegelicht. Dit vraagt om een hogere inzet van personeel. Daarnaast stegen de inhuurtarieven voor extern personeel.

De kosten voor eigen personeel zijn € 58,5 mln hoger dan begroot als gevolg van een groter opdrachtenpakket. De gemiddelde loonkosten per fte ambtelijk zijn licht gestegen van € 97.381 naar € 97.789. De kosten van externe inhuur zijn € 6,9 mln hoger dan begroot. De gemiddelde kosten per fte externe inhuur gestegen van € 197.637 naar € 199.325 per jaar. Doelbewust is ingezet op verambtelijking van het personeel. Het aandeel externe inhuur van de totale bezetting is lager in 2025 ten opzichte van 2024.

De begrote ambtelijke bezetting voor 2025 is 5.500 fte. De gemiddelde bezetting was in 2025 6.827 fte, waarvan 5.907 fte in ambtelijke dienst en 920 fte externe inhuur. Ultimo december 2025 was de bezetting 7.031 fte, waarvan 6.116 fte in ambtelijke dienst en 915 fte externe inhuur.

Materiële kosten

In de materiële kosten is een modelwijziging verwerkt ten opzichte van de begroting. Dit heeft te maken met een presentatiewijziging in de rijksbegrotingsvoorschriften. Een deel van de materiële kosten uit de begroting is opgenomen onder de nieuwe categorie Kosten uitbesteed werk en andere externe kosten. Dit betreft een verschuiving van € 198,4 mln. De totale materiële kosten en kosten voor uitbesteed werk en andere externe kosten zijn lager uitgevallen dan begroot. Deze afname is met name het gevolg van lagere kosten bij shared service organisaties (SSO’s), zoals Dienst ICT Uitvoering en Rijksvastgoedbedrijf.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingskosten zijn € 4,8 mln hoger uitgevallen dan begroot. Dit ligt in lijn met de relatief hogere investeringen van voorgaande jaren.

Dotaties voorzieningen

De dotaties voorzieningen bedragen in 2025 € 13,2 mln. Dit heeft betrekking op voorziening verlof.

Bijzondere lasten

De bijzondere lasten hebben voornamelijk betrekking op de waardevermindering van het project Uitvoeringsplatform Nationale regelingen (UPNL) EMV. Dit project heeft betrekking op het overzetten van de regelingen EIA (Energie-investeringsaftrek), MIA (Milieu-investeringsaftrek) en VAMIL (Willekeurige afschrijving milieu-investeringen) op het UPNL-platform.

Saldo van baten en lasten

Het onverdeeld resultaat over het boekjaar bedraagt € 47,7 mln positief. Van dit bedrag zal het surplus van € 42,7 mln worden uitgekeerd aan het moederdepartement EZK. Na vaststelling van de jaarrekening ligt het besluit bij het moederdepartement EZK of het resterende bedrag van het onverdeeld resultaat over het boekjaar wordt toegevoegd aan de exploitatiereserve, respectievelijk wordt teruggestort naar het moederdepartement.

Tabel 41 Balans per 31 december 2025 (bedragen x € 1.000)
 

Balans 2025

Balans 2024

Activa

  

Vaste activa

73.191

67.610

Immateriële vaste activa

73.185

67.600

Materiële vaste activa

6

10

waarvan grond en gebouwen

0

1

waarvan machines en installaties

4

5

waarvan andere vaste bedrijfsmiddelen

2

4

waarvan vaste bedrijfsmiddelen in uitvoering en vooruitbetaald op materiële vaste activa

0

0

waarvan niet aan de bedrijfsuitvoering dienstbaar

0

0

Vlottende activa

340.789

314.801

Voorraden

0

0

waarvan grond- en hulpstoffen

0

0

waarvan onderhanden werk

0

0

waarvan gereed product en handelsgoederen

0

0

waarvan vooruitbetaald op voorraaden

0

0

Vorderingen

43.268

50.336

waarvan debiteuren

250

6.263

waarvan overige vorderingen

0

0

waarvan overlopende activa

43.018

44.073

Liquide middelen

297.521

264.465

Totaal activa

413.981

382.411

   

Passiva

  

Eigen Vermogen

103.412

62.969

Bestemmingsfonds(en)

0

0

Pok/ Wau reserve

0

0

Exploitatiereserve

55.748

31.951

Onverdeeld resultaat

47.661

31.018

Voorzieningen

79.738

61.422

Langlopende schulden

42.660

44.440

Leningen bij het Ministerie van Financiën

42.660

44.440

Kortlopende schulden

188.170

213.580

Crediteuren

6.154

10.627

Belastingen en premies sociale lasten

1.308

820

Kortlopend deel leningen bij het Ministerie van Financiën

22.680

21.480

Overige schulden

0

0

Overlopende passiva

158.028

180.653

Totaal passiva

413.980

382.411

Toelichting op de balans

Eigen vermogen

Het Eigen vermogen einde boekjaar is het totaal van de exploitatiereserve en het onverdeeld resultaat (zijnde het exploitatieresultaat na resultaatsbestemming) over het boekjaar. Het eigen vermogen is 8,40% van de gemiddelde jaaromzet over de laatste drie jaar, waar maximaal 5% is toegestaan.

Het eigen vermogen is € 41,9 mln hoger dan het maximaal toegestaan eigen vermogen (€ 61,5 mln). Dit surplus zal worden uitgekeerd aan het moederdepartement EZK. Uiterlijk bij de eerstvolgende suppletoire wet zal worden aangegeven hoe dit hersteld is bij besluit van het moederdepartement EZK.

Tabel 42 Vermogensontwikkeling (bedragen x € 1.000)
 

2022

2023

2024

2025

1. Eigen vermogen per 1/1

48.309

22.135

31.940

62.969

Bestemmingsreserve

    

2. Saldo van baten en lasten

‒ 19.638

9.407

31.018

47.664

3. Directe mutaties in het eigen vermogen

    

‒ 3a uitkering aan moederdepartement

‒ 6.600

0

0

‒ 7.221

‒ 3b bijdrage moederdepartement ter versterking eigen vermogen

64

398

11

0

‒ 3c overige mutaties

0

0

0

0

4. Eigen vermogen per 31/12

22.135

31.940

62.969

103.412

Verloop en stand van de voorzieningen (bedragen x € 1.000)

De Verlofvoorziening van € 79,7 mln is het resterende tegoed aan Individueel Keuzebudget (IKB)-spaarverlof. Hiermee is per werknemer de waarde van de nog niet benutte IKB-spaarverlof berekend, vermeerderd met sociale lasten. De toename van € 18,3 mln is grotendeels het gevolg van de stijging van het aantal ambtelijke medewerkers, de jaarlijkse salarisverhoging en een hoger saldo IKB-spaarverlof uren.

De verlofvoorziening heeft een overwegend langlopend karakter.

Tabel 43 Kasstroomoverzicht over het jaar 2025 (bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting (1)

Realisatie (2)

Verschil realisatie en vastgestelde begroting (3)=(2)-(1)

Rekening-courant RHB 1 januari 2025 + stand depositorekeningen

143.556

264.465

120.909

Totaal ontvangsten operationele kasstroom (+)

1.284.247

1.309.292

25.045

Totaal uitgaven operationele kasstroom (-/-)

‒ 1.269.585

‒ 1.245.438

24.147

Totaal operationele kasstroom

14.662

63.854

49.192

Totaal investeringen (-/-)

‒ 15.000

‒ 26.063

‒ 11.063

Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

0

3.066

3.066

Totaal investeringskasstroom

‒ 15.000

‒ 22.997

‒ 7.997

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)

0

‒ 7.221

‒ 7.221

Eenmalige storting door het moederdepartement (+)

0

0

0

Aflossingen op leningen (-/-)

‒ 20.480

‒ 21.480

‒ 1.000

Beroep op leenfaciliteit (+)

15.000

20.900

5.900

Totaal financieringskasstroom

‒ 5.480

‒ 7.801

‒ 2.321

Rekening-courant RHB 31 december 2025 + stand depositorekeningen  (=1+2+3+4)

137.738

297.521

159.783

Toelichting kasstroomoverzicht

De geldmiddelen in het kasstroomoverzicht worden gevormd door de rekening-courant met het Ministerie van Financiën (Rijkshoofdboekhouding). Ontvangsten en uitgaven uit hoofde van rente zijn opgenomen onder de operationele kasstroom.

De gerealiseerde operationele kasstroom is per saldo € 49,2 mln hoger dan begroot. Als gevolg van het resultaat en hogere voorschotten. Daarnaast heeft het wijzigen van de Regeling Agentschappen het gevolg gehad dat de bijdragen WaU en POK/Woo is verplaatst van financieringsstroom naar operationele kasstroom. Bij het opstellen van de oorspronkelijke begroting was dit nog niet inzichtelijk.

De gerealiseerde investeringskasstroom is € 8,0 mln hoger dan begroot. In 2025 is geïnvesteerd in immateriële vaste activa, dit betreft software en licenties en activa in aanbouw. In materiële activa is niet geïnvesteerd.

Het verschil tussen de begrote en gerealiseerde financieringsstroom van € 2,3 mln betreft met een lagere storting door het moederdepartement. Dit heeft betrekking op de wijziging van de Regeling Agentschappen waardoor de bijdragen WaU en POK/Woo verplaatst zijn naar de operationele kasstroom.

Tabel 44 Overzicht doelmatigheidsindicatoren per 31 december 2025
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

 

2022

2023

2024

2025

2025

Omschrijving generiek deel

     

Inputindicatoren

     

Kernindicatoren

     

Verhouding direct/indirect personeel

81%

80%

88%

88%

87%

      

Outputindicatoren

     

Kernindicatoren

     

Tariefindex in reële termen

97,30%

100,70%

102,60%

103,72%

100,00%

Totaal aantal ambtelijk fte werkzaam excl. externe inhuur

5.022

5.436

5.677

6.116

5.500

Saldo baten en lasten

‒ 2,70%

0,70%

2,60%

3,72%

0,00%

      

Kwaliteitsindicatoren

     

Kernindicatoren

     

Klanttevredenheid

7,5

7,6

7,7

7,9

7,7

Gehonoreerde bezwaarschriften

35%

40%

27%

33%

25%

Toelichting

Inputindicatoren

De verhouding van de gerealiseerde inzet van direct en indirect personeel (88%/12%) wijkt 1 procentpunt af ten opzichte van de begroting (87%/13%).

Outputindicatoren

Het aantal ambtelijke fte ultimo 2025 is 6.116 fte, dit is 616 fte hoger dan begroot. De bezetting is hoger dan begroot vanwege de toename van het opdrachtenpakket van RVO. Daarnaast is er ingezet op verambtelijking van het personeel.

Kwaliteitsindicatoren

De klanttevredenheid wordt jaarlijks gemeten onder de klanten van RVO. De klanten van RVO zijn de burgers en bedrijven die gebruikmaken van de dienstverlening van RVO. De score dit jaar (7,9) is 0,2 punt hoger dan vorig jaar. RVO streeft naar een score van 7,7.

In totaal zijn in 2025, 7.757 bezwaarschriften afgehandeld, waarvan 2.559 bezwaren gegrond zijn verklaard, circa 33 %. Dit percentage is iets hoger dan in 2024 (27%). Debet hieraan zijn met name de regelingen GLB (Gemeenschappelijk landbouwbeleid) en de ISDE (Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing), die hoge aantallen afgehandelde bezwaren (resp. 2.077 en 1.111) paren aan een hoog percentage gegronde bezwaren (resp. 47% en 52%).

Rijksinspectie Digitale Infrastructuur  (RDI)

Nederland is door digitalisering ingrijpend veranderd in de manier waarop wij communiceren en toegang hebben tot diensten en informatie. De digitalisering is in toenemende mate verweven geraakt met bijna alle aspecten van ons dagelijks leven en biedt grote kansen voor de maatschappij en economie. We zien een diepgaande maatschappelijke afhankelijkheid van digitalisering en tegelijkertijd een toename van dreigingen en potentiële verstoringen. De samenleving moet er op kunnen vertrouwen dat maatschappelijke vraagstukken rond de digitale infrastructuur tijdig worden gedetecteerd, risico’s worden gesignaleerd en belangen worden beschermd. Het doel van de RDI is dan ook dat Nederland kan vertrouwen op de beschikbaarheid van de digitale infrastructuur, die continu en veilig te gebruiken is. Deze jaarverantwoording geeft u het inzicht in de financiële staat van het agentschap.

Tabel 45 Verantwoording van het baten-lastenagentschap RDI voor het jaar 2025 (bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting (1)

Realisatie (2)

Verschil (3) = (2) - (1)

Realisatie 2024(4)

Baten

    

- Omzet

103.466

101.456

‒ 2.010

90.473

waarvan omzet moederdepartement

58.062

53.893

‒ 4.169

55.964

waarvan omzet overige departementen

19.695

21.124

1.429

8.048

waarvan omzet derden

25.709

26.439

730

26.461

Rentebaten

375

816

441

1.505

Vrijval voorzieningen

0

0

0

0

Bijzondere baten

0

179

179

302

Totaal baten

103.840

102.451

‒ 1.389

92.280

     

Lasten

    

Apparaatskosten

98.652

93.265

‒ 5.387

83.544

- Personele kosten

67.873

68.473

600

60.179

waarvan eigen personeel

49.896

53.014

3.118

46.312

waarvan inhuur externen

14.108

11.966

‒ 2.142

10.028

waarvan overige personele kosten

3.869

3.493

‒ 376

3.839

- Materiële kosten

30.779

24.792

‒ 5.987

23.365

waarvan apparaat ICT

899

1.897

998

405

waarvan bijdrage aan SSO's

13.311

13.831

520

17.952

waarvan overige materiële kosten

16.568

9.064

‒ 7.504

5.008

Kosten uitbesteed werk en andere externe kosten

0

0

0

0

Rentelasten

313

188

‒ 125

212

Afschrijvingskosten

4.800

3.567

‒ 1.233

2.992

- Materieel

3.000

2.309

‒ 691

2.136

waarvan apparaat ICT

1.200

653

‒ 547

601

waarvan overige materiële afschrijvingskosten

1.800

1.656

‒ 144

1.535

- Immaterieel

1.800

1.258

‒ 542

856

Overige lasten

75

1.834

1.759

1.686

waarvan dotaties voorzieningen

75

43

‒ 32

22

waarvan bijzondere lasten

0

1.791

1.791

1.664

Totaal lasten

103.840

98.854

‒ 4.986

88.434

Saldo van baten en lasten gewone bedrijfsuitoefening

0

3.597

3.597

3.846

Agentschapsdeel Vpb-lasten

0

 

0

0

Saldo van baten en lasten

0

3.597

3.597

3.846

Tabel 46 Voorgestelde resultaatbestemming (bedragen x € 1.000)

Voorgestelde resultaatbestemming

Vastgestelde begroting (1)

Realisatie (2)

Verschil (3) = (2) - (1)

Realisatie 2024 (4)

(Voorgesteld het resultaat als volgt te verdelen)

    
     

Toevoeging/ onttrekking:

    

- Pok/ Wau

0

   

- Exploitatiereserve

0

3.597

 

3.846

Saldo van baten en lasten

0

3.597

 

3.846

Toelichting op de staat van baten en lasten

Het saldo onder waarvan omzet moederdepartement in de kolom Vastgestelde begroting (1) wijkt af van de daadwerkelijk vastgestelde begroting 2025 van de RDI. De afwijking wordt veroorzaakt door het opheffen van de bestemmingsreserve na het vaststellen van de begroting, waardoor de POK/WAU gelden in de vastgestelde begroting 2025 onder waarvan omzet moederdepartement worden gepresenteerd.

Toelichting op het saldo van baten en lasten

Het boekjaar 2025 is afgesloten met een resultaat van € 3,5 mln. Het resultaat van Caribisch Nederland (CN) is ‒ € 25.000 en maakt onderdeel uit van de afbouw van de post ‘te verrekenen met CN’.

Tabel 47 Omzet moederdepartement (bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting 2025

Realisatie 2025

Verschil realisatie en vastgestelde begroting

Realisatie 2024

Structurele bijdragen moederdepartement

    

Beleidsopdrachten (DG E&D en B&I)

10.226

9.460

‒ 766

9.189

Toezichttaken

33.475

31.077

‒ 2.398

30.505

Subtotaal structurele bijdragen

43.701

40.537

‒ 3.164

39.694

Incidentele bijdragen

    

Projecten

14.361

13.356

‒ 1.005

16.270

Subtotaal projecten

14.361

13.356

‒ 1.005

16.270

Totaal

58.062

53.893

‒ 4.169

55.964

Toelichting op de baten

De gerealiseerde omzet op de opdrachten voor het moederdepartement is lager ten opzichte van de vastgestelde begroting. Aan de afwijking liggen meerdere redenen ten grondslag, namelijk uitgestelde wetgeving en het absorptievermogen van de RDI. Op de projecten is de realisatie lager ten opzichte van de vastgestelde begroting door een onderuitputting op de POK/WAU.

Tabel 48 Omzet overige departementen (bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting 2025

Realisatie 2025

Verschil realisatie en vastgestelde begroting

Realisatie 2024

Ministerie van Defensie

1.629

1.629

0

1.565

Ministerie van I&W

1.336

1.384

48

1.328

Ministerie van J&V

721

721

0

721

Ministerie van OC&W

78

78

0

75

Ministerie VWS

716

1.182

466

572

Ministerie van BZK

8.160

5.664

‒ 2.496

3.787

Ministerie van KGG

7.055

10.466

3.411

0

Totaal

19.965

21.124

1.159

8.048

De gerealiseerde omzet overige departementen in 2025 is in totaliteit hoger dan de vastgestelde begroting. De afwijking wordt veroorzaakt door een uitbreiding van het takenpakket van de RDI. Aan de lagere gerealiseerde omzet voor het Ministerie van BZK ligt hoofdzakelijk uitgestelde wetgeving ten grondslag. Omzet in deze categorie betreft structurele opdrachten en projecten zoals de Wet Digitale Overheid en ETD.

Tabel 49 Omzet derden (bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting 2025

Realisatie 2025

Verschil realisatie en vastgestelde begroting

Realisatie 2024

Vergunninghouders en overige

23.575

24.323

748

24.256

- landelijke exclusieve vergunningen (exclusief omroep)

3.676

4.646

970

4.303

- vergunningen met algemene planning met regionaal bereik

2.950

3.086

136

2.970

- vergunningen met individuele planning met regionaal bereik

3.995

4.389

394

4.098

- Vergunning regionale planning tijdelijk gebruik

672

547

‒ 125

535

- omroep

6.393

6.705

312

6.699

- vergunningen straalverbindingen

1.903

1.201

‒ 702

1.734

- registraties radiozendamateurs en maritiem

3.986

3.747

‒ 239

3.650

- certificaten

0

2

2

267

- eindapparaten

0

0

0

0

Satellietoperators

724

678

‒ 46

702

Caribisch Nederland

1.300

1.393

93

1.444

Hercontrole meetinstrumenten

55

45

‒ 10

59

Diversen / verlengingen overdracht

55

0

‒ 55

0

Totaal

25.709

26.439

730

26.461

De gerealiseerde omzet derden is ten opzichte van de vastgestelde begroting hoger. De afwijking op landelijke exclusieve vergunningen (exclusief omroep) wordt veroorzaakt door aanvullende inkomsten die zijn voortgevloeid uit de veiling van de 3,5 GHz-band. De lagere omzet op de vergunningen straalverbindingen wordt veroorzaakt door een afname van de vraag uit de markt.

Rentebaten

De rentebaten zijn hoger dan begroot, voornamelijk door hogere rentepercentages op het saldo van de rekening-courant in 2025 dan oorspronkelijk geraamd.

Bijzondere baten

De realisatie op bijzondere baten bestaat uit de restwaarde op afgeschreven auto’s bij verkoop en uitgestelde omzet van het voorgaande boekjaar van Caribisch Nederland (CN).

Toelichting op de lasten

Personele kosten

De gerealiseerde gemiddelde bezetting in fte inclusief externe inhuur bedraagt 524,6 fte (begroot: 497,4 fte). De gerealiseerde gemiddelde loonsom (intern- en extern personeel) is lager dan de begroting. Dit als gevolg van het lagere gerealiseerde percentage externe inhuur uitgedrukt in euro’s van 18% (begroot 22%). De personele kosten liggen hoger ten opzichte van de vastgestelde begroting door een uitbreiding in het opdrachtenpakket van het agentschap na het vaststellen van de begroting.

Materiële kosten

De materiele kosten zijn met uitzondering van de overige materiële kosten hoger ten opzichte van de vastgestelde begroting. De afwijking is hoofdzakelijk toe te schrijven aan de doorontwikkeling van het IV-landschap van het agentschap. De kosten voor de materiële budgetten voor de uitvoering van de structurele en incidentele taken moeder en overige departementen zijn lager ten opzichte van de vastgestelde begroting.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingskosten zijn lager dan begroot doordat de geplande investeringen in materiële vaste activa achterblijven en door een lagere realisatie van investeringen op overige IV-projecten als gevolg van de inzet van capaciteit op het project UPW-03 (DigiD).

Overige lasten

De overige lasten zijn hoger dan de vastgestelde begroting. Hieraan liggen meerdere oorzaken ten grondslag. Ten eerste werkt de bijzondere waardevermindering als gevolg van het project UPW-03 (DigiD) door in 2025. Daarnaast hebben er in 2025 meerdere niet-geplande afschrijvingen plaatsgevonden op het gebied van immateriële vaste activa. Ten derde is een suppletieaangifte omzetbelasting over de jaren 2021 tot en met 2024 door het agentschap ingediend.

Tabel 50 Balans per 31 december 2025 (bedragen x € 1.000)
 

Balans 2025

Balans 2024

Activa

  

Vaste activa

15.289

10.545

Immateriële vaste activa

6.610

3.954

Materiële vaste activa

8.679

6.591

waarvan grond en gebouwen

0

0

waarvan machines en installaties

2.719

1.511

waarvan andere vaste bedrijfsmiddelen

5.960

5.079

waarvan vaste bedrijfsmiddelen in uitvoering en vooruitbetaald op materiële vaste activa

0

0

waarvan niet aan de bedrijfsuitvoering dienstbaar

0

0

Vlottende activa

31.573

39.126

Voorraden

1

0

waarvan grond- en hulpstoffen

1

0

waarvan onderhanden werk

0

0

waarvan gereed product en handelsgoederen

0

0

waarvan vooruitbetaald op voorraaden

0

0

Vorderingen

2.475

4.346

waarvan debiteuren

1.416

1.634

waarvan overige vorderingen

0

0

waarvan overlopende activa

1.059

2.712

Liquide middelen

29.097

34.780

Totaal activa

46.862

49.671

   

Passiva

  

Eigen Vermogen

7.708

7.120

Bestemmingsfonds(en)

0

0

Exploitatiereserve

4.111

3.275

Onverdeeld resultaat

3.597

3.846

Voorzieningen

1.025

965

Langlopende schulden

5.225

7.895

Leningen bij het Ministerie van Financiën

5.225

7.895

Kortlopende schulden

32.904

33.691

Crediteuren

1.246

197

Belastingen en premies sociale lasten

206

0

Kortlopend deel leningen bij het Ministerie van Financiën

2.670

3.593

Overige schulden

0

0

Overlopende passiva

28.782

29.901

Totaal passiva

46.862

49.671

Activa

Immateriële vaste activa

Door de inzet van capaciteit op het project UPW-03 (DigiD) zijn er minder investeringen gerealiseerd op andere, geplande IV-projecten. Desondanks is de boekwaarde van de immateriële vaste activa is gestegen ten opzichte van 2024.

Materiële vaste activa

De boekwaarde van de materiele vaste activa is in omvang gestegen. Voorbeelden van materiële vaste activa zijn auto’s, elektronische apparatuur en antennes.

Vorderingen

Deze post is in omvang gedaald door de doorontwikkeling van de bedrijfsvoering van het agentschap, inclusief procesoptimalisatie en capaciteitsuitbreiding. Het deel waarvan overlopende activa bestaat uit nog te facturen aan derden (€ 0,2 mln) en de overige nog te ontvangen bedragen (€ 0,8 mln (rentebaten)).

Liquide middelen

De post liquide middelen is in omvang gedaald. Hieraan ligt ten grondslag dat er voor de financiering van gerealiseerde investeringen in 2025 geen beroep is gedaan op de leenfaciliteit bij het Ministerie van Financiën.

Passiva

Tabel 51 Vermogensontwikkeling (bedragen x € 1.000)
 

2022

2023

2024

2025

1. Eigen vermogen per 1/1

2.011

2.107

3.466

7.120

1.a Bestemmingsreserve

    

2. Saldo van baten en lasten

‒ 586

1.219

3.845

3.597

3. Directe mutaties in het eigen vermogen

682

140

‒ 191

‒ 3.009

‒ 3a uitkering aan moederdepartement

‒ 26

0

‒ 137

‒ 2.937

‒ 3b bijdrage moederdepartement ter versterking eigen vermogen

0

0

0

0

‒ 3c overige mutaties

708

140

‒ 54

‒ 72

4. Eigen vermogen per 31/12

2.107

3.466

7.120

7.708

Het eigen vermogen van het agentschap na resultaatsbestemming 2024 bedraagt € 7,1 mln. De directe mutaties in het eigen vermogen bestaan uit het afromen van het eigen vermogen van het agentschap (€ 2,9 mln) en de verrekening van het resultaat van CN over 2024 (€ 72.000). Het resultaat van het agentschap in 2025 bedraagt € 3,5 mln. (inclusief resultaat CN ‒ € 25.000). Het voornemen is om dit resultaat, na verrekening met CN, toe te voegen aan het eigen vermogen. Het eigen vermogen heeft een omvang van € 7,5 mln (maximum: € 4,4 mln.). De omvang van de post ‘Te verrekenen met CN’ na resultaatsbestemming 2025 bedraagt € 0,6 mln.

Voorzieningen

Tabel 52 Verloop en stand van de voorzieningen (bedragen x € 1.000)
 

Boekwaarde 1-1-2025

Dotaties

Onttrekkingen

Vrijval

Boekwaarde 31-12-2025

Ambtsjubilea

965

60

0

0

1.025

Totaal

965

60

0

0

1.025

Crediteuren

De omvang van de post crediteuren is toegenomen. Het agentschap heeft in 2025 98,4% (norm 95%) van de facturen voor leveranciers binnen de termijn betaald.

Kortlopend deel leningen bij het Ministerie van Financiën

De post Kortlopend deel leningen bij het Ministerie van Financiën bestaat uit de aflossingen op de lopende leningen bij het Ministerie van Financiën. 

Overlopende passiva

De post overlopende passiva is afgenomen. Deze post is samengesteld uit verschillende onderliggende posten, zoals de IKB-schuld, de (nog) af te dragen bestuurlijke boetes die door het CJIB zijn geïncasseerd, nog te ontvangen facturen, de vooruit ontvangen bedragen opdrachtgevers en de POK/WAU gelden. De omvang van de post vooruit ontvangen bedragen voor POK/WAU bedraagt ultimo 2025 € 1,5 mln.

Tabel 53 Kasstroomoverzicht over het jaar 2025 (bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting (1)

Realisatie (2)

Verschil realisatie en vastgestelde begroting (3)=(2)-(1)

Rekening-courant RHB 1 januari 2025 + stand depositorekeningen

27.455

34.780

7.325

Totaal ontvangsten operationele kasstroom (+)

97.809

104.321

6.512

Totaal uitgaven operationele kasstroom (-/-)

‒ 98.965

‒ 95.163

3.802

Totaal operationele kasstroom

‒ 1.156

9.158

10.314

Totaal investeringen (-/-)

‒ 8.000

‒ 9.705

‒ 1.705

Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

0

1.394

1.394

Totaal investeringskasstroom

‒ 8.000

‒ 8.311

‒ 311

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)

0

‒ 2.937

‒ 2.937

Eenmalige storting door het moederdepartement (+)

6.031

0

‒ 6.031

Aflossingen op leningen (-/-)

‒ 4.727

‒ 3.593

1.134

Beroep op leenfaciliteit (+)

8.000

0

‒ 8.000

Totaal financieringskasstroom

9.304

‒ 6.530

‒ 15.834

Rekening-courant RHB 31 december 2025 + stand depositorekeningen  (=1+2+3+4)

27.602

29.097

1.495

Toelichting kasstroomoverzicht

Het kasstroomoverzicht geeft een analyse van de liquiditeitsontwikkeling.

Operationele kasstroom

De operationele kasstroom bestaat uit het saldo van baten en lasten, gecorrigeerd voor afschrijvingen en mutaties in de voorzieningen en het werkkapitaal.

Investeringskasstroom

In 2025 heeft het agentschap geïnvesteerd in materiële vaste activa, zoals auto’s, elektronische apparatuur en antennes, en in immateriële vaste activa, zoals IV-projecten.

Financieringsstroom

De eenmalige storting door het moederdepartement is uitgebleven door een verschuiving van POK/WAU naar omzet moederdepartement. Daarnaast is er voor de financiering van de gerealiseerde investeringen in 2025 geen beroep gedaan op de leenfaciliteit bij het Ministerie van Financiën.

Tabel 54 Overzicht doelmatigheidsindicatoren per 31 december 2025
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Omschrijving generiek deel

2022

2023

2024

2025

2025

Kostprijzen per product (reële stijging Regeling Vergoedingen)

3,85%

0,00%

0,00%

‒ 2,67%

‒ 2,67%

Tarieven/uur (Reële stijging

3,53%

0,00%

0,00%

‒ 2,51%

‒ 2,51%

FTE-totaal (excl. Externe inhuur)

338,3

377,1

434,3

466,2

440,0

Saldo van baten en lasten na resultaatbestemming (%)

‒ 1%

2%

4%

4%

0,0%

Loonkosten per FTE

€ 103.612

€ 114.571

€ 116.793

€ 123.842

€ 127.741

Toelichting

Loonkosten per FTE

De gerealiseerde gemiddelde personeelskosten per FTE zijn lager dan de vastgestelde begroting. Dit als gevolg van het lagere gerealiseerde percentage externe inhuur uitgedrukt in euro’s van 18% (begroot 22%).

10. Saldibalans

Tabel 55 Saldibalans per 31 december 2025 van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) (bedragen x € 1.000)

Activa

31-12-2025

 

01-01-2025

 

Passiva

31-12-2025

 

01-01-2025

          

Intra-comptabele posten

       

1

Uitgaven ten laste van de begroting

3.117.481

 

10.009.668

2

Ontvangsten ten gunste van de begroting

573.794

 

6.766.480

3

Liquide middelen

27.933

 

19.252

     

4

Rekening-courant RHB1

0

  

4a

Rekening-courant RHB

2.544.282

 

3.278.973

5

Rekening-courant RHB Begrotingsreserve

405.478

 

579.721

5a

Begrotingsreserves

405.478

 

579.721

6

Vorderingen buiten begrotingsverband

13.131

 

32.878

7

Schulden buiten begrotingsverband

40.469

 

16.345

8

Kas-transverschillen

        

Subtotaal intra-comptabel

3.564.023

 

10.641.519

Subtotaal intra-comptabel

3.564.023

 

10.641.519

          

Extra-comptabele posten

       

9

Openstaande rechten

0

 

0

9a

Tegenrekening openstaande rechten

0

 

0

10

Vorderingen

2.777.379

 

3.291.931

10a

Tegenrekening vorderingen

2.777.379

 

3.291.931

11a

Tegenrekening schulden

0

 

0

11

Schulden

0

 

0

12

Voorschotten

5.141.575

 

7.594.925

12a

Tegenrekening voorschotten

5.141.575

 

7.594.925

13a

Tegenrekening garantieverplichtingen

1.473.143

 

1.596.947

13

Garantieverplichtingen

1.473.143

 

1.596.947

14a

Tegenrekening andere verplichtingen

3.999.215

 

5.201.526

14

Andere verplichtingen

3.999.215

 

5.201.526

15

Deelnemingen

345.540

 

345.540

15a

Tegenrekening deelnemingen

345.540

 

345.540

Subtotaal extra-comptabel

13.736.852

 

18.030.869

Subtotaal extra-comptabel

13.736.852

 

18.030.869

          

Totaal

17.300.875

 

28.672.388

Totaal

17.300.875

 

28.672.388

1

Rijkshoofdboekhouding

Toelichting op de saldibalans

Algemeen

De balansposten zijn bepaald en gewaardeerd overeenkomstig de geldende voorschriften van de Comptabiliteitswet. Indien van de geldende voorschriften is afgeweken is dit nader toegelicht.

Alle bedragen zijn opgenomen in duizenden euro's tenzij anders vermeld. In de tabel van de saldibalans zijn de bedragen overeenkomstig de voorschriften naar boven afgerond. In de tabellen van de toelichting zijn de bedragen op de standaard wijze afgerond en opgeteld. Door de verschillende wijze van afronden kan de som van de overige tabellen afwijken van de bedragen van de tabel van de saldibalans.

De vergelijkende cijfers in de saldibalans zijn anders gepresenteerd dan de rijksbegrotingsvoorschriften voorschrijven. In plaats van de standen per 31 december voorgaand jaar toont de saldibalans de standen per 1 januari van het verslagjaar. Dit komt voort uit de besluiten genomen in juli 2024 met betrekking tot het instellen van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei en de naamswijziging van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat in het Ministerie van Economische Zaken. Het verslagjaar 2025 is het eerste jaar dat beide departementen een eigen begrotingsadministratie voeren met de daarbij behorende saldibalans- posten. Met betrekking tot de vergelijkende cijfers is er voor gekozen om de beginbalansen van beide departementen te presenteren zodat de informatiewaarde van de saldibalans per departement beter is. De beginbalansen van beide departementen sluiten aan op de eindbalans 2024 van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat.

Bij het samenstellen van de beginbalansen van beide departementen ontstaat er een financiële verhouding. Het Ministerie van Klimaat en Groene Groei verkrijgt immers balansposten uit de balans van het Ministerie van Economische Zaken. De hierdoor ontstane schuld van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei aan het Ministerie van Economische Zaken is in de loop van 2025 verrekend en bedroeg € 22 duizend. In de saldibalans is dit bedrag bij het Ministerie van Klimaat en Groene Groei opgenomen onder de schulden buiten begrotingsverband en bij het Ministerie van Economische Zaken onder de vorderingen buiten begrotingsverband.

Saldibalanspost 8, kas-transverschillen, is niet van toepassing voor het Ministerie van Economische Zaken.

Balanspost 1

Uitgaven ten laste van de begroting 2025

3.117.481

De uitgaven over 2025 zijn gespecificeerd in het jaarverslag van EZ (hoofdstuk XIII), onderdeel uitgaven, artikelen 1 t/m 3, en 40.

Balanspost 2

Ontvangsten ten gunste van de begroting 2025

573.794

De ontvangsten over 2025 zijn gespecificeerd in het jaarverslag van EZ (hoofdstuk XIII), onderdeel ontvangsten, artikelen 1 t/m 3, en 40.

Balanspost 3

Liquide Middelen

27.933

De post liquide middelen is opgebouwd uit de saldi van banken.

 

De post liquide middelen bestaat uit de aanwezige banksaldi bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) voor de uitvoering van de regeling Borgstelling Midden en Klein Bedrijf Kredieten.

Balanspost 4

Rekening-Courant Rijkshoofdboekhouding

2.544.282

Op de rekening-courant Rijkshoofdboekhouding is de financiële verhouding tussen EZ en de Rijksschatkist van het Ministerie van Financiën geadministreerd.

Het bedrag op de saldibalans is overeenkomstig de saldo opgave per 31 december 2025 van het Ministerie van Financiën.

Balanspost 5

Begrotingsreserves

405.478

Een begrotingsreserve is een meerjarige budgettaire voorziening binnen de begroting die EZ aanhoudt op een afzonderlijke rekening-courant bij het Ministerie van Financiën. De reserve blijft meerjarig beschikbaar voor het doen van uitgaven in latere jaren.

 

EZ maakt gebruik van de mogelijkheid om begrotingsreserves aan te houden. In het jaarverslag is er bij de betreffende begrotingsartikelen informatie opgenomen over toevoegingen aan en onttrekkingen uit de begrotingsreserves aangevuld met relevante feiten en of ontwikkelingen.

Tabel 56 Begrotingsreserves

Specificatie begrotingsreserves:

Saldo 01-01-2025

Toevoegingen

Onttrekkingen

Saldo 31-12-2025

Artikel

Garantie Ondernemersfinanciering

229.932

 

156.458

73.474

2

Borgstelling MKB-kredieten (BBMKB)

241.318

11.892

56.746

196.464

2

Borgstelling MKB-kredieten Groen

13.050

  

13.050

2

Groeifaciliteit

58.555

 

757

57.798

2

Garantie MKB-financiering

22.886

165

 

23.051

2

Klein Krediet Corona

13.980

 

2.339

11.641

2

Maatwerkgarantie (IHC)

0

30.000

 

30.000

2

      

Totaal

579.721

42.057

216.300

405.478

 
Balanspost 6

Vorderingen buiten begrotingsverband

13.131

Onder de vorderingen buiten begrotingsverband zijn bedragen opgenomen die nog van derden moeten worden ontvangen.

 
Tabel 57 Vorderingen buiten begrotingsverband

De vorderingen buiten begrotingsverband zijn als volgt te specificeren:

Bedrag

Opdrachten derden

10.428

Overige vorderingen

2.703

  

Totaal

13.130

Opdrachten derden

RVO voert opdrachten uit voor derden. De opdrachten worden verstrekt door publieke en Europese organisaties. Het openstaande bedrag zal RVO in rekening brengen bij de betreffende opdrachtgevers.

Overige vorderingen

Dit betreft onder andere betalingen aan personeel inzake salarissen en diverse vergoedingen in afwachting van definitieve verrekening.

Balanspost 7

Schulden buiten begrotingsverband

40.469

Onder de schulden buiten begrotingsverband zijn de bedragen opgenomen die nog ten gunste van derden moeten worden gebracht.

 
Tabel 58 Schulden Buiten Begrotingsverband

De schulden buiten begrotingsverband zijn als volgt te specificeren:

Bedrag

Af te dragen pensioenpremies/ipap

16.552

Opdrachten derden

14.662

RVO af te dragen gelden aan derden

8.694

Overige schulden

560

  

Totaal

40.468

Af te dragen pensioenpremies/ipap

De af te dragen premies van de maand december welke voortkomen uit de salarisverwerking. Deze premies zijn in januari 2026 betaald.

Opdrachten derden

RVO voert opdrachten uit voor derden. De opdrachten worden verstrekt door publieke en Europese organisaties. RVO zal de betreffende gelden overeenkomstig opdracht of overeenkomst aan begunstigden verstrekken.

RVO af te dragen gelden aan derden

Door RVO geinde bedragen voor derden. Deze dienen nog verrekend te worden, het betreft onder andere het Europees Octrooibureau (EOB).

Balanspost 9

Rechten

0

Rechten onstaan doordat op grond van wettelijke regelingen, in de toekomst aanspraak bestaat op gelden van derden.

 
Balanspost 10

Vorderingen

2.777.379

De vorderingen hebben betrekking op te ontvangen bedragen voor de begroting van EZ.

 
Tabel 59 Vorderingen

De vorderingen zijn als volgt te specificeren:

Bedrag

Direct opeisbare vorderingen

108.850

Op termijn opeisbare vorderingen

2.141.736

Geconditioneerde vorderingen

526.793

  

Totaal

2.777.379

Tabel 60 Direct opeisbare vorderingen

De direct opeisbare vorderingen zijn als volgt te specificeren:

Bedrag

Vorderingen inzake uitvoering beleid

103.890

Opgelegde boetes ACM (inclusief wettelijke rente)

1.908

Af te dragen veilingopbrengsten, dwangsommen en boetes RDI

1.215

Overige vorderingen

1.836

  

Totaal

108.850

Vorderingen inzake uitvoering beleid

EZ heeft vorderingen voortkomend uit subsidie vaststellingen van diverse regelingen, uit het verstrekken van vergunningen en uit het opleggen van heffingen voor diverse economische activiteiten.

Opgelegde boetes ACM

Voor de uitvoering van de mededingingswet heeft de ACM boetes opgelegd.

Af te dragen veilingopbrengsten, dwangsommen en boetes RDI

Dit betreft de door de RDI in 2025 ontvangen veilinggelden, dwangsommen en boetebedragen die nog aan het kerndepartement moeten worden afgedragen.

Tabel 61 Op termijn opeisbare vorderingen

De op termijn opeisbare vorderingen zijn als volgt te specificeren:

Bedrag

Leningen

1.151.314

Kredietregelingen RVO

924.922

Vorderingen inzake uitvoering beleid RVO

45.420

Opgelegde boetes ACM

19.332

Overige vorderingen

747

  

Totaal

2.141.736

Leningen

EZ maakt bij de overdracht van beleidsgelden onder meer gebruik van het instrument leningen. Dergelijke leningen kennen in de regel specifieke afspraken en voorwaarden. De verstrekte leningen zijn in onderstaand overzicht verwerkt en geven de stand per balansdatum aan.

Tabel 62 Leningen

De leningen zijn als volgt te specificeren:

Bedrag

Invest-NL

358.705

Participatie Maatschappij Oost Nederland NV

158.573

Stichting Qredits Microfinanciering

109.165

Corona OverbruggingsLening (COL)

103.740

SecFund B.V.

100.000

Stichting Garantiefonds Reisgelden

77.077

Smart Photonics Holding B.V.

60.000

EIF European Investment Fund / ETCI

56.900

NWO

50.974

BOM Capital I B.V.

20.000

Provincie Limburg

15.882

Overige leningen

40.298

  

Totaal

1.151.314

Kredietregelingen RVO

RVO voert een aantal regelingen uit waarbij kredieten voor diverse beleidsdoelstellingen beschikbaar worden gesteld. Het gaat hier onder andere om kredieten voor technische ontwikkeling, elektronische diensten ontwikkeling, milieugerichte productontwikkeling, technische ontwikkelingsprojecten, startende ondernemingen, vroege fase financiering, innovatieve kredieten en het toekomstfonds voor onderzoeksfaciliteiten. De aanvragers kunnen een vooraf overeengekomen tijd over deze kredieten beschikken en betalen de kredieten terug als bepaalde verwachte ontwikkelingen en of condities zich hebben voorgedaan zoals het behalen bepaalde omzet, winst, rendementen, aandelenverkoop, etc.

Vorderingen inzake uitvoering beleid RVO

RVO heeft vorderingen voortkomend uit subsidie vaststellingen van diverse regelingen

Opgelegde boetes ACM

Voor de uitvoering van de mededingingswet heeft ACM boetes opgelegd. Voor deze vorderingen zijn door ACM betalingsregelingen getroffen.

Tabel 63 Geconditioneerde vorderingen

De geconditioneerde vorderingen zijn als volgt te specificeren:

Bedrag

Nederlandse Defensie Industrie

416.752

Garantieregelingen

51.762

Borgstelling MKB-kredieten

46.432

Overige vorderingen

11.848

  

Totaal

526.793

Nederlandse Defensie Industrie

Deze vordering geeft weer welke bedragen de Nederlandse overheid tegoed heeft van de industrie voor deelname in de ontwikkelingsfase van de F-35.

Garantieregelingen

Met deze regelingen worden ondernemers in staat gesteld om bankleningen te verkrijgen zodat ondernemen mogelijk blijft. EZ staat garant voor de leningen waardoor het risico voor de bank op de bedrijfsfinanciering kleiner wordt. Bij aanspraak van de bank op de garantie betaalt RVO de bank. Hierdoor ontstaat er voor RVO een vordering op de onderneming die wordt opgenomen in de debiteurenadministratie. Wanneer een ondernemer een voorstel tot afkoop bij de bank indient legt de bank dit ter beoordeling voor aan RVO. Na instemming van RVO zorgt de bank voor afwikkeling van de overeengekomen regeling en maakt het aan RVO toekomende bedrag over.

Borgstelling MKB-kredieten

Op basis van het besluit Borgstelling Midden Kleinbedrijf (BBMKB) verstrekken deelnemende banken krediet aan een ondernemer onder garantie (borgstelling) van de Staat. Op het moment dat de bank de garantie aanspreekt betaalt RVO de claim uit aan de bank. Hierdoor ontstaat er voor RVO een vordering op de onderneming die wordt opgenomen in de debiteurenadministratie. De bank heeft conform de regeling een volgplicht. Wanneer een ondernemer een voorstel tot afkoop bij de bank indient legt de bank dit ter beoordeling voor aan RVO. Na instemming van RVO zorgt de bank voor afwikkeling van de overeengekomen regeling en maakt het aan RVO toekomende bedrag over.

Balanspost 11

Schulden

0

De schulden hebben betrekking op bedragen die ten gunste van de begroting van EZ zijn ontvangen.

 
Balanspost 12

Voorschotten

5.141.575

Voorschotten zijn bedragen die aan derden zijn betaald vooruitlopend op later definitief vast te stellen of af te rekenen bedragen.

 
Tabel 64 Voorschotten ouderdomsoverzicht

Beleidsartikelen

2021 en eerder

2022

2023

2024

2025

Totaal

01. Goed functionerende economie en markten

373

36.026

216.657

98.279

332.351

683.686

02. Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei

648.265

349.691

911.169

954.094

1.449.398

4.312.618

03. Toekomstfonds

5.824

2.303

2.162

2.592

2.777

15.659

       

Buiten begrotingsverband

4.041

3.855

4.966

5.805

110.944

129.611

       

Totaal

658.503

391.875

1.134.955

1.060.770

1.895.471

5.141.574

Tabel 65 Verloopstaat voorschotten

Verloop van voorschotten gedurende het dienstjaar 2025

Bedrag

Beginstand 1 januari 2025

7.594.925

Verstrekte voorschotten

2.183.798

Eindafgerekende voorschotten

‒ 4.637.149

Eindstand 31 december 2025

5.141.574

De mutaties buiten begrotingsverband hebben betrekking op voorschotten die namens EZ zijn verstrekt maar waarvan financiering door derden plaatsvindt. Indien EZ voorschotten heeft verstrekt namens de volgende opdrachtgevers dan zijn deze niet in de openstaande voorschotten buiten begrotingsverband meegenomen:

  • Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

  • Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat;

  • Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

  • Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

  • Ministerie van Buitenlandse Zaken;

  • Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

  • Ministerie van Justitie en Veiligheid;

  • De provincies.

In het kader van het besluit (ontwerpbegroting) om het Nationaal Groeifonds onder te brengen in de EZ begrotingsadministratie is de openstaande stand voorschotten van het NGF 31-12-24 verwerkt in de beginbalans. De eindstand van 31-12-24 van artikel 1 was 546,9 ml en begint door deze verwerking per 01-01-25 met 567,8 mln.

Balanspost 13

Garantieverplichtingen

1.473.143

De garantieverplichtingen zijn voorwaardelijke financiële verplichtingen. Deze verplichtingen komen op een later moment tot uitbetaling als bij de werderpartij die de garantie heeft ontvangen zich bepaalde omstandigheden voordoen, bijvoorbeeld een bepaald risico of een onzekere gebeurtenis.

 
Tabel 66 Verloop van de garantieverplichtingen

Beleidsartikelen

Stand per 01-01-2025

In 2025 aangegaan +

Bijstellingen -/-

Uitgaven -/-

Stand per 31-12-2025

01. Goed functionerende economie en markten

0

0

0

0

0

02. Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei

1.596.946

402.671

509.266

17.209

1.473.142

      

Totaal

1.596.946

402.671

509.266

17.209

1.473.142

Het saldo op «bijstellingen -/- « heeft betrekking op negatieve correcties van aangegane verplichtingen uit voorgaande jaren. Bijstellingen op verplichtingen aangegaan in dit verslaggevingsjaar zijn in mindering gebracht op het saldo «in 2025 aangegaan».

Balanspost 14

Andere verplichtingen

3.999.215

Het gaat hier om financiële verplichtingen ten opzichte van een wederpartij die op een later moment tot betaling zal leiden. Indien de wederpartij alle gestelde voorwaarden nakomt zal de verplichting volledig tot betaling komen.

 
Tabel 67 Verloop van de andere verplichtingen

Beleidsartikelen

Stand per 01-01-2025

In 2025 aangegaan +

Bijstellingen -/-

Uitgaven -/-

Stand per 31-12-2025

01. Goed functionerende economie en markten

283.371

518.602

5.629

437.341

359.003

02. Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei

2.822.208

1.937.014

28.397

1.799.354

2.931.470

03. Toekomstfonds

550.830

359.315

7.997

308.374

593.774

05. Een veilig Groningen met perspectief

1.436.420

0

1.436.420

0

0

40. Apparaat EZ

0

555.202

0

555.202

0

Buiten begrotingsverband

108.695

479.395

438

472.684

114.968

      

Totaal

5.201.525

3.849.528

1.478.882

3.572.956

3.999.215

Het saldo op «bijstellingen -/- « heeft betrekking op negatieve correcties van aangegane verplichtingen uit voorgaande jaren. Bijstellingen op verplichtingen aangegaan in dit verslaggevingsjaar zijn in mindering gebracht op het saldo «in 2025 aangegaan».

In het kader van het besluit (ontwerpbegroting) om het Nationaal Groeifonds onder te brengen in de EZ begrotingsadministratie is de openstaande stand verplichtingen van het NGF 31-12-24 verwerkt in de beginbalans. De eindstand van 31-12-24 van artikel 1 was 160,9 ml en begint door deze verwerking per 01-01-25 met 283,4 mln.

Voor de begroting van 2025 is bij wet besloten om de hersteloperatie voor Groningen onder te brengen bij het Ministerie van BZK. Dit heeft geresulteerd in een overdracht van Nationaal Coördinator Groningen en enkele andere onderdelen aan BZK. Dit heeft later in 2025 plaatsgevonden en daarom is de beginbalans hierop niet aangepast. Uiteraard heeft dit geen gevolgen gehad voor de begroting van EZ. De overdracht heeft middels een conversie plaatsgevonden, onder andere gaat het om vorderingen, voorschotten en verplichtingen. In de verloopstaat verplichtingen zijn bijstellingen voor deze overdracht zichtbaar gemaakt. Voor de overige balansposten is de presentatie niet van dien aard dat dit zichtbaar te maken is.

Voor het verantwoorden van de verplichtingen van apparaatsuitgaven op artikel 40 in bovenstaande tabel wordt het principe verplichtingen is gelijk aan kas toegepast. Het verplichtingensaldo wordt gelijk gesteld aan het uitgavensaldo waardoor er per saldo op 31 december geen openstaande verplichtingen worden verantwoord.

Voor de andere verplichtingen is voor wat betreft het onderdeel buiten begrotingsverband dezelfde verantwoordingswijze toegepast als bij de openstaande voorschotten.

Niet uit de saldibalans blijkende bestuurlijke verplichtingen

European Space Agency

Eind 2025 heeft de Minister van Economische Zaken op de Ministeriële conferentie 2025 van European Space Agency (ESA) een bestuurlijke toezegging gedaan over de Nederlandse inschrijving op ESA-programma’s van € 450,3 mln. Dit betreft bijdrages van de ministeries van Economische Zaken, Onderwijs Cultuur en Wetenschap, en Defensie.

Dit betekent dat Nederland in de loop van 2026 de verplichting tot betaling aan gaat. De betalingen zullen in de daaropvolgende 8 jaar volgen.

European Tech Champions Initiative

In 2025 heeft de Minister van Economische Zaken in Europees verband afspraken gemaakt over de Nederlandse deelname van € 200 mln aan de tweede fase van het European Tech Champions Initiative (ETCI). Deze middelen worden ingezet ter bevordering van het durfkapitaal ecosysteem en fondsvergroting. In verband met de inschrijvingssystematiek van ETCI volgt de daadwerkelijke inschrijving in 2026.

Niet uit de saldibalans blijkende financiële risico’s voortkomend uit lopende juridische procedures

Op dit moment zijn er geen rechtszaken aanhangig bij het Ministerie van Economische Zaken met een substantieel geclaimd bedrag van € 25 mln of hoger.

Balanspost 15

Deelnemingen

345.540

Onder de post deelnemingen worden alle deelnemingen in besloten-, naamloze-, commanditaire vennootschappen en internationale instellingen opgenomen.

 
Tabel 68 Deelnemingen

Naam deelneming

Nominaal

Betaald

 
 

Primo 2025

Ultimo 2025

Primo 2025

Ultimo 2025

Deelnemings percentage

N.V. NOM

25.950

25.950

46.555

46.555

50,0

N.V. BOM

16.587

16.587

42.004

42.004

49,9

ROM Innovation Quarter B.V.

56.793

56.793

56.793

56.793

45,1

N.V. LIOF

26.625

26.625

35.324

35.324

50,0

Oost N.V.

50.064

50.064

69.266

69.266

52,9

NPEX B.V.

14

14

1.347

1.347

10,6

Investeringsfonds Zeeland B.V.

2

2

29.200

29.200

47,3

ROM Regio Utrecht B.V.

11

11

23.990

23.990

46,6

Groeifonds Flevoland B.V.

10.700

10.700

10.700

10.700

50,0

Rom InWest BV

30

30

30.360

30.360

49,9

      

Totaal

186.776

186.776

345.539

345.539

 

11. WNT-verantwoording 2025 Ministerie van Economische Zaken

De WNT bepaalt dat de bezoldiging en eventuele ontslaguitkeringen van topfunctionarissen in de publieke (en semi-publieke) sector op naamsniveau vermeld moeten worden in het financiële jaarverslag. De publicatieplicht geldt eveneens voor topfunctionarissen zonder dienstbetrekking (externe inhuur). Daarnaast moet van niet-topfunctionarissen de bezoldiging (zonder naamsvermelding) gepubliceerd worden indien deze het individueel toepasselijk drempelbedrag te boven gaat. Niet-topfunctionarissen zonder dienstbetrekking vallen buiten de reikwijdte van de wet. Ten aanzien van hen geldt de publicatieplicht dus niet.

Voor dit departement heeft de publicatieplicht betrekking op onderstaande functionarissen. De gegevens van de leden van de Top Management Groep worden opgenomen in het jaarverslag van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het algemeen bezoldigingsmaximum bedraagt in 2025 € 246.000.

Tabel 69 Bezoldiging van topfunctionarissen

Naam instelling

Naam topfunctionaris

Functie(s) (+ tussen haakjes gegevens van 2024)

Datum aanvang functievervulling in 2025 (+ tussen haakjes) gegevens van 2024)

Datum einde functievervulling in 2025 (+ tussen haakjes gegevens van 2024)

Dienstverband in fte (+ tussen haakjes omvang in 2024)

Op externe inhuur-basis (nee; <= 12 kalender-mnd; > 12 kalender-mnd)

Beloning plus onkostenvergoedingen (belast) (+ tussen haakjes bedrag in 2024)

Voorzieningen t.b.v. beloningen betaalbaar op termijn (+ tussen haakjes bedrag in 2024)

Totale bezoldiging in 2025 (+ tussen haakjes bedrag in 2024)

Individueel toepasselijk bezoldigingsmaximum (+ tussen haakjes bedrag 2024)

Motivering en bedrag (indien overschrijding)

Autoriteit Consument en Markt

T.M. Snoep

Bestuursvoorzitter (Bestuursvoorzitter)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

1,000 (1,00)

nee

222.053 (209.063)

23.322 (23.420)

245.375 (232.483)

246.000 (233.000)

 

Autoriteit Consument en Markt

M. Ridderbos

Bestuurslid

1-1-2025

31-12-2025

1,000

nee

221.926

23.319

245.245

246.000

 

Autoriteit Consument en Markt

M.R. Leijten

Bestuurslid (Bestuurslid)

1-1-2025 (1-1-2024)

31-12-2025 (31-12-2024)

1,000 (1,00)

nee

222.053 (209.063)

23.322 (23.420)

245.375 (232.483)

246.000 (233.000)

 

D. BIJLAGEN

Bijlage 1: Toezichtrelaties Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (RWT's) en Zelfstandige Bestuursorganen (ZBO's)

Tabel 70 Overzichtstabel inzake RWT’s en ZBO’s van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (bedragen x € 1.000)

Naam ZBO/RWT

Begrote bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Gerealiseerde bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Begrote bijdrage overige departementen

Gerealiseerde bijdrage overige departementen

Bijzonderheden

Centraal Bureau voor de Statistiek

191.160

204.698

5.230

6.338

 

Edelmetaal Waarborg Nederland

     

Examinerende instanties als bedoeld in artikel 19 van de Examenregeling frequentiegebruik 2008

     

Kamer van Koophandel

154.0551

171.1332

7.414

7.299

 

Keuringsinstanties als bedoeld in artikel 10.3 Telecommunicatiewet

     

Raad voor de Accreditatie

838

640

223

 

Bestuur Autoriteit Consument en Markt

899

798

525

525

 

TNO

237.764

345.506

49.630

15.818

 

VSL

12.924

19.332

   

De in het kader van de Metrologiewet art. 11 en 12 aangewezen instanties en erkende keurders

     

WaarborgHolland

     
1

Dit bedrag is exclusief budgetfinanciering van het Handelsregister groot € 6.093.000.

2

Dit bedrag is exclusief budgetfinanciering van het Handelsregister groot € 15.982.000.

Bijlage 2: Afgerond evaluatie- en overig onderzoek

Conform de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek 2022 (RPE 2022) is het overzicht met een planning van beleidsdoorlichtingen omgevormd tot een Strategische Evaluatie Agenda (SEA). In de afgelopen jaren is dat proces bij EZ (voorheen EZK) tot stand gebracht.

In deze ‘Bijlage afgerond evaluatie- en overig onderzoek’ wordt ingegaan op afgeronde onderdelen van de SEA in 2024 en 2025. Voor afgeronde evaluaties/onderzoeken in het verslagjaar 2025 zijn tevens korte samenvattingen met conclusies/aanbevelingen opgenomen die onder de desbetreffende tabellen worden weergegeven.

Tabel 71 SEA-thema: Goed functionerende (digitale) economie en markten

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Begrotings-artikel(en)

Vindplaats

Goed functionerende (digitale) economie en markten

Periodieke Rapportage

2027

Nog te starten1

1

 

Instrumentevaluaties / monitor:

     

Nulmeting Nederlandse Cybersecuritystrategie (NLCS, coordinatie JenV, WODC)

ex-ante

2023/2024

Afgerond

1

Kamerstuk 26 643, nr. 1128

Evaluatie Roadmap digitaal veilige hard- en software, als onderdeel van (Tussentijdse) Evaluatie Nederlandse Cybersecuritystrategie (NLCS, coördinatie JenV, WODC)

ex-durante

2026

Lopend2

1

 

Evaluatie Wet Ongewenste Zeggenschap Telecom (WOZT)

ex-post

2026

Afgerond3

1

Kamerstuk 35 153, nr. 31

Evaluatie Nota Mobiele Communicatie 2019, Multibandveiling 2020 en 3,5 GHz-band veiling 2024

ex-post

2026

Afgerond

1

Evaluatie Nota Frequentiebeleid 2016, Nota Mobiele Communicatie 2019, Multibandveiling 2020 en 3,5 GHz-veiling 2024

Evaluatie nota frequentiebeleid 2016

ex-post

2026

Afgerond4

1

Evaluatie Nota Frequentiebeleid 2016, Nota Mobiele Communicatie 2019, Multibandveiling 2020 en 3,5 GHz-veiling 2024

Evaluatie radiobeleid

ex-post

2026

Lopend5

1

 

Evaluatie methodiek Regeling veiligheid en integriteit telecommunicatie

ex-post

2025

Afgerond6

1

n.v.t.

Evaluatie aangewezen instanties metrologiewet

ex-post

2024

Afgerond

1

Kamerstuk 33 159, nr. 7

Evaluatie Autoriteit Consument en Markt (ACM)

ex-post

2026

Lopend7

  

Bijdrage Nederlands Normalisatie Instituut (NEN)

ex-post

2024

Afgerond

1

Kamerstuk 36 410 XIII, nr. 94

Evaluatie Gids Proportionaliteit

ex-post

2026

Lopend8

1

 

Evaluatie PIANOo

ex-post

2026

Lopend7

1

 

Evaluatie digitaal PPS kennis en innovatie

ex-post

2025

Afgerond9

1

Evaluatie PPS’en Kennis en Innovatie

Evaluatie Universele Postdienst

ex-post

2025

Afgerond

1

Kamerstuk 29 502, nr. 198

Evaluatie EU-cofinanciering Digital Europe

ex-post

2026

Lopend10

1

 
1

De beleidsdoorlichting inzake beleidsartikel 1 goed functionerende economie en goed functionerende markten is in 2022 afgerond (Kamerstuk 30 991, nr. 37). Inmiddels is een groot deel van het digitale economie beleid samengebracht op artikel 1 van de EZ-begroting en is de evaluatieplanning aangepast. Daarnaast is de beleidsdoelstelling van het artikel opgesplitst in 3 doelstellingen (scheppen van voorwaarden voor goed functionerende markten, scheppen van voorwaarden voor een goed functionerende digitale economie en voorzien in maatschappelijke behoefte aan statistieken). Beoogd is dat de eerstvolgende periodieke rapportage onder andere antwoord geeft op de vraag in hoeverre beleid heeft bijgedragen aan één of meerdere kenmerken van goed functionerende markten en een goed functionerende digitale economie, bijvoorbeeld op het gebied transparantie, consumentenbescherming- en vertrouwen, efficiëntie, weerbaarheid of toegankelijkheid. Voor de periodieke rapportage kan gebruik worden gemaakt van de afzonderlijke evaluaties in voorgaande jaren.

2

JenV neemt het voortouw. Afronding verwacht in 2026.

3

Evaluatie WOZT samen met Wet Vifo (zie thema ondernemerschap).

4

Deze evaluatie is gezamenlijk geëvalueerd met Evaluatie Nota Mobiele Communicatie 2019, Multibandveiling 2020 en 3,5 GHz-band veiling 2024.

5

In deze evaluatie ligt de focus op de veiling van radiofrequenties in het licht van de opkomst van DAB+. Verwachte afronding in Q2 2026.

6

Deze evaluatie wordt niet gepubliceerd, omdat het rapport vertrouwelijke informatie bevat.

7

Verwachte afronding in Q2 2026.

8

Verwachte afronding in Q4 2026.

9

Dutch Blockchain Coalitie, Commit2Data, Data Sharing Coalition, Taskforce diversiteit en Inclusie, Nederlandse AI Coalitie.

10

Deze evaluatie loopt door in 2026.

Samenvatting afgeronde evaluaties 2025 SEA-thema: Goed functionerende (digitale) economie en markten

Evaluatie methodiek Regeling veiligheid en integriteit telecommunicatieDe Regeling Veiligheid en Integriteit Telecommunicatie (RVIT) verplicht mobiele netwerkaanbieders om specifieke beheersmaatregelen te treffen ter bescherming van kritieke gegevens in kritieke onderdelen van hun netwerkinfrastructuur. Het doel van de regeling is om de weerbaarheid van mobiele openbare communicatienetwerken te verhogen in het licht van het dreigingsbeeld van spionage door statelijke actoren ten aaanzien van aangemerkte kritieke gegevens ter bescherming van de nationale veiligheid. In het rapport is de systematiek van de regeling onderzocht en beoordeeld. Uit het vertrouwelijke rapport blijkt dat de RVIT heeft bijgedragen aan het realiseren van de oorspronkelijke beleidsdoelstelling van het vergroten van de weerbaarheid van vitale telecommunicatienetwerken.

Evaluatie Wet Ongewenste Zeggenschap Telecom (WOZT)De Minister van EZ informeert de Tweede Kamer over de evaluatie van de Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie (WOZT, 2020) en de tussentijdse evaluatie van de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (Wet vifo, 2023). Beide wetten zijn bedoeld om risico’s voor de nationale veiligheid te beperken door ongewenste zeggenschap of significante invloed via investeringen, fusies of overnames te voorkomen. De evaluaties (uitgevoerd door SEO en Universiteit Leiden) concluderen dat beide wetten waarschijnlijk hun doel bereiken en dat neveneffecten beperkt lijken. Evaluatie vindt plaats conform toezeggingen aan de Kamer. De WOZT werkt vooral preventief: het bestaan van de wet ontmoedigt risicovolle investeerders in de telecomsector, waardoor ingrijpen vaak niet nodig is. De effectiviteit is lastig volledig te meten vanwege vertrouwelijkheid van toetsen. Over de vraag of ook cloudaanbieders onder de wet moeten vallen, wijst het kabinet op de dominantie van grote Amerikaanse spelers (75–90% marktaandeel in NL) en de beperkte effectiviteit van uitbreiding richting deze partijen. Bescherming van kleinere Nederlandse cloudaanbieders vergt nadere politieke afweging; besluitvorming hierover wordt overgelaten aan het nieuwe kabinet.

Evaluatie Nota Frequentiebeleid 2016, Nota Mobiele Communicatie 2019, Multibandveiling 2020 en 3,5 GHz-veiling 2024De Nota Frequentiebeleid (NFB) 2016 schetst op hoofdlijnen hoe de Rijksoverheid op lange termijn met frequentiebeleid om wil gaan door spectrum te bestemmen en uit te geven om te komen tot efficiënt werkende markten waarbij publieke belangen worden geborgd. De NFB 2016 is grotendeels een doeltreffend instrument is geweest. De Nota Mobiele Communicatie (NMC) geeft daarbij concrete kaders voor de toekomstige veilingen van spectrum voor mobiele communicatie. Het doel is te zorgen voor meer investeringszekerheid voor partijen door te zorgen voor het vergroten van de voorspelbaarheid van beleid en een overheid die frequenties zo snel mogelijk ter beschikking kan stellen. De NMC 2019 was deels doeltreffend doordat ze richtlijnen voor de veilingen gaf en de markt zo voorspelbaarheid bood. Voor de Multibandveiling 2020 heeft de NMC 2019 bijgedragen aan het sneller beschikbaar komen van het spectrum, maar voor de 3,5 GHz-band was dit niet het geval. Het is aannemelijk dat als deze tot op zeker mate voorzienbare problemen tijdig waren geconstateerd ze (beter) hadden kunnen worden geadresseerd in de NMC, en de NMC daarmee doeltreffender was geweest. De evaluatie doet geen uitspraken over de doelmatigheid van het beleid.

Evaluatie digitaal PPS kennis en innovatieDeze evaluatie van vijf publiek-private samenwerkingen (PPS’en) vloeit voort uit een toezegging aan de Tweede Kamer om PPS’en die als doel hadden om kennis, innovatie en vaardigheden op het gebied van digitalisering te stimuleren. De evaluatie richt zich op de PPS’en Dutch Blockchain Coalition (DBC), Commit-to-Data (C2D), DataDeelCoalitie (DDC)/Data Sharing Coalition (DSC), Nederlandse AI Coalitie (NLAIC) en Taskforce Diversiteit en Inclusie (TDI). De onderzoekers concluderen dat de inzet van EZ via PPS’en een middel is dat met relatief bescheiden middelen impact kan genereren op de totstandkoming van innovatieve ecosystemen. Daarnaast leidt een PPS op kennis en innovatie tot positieve neveneffecten zoals inzichten op behoeftes en informatie uit het ecosysteem die eigen beleid en interventies weer verder vorm kan geven. Op basis van de conclusies en de verschillende lessen uit de vijf PPS’en doen de onderzoekers aanbevelingen gericht op de taakbeschrijving, inrichting, aanpak en monitoring voor toekomstige PPS’en die bevordering van kennis en innovatie willen bewerkstelligen.

Evaluatie Universele Postdienst (UPD)Dit betreft de wettelijke periodieke evaluatie van de UPD. Hieraan is opvolging gegeven door middel van het ACM-onderzoek en de opvolging daarvan. Onderdeel hiervan was gebruikersonderzoek. Dit gebruikersonderzoek laat zien dat de huidige eisen niet meer van deze tijd zijn. Het ingezette beleid is om te flexibiliseren en een toekomstbestendiger regelgevend kader te krijgen; daarmee wordt het doelmatiger en doeltreffender. De werking van de voorgestelde wijzigingen in het Postbesluit, die per 1 juli 2026 ingaan, zullen uiterlijk 1 juli 2029 worden geëvalueerd.

Tabel 72 SEA-thema: Steun- en herstelbeleid Corona

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Begrotings-artikel(en)

Vindplaats

Steun- en herstelbeleid Corona

Periodieke Rapportage

2025

Afgerond1

2 en 3

Kamerstuk 35 420, nr. 541

Instrumentevaluaties / monitor:

     

Monitor Coronamaatregelen ter ondersteuning bedrijfsleven

ex-durante

2020 t/m okt 2022

Afgerond

2 en 3

zie: Monitor Coronamaatregelen

Internationale vergelijking steunpakketten

overig

2024

Afgerond

2 en 3

Betreft onderdeel van CPB-onderzoek «Economische effecten van coronasteunbeleid met lessen voor toekomstige crises»

GO-coronamodule (gezamenlijk met de reguliere Garantiefaciliteit Ondernemersfinanciering)

ex-post

2025

Afgerond

2

Kamerstuk 32 637, nr. 702

TVL/TOGS

ex-post

2025

Afgerond2

2

Kamerstuk 35 420, nr. 540

TVL Caribisch Nederland

ex-post

2024

Afgerond3

2

Kamerstuk 36 410 IV, nr. 70

Garantieregeling evenementen/tijdelijke subsidieregeling evenementen (SEG22/TRSEC)

ex-post

2025

Afgerond

2

Kamerstuk 35 420, nr. 542

1

Dit beleid dient ter ondersteuning en herstel van het bedrijfsleven tijdens en na Covid-19. Hierbij wordt samen opgetrokken met FIN en SZW. Ieder departement heeft de verantwoordelijkheid voor de eigen maatregelen.

2

Ondersteunen ondernemers MKB en later ook voor grote bedrijven. Is tezamen met NOW-evaluatie van SZW geëvalueerd. Betreft een kwantitatief onderzoek naar de doeltreffendheid van de NOW-regeling en TVL/TOGS-regeling. Vanwege de grote overlap in gebruik van de regelingen, de doelstellingen en de doelgroep, zijn de regelingen in samenhang bezien. Naast deze kwantitatieve evaluatie naar doeltreffendheid, zijn de doelmatigheid van de NOW-regeling en TVL-regeling in separate evaluaties onderzocht.

3

Het steunpakket voor Caribisch Nederland is integraal geëvalueerd door BZK. De TVL Caribisch Nederland maakt onderdeel uit van deze evaluatie.

Samenvatting afgeronde evaluaties 2025 SEA-thema: Steun- en herstelbeleid Corona

Synthesestudie Coronasteunmaatregelen (Steun- en herstelbeleid Corona)

Twee jaar lang is financiële steun verleend aan bedrijven. Het steunpakket was als geheel doeltreffend en heeft bijgedragen aan het beperken van liquiditeits- en solvabiliteitsproblemen. De indirecte gevolgen hiervan zijn dat vraag- en aanboduitval in grote mate zijn voorkomen, waarmee economische groei snel is teruggebracht tot het groeipad van voor de crisis. De doeltreffendheid van liquiditeitssteun nam na verloop van tijd wel af. Ook heeft Nederland in internationaal perspectief veel en langdurig belastinguitstel verleend, terwijl dit na het eerste jaar nog weinig doeltreffend was.De steun was deels doelmatig door de omvangrijke budgettaire kosten en het optreden van neveneffecten. De maatregelen waren goed uitvoerbaar, met weinig gesignaleerd misbruik. Wel heeft er waarschijnlijk oneigenlijk gebruik plaatsgevonden. De kosteneffectiviteit was echter beperkt omdat de steun niet altijd in verhouding stond tot de geleden schade of noodzakelijk was om de pandemie door te komen. Ook heeft de steun de arbeidsdynamiek en bedrijvendynamiek tijdelijk verlaagd. Vanuit macro-economisch perspectief is de steun te lang voortgezet.

Evaluatie Garantie Ondernemingsfinanciering-coronamodule (GO-C)

De GO-C is geëvalueerd als onderdeel van de evaluatie van de GO en GO-ETTF (European Timber Trade Federation). De GO-C was in middelhoge mate doeltreffend: De doelen werden beperkt bereikt gezien het lage aantal aanvragen (68 tegen 1.000 verwacht). De uitgezette middelen zijn bovendien een fractie van andere corona-instrumenten, zoals de TVL en NOW. Bedrijven hadden daarmee veel alternatieven, die er bovendien sneller waren en aantrekkelijkere condities kenden. Bovendien zat het probleem veelal niet in de financiering, maar kwam dit door vraaguitval waardoor de inkomsten van bedrijven tijdelijk wegvielen.Het instrument was hoog doelmatig: De cumulatieve opbrengsten zijn vooralsnog (veel) hoger dan de kosten, al is het niet mogelijk om de uitvoeringslasten te verbijzonderen tussen de GO en de GO-C. Dit betekent overigens niet dat de regeling winstgevend is. Pas over enkele jaren zijn de daadwerkelijke opbrengsten bekend.

Evaluatie Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL)/Tegemoetkoming Ondernemers Getroffen Sectoren (TOGS)Twee belangrijke regelingen uit het coronasteunpakket waren de TOGS en de TVL. Beide regelingen hebben zeer waarschijnlijk effectief bijgedragen aan het voorkomen van liquiditeits- en solvabiliteitsproblemen bij bedrijven. Gebruikers van de regelingen hebben minder vaak te maken met bedrijfsopheffingen in vergelijking met niet-gebruikers. De snelheid waarmee de regelingen zijn opgezet en geïmplementeerd, heeft ervoor gezorgd dat ondernemers tijdig financiële steun ontvingen, wat cruciaal was tijdens de crisissituatie. De allocatieve doelmatigheid van de regelingen was in de beginfase erg hoog gegeven de snelheid waarmee de steun beschikbaar kwam. De regeling was goed uitvoerbaar en er werd een belangrijk signaal afgegeven naar bedrijven waardoor onzekerheid werd weggenomen. De technische doelmatigheid van de regelingen was aan het begin nog wel beperkt, met name door het gebruik van forfaitaire bedragen en sectorale afbakeningen via SBI-codes. In de fase daarna, werden deze beperkingen aangepakt door gerichtere en meer gedifferentieerde steun te bieden.

Evaluatie Tijdelijke Regeling Subsidie Evenementen Covid-19 (TRSEC)/Subsidieregeling Evenementengarantie (SEG22)Tijdens de Coronacrisis zijn de subsidieregelingen TRSEC, ATE (Aanvullende Tegemoetkoming Evenementen) en de SEG22 in het leven geroepen om de evenementensector te ondersteunen. De regelingen waren doeltreffend: de doelen uit de interventielogica zijn redelijkerwijs behaald. Ook waren ze doelmatig: de uitvoeringskosten zijn relatief beperkt gebleven en alternatieve wijzen zijn onderzocht maar bleken niet haalbaar of minder doelmatig.

Tabel 73 SEA-thema: Ondernemerschap

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Begrotings-artikel(en)

Vindplaats

Ondernemerschap

Periodieke Rapportage

2025

Afgerond1

2

Kamerstuk 33 009, nr. 176

Instrumentevaluaties / monitor:

     

Beschermingsvoorziening Economische Veiligheid

ex-durante

2025

Afgerond2

2

n.v.t.

Garantiefaciliteit Ondernemersfinanciering (gezamenlijk met GO-corona)

ex-post

2025

Afgerond

2

Kamerstuk 32 637, nr. 702

Toerisme / NBTC

ex-post

2024

Afgerond

2

Kamerstuk 26 419, nr. 106

Evaluatie NFIA

ex-post

2025

Afgerond ?

2

Kamerstuk 32 637 nr. 719

Funding Garantie

ex-post

2026

Lopend3

2

 

Regeldruk (ATR), incl. MKB-toets regeldruk

ex-post

2027

Te starten4

2

 

MKB-!dee

ex-post

2025

Afgerond

2

Kamerstuk 36800-XIII, nr. 15

Evaluatie MKB-(digi)werkplaatsen

ex-post

2025

Afgerond

2

Kamerstuk 26 643, nr. 1309

Wet op KvK /ZBO KvK

ex-post

2026

Lopend5

2

 

Fiscale ondernemersregelingen

ex-post

2024

Afgerond

2

Kamerstuk 32 140, nr. 199

IBO Bedrijfsfinanciering

IBO

2024

Afgerond

2

Kamerstuk 32 637, nr. 646

Kamerstuk 32 637, nr. 658

Groeifaciliteit (GF)

ex-post

2024

Afgerond6

2

Kamerstuk 35 420, nr. 534

Seed Capital regeling

ex-post

2024

Afgerond6

3

Kamerstuk 36 410 XIII, nr. 97

Dutch Venture Initiative (DVI)

ex-post

2024

Afgerond6

3

Kamerstuk 36 410 XIII, nr. 97

Vroege Fase Financiering (VFF)

ex-post

2024

Afgerond6

3

Kamerstuk 36 410 XIII, nr. 97

Meta-analyse risico-kapitaalinstrumenten

overig

2024

Afgerond

2 en 3

Kamerstuk 36 410 XIII, nr. 100

Kamerstuk 36 600 XIII, nr. 53

Evaluatie pilot Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO) en bedrijfsleveninstrumentarium

ex-post

2024

Afgerond

2

Kamerstuk 26 485, nr. 443

Brexit adjustment reserve

ex-post

2026

Lopend7

2

 

Tegemoetkoming Energiekosten energie-intensief MKB (TEK)

ex-post

2025

Afgerond

2

Kamerstuk 36800-XIII, nr. 15

ADR-rapport evaluatie TEK

NGF-Midterm Review project Opschaling PPS in het beroepsonderwijs

ex-durante

2025

Afgerond

2

Midterm-review van het NGF-programma ‘Opschaling PPS'en’ | Rapport | Rijksoverheid.nl

Wet Veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (Vifo)

ex-post

2026

Afgerond8

2

Kamerstuk 35 153, nr. 31

1

De Periodieke Rapportage Ondernemerschap is in samenhang met de Periodieke Rapportage Innovatiebeleid uitgevoerd en dit gezamenlijke rapport is begin maart 2026 aangeboden aan de Kamer. De kabinetsreactie volgt later. Hierdoor is een opvolgingsbrief in 2026 nog niet van toepassing.

2

Deze evaluatie wordt niet gepubliceerd, omdat het rapport vertrouwelijke informatie bevat over de werking van het instrument waarvan het niet wenselijk is dat deze openbaar wordt.

3

Kleinschalige, kwalitatieve evaluatie door EZ met ondersteuning van een onafhankelijke referent. Verwachte publicatie eind Q1 2026.

4

De evaluatie uit 2025 is vervallen, omdat er vanaf 2025 een nieuwe wet met betrekking tot de ATR in gaat en daarmee een nieuw evaluatie tijdschema begint met evaluaties die verplicht iedere vier jaar plaatsvinden. Door een toezegging van de minister zal er in 2027 een eerste tussenevaluatie plaatsvinden.

5

Verwachte publicatie in Q2 2026.

6

Dit betreft een gezamenlijke evaluatie van GF, Seed Capital, DVI, VFF en IK.

7

Afronding en publicatie volgt in voorjaar 2026.

8

Evaluatie van de Wet Veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames samen met de evaluatie van de Wet Ongewenste zeggenschap telecommunicatie (Wozt) (zie thema: Goed functionerende (digitale) economie en markten).

Samenvatting afgeronde evaluaties 2025 SEA-thema: Ondernemerschap

Periodieke Rapportage Ondernemerschap

Het thema Ondernemerschap omvat beleid met als doel om te zorgen voor een uitmuntend ondernemings- en vestigingsklimaat. Het ondernemerschapsbeleid is over het algemeen goed onderbouwd, sluit aan bij erkende falens en functioneert in de praktijk veelal (deels) doeltreffend en doelmatig. Zwakkere punten zijn de beperktere doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleidsonderdeel gericht op menselijk kapitaal. Dit komt vooral doordat ook andere ministeries arbeidsmarktprogramma’s ontwikkelen om het(zelfde) arbeidsaanbod te beïnvloeden en de inzet van EZ niet omvangrijk is. Daarnaast is de legitimatie van de meeste fiscale ondernemerschapsregelingen beperkt en gaan zij vaak gepaard met aanzienlijke neveneffecten. De ambitie om het Nederlandse ondernemings- en vestigingsklimaat tot de wereldwijde top te laten behoren wordt behaald, maar staat onder druk. De beleidsmix van EZ draagt waarschijnlijk bij aan een beter ondernemings- en vestigingsklimaat, maar belemmeringen elders schaden het.

Garantiefaciliteit Ondernemersfinanciering (GO gezamenlijk met GO-Corona)

De GO is geëvalueerd in samenhang met de GO-C en GO-ETTF (European Timber Trade Federation) en is in lage mate doeltreffend. De GO werd zeer beperkt gebruikt, waardoor het doelbereik laag was. Hoewel het instrument voor individuele bedrijven nuttig kan zijn, is het niet effectief in het stimuleren van kredietverlening aan het mkb en middelgrote bedrijven. Het instrument is wel hoog doelmatig: De cumulatieve opbrengsten van de GO-regeling zijn hoger dan de cumulatieve kosten (inclusief uitvoeringskosten). De GO-ETTF was niet doeltreffend en niet doelmatig: slechts twee bedrijven hebben gebruik gemaakt van het instrument en beide zijn failliet gegaan.

Evaluatie Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA)

De NFIA is het nationale acquisitieapparaat dat buitenlandse bedrijven ondersteunt bij vestiging of uitbreiding in Nederland, Nederland promoot als vestigingsland en het behoud van buitenlandse bedrijven (en hun activiteiten) tot doel heeft. De NFIA-strategie is in recente jaren gewijzigd van ‘volume’ (zoveel mogelijk investeringen) naar ‘value’ (kwalitatief hoogwaardigere investeringen). Ondanks het niet volledig behalen van haar doelen en mede in de context van veranderende externe ontwikkelingen, heeft de NFIA wel doeltreffend geopereerd.De interne doelmatigheid van de NFIA nam af in de evaluatieperiode als gevolg van de organisatie- en strategieverandering waar de NFIA doorheen ging. Ook de externe doelmatigheid nam af door aspecten die buiten de invloedssfeer van de NFIA lagen, zoals: netcongestie, stikstofproblematiek, woningtekort en krapte op de arbeidsmarkt.

MKB-!dee

De MKB!dee-regeling was gericht op het stimuleren van de leercultuur en de investeringen in menselijk kapitaal in de vorm van scholing en onderwijs in het mkb. Het experimentele karakter van het instrument zat daarbij in de brede en open definitie van leercultuur waardoor bedrijven werden uitgedaagd om zelf oplossingen voor hun knelpunt op dit terrein te bedenken. Het gebruik van de regeling leidt tot diverse positieve effecten op de leercultuur en leren en ontwikkelen. Vergelijking tussen deelnemende en afgewezen bedrijven laat dit zien op de toename van de deelname, tijd en uitgaven aan opleidingen of cursussen, op vormen van informeel leren, taakroulatie of coaching en op samenwerking bij leren en ontwikkelen. Langere termijn effecten op werkgelegenheid, toegevoegde waarde en arbeidsproductiviteit kunnen (vooralsnog) niet vastgesteld worden. Over de doelmatigheid kan niet veel gezegd worden omdat de gemeten effecten op de leercultuur en op leren en ontwikkelen niet in financiële of kwantitatieve termen zijn uit te drukken.

Evaluatie MKB-(digi)werkplaatsen

De digitale werkplaatsen zijn een doeltreffend instrument om studenten te laten leren en oefenen in de beroepspraktijk. Ruim 10.000 studenten van 65 unieke onderwijsinstellingen hebben de mogelijkheid gekregen om praktijkopdrachten uit te voeren die, volgens gesprekspartners, geleid hebben tot de ontwikkeling van nieuwe kennis en vaardigheden. Ze zijn doeltreffend in het leveren van een bijdrage aan de digitalisering van het microbedrijf. Het instrument is doelmatig: de kosten per mkb’er zijn relatief beperkt ten opzichte van de opbrengsten. Naast de opbrengsten voor mkb’ers spelen daarbij ook de opbrengsten voor het onderwijs mee: de werkplaatsen vertegenwoordigen ook een opgebouwd netwerk en ecosysteem.Aanbevelingen: De aanbevelingen zijn onder andere: (1) Zoek naar structurele borging en voorkom continue tijdelijkheid; (2) Expliciteer de positionering van de digitale werkplaats binnen het bredere ecosysteem; (3) Bepaal opnieuw de gewenste doelgroep(en) voor de werkplaatsen; (4) Overweeg meer uniformiteit in de marketing, communicatie en invulling; en (5) Denk tijdig na over een zinvolle, toekomstige invulling van de werkplaatsen.

Tegemoetkoming Energiekosten energie-intensief MKB (TEK)

Het doel van de TEK-regeling was om ondernemers tijdelijk financiële lucht te geven zodat zij de tijd hadden om maatregelen te nemen om hun bedrijfsvoering aan te passen aan de hogere energieprijzen, maar verscheen op het moment dat de energieprijzen begonnen te dalen. Door de dalende energieprijzen verdween echter de crisisdreiging en hiermee ook de noodzaak van interveniëren. Het effect van de TEK-regeling op het aanpassen van de bedrijfsvoering aan de hogere energieprijzen (en het voorkomen van faillissementen) is daarom niet bekend. De evaluatie richt zich daarom op aanknopingspunten voor verbetering en vereenvoudiging van toekomstige tijdelijke regelingen in crisissituaties.

NGF-Midterm Review project Opschaling PPS in het beroepsonderwijs

Het Nationaal Groeifonds-programma ‘Opschaling PPS’en in het beroepsonderwijs’ heeft als doel bewezen publiek-private samenwerkingen (PPS’en) te versterken en op te schalen om de kloof tussen onderwijs en arbeidsmarkt te verkleinen en zo bij te dragen aan maatschappelijke transities. De High Impact PPS’en (HIP’s) bundelen meerdere PPS’en en richten zich op uitbreiding van bestaand aanbod naar nieuwe doelgroepen en/of ontwikkeling van nieuw aanbod.De midterm review laat zien dat het programma overwegend op koers ligt en de spreekwoordelijke seinen op groen staan, omdat de bestede middelen doeltreffend en doelmatig zijn ingezet.

Evaluatie van de Wet Veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (Vifo)De Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (Vifo) is een investeringstoets gericht op het beheersen van risico’s voor de nationale veiligheid als gevolg van verwervingsactiviteiten. De wet is er op gericht om ongewenste strategische afhankelijkheden, aantasting van de continuïteit van vitale processen en aantasting van de integriteit en exclusiviteit van informatie te voorkomen. De Wet Vifo wordt uitgevoerd door het Bureau Toetsing Investeringen (BTI) van het Ministerie van EZ.De doeltreffendheid van de wet kan niet rechtstreeks bepaald worden, doordat ontwikkelingen in afhankelijkheden of beïnvloedingsmacht zich lastig laten meten en doordat de inhoud van de toetsen en gesignaleerde risico’s vertrouwelijk zijn. Ook uitspraken over doelmatigheid zijn daarmee niet mogelijk. De Wet lijkt vooral een preventieve werking te hebben, onder meer in de afwending van ongewenste investeringen. Daardoor is de Wet Vifo potentieel tot waarschijnlijk effectief. Door sectorspecifieke toetsen zoals de WOZT of Gaswet kan de Wet Vifo in de praktijk omzeild worden.

Tabel 74 SEA-thema: Innovatiebeleid

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Begrotings-artikel(en)

Vindplaats

Innovatiebeleid

Periodieke Rapportage

2025

Afgerond1

2 en 3

Kamerstuk 33 009, nr. 176

Instrumentevaluaties / monitor:

     

Monitor Missiegedreven Topsectoren- en Innovatiebeleid

ex-durante

Eerste resultaten in 2021

Lopend2

2

zie: Monitor Missiegedreven Topsectoren- en Innovatiebeleid

Eureka / Eurostars / JTI’s

ex-post

2025

Afgerond

2

Kamerstuk 21 501, nr. 07-2145

Ruimtevaart

ex-post

2025

Afgerond3

2

Kamerstuk 24 446, nr. 101

Intellectueel Eigendomsbeleid

ex-post

2026

Lopend4

2

 

Toegepast onderzoek; TO2-instellingen (TNO, Deltares, Marin, NLR, ECN, Wageningen Research)

ex-post

2025

Afgerond

2

Kamerstuk 32 637, nr. 694

Innovatiekrediet (IK)

ex-post

2024

Afgerond5

3

Kamerstuk 36 410 XIII, nr. 97

Kamerstuk 36 600 XIII, nr. 53

Evaluatie Rijkscofinanciering EFRO/Interreg (2014-2020)

ex-post

2025

Afgerond

2

Kamerstuk 27 813, nr. 37

Evaluatie WBSO

ex-post

2025

Afgerond

2

Kamerstuk 32 637, nr. 670

Evaluatie SBIR

overig

2026

Lopend6

2

 

Evaluatie Regeling Duurzame Scheepsbouw

overig

2024

Afgerond

4

Kamerstuk 36 410 XIII, nr. 96

Venture Challenge

ex-post

2024

Afgerond

2

Kamerstuk 32 637, nr. 632

Midterm evaluatie Just Transition Fund (JTF)

ex-durante

2025

Afgerond7

2

Mid-term evaluatie JTF-programma Nederland: Procesevaluatie implementatie en uitvoering

NGF - MTR project Oncode-PACT

ex-durante

2025

Afgerond8

2

Midterm Evaluation Oncode Accelerator NGF 2025

NGF - MTR project NXTGEN HIGHTECH

ex-durante

2025

Afgerond8

2

Nextgen Hightech Mid-term Rapportage 2025

1

De Periodieke Rapportage Innovatiebeleid is in samenhang met de Periodieke Rapportage Ondernemerschap uitgevoerd en dit gezamenlijke rapport is begin maart 2026 aangeboden aan de Kamer. De kabinetsreactie volgt later. Hierdoor is een opvolgingsbrief in 2026 nog niet van toepassing.

2

De Monitoring en effectmeting (M&E) van het innovatiebeleid (Innovatiehelix, voorheen het Missiegedreven Topsectoren- en Innovatiebeleid) is in opbouw. Op deze wijze zullen eerste data verzameld worden. Zie de voortgangsrapportage van het missiegedreven topsectoren- en innovatiebeleid in de afgelopen jaren (Kamerstuk 33 009, nr. 102). Dit kan later input vormen voor de evaluatie-aanpak die in de 'Expertcommissie evaluatiemethoden' wordt uitgewerkt.

3

Inclusief Rijksdienst voor Digitale Infrastructuur (RDI).

4

Afronding evaluatie loopt door in 2026. Verwachte publicatie in Q2 2026.

5

Dit betreft een gezamenlijke evaluatie van GF, Seed Capital, DVI, VFF en IK.

6

De SBIR wordt geëvalueerd door RVO met een externe referent, voortbordurend op een eerdere analyse door RVO. Verwachte publicatie in Q2 2026.

7

SZW heeft het voortouw.

8

Midterm review met ook aandacht voor doeltreffendheid en doelmatigheid.

Samenvatting afgeronde evaluaties 2025 SEA-thema: Innovatiebeleid

Periodieke Rapportage Innovatiebeleid

De strategische doelstelling van het innovatiebeleid is om bij te dragen aan innovatie en economische vernieuwing. Op de langere termijn wordt innovatie cruciaal geacht voor duurzame economische en welvaartsgroei. Er bestaat brede consensus dat innovatie kennisspillovers genereert en maatschappelijke uitdagingen helpt op te lossen en dat het innovatiebeleid hieraan veelal (deels) doeltreffend en doelmatig bijdraagt. Het beleid gericht op startups en scale-ups is goed onderbouwd maar heeft een duidelijkere afbakening en een schaalsprong nodig om meer impact te maken. Het beleid om Nederland een koploper van innovatie te maken slaagt, maar de 3%-doelstelling wordt (nog) niet behaald. Sectorspecifieke steun is economisch lastig te rechtvaardigen, maar kan vanuit strategische autonomie verdedigbaar zijn. Evaluaties tonen echter aan dat sectorondersteuning voordelen oplevert voor de betrokken sectoren, maar dat de doelmatigheid discutabel is en het effect op autonomie onzeker.Het innovatiebeleid is veelal generiek maar krijgt steeds meer een specifieke focus met risico op neveneffecten zoals verkeerde keuzes.

Evaluatie Eureka / Eurostars / JTI’s

Eureka is een internationaal netwerk van ministeries en agentschappen uit 47 landen, medegefinancierd door de Europese Unie, gericht op het innovatieve mkb. Uit de evaluatie volgt dat de instrumenten waarschijnlijk doeltreffend zijn. Met de Eureka-instrumenten wordt een positieve en effectieve impuls gegeven aan internationale R&D-samenwerking.De instrumenten zijn ook waarschijnlijk doelmatig. Er wordt gemiddeld per bedrijf ongeveer €350.000 geïnvesteerd. Hieruit komen aanzienlijke kwalitatief gemeten resultaten voort, in lijn met de werking van de instrumenten, met daarnaast ook nuttige neveneffecten. De uitgevoerde Bang-For-The-Buck-analyse (BFTB), puur gericht op R&D, laat zien dat Eurostars-deelnemers gemiddeld tussen € 0,57 en € 1,49 aan extra R&D-uitgaven realiseren per euro subsidie over vijf jaar.

Evaluatie RuimtevaartHet Nederlandse Ruimtevaartbeleid kent drie hoofddoelen: (1) De maatschappelijke, wetenschappelijke en economische relevantie ervan maximaliseren; (2) De Nederlandse bijdrage aan Europese autonome en betaalbare toegang tot de ruimte realiseren; (3) ESTEC voor Nederland behouden en verbinden met het Nederlandse ruimtevaartcluster.Dit beleid is geëvalueerd middels een Contributie Analyse (CA). Deze aanpak levert doorgaans geen definitief bewijs over doeltreffendheid en doelmatigheid, omdat het geen of beperkt uitspraken over eventuele causale relaties doet. Het beschrijft of en hoe het ruimtevaartbeleid heeft bijgedragen aan bepaalde resultaten (of juist niet).De doeltreffendheid was kleiner dan mogelijk. De belangrijkste knelpunten waren de beperkte publieke middelen voor ruimtevaartbeleid en de relatief lage bijdrage van Nederland aan ESA in vergelijking met andere landen. Dit vooral gezien de brede en ambitieuze doelstellingen voor de ruimtevaartsector. Wel functioneerde het beleid doelmatig: de beschikbare publieke middelen voor de ruimtevaart werden efficiënt ingezet.

Evaluatie Toegepast onderzoek; TO2-instellingen (TNO, Deltares, Marin, NLR, ECN, Wageningen Research)De TO2-instellingen zijn volgens het EMTO-protocol geëvalueerd door een externe commissie. De TO2-instituten spelen op het gebied van innovatie een vooraanstaande rol en alle TO2-instituten worden door de stakeholders (op hun terrein) nationaal en internationaal als gezaghebbende en vooraanstaande instituten beschouwd. De beperkte beschikbare financiële middelen voor kennisbasis en onderzoeksfaciliteiten leveren een aantal uitdagingen op voor de instituten, maar desondanks vervullen de TO2-instituten een belangrijke, centrale rol in het Nederlandse kennisecosysteem waarbij zij over het algemeen op een goede wijze invulling geven aan hun hoofdtaken. De evaluatiecommissie TO2 stelt daarom vast dat de Rijksbijdrage aan de TO2-instituten doeltreffend en doelmatig wordt ingezet.

Evaluatie Rijkscofinanciering EFRO/Interreg (2014-2020)Het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) is een van de belangrijkste instrumenten van het Europese cohesiebeleid, gericht op het verkleinen van regionale verschillen. In Nederland richt EFRO zich vooral op innovatie en een koolstofarme economie, met het mkb als voornaamste doelgroep. EFRO-projecten dragen substantieel bij aan de innovatiecapaciteit in Nederland. Het maakt mogelijk dat ook grootschalige samenwerkingsprojecten, demonstraties en opschaling kunnen plaatsvinden. In vergelijking met ander innovatie-instrumentarium ligt de focus soms meer op langetermijneffecten dan op directe groei van R&D-uren. Uitkomsten op werkgelegenheid, productiviteit, omzet en indirecte effecten weerspiegelen het ecosysteemeffect van EFRO: de nadruk ligt op samenwerking, netwerken en kennisdeling. Directe stijgingen in economische kerncijfers (omzet, winst) zijn niet altijd zichtbaar. Directe CO₂-reducties zijn vaak niet meetbaar of verifieerbaar.Via een Bang-for-the-Buck-analyse is becijferd dat elke geïnvesteerde euro nationale publieke middelen leidt tot € 1,48 tot € 1,62 aan extra S&O-uitgaven.

Evaluatie WBSODe WBSO is een fiscale stimuleringsregeling voor onderzoek en ontwikkeling bij bedrijven. Het instrument is nog steeds overwegend doeltreffend. De bang-for-the-buck bedraagt in de periode 2018 ‒ 2022 € 0,41 in termen van S&O. Wanneer dit wordt doorgetrokken naar het bredere begrip R&D, komt de bang-for-the-buck uit op € 0,81. De effectiviteit van de WBSO als stimulans voor extra S&O/R&D-investeringen neemt wel af over de tijd. De bang-for-the-buck in de evaluatieperiode 2018 ‒ 2022 ligt naar schatting een derde tot zes tienden lager dan in de hieraan voorafgaande periode 2013 ‒ 2017. De WBSO blijkt bovendien minder effectief in het stimuleren van S&O/R&D-investeringen bij microbedrijven.De WBSO wordt als grotendeels macrodoelmatig beoordeeld. De doelmatigheid is vooral sterk voor het primaire doel van het bevorderen van S&O en R&D en moeilijk te bepalen voor het secundaire doel van het verbeteren van het vestigingsklimaat.

Midterm evaluatie Just Transition Fund (JTF)Het Just Transition Fund (JTF) is een fonds dat de Europese Unie in 2020 in het leven heeft geroepen om lidstaten te ondersteunen met de economische en maatschappelijke opgaves die voortkomen uit de transitie naar een klimaatneutrale en circulaire economie. Het is op dit moment nog te vroeg om de gerealiseerde voortgang op de outputindicatoren in de regio’s te vergelijken met de gestelde mijlpalen voor 2024. Op basis van de op dit moment beschikte projecten lijkt het niet realistisch dat de eindstreefwaarde voor alle indicatoren zal worden behaald.

NGF - Midterm Review (MTR) project Oncode-PACTHet project Oncode Accelerator richt zich op het versnellen en verbeteren van de preklinische ontwikkeling van innovatieve medicijnen tegen kanker. Het doel is om het traject van wetenschappelijke doorbraken naar klinische toepassingen te versnellen door barrières in de vroege fase van medicijnontwikkeling weg te nemen. Op basis van de MTR adviseert de adviescommissie om een gedeelte van € 123 mln van de voorwaardelijk toegekende middelen om te zetten naar een definitieve toekenning.De adviescommissie heeft geconstateerd dat aan de belangrijkste voorwaarden is voldaan, waaronder een versterking van de betrokkenheid van private partners, een beter uitgewerkt beleid op het gebied van intellectueel eigendom en betere internationale positionering. De adviescommissie constateert ook dat er nog maar een beperkt aantal demonstrator-projecten zijn gerealiseerd, wat bepalend is voor de daadwerkelijke impact van het project.

NGF - Midterm Review (MTR) project NXTGEN HIGHTECHDe ambitie van het programma is om € 6 tot € 9 mld extra economische groei te realiseren in 2040, door nieuwe hightech-bedrijvigheid te creëren waarmee tegelijkertijd nieuwe uitdagingen voor de toekomst worden opgelost. Dit gebeurt op de domeinen semicon, energie, agrifood, laser-satellietcommunicatie, composiet productietechnologie en biomedische productietechnologie. Alles overziende is het NXTGEN Hightechconsortium positief over de concrete resultaten die het programma tot nu heeft geboekt en de impact van alle activiteiten op de versterking van het Nederlandse Hightechecosysteem. De rapportage betreft een self-assessment en bevat daarnaast de evaluatie en het advies van een onafhankelijke externe adviseur met betrekking tot de governance en strategische sturing. Zij constateert dat de organisatie functioneert zoals bedoeld.

Tabel 75 Overige evaluaties/doorlichtingen

Titel onderzoek

Type onderzoek

Afronding

Status

Begrotings-artikel(en)

Vindplaats

Doorlichting Agentschap RDI

overig

2026

Uitgesteld1

1

 
1

In afwachting van enkele interne onderzoeken is in overleg met FIN besloten om deze doorlichting in 2026 te laten plaatsvinden.

Deze bijlage van het jaarverslag heeft betrekking op ingeplande evaluaties in de SEA van EZ van de ontwerpbegroting 2025 (zie: tabel SEA OB2025 EZ en bijlage 6: Uitwerking SEA OB2025 EZ).Voor het meest recente overzicht van de programmering van periodieke rapportages/beleidsdoorlichtingen, zie: www.rijksfinanciën.nl.

Bijlage 3: Inhuur externen

Tabel 76 Ministerie van Economische Zaken verslagjaar 2025 (bedragen x € 1.000)

Programma- en apparaatskosten

 

1. Interim-management

34.838

2. Organisatie- en Formatieadvies

13.336

3. Beleidsadvies

18.635

4. Communicatieadvisering

10.000

Beleidsgevoelig (som 1 t/m 4)

76.810

5. Juridisch Advies

10.926

6. Advisering opdrachtgevers automatisering

204.982

7. Accountancy, financiën en administratieve organisatie

23.528

(Beleids)ondersteunend (som 5 t/m 7)

239.436

8. Uitzendkrachten (formatie & piek)

43.797

Ondersteuning bedrijfsvoering

43.797

Totaal uitgaven inhuur externen

360.043

Tabel 77 Percentage externe inhuur
 

2023

2024

2025

Kerndepartement

11,8%

10,6%

11,1%

Autoriteit Consument & Markt

13,5%

15,7%

11,4%

Centraal Planbureau

0,2%

0,7%

1,4%

Staatstoezicht op de Mijnen1

16,3%

24,6%

22,8%

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

27,3%

24,9%

23,1%

Rijksinspectie Digitale Infrastructuur

20,8%

16,6%

18,4%

Dienst ICT Uitvoering

58,0%

51,8%

46,3%

Totaal

30,9%

28,6%

23,3%

1

Gedurende kabinet-Schoof is SodM onder verantwoordelijkheid van de Minister van KGG geplaatst. Omdat deze cijfers administratief zijn opgenomen bij EZ worden zij in het Jaarverslag EZ 2025 verantwoord.

Toelichting op het inhuurpercentage 2025

Het kabinet hanteert, naar aanleiding van de motie Roemer, een norm voor externe inhuur van 10% van de totale personeelskosten. Het inhuurpercentage voor EZ (incl. SodM) komt over de periode 1 januari 2025 tot en met 31 december 2025 uit op 23,3%. De overschrijding van de norm voor inhuur van extern personeel is vooral veroorzaakt door DICTU, RVO en de SodM. Het inhuurpercentage voor EZ over de periode 1 januari 2025 tot en met 31 december 2025 zonder DICTU, RVO en de SodM komt uit op 11,8%.

DICTU heeft een inhuurpercentage van 46,3%. De structurele krapte op de arbeidsmarkt, complexiteit van rijks-IT, benodigde specialistische rollen en projectmatige dynamiek maken een hogere externe inhuur voor DICTU onvermijdelijk. Een meer genuanceerde, risicogestuurde norm past voor DICTU beter bij de realiteit én bij de ambities van digitale autonomie en continuïteit. Gezien het huidige beeld is een inhuurpercentage van circa 18% bij DICTU als ultiem streven realistisch.

Maatregelen om inhuur te beperken door DICTU zijn onder meer actieve werving en branding, verscherpt toezicht op de duur van inhuur, verambtelijking en samenwerking met hogescholen en universiteiten, investeren in de kansen en ontwikkeling van medewerkers, waarbij opleiding, omscholing en doorstroom wordt bevorderd. Hiermee wordt ingezet op duurzame inzetbaarheid. Tenslotte helpen resultaatafspraken met leveranciers (w.o. platformen en applicaties). Met een inhuurpercentage van afgerond 23% zit RVO boven de Roemernorm. Sinds halverwege 2023 is er een langzaam dalende lijn ontstaan doordat steeds meer wordt ingezet op verambtelijking. Het hoge inhuurpercentage wordt grotendeels veroorzaakt door inhuur bij IMG. Vanwege het tijdelijke karakter en specialistische kennis maakt IMG grotendeels gebruik van externe inhuur. Zonder IMG zou het inhuurpercentage uitkomen op 15,6%.

De SodM heeft een inhuurpercentage van 22,8%. De SodM heeft te maken met twee soorten inhuur: inhuur op (incidentele) budgetten en inhuur op formatie. Inhuur op incidentele budgetten is tijdelijk van aard en inhuurcontracten worden beëindigd zodra de activiteiten op deze budgetten afgerond zijn (zoals werkzaamheden rondom de voorbereiding inzake EU Methaanverordening). Inhuur op formatie betreft inhuur om pieken in reguliere werkzaamheden op te vangen, wanneer sprake is van tijdelijke uitval van interne medewerkers of essentiële/cruciale functies in de organisatie tijdelijk niet bezet zijn.

Rapportage overschrijding maximumuurtarief externe inhuur buiten mantelcontracten

In onderstaande tabel wordt weergegeven in hoeveel gevallen in 2025 door het ministerie buiten de mantelcontracten om externe krachten zijn ingehuurd boven het voor de organisaties van het rijk afgesproken maximumtarief van € 225 (exclusief btw).

Tabel 78 Inhuur externen buiten raamovereenkomsten

Inhuur externen buiten raamovereenkomsten

2025

Aantal overschrijdingen maximumuurtarief

0

Toelichting

 

Bijlage 4: Verantwoording EU-middelen in gedeeld beheer

Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling

Op basis van de informatie uit de verklaringen en rapporten van de Managementautoriteit, Certificeringsautoriteit en Auditautoriteit en alle overige informatie en met inachtneming van hetgeen na punt 3 vermeld wordt, wordt geconstateerd dat inzake het EFRO over de periode 1 juli 2023 tot en met 30 juni 2024:

  • de door Nederland opgezette systemen en daarin vervatte maatregelen voor het beheer en de controle van de gelden naar behoren hebben gefunctioneerd;

  • de jaarrekening van de Certificeringsautoriteit, in de context van bovengenoemde informatie volledig, nauwkeurig en waarachtig is;

  • de uitgaven die ter vergoeding bij de Europese Commissie zijn ingediend (per saldo € 880.385.484,76, aandeel overheidsuitgaven € 531.647.843,57, aandeel Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling € 436.743.493,44) in alle materiële opzichten wettig en regelmatig zijn.

Bovenstaande constateringen en eventuele punten van voorbehoud zijn beperkt tot zaken van materieel belang en vloeien direct voort uit audits en laten onverlet inherente interpretatie van Europese regelgeving. De bekende onderzoeken en/of correctievoorstellen in verband met de goedkeuring van de ingediende rekeningen door de Europese Commissie zijn opgenomen in de toelichting.

De Certificeringsautoriteit heeft in de jaarrekening van het programma West (aanhangsel 8) de volgende disclaimer opgenomen: Disclaimer: In maart 2025 is door de Europese Commissie (DAC) een thematische audit uitgevoerd rond de afsluiting. Op het moment van het indienen van deze accounts/rekeningen was de procedure rond deze audit nog niet afgerond. Derhalve zijn de eventuele bevindingen van de Europese Commissie niet meegenomen in deze aanhangsel.

De Managementautoriteit West heeft de disclaimer opgenomen in de beheersverklaring en jaarlijkse samenvatting, en de Auditautoriteit heeft de disclaimer opgenomen in een toelichtende paragraaf van de goedkeurende accountantsverklaring en het jaarlijks controleverslag.

Op basis van de informatie uit de verklaringen en rapporten van de beheerautoriteiten34 Zuid en West, en de Auditautoriteit en alle overige informatie en met inachtneming van hetgeen na punt 3 vermeld wordt, wordt geconstateerd dat inzake het EFRO35 over de periode 1 juli 2024 tot en met 30 juni 2025:

  • de door Nederland opgezette systemen en daarin vervatte maatregelen voor het beheer en de controle van de gelden naar behoren hebben gefunctioneerd;

  • de jaarrekening in de context van bovengenoemde informatie volledig, nauwkeurig en waarachtig is;

  • de uitgaven die ter vergoeding bij de Europese Commissie zijn ingediend (per saldo € 63.814.324,70, aandeel overheidsuitgaven € 33.672.793,38)36 in alle materiële opzichten wettig en regelmatig zijn.

Bovenstaande constateringen en eventuele punten van voorbehoud zijn beperkt tot zaken van materieel belang en vloeien direct voort uit audits en laten onverlet inherente interpretatie van Europese regelgeving. De bekende onderzoeken en/of correctievoorstellen in verband met de goedkeuring van de ingediende rekeningen door de Europese Commissie zijn opgenomen in de toelichting.

Toelichting

Verklaring Certificeringsautoriteit

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland heeft, in de functie van Certificeringsautoriteit, verklaard dat de jaarrekening 2023/2024 volledig, nauwkeurig en waarachtig is, dat de in de jaarrekening opgenomen uitgaven in overeenstemming zijn met het toepasselijke recht en zijn gedaan voor concrete acties die zijn geselecteerd aan de hand van de voor het operationeel programma geldende criteria en dat de bepalingen van de fondsspecifieke verordeningen in acht zijn genomen.

Voor het verslagjaar 2024-2025 is er geen certificeringsautoriteit meer, maar is er sprake van een boekhoudfunctie die is ondergebracht bij de beheerautoriteiten (waarbij sprake is van scheiding van functies) en deze omvat de onderstaande taken:a) opstellen en bij de Commissie indienen van betalingsaanvragen; b) opstellen en indienen van de rekeningen, bevestigen dat ze volledig, juist en waarheidsgetrouw zijn overeenkomstig artikel 98, en elektronisch bijhouden van alle elementen van de rekeningen, inclusief betalingsaanvragen.

De boekhoudfunctie houdt geen verificaties op het niveau van begunstigden in.

Rapportages Auditautoriteit

De Auditdienst Rijk heeft, in de functie van Auditautoriteit, geoordeeld dat het toegepaste beheers- en controlesysteem, rekening houdend met de afgegeven controleverklaring met beperking voor het verslagjaar 2023-2024 ten aanzien van EFRO Noord en EFRO Zuid, functioneert, de jaarrekeningen een getrouw beeld geven, en de uitgaven in de jaarrekeningen, rekening houdend met de aanvullende correcties voor EFRO Noord en EFRO Zuid zoals hierna genoemd, wettig en regelmatig zijn. Tevens worden de beweringen in de beheersverklaringen van de Managementautoriteiten door de uitgevoerde auditwerkzaamheden niet in twijfel getrokken.

Voor het verslagjaar 2023-2024:

Bij het programma Noord was er sprake van een foutenpercentage (TER) van 6,19% en resterend foutpercentage (RTER) van 5,74%. De RTER is met een aanvullende correctie van € 6.000.433,37 teruggebracht naar het maximaal toegestane percentage van 2%.

Bij het programma Zuid was er sprake van een foutenpercentage (TER) van 8,56% en een resterend foutpercentage (RTER) van 3,04%. De RTER is met een aanvullende correctie van € 1.411.995,95 teruggebracht naar het maximaal toegestane percentage van 2%. Over een bevinding van de Auditautoriteit, met substantiële impact op het foutpercentage, is er verschil van inzicht met de Managementautoriteit. De Managementautoriteit heeft de situatie voorgelegd aan een geschillencommissie en de Auditautoriteit heeft aangegeven de uitkomst hiervan te zullen delen met de Europese Commissie.

Voor het verslagjaar 2024-2025:

Hier waren alleen controles nodig bij de programma’s Zuid en West, omdat voor de programma’s Noord en Oost (nog) geen uitgaven bij de Europese Commissie waren gedeclareerd. De foutenpercentages bleven hierbij ruim beneden de 2%.

Beheersverklaring Managementautoriteit

De Managementautoriteit Noord, Oost, Zuid en West EFRO hebben verklaard dat de informatie in de jaarrekening 2023-2024 naar behoren wordt weergegeven. Dit betekent dat de uitgaven die in de jaarrekening zijn opgenomen, zijn gebruikt voor het beoogde doel, zoals gedefinieerd in onderhevige verordening en overeenkomstig zijn met het beginsel van goed financieel beheer en het beheers- en controlesysteem de nodige garanties biedt met betrekking tot de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen, in overeenstemming met het toepasselijke recht.

De Beheerautoriteiten Zuid en West EFRO hebben verklaard dat de informatie in de jaarrekening (2024-2025) naar behoren wordt weergegeven. Dit betekent dat de uitgaven die in de jaarrekening zijn opgenomen, zijn gebruikt voor het beoogde doel, zoals gedefinieerd in onderhevige verordening en overeenkomstig zijn met het beginsel van goed financieel beheer en het beheers- en controlesysteem de nodige garanties biedt met betrekking tot de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen, in overeenstemming met het toepasselijke recht.

De in de jaarrekening opgenomen uitgaven zijn gedaan voor concrete acties die zijn geselecteerd aan de hand van de voor het operationeel programma geldende criteria.

Bekende lopende onderzoeken en/of correctievoorstellen (Europese Commissie, Europese Rekenkamer, OLAF)

De Europese Commissie bepaalt uiteindelijk de EU-conformiteit van de nationale implementatie en uitvoering van EU-regelgeving. De Europese Commissie kan financiële correcties opleggen als zij concludeert dat EU-regelgeving niet op de juiste wijze door de lidstaat is geïnterpreteerd en/of uitgevoerd. Het antifraude-DG van de Europese Commissie (OLAF) kan onderzoeken starten naar onregelmatigheden, waaronder vermoedens van fraude met EU-subsidies.

Door de Europese Commissie is een thematische audit uitgevoerd bij het programma West waarvan het Engelstalige rapport is ontvangen op 15 december 2025. Op het moment van het indienen de jaarrekening 2023-2024 en de overige documenten in het kader van de afsluiting van de programmaperiode 2014 ‒ 2020 bij de Europese Commissie is de procedure met betrekking tot de afwikkeling van de bevindingen nog niet afgerond.

34

Bij de EFRO-programmaperiode 2021-2027 is er sprake van een andere naamgeving voor voorheen de Managementautoriteit

35

Voor het verslagjaar 2024-2025 heeft de informatie alleen betrekking op de programma’s van EFRO Zuid en EFRO West. Voor de programma’s EFRO Noord en EFRO Oost zijn in het verslagjaar 2024-2025 (nog) geen uitgaven gedeclareerd en zijn om die reden geen verklaringen en rapporten uitgebracht. 

36

Het aandeel EFRO is momenteel niet beschikbaar. Vanaf het verslagjaar 2025-2026 zal ook dit bedrag worden opgenomen.

Bijlage 5: Rapportage burgercorrespondentie

1. Inleiding

Het Ministerie van Economische Zaken (EZ) rapporteert hierbij over de correspondentie van het kerndepartement, het Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) met burgers voor het kalenderjaar 2025. In deze rapportage wordt een beeld geschetst van de omvang van de correspondentie tussen burgers en EZ en binnen welke termijn deze correspondentie wordt behandeld.

Onder de term «burgerbrief» wordt volgens de definitie van de Nationale ombudsman verstaan: elk schriftelijk stuk dat een overheidsinstantie van een burger ontvangt. Het medium (brief, fax of e-mail) maakt daarbij niet uit. Ook het begrip burger is breed. Hieronder worden niet alleen individuele burgers begrepen, maar ook groepen en organisaties.

Specifiek betreft het bezwaarschriften, klaagschriften en overige brieven en e-mails.

Ook via Rijksoverheid.nl (verzorgd door het Ministerie van Algemene Zaken) zijn er vele contacten met burgers over de EZ-beleidsterreinen.

Wet open overheid (Woo)-aantallen kerndepartement EZ/KGG: Aantallen over ontvangen en afgehandelde Woo-verzoeken worden in lijn met interdepartementale afspraken gerapporteerd in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk en zijn daarom niet ook in deze bijlage opgenomen.

2. Aantallen

Tabel 79 Aantal burgerbrieven

Categorie

20241

2025

a. Bezwaarschriften (als bedoeld in de AwB)

3.178

772

b. Klaagschriften

115

73

c. Overige brieven en e-mails

1.841

1.147

d. Woo-verzoeken (RVO en RDI)

61

65

1

Met ingang van 2 juli 2024 is het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) gesplitst in het Ministerie van Economische Zaken (EZ) en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (KGG). In 2024 werden de aantallen nog gezamenlijk vermeld. Vanaf 2025 is splitsing per ministerie voor bijna alle categorieën mogelijk.

a. Bezwaarschriften

Het kerndepartement, RDI en RVO ontvingen in 2025 de volgende aantallen bezwaarschriften:

Tabel 80 Aantal bezwaarschriften
 

Aantal bezwaarschriften

Afgehandeld binnen verdaagde (wettelijke) termijn

 

2024

2025

2024

2025

Kerndepartement EZ/KGG

265

26

81%

40%

RVO

2.653

501

94%

88%

RDI

260

245

60%

63%

Toelichting

RVO: 2025 laat zich qua aantallen moeilijk vergelijken met 2024 omdat toen op een ander niveau gerapporteerd werd. Kijkend naar de individuele opdrachten, dan is een duidelijke afname in het aantal ontvangen bezwaren zichtbaar. Met name bij de coronaregelingen Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) en Tegemoetkoming Energiekosten (TEK) is duidelijk dat deze ten einde lopen. Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO) liet wat meer bezwaren zien. Per saldo ruim 500 bezwaren minder ontvangen. De tijdigheid lag wat lager door met name staartwerkzaamheden TVL en TEK.

RDI: De bezwaarzaken zien niet op besluiten die vallen onder KGG. Door de complexiteit van de zaken is het in een deel van de zaken niet gelukt om binnen de wettelijke termijn een besluit te nemen. De overschrijding was overigens nooit veel meer dan enkele dagen. In een uitzonderlijk geval een paar weken.

b. Klaagschriften

Het kerndepartement, RDI en RVO ontvingen in 2025 de volgende aantallen klaagschriften:

Tabel 81 Aantal klaagschriften
 

Aantal klaagschriften

Afgehandeld binnen de (verdaagde) wettelijke termijn

 

2024

2025

2024

2025

Kerndepartement EZ/KGG

5

2

70%

RVO

101

28

97%

90%

RDI

9

43

100%

100%

Toelichting

Kerndepartement: Het percentage van de behandelingstermijn is niet ingevuld omdat hier vanwege de beperkte omvang van het aantal klachten een zeer scheef beeld door kan ontstaan. Bij klachten wordt altijd zoveel mogelijk geprobeerd om, in overleg met klager, eerst de informele weg te volgen, wat van invloed is op de behandelingstermijn.

RVO: 2024 en 2025 zijn niet goed te vergelijken omdat in 2024 nog gerapporteerd werd over de opdrachten van EZ en KGG samen. Wel is een duidelijke afname te zien in het aantal TVL-klachten, net als bij bezwaar heeft dit te maken met het feit dat de regeling en de procedures daaromtrent tegen een eind beginnen te lopen.

RDI: Alle binnengekomen communicatie gaat via de klachtenmailbox. Dit betreft niet alleen de gegronde klachten, maar ook de ongegronde klachten.

c. Overige brieven en e-mails

Het kerndepartement ontving in 2025 de volgende aantallen overige brieven en e-mails:

Tabel 82 Aantal overige brieven en e-mails
 

Aantal overige brieven en e-mails

Tijdig afgehandeld

 

2024

2025

2024

2025

Kerndepartement EZ/KGG

1.841

1.119

77%

88%

RVO

n.v.t.

28

n.v.t.

83%

Toelichting

Kerndepartement: Het aantal betreft een totaal voor de Ministeries EZ en KGG gezamenlijk (net zoals in 2024).

Het aantal ontvangen overige brieven en e-mails is gedaald met 39% ten opzichte van 2024. Het percentage tijdig afgehandeld is gestegen met 11%.

RVO: Per 2025 is in tegenstelling tot voorgaande jaren bij RVO inzichtelijk gemaakt hoeveel ‘overige brieven en e-mails’ met betrekking tot EZ zijn.

RDI: Overige brieven en e-mails worden bij RDI niet apart geregistreerd.

d. Woo-verzoeken

De RDI en RVO ontvingen in 2025 de volgende aantallen Woo-verzoeken:

Tabel 83 Aantal Woo-verzoeken
 

Aantal Woo-verzoeken

Afgehandeld binnen de (verdaagde) wettelijke termijn

Ingebrekestellingen

 

2024

2025

2024

2025

2024

2025

RVO

45

40

41%

47%

9

6

RDI

16

25

64%

74%

0

1

Toelichting

Kerndepartement: Aantallen over ontvangen en afgehandelde Woo-verzoeken worden in lijn met interdepartementale afspraken gerapporteerd in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk en zijn daarom niet in deze bijlage opgenomen.

RVO: Er zijn in 2025 40 Woo-verzoeken afgehandeld waarvan 19 binnen de termijn.

RDI: In 2025 zijn er 25 Woo-verzoeken behandeld bij de RDI. Hiervan zijn 74% binnen de termijn behandeld. De RDI streeft er naar alle Woo-verzoeken binnen de wettelijke termijn te behandelen, maar helaas blijkt dit bij sommige (vaak omvangrijke) verzoeken niet altijd mogelijk. In deze gevallen wordt hierover altijd contact opgenomen met verzoeker, en een realistische inschatting gemaakt op welke termijn er wel een besluit kan worden genomen.

Lijst van afkortingen

Tabel 84 Lijst van afkortingen

A&M

Ministerie van Asiel & Migratie

AC

Audit Committee

ACM

Autoriteit Consument en Markt

ACVG

Adviescollege Veiligheid Groningen

AI

Kunstmatige intelligentie

AP

Autoriteit Persoonsgegevens

AST

Advanced Semiconductor Technologies

ATE

Aanvullende Tegemoetkoming Evenementen

ATR

Adviescollege toetsing regeldruk

AVV

Aanvullende Vaste Vergoeding

B&I

DG Bedrijfsleven en Innovatie

BAR

Brexit Adjustment Reserve

BBP

Bruto Binnenlands Product

BEV

Beschermingsvoorziening Economische Veiligheid

BFTB

Bang-For-The-Buck-analyse

BIZ

Wet Bedrijveninvesteringszones

BBMKB

Besluit Borgstelling Midden Kleinbedrijf

BMKB

Borgstellingsregeling Midden en Kleinbedrijf

BMKB-C

Borgstellingsregeling Midden en Kleinbedrijf-Corona

BMKB-Groen

Borgstellingsregeling Midden en Kleinbedrijf-Groen

BOM

Brabantse Ontwikkelings Maatschappij

BSA

Budget Strategische Acquisitie

BTI

Bureau Toetsing Investeringen

BTW

Belasting over de toegevoegde waarde

BVA

Beveiligingsautoriteit

BZ

Ministerie van Buitenlandse Zaken

BZK

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

C2D

Commit-to-Data

CA

Contributie Analyse

CBS

Centraal Bureau voor de Statistiek

Cbw

Cyberbeveiligingswet

CCEC

Caribbean Climate & Energy Conference

CCMO

Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek

CCS

Carbon Capture and Storage

CDI

Coördinerend Directeur Inkoop

CEB

Council of Europe Bank

CIF-NL

Cybersecurity Innovation Fund

CN

Caribisch Nederland

COL

Corona Overbruggingslening

COVA

Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten

CPB

Centraal Planbureau

CRA

Europese cyberweerbaarheidsverordening

CSAT

Customer Satisfaction

CSIRT

Computer Security Incident Response Team

CSIRT-DSP

Computer Security Incident Response Team voor digitale diensten

CSRD

Corporate Sustainability Reporting Directive

CvAE

Commissie van Aanbestedingsexperts

CW

Cloud Werkplek

DACI

Dutch Alternative Credit Instrument

DBC

Dutch Blockchain Coalition

DDC

DataDeelCoalitie

DEF

Ministerie van Defensie

DEI+

Demonstratieregeling Energie- en Klimaatinnovatie

DESI

Index Digitale Economie en Samenleving

DG B&I

Directoraat-Generaal Bedrijfsleven en Innovatie

DG E&D

Directoraat-Generaal Economie en Digitalisering

DICTU

Dienst ICT Uitvoering

DMA

Digital Markets Act

DOSA

Digitale Open Strategische Autonomie

DSA

Digital Services Act

DSC

Data Sharing Coalition

DSII

Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie

DTC

Digitaal Trust Centre

DUTO

Duurzame Toegankelijkheid van Overheidsinformatie

DVI

Dutch Venture Initiative

E&D

DG Economie en Digitalisering

EBN

Energie beheer Nederland

EC

Europese Commissie

ECG

European Competitiveness Fund

ECN

Energieonderzoek Centrum Nederland

ECP

Electronic Commerce Plarform

EFRO

Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling

EIA

Energie- investeringsaftrek

EIB

Europese Investeringsbank

EIF

Europees Investeringsfonds

EOB

Europees Octrooibureau

ESA

European Space Agency

ESTEC

European Space Research and Technology Centre

ETCI

European Tech Champions Initiative

ETS

Emission Trading Scheme/System

EU

Europese Unie

EZ

Ministerie van Economische Zaken

EZK

Ministerie van Economische Zaken en Klimaat

FEZ

Directie Financieel Economische Zaken

FIN

Ministerie van Financiën

FTE

Fulltime-equivalent

FTO

Faciliteiten Toegepast Onderzoek

GF

Groeifaciliteit

GHz

Gigahertz

GIA

Gigabit Infrastructure Act

GO

Garantie Ondernemingsfinanciering

GO-C

Garantie Ondernemingsfinanciering-Corona

GO-ETTF

Garantie Ondernemingsfinanciering

HBO

Hoger Beroeps Onderwijs-European Timber Trade Federation

HCA ICT

Human Capital Agenda ICT

HER+

Hernieuwbare Energietransitie

HVP

Herstel- en Veerkrachtplan

I3ML

Instituut voor Milieu, Mens en Mijnbouw Limburg

IAN

Innovatie Attaché Netwerk

IBO

Interdepartementaal Beleidsonderzoek

ICT

Informatie- en communicatietechnologie

IE

Intellectueel Eigendomsbeleid

IenW

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

IGF

Internet Governance Forum

IHH

Informatiehuishouding

IKB

Innovatiekrediet

IKB

Individueel Keuzebudget

IMG

Instituut Mijnbouwschade Groningen

IMVO

Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen

IND

Immigratie- en Naturalisatiedienst

INTERREG

Europese Territoriale Samenwerking

IPCEI

Important Project of Common European Interest

IPCEI AST

Important Project of Common European Interest Advanced Semiconductor Technologies

IPCEI CIS

Important Projects of Common European Interest Cloud Infrastructuur en Services

ISDE

Investeringssubsidie Duurzame energie en Energiebesparing

IUC

Inkoop Uitvoeringscentrum

IV

Informatievoorziening

J&V

Ministerie van Justitie en Veiligheid

JSF

Joint Strike Fighter

JTF

Just Transition Fund

JTI

Joint Technology Initiatives

KGG

Ministerie van Klimaat en Groene Groei

KKC

Garantieregeling Klein Krediet Corona

KNMI

Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut

KvK

Kamer van Koophandel

LIOF

De Limburgse industrie- en investeringsbank

LLO

Levenslang Ontwikkelen

LVVN

Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

MARIN

Maritime Research Institute Netherlands

MBO

Middelbaar beroepsonderwijs

MFK

Meerjarig Financieel Kader

MIA

Milieu-investeringsaftrek

MIT

MKB Innovatiestimulering Topsectoren

MKB

Midden- en Kleinbedrijf

MOOI

Missie gedreven Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie

MSA

MARIN Stakeholders Association

MTR

Midterm Review

MVO

Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen

NADI

Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie

NBTC

Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen

NCG

Nationaal Coördinator Groningen

NCC

Nationaal Coördinatiecentrum

NCSC

Nationaal Cyber Security Centrum

NEN

Nederlands Normalisatie Instituut

NFB

Nota Frequentiebeleid

NFIA

Netherlands Foreign Investment Agency

NGF

Nationaal Groeifonds

NIS2

Europese Richtlijn voor Netwerk-en informatiebeveiliging

NLAIC

Nederlandse AI Coalitie

NLDTIB

Nederlandse Defensie Technologische Industriële Basis

NLR

Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium

NOLAI

Nationaal Onderwijslab AI

NOM

Investerings- en ontwikkelingsmaatschappij voor Noord - Nederland

NMC

Nota Mobiele Communicatie

NMO

Nederlands Materialen Observatorium

NPCE

Nationaal Programma Circulaire Economie

NRG

Nuclear Research and consultancy Group

NSP

Nationaal Strategisch Plan

NTS

Nationale Technologie Strategie

NVWA

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

NWA Lijn 2

Nationale Wetenschapsagenda lijn 2

NWO

Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek

OCW

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Oost NL

De ontwikkelingsmaatschappij van Oost-Nederland

PIANOo

Professioneel en Innovatief Aanbesteden Netwerk voor Overheidsopdrachtgevers

POK

Parlementaire Ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag

POP

Plattelandsontwikkelingsprogramma

PPS

Publiek- Private Samenwerking

R&D

Research & Development

RDI

Rijksinspectie Digitale Infrastructuur

REV

Ruimtelijk Economische Visie

RHB

Rijks Hoofdboekhouding

RIVM

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

RKI's

Rijkskennisinstellingen

ROM

Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen

RPE

Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek

RVB

Rijksvastgoedbedrijf

RVO.nl

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

RTHF

Regeling Tegemoetkoming Herplaatsing Flexwoningen

RVIT

Regeling Veiligheid en Integriteit Telecommunicatie

RWS

Rijkswaterstaat

RWT

Rechtspersonen met een Wettelijke taak

SAH

Subsidie Aardgasvrije Woningen

SBIR

Small Business Innovation Research

SDE+

Stimulering Duurzame Energieproductie

SEA

Strategische Evaluatie Agenda

SEG22

Subsidieregeling Evenementengarantie

SDS

Subsidieregeling Duurzame Scheepsbouw

SGR

Stichting Garantiefonds Reisgelden

S&O

Speur- en Ontwikkelingswerk

SLA

Service Level Agreement

SMET

Europese Taskforce interne-markthandhaving

SodM

Staatstoezicht op de Mijnen

SSO

Shared Service Organisatie

STW

Stichting voor de Technische Wetenschappen

SVOH

Subsidie verduurzaming onderhoud huurwoningen

SZW

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

TDI

Taskforce Diversiteit en Inclusie

TEK

Tegemoetkoming energiekosten mkb

TKI's

Topconsortia voor Kennis en Innovatie

TLB

Territoriale Leveringsbeperkingen

TNO

Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek

TO2

Toegepast Onderzoek Organisaties

TOGS

Tegemoetkoming Ondernemers Getroffen Sectoren COVID-19

TRSEC

Tijdelijke Regeling Subsidie Evenementen Covid-19

TTT

Thematische Technology Transfer

TTW

Toegepaste en Technische Wetenshappen

TVL

Tegemoetkoming vaste lasten

UPD

Universele Postdienst

UPNL

Uitvoeringsplatform Nationale regelingen

VAMIL

Willekeurige afschrijving milieu-investeringen

VES

Vaste Eenmalige Schadevergoeding

Vifo

Veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames

VFF

Vroegefasefinanciering

VRO

Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

VSL

Van Swinden Laboratorium

VWS

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

WaU

Werk aan Uitvoering

WBSO

Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk

WHOA

Wet Homologatie Onderhands Akkoord

WODC

Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum

Woo

Wet open overheid

WOZT

Wet Ongewenste Zeggenschap Telecommunicatie

WTS

Wet Tegemoetkoming Schade bij rampen

ZBO

Zelfstandig Bestuursorgaan

Licence