XVII Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp
GEREALISEERDE UITGAVEN EN ONTVANGSTEN
Figuur 1 Gerealiseerde uitgaven verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x €1 mln.). Totaal €

Figuur 2 Gerealiseerde ontvangsten verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x €1 mln.). Totaal €

A. ALGEMEEN
1 1. Aanbieding van het jaarverslag en verzoek tot dechargeverlening
AAN de voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.
Hierbij bied ik het jaarverslag met betrekking tot de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp over het jaar 2025 aan.
Onder verwijzing naar de artikelen 2.37 en 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp decharge te verlenen over het in het jaar 2025 gevoerde financiële beheer.
Voor de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening stelt de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 7.14 van de Comptabiliteitswet 2016 een rapport op. Dit rapport wordt op grond van artikel 7.15 van de Comptabiliteitswet 2016 door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden. Het rapport bevat de bevindingen en het oordeel van de Algemene Rekenkamer over:
a. het gevoerde begrotingsbeheer, financieel beheer, materiële bedrijfsvoering en de daartoe bijgehouden administraties van het Rijk;
b. de centrale administratie van de schatkist van het Rijk van het Ministerie van Financiën;
c. de financiële verantwoordingsinformatie in de jaarverslagen;
d. de totstandkoming van de niet-financiele verantwoordingsinformatie in de jaarverslagen;
e. de financiële verantwoordingsinformatie in het Financieel jaarverslag van het Rijk.
Bij het besluit tot dechargeverlening worden verder de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken betrokken:
a. het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2025
b. het voorstel van de slotwet dat met het onderhavige jaarverslag samenhangt;
c. het rapport van de Algemene Rekenkamer over het onderzoek van de centrale administratie van de schatkist van het Rijk en van het Financieel jaarverslag van het Rijk;
d. de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer over de in het Financieel jaarverslag van het Rijk, over 2025 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten over 2025, alsmede over de saldibalans over 2025 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 7.14, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2016.
Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen en voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.
Minister van Buitenlandse Handel en OntwikkelingssamenwerkingS.W.Sjoerdsma
Dechargeverlening door de Tweede Kamer
Onder verwijzing naar artikel 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van
De Voorzitter van de Tweede Kamer,
Handtekening:
Datum:
Op grond van artikel 2.40, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2016 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.
Dechargeverlening door de Eerste Kamer
Onder verwijzing naar artikel 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 verklaart de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van
De Voorzitter van de Eerste Kamer,
Handtekening:
Datum:
Op grond van artikel 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, doorgezonden aan de Minister van Financiën.
2. Leeswijzer
In deze leeswijzer wordt de indeling van het jaarverslag voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp (BHO) toegelicht. In die gevallen waarin afwijkingen van de Rijksbegrotingsvoorschriften voorkomen, wordt dit beschreven. Het jaarverslag 2025 vormt in principe een spiegel van de memorie van toelichting zoals deze op Prinsjesdag 2024 aan de Kamer is aangeboden. Daarom wordt in dit jaarverslag ook nog de benaming 'Buitenlandse Handel en Ontwikkelinghulp' en «BHO» gebruikt, en niet de nieuwe benaming 'Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking' en «BHOS» zoals bepaald door het nieuwe kabinet. Met ingang van de Ontwerpbegroting 2027 zal de naam van het begrotingshoofdstuk aangepast worden.
De jaarverslagen van Buitenlandse Zaken (BZ) en Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp (BHO) dienen in nauwe samenhang te worden bezien. De inzet op het Nederlandse buitenlandbeleid komt tot uitdrukking in de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS). Door deze bundeling wordt de onderlinge samenhang geïllustreerd en samenwerking en afstemming binnen de betrokken ministeries bevorderd.
Buitenlandse betrekkingen zijn een zaak van het Koninkrijk der Nederlanden: Nederland in Europa, Aruba, Curaçao en Sint-Maarten, alsmede de Nederlandse openbare lichamen in het Caribisch gebied (Bonaire, Sint-Eustatius en Saba). Waar dit jaarverslag spreekt over «Nederland» of «Nederlands» wordt daarmee bedoeld: «(van) het Koninkrijk der Nederlanden», tenzij het gaat om zaken die specifiek het land Nederland betreffen, zoals het EU-lidmaatschap en ontwikkelingshulp.
Focusonderwerp
De Tweede Kamer heeft als focusonderwerp van de Algemene Rekenkamer voor het Jaarverslag 2025 aangewezen «Risico’s voor de goede inning en besteding van belasting- en premiegeld». Hierop zal gereflecteerd worden in het beleidsverslag. Omdat BHO een programmahoofdstuk betreft, zal hier ingegaan worden op risico's binnen beleid. Voor risico's binnen de bedrijfsvoering wordt verwezen naar het Jaarverslag van Buitenlandse Zaken.
Beleidsverslag
Het beleidsverslag begint met de beleidsprioriteiten. Daarna is een tabel opgenomen met de realisatie van de periodieke rapportages en een overzicht van risicoregelingen. Artikelsgewijs is op hoofdlijnen gerapporteerd over de resultaten van 2025, waarbij ingegaan wordt op de algemene doelstelling, de rol en verantwoordelijkheid van de Minister van BHO en de beleidsconclusies. In de beleidsconclusies is per artikel aangegeven welke beleidswijzigingen hebben plaatsgevonden in de uitvoering van het beleid en welke beleidswijzigingen hebben plaatsgevonden als gevolg van het in 2025 afgeronde evaluatieonderzoek.
Rapportage over resultaten
In de begroting voor 2025 zijn voor de negende keer indicatoren en streefwaarden opgenomen (waarmee uitvoering is gegeven aan motie Smaling, Kamerstuk 34 300-XVII, nr. 70). Deze indicatoren zijn te vinden in bijlage 4 van dit jaarverslag, waarin een nadere toelichting en analyse per indicator is opgenomen. De behaalde resultaten zijn conform de toezegging in de genoemde brief van 15 september 2017 in dit jaarverslag opgenomen. In 2025 is in samenwerking met de Algemene Rekenkamer en de rapporteurs van uw Kamer gewerkt aan een nieuwe verantwoordingssystematiek (zie ook Kamerstuk 36 800-XVII, nr. 20). Dit Jaarverslag is nog opgesteld conform de geldende verantwoordingssystematiek ten tijde van begroting 2025. 2026 zal een overgangsjaar zijn. In 2027 wordt de nieuwe systematiek van kracht.
Budgettaire gevolgen van beleid en toelichting
In de tabel budgettaire gevolgen van beleid zijn de verschillen tussen de begroting en de realisatie 2025 opgenomen. Voor de uitgaven worden ondergrenzen gehanteerd zoals vermeld in de Rijksbegrotingsvoorschriften 2026: EUR 2 miljoen voor beleidsmatige mutaties en EUR 4 miljoen voor technische mutaties bij een begrotingsartikel met een omvang tussen EUR 50 miljoen en EUR 200 miljoen, en resp. EUR 5 miljoen en EUR 10 miljoen bij een begrotingsartikel met een omvang tussen EUR 200 miljoen en EUR 1.000 miljoen. Bij de verplichtingen en ontvangsten is een afwijking groter dan 10% op artikelniveau toegelicht. Waar nodig, is verwezen naar de Eerste suppletoire begroting, de September suppletoire begroting, de Tweede suppletoire begroting en de Decemberbrief.
In de budgettaire tabellen in het jaarverslag is geen onderscheid gemaakt tussen decommitteringen op oude en nieuwe verplichtingen. Alle decommitteringen worden ten gunste van de begroting gebracht.
In lijn met de toezegging aan de Kamer over het jaarverslag en de Slotwet 2012 is in het BHO-jaarverslag (onder het beleidsartikel) opgenomen of de geplande uitgaven aan een landenprogramma voor een thema lager of hoger uitvallen. Alleen afwijkingen groter dan EUR 5 miljoen zijn toegelicht. De realisaties op de landenprogramma’s zijn opgenomen in het HGIS-jaarverslag 2025.
Departementale verantwoordingsstaat en saldibalans
Verschillen in de totalen tussen de verantwoordingsstaat en de saldibalans zijn het gevolg van afrondingen.
Overige onderdelen van het jaarverslag
Na de beleidsprioriteiten en beleidsartikelen volgt de bedrijfsvoeringparagraaf waarin de belangrijkste tekortkomingen en risico’s in het begrotingsjaar worden benoemd. Ten slotte volgt de jaarrekening van BHO en vijf bijlagen:
1. Toezichtrelaties zelfstandige bestuursorganen en rechtspersonen met een wettelijke taak
2. Afgerond evaluatie- en overig onderzoek
3. Sanctiebeleid en Misbruik en oneigenlijk gebruik
4. Toelichting op de streefwaarden en indicatoren
5. Budgettair overzicht Oekraïne
Voor de externe inhuur en het overzicht WNT-verantwoording 2025 wordt verwezen naar het jaarverslag van het moederdepartement, Buitenlandse Zaken.
Bedrijfsvoeringsparagraaf
In de bedrijfsvoeringparagraaf worden de belangrijkste tekortkomingen en risico’s in het begrotingsjaar benoemd. In de uitvoering van het beleid op het terrein van BHO wordt gebruik gemaakt van het apparaat van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Het is om deze reden dat in de bedrijfsvoeringparagraaf wordt verwezen naar de bedrijfsvoeringparagraaf in het jaarverslag van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Uitzondering hierop zijn de onderdelen rechtmatigheid, de totstandkoming van de beleidsinformatie en de procesmatige beheersing van de activiteitencyclus. Bij de uitsplitsing van de begroting in 2013 in het begrotingshoofdstuk V Buitenlandse Zaken en het begrotingshoofdstuk XVII Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp zijn in navolging van een verzoek van de Algemene Rekenkamer de verantwoordelijkheden van de ministers ten aanzien van de bedrijfsvoering expliciet vastgelegd. De Minister van Buitenlandse Zaken is verantwoordelijk voor de integrale bedrijfsvoering, met uitzondering van de procesmatige beheersing van de activiteitencyclus. De belangrijkste reden voor deze splitsing is dat het merendeel van de projecten en programma’s in het kader van ontwikkelingshulp wordt uitgevoerd. De huidige opzet van het activiteitenbeheer is gestoeld op de afspraken die de toenmalige Minister voor Ontwikkelingshulp met de Tweede Kamer in 1998 heeft gemaakt over de reikwijdte van de ministeriële verantwoordelijkheid voor de rechtmatigheid van besteding van middelen. Het voorschottenbeleid en beheer is daarom in het onderdeel financieel- en materieelbeheer in de bedrijfsvoeringparagraaf van hoofdstuk XVII opgenomen.
Groeiparagraaf
Voor betere coördinatie op het Oekraïne-dossier is besloten om in de Begrotingen 2025 van BHO en BZ een separaat subartikel voor Oekraïne in te richten. Op de BHO-begroting worden de budgetten voor steun aan Oekraïne gebundeld onder subartikel 5.3. Bestaande budgetten op de BHO-begroting voor de financiering van steun aan Oekraïne worden overgebracht naar dit nieuwe subartikel. Hieronder vallen onder andere de thema’s wederopbouw en humanitaire hulp.
HGIS-jaarverslag
De Nederlandse uitgaven voor buitenlands beleid, die op verschillende departementale begrotingen staan, zijn gebundeld in de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS). In aanvulling op de departementale jaarverslagen geeft het HGIS-jaarverslag een integraal overzicht van de besteding van middelen voor buitenlands beleid. Samen met de jaarverslagen van BZ en BHO, wordt het HGIS-jaarverslag 2025 aangeboden aan het parlement.
Grondslagen voor de vastlegging en de waardering
De verslaggevingsregels en waarderingsgrondslagen die van toepassing zijn op de in dit jaarverslag opgenomen financiële overzichten zijn ontleend aan de Comptabiliteitswet 2016 en de daaruit voortvloeiende regelgeving, waaronder de Regeling Rijksbegrotingsvoorschriften 2026. Voor de departementale begrotingsadministratie wordt het verplichtingen-kasstelsel toegepast. Verder werkt het Ministerie van Buitenlandse Zaken met een vooraf vastgestelde wisselkoers ten opzichte van buitenlandse valuta (de corporate rate). Deze koers wordt samen met de presentatie van de begroting vastgesteld. Ontvangsten worden verantwoord op de ontvangsten artikelonderdelen van beleidsartikel 5 met uitzondering van de ontvangsten op risicoregelingen van beleidsartikel 1.
Controleverklaring en auditrapport
In het kader van de wettelijke controletaak voert de Auditdienst Rijk jaarlijks onderzoek uit naar: a. de financiële verantwoordingsinformatie in de jaarverslagen, bedoeld in de artikelen 1.1 en 2.31 van de Comptabiliteitswet 2016; b. de niet-financiële verantwoordingsinformatie in de jaarverslagen, bedoeld in de artikelen 1.1 en 2.31 van de Comptabiliteitswet 2016.
Daarnaast voert de Auditdienst Rijk onderzoek uit naar het begrotingsbeheer, het financieel beheer, de materiële bedrijfsvoering en de daartoe bijgehouden administraties van het Rijk.
Over de belangrijkste bevindingen van deze onderzoeken en van eventuele onderzoeken naar overige aspecten van de bedrijfsvoering brengt de ADR-verslag uit in het jaarlijkse auditrapport waarin zowel hoofdstuk V als XVII zijn opgenomen.
B. BELEIDSVERSLAG
3. Beleidsprioriteiten
Het jaar 2025 werd gekenmerkt door een toename van gewelddadige conflicten terwijl de wereldorde aan grote veranderingen onderhevig was. Terwijl de Russische agressie in Oekraïne onverminderd doorgang vond, tegelijkertijd zagen we ook een toename van conflicten elders. In Soedan vond grootschalig etnisch geweld plaats met miljoenen ontheemden tot gevolg. De voortdurende oorlog in Gaza zorgde voor grootschalig leed en humanitaire tekorten, waarbij de respons van hulporganisaties werd bemoeilijkt door ernstige toegangsbelemmeringen. Ook werd 2025 getekend door toenemende handelsconflicten wereldwijd en een onvoorspelbaar handelsbeleid van de Verenigde Staten. Tegelijkertijd werd het nog duidelijker dat de fragmentatie van de internationale wereldorde doorzet en wordt gekenmerkt door de vorming van nieuwe coalities, de opkomst van middenmachten, een groeiende invloed van landen in het mondiale Zuiden op de internationale politiek en wereldeconomie, zo beschrijft ook de Adviesraad voor Internationale Vraagstukken1. De portefeuille van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp liet in 2025 zien dat het bij uitstek beschikt over instrumenten om deze partnerschappen te versterken als onderdeel van geïntegreerd buitenlandbeleid. In 2025 presenteerde het kabinet de beleidsbrief Ontwikkelingshulp (Kamerstuk 36180, nr. 133) en de beleidsbrief Buitenlandse Handel (Kamerstuk 36180, nr. 164) beiden gericht op de veranderende machtsverhoudingen in de wereld.
In 2025 zette het vorige kabinet een nieuwe politieke koers in op het gebied van Buitenlandse Handel. Door de veranderende internationale verhoudingen wordt het kabinet gedwongen nieuwe prioriteiten te stellen. Steeds vaker moeten we daarbij keuzes maken tussen wat goed is voor onze economie (welvaart), wat ons land veilig houdt (weerbaarheid), en wat we belangrijk vinden in de wereld (onze waarden). De verschuivende machtsverhoudingen in de wereld maken deze afwegingen alleen maar duidelijker. Daarom koos het kabinet er voor om in het handelsbeleid onze welvaart en de weerbaarheid van onze economie voorop te zetten.
Met het ontwikkelingshulpbeleid, zoals gepresenteerd in de beleidsbrief Ontwikkelingshulp richtte Nederland zich in 2025 sterker dan voorheen op de wederzijdse belangen tussen Nederland en derde landen: op handel en economie, veiligheid en stabiliteit, en migratie. Daarbij heeft Nederland zich gefocust op thema’s waar Nederland internationaal op wordt bevraagd en waar we in uitblinken: voedselzekerheid, water en gezondheidszorg. Door middel van samenwerking met landen op deze thema’s, draagt Nederland bij aan sociaaleconomische ontwikkeling in landen waar bijvoorbeeld het Nederlandse bedrijfsleven groot potentieel ziet, of om irreguliere migratie tegen te gaan. In dit jaarverslag wordt de uitvoering van deze beleidsbrief inzichtelijk gemaakt. Daarnaast bleef Nederland zich ook in 2025 inzetten voor mensen in nood. Hierdoor blijft Nederland een betrouwbare internationale partner, met oog voor de belangen van Nederland.
Oekraïne
Nederland is een belangrijke bondgenoot van Oekraïne sinds de grootschalige Russische invasie in 2022. Nederland steunt Oekraïne actief en onverminderd: politiek, militair, financieel en moreel, ook op het gebied van herstel en wederopbouw. De niet-militaire steun welke in 2025 beschikbaar is gesteld bedroeg EUR 252 miljoen, gefinancierd uit generale middelen, toegevoegd aan de BHO-begroting. Een deel van het budget is als non-ODA ingezet via de BZ-begroting. Naast de EUR 252 miljoen gaf BHO ook middelen uit het reguliere ODA-budget uit aan Oekraïne. In de bijlage van het jaarverslag is een tabel opgenomen met daarin een overzicht van de totaal gerealiseerde Oekraïnesteun. De nadruk van de Nederlandse steun lag vooral op het herstel van kritieke infrastructuur (energie- en drinkwatervoorzieningen, woningen en ziekenhuizen), humanitaire hulp, ontmijning van landbouw- en woongebieden en (mentale) gezondheid. In 2025 werd Oekraïne zwaar getroffen door gerichte Russische aanvallen op de energie-infrastructuur met uitval van gas en stroom door het hele land als gevolg. Nederland speelde een voortrekkersrol door als eerste betrokken donor EUR 10 miljoen te mobiliseren om cruciale gasaankopen in Oekraïne mogelijk te maken na hevige aanvallen door Rusland. Wat betreft energiesteun aan Oekraïne financierde Nederland o.a. het Ukraine Energy Support Fund en energieprojecten van de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling. Via laatstgenoemde werd bijvoorbeeld bijgedragen om nieuwe investeringen in hernieuwbare en koolstofarme energieopwekking, energieopslag en energie-efficiëntie mogelijk te maken, zodat hiermee de energiezekerheid kan worden vergroot. Ook leverde Nederland materiele steun aan Oekraïne. Eind 2025 heeft Nederland energiegoederen en materieel aan Oekraïne gedoneerd; deze goederen zijn met 22 vrachtwagens naar Oekraïne vervoerd. De totale waarde van deze steun bedroeg EUR 3,7 miljoen.
De samenwerking met het bedrijfsleven bij de wederopbouw heeft in 2025 verder vormgekregen. Tijdens de Ukraine Recovery Conference (URC) in juli 2025 tekenden Nederland en Oekraine een Memorandum of Understanding over de verlenging van de Ukraine Partnership Facility (UPF) met een derde ronde van EUR 30 miljoen. De openstelling voor subsidieaanvragen voor deze ronde is gestart op 30 januari 2026. Onder leiding van de nieuwe Speciaal Gezant Wederopbouw en Bedrijfsleven in Oekraïne meer dan 30 Nederlandse bedrijven in de energie-, water- en circulaire bouwsector deel aan de Rebuild Ukraine beurs in Warschau voor o.a. matchmaking met Oekraïense bedrijven. Nederlandse bedrijven verlieten de beurs met concrete leads voor nieuwe opdrachten (o.a. in ziekenhuisprojecten, lokale energievoorziening, havensamenwerking) en nieuwe contacten zoals Oekraïense samenwerkingspartners voor UPF.
In Oekraïne is met Nederlandse steun en in samenwerking met het prinses Maxima Centrum begonnen met de bouw van een kinderoncologie centrum met operatiefaciliteit in Lviv. Ook is in samenwerking met het Oekraïense ministerie van Gezondheid, de WHO en Sanquin een project gestart ter versterking van het bloedtransfusie systeem in Oekraïne.
Daarnaast stelde Nederlandse financiering ook in 2025 humanitaire partners in staat om de ernstigste humanitaire noden in Oekraïne te verminderen. Dit kon niet wegnemen dat de VN zich als gevolg van Amerikaanse en wereldwijde bezuinigingen op humanitaire hulp ook in Oekraïne gedwongen zag de al scherp gestelde prioriteiten voor 2025 in het voorjaar nog verder terug te schroeven en nog meer toe te spitsen op alleen kwetsbare gemeenschappen nabij de frontlinie en in opvanglocaties. Nederland bleef een belangrijke donor op humanitair gebied, onder andere via het Internationale Comité van het Rode Kruis en via het humanitaire landenfonds voor Oekraïne van de Verenigde Naties. Ook droeg Nederland bij aan Oekraïense inspanningen om de toenemende psychische noden als gevolg van de oorlog te behandelen, met name voor veteranen, in samenwerking met het Oekraiense Ministerie van Gezondheid en expertisecentrum ARQ, alsmede met de EU Assistance Mission (EUAM) in Oekraine.
Vanuit het artikelonderdeel 2.2 water is ondersteuning geleverd aan vijf drinkwaterbedrijven in zwaar getroffen regio’s dichtbij de frontlinie tussen Oekraïne en Rusland: Kherson, Pokrov, Kramatorsk, Nikopol and Marganets. Zij zijn ondersteund op drie gebieden: investeringen in automatisering en operationele efficiëntie; technische assistentie door Nederlandse experts, en het opstellen van haalbaarheidsstudies op het gebied van infrastructuur. Hierdoor hebben 205.000 Oekrainers toegang gekregen tot drinkwater en 200.000 tot sanitaire voorzieningen. In oktober is een tweede fase gestart. De drinkwaterbedrijven worden verder ondersteund op de drie aandachtsgebieden. Ook zal een nationaal trainingscentrum voor de drinkwater en sanitatie sector in Lviv worden opgezet.
Buitenlandse Handel
Resultaten instrumentarium
Het kabinet ondersteunde in 2025 Nederlandse bedrijven die internationaal actief zijn. Vanwege wisselingen van bewindspersonen was het een uitdaging voldoende economische missies op te zetten. Door inzet van andere bewindspersonen of een Directeur-Generaal is het streven van 10 economische missies in 2025 gehaald. Achtereenvolgens Kenia, Italië, Frankrijk, Indonesië, Japan (twee keer i.v.m. de Expo), Zwitserland, India, Vietnam en Saoedi-Arabië. Ook zijn stappen gezet om de economische missies nog beter te laten aansluiten op de wensen van het bedrijfsleven, onder meer door een nauwere samenwerking met VNO-NCW bij de planning en voorbereiding ervan. Zo wordt de private sector nu via o.a. brancheorganisaties en VNO-NCW al betrokken in de planningsfase en spelen ze nu een grotere rol tijdens de gehele voorbereiding. We bepalen in nauwe samenwerking o.a. naar welke markten en sectoren missies worden georganiseerd en wat de juiste timing van zo’n missie is.onder meer door een nauwere samenwerking met VNO-NCW bij de planning en voorbereiding ervan. Voor meer inzage in de resultaten van deze en andere missies verwijzen we naar de Kamerbrief rapportage economische missies 2024 en ontwikkelingen internationalisering Nederlands bedrijfsleven (Kamerstuk 36600-XVII, nr. 77).
Uitvoeringsorganisaties
In 2025 is besloten tot de integratie van Invest International en Invest-NL tot één krachtige investeringsinstelling. Het streven is dat de integratie op 1 januari 2028 zal plaatsvinden. Voor Invest International is tot en met het jaar 2028 EUR 350 miljoen aan additionele financiering gereserveerd ten behoeve van haar kernkapitaal. In 2025 is Invest International begonnen aan de ontwikkeling van een financieringsinstrument voor kritieke grondstoffen. Het functioneren van NFIA in de periode 2019-2023 is in 2025 geëvalueerd (Kamerstuk 32637, nr. 719). Uitkomst was dat de inzet van NFIA legitiem en doeltreffend is, maar dat de doelmatigheid door een wereldwijde terugloop van buitenlandse investeringen is afgenomen. Aanbevelingen om de doelmatigheid te verbeteren worden in 2026 opgepakt. In 2025 is ingezet op het verder innoveren van de exportkrediet-verzekering (ekv). Een voorbeeld is de innovatiedekking, die het mogelijk maakt om investeringen in sleuteltechnologieën in Nederland te verzekeren. Een ander voorbeeld van innovatie van het instrumentarium is de mogelijkheid om projecten te verzekeren die bijdragen aan de leveringszekerheid van kritieke grondstoffen en duurzame brandstoffen. Begin 2025 is besloten om de uitvoering van de ekv aan te besteden. In december 2025 is de Kamer geïnformeerd over de aanbesteding (Kamerstuk 26485, nr. 460). De aanbesteding vangt aan in januari 2026 en de definitieve gunning zal naar verwachting eind 2026 de plaatsvinden.
Dienstverlening en regeldruk
In reactie op het verzoek in Motie Kamminga-Van der Plas om met voorstellen te komen om regel- en verantwoordingsdruk te verminderen is in 2025 een (extern) onderzoek gestart naar de toegankelijkheid van het handelsinstrumentarium (Kamerstuk 36600-XVII, nr. 25). Voornemen is om in het tweede kwartaal van 2026 over de resultaten te rapporteren.
Investeren in een toekomstbestendig handels- en investeringssysteem
Door de flink toegenomen handelsspanningen ging er in 2025 veel capaciteit en aandacht naar het ondersteunen en bevorderen van het op regels gebaseerd mondiaal handels- en investeringssysteem. Voor de 14e Ministeriële Conferentie van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), die in maart 2026 in Kameroen plaatsvindt, is in 2025 een kaderinstructie opgesteld. In de instructie staan de prioriteiten en inzet van het Koninkrijk der Nederlanden binnen het multilaterale handelssysteem. Het succes van Nederlandse bedrijven wordt in grote mate bepaald door een stabiel en voorspelbaar ondernemersklimaat. De Nederlandse inzet richt zich daarom onder andere op het behouden van de basisprincipes van het op regels gebaseerde handelssysteem en op het verbeteren van het gelijk speelveld tussen landen. Het kabinet zet zich in voor een assertief EU-handelsbeleid gericht op het bewaken en herstellen van het gelijke speelveld. In 2025 heeft de EU voor de eerste keer het International Procurement Instrument (IPI) ingezet om de toegang voor Chinese aanbieders tot Europese aanbestedingsprocedures voor medische apparatuur te beperken, een sector waar Nederland belangen heeft (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3185). In oktober publiceerde de Europese Commissie voorstellen ter bescherming van de EU staalsector tegen de effecten van wereldwijde overcapaciteit. De Nederlandse inzet richtte zich op een goede balans tussen de belangen van producenten en verwerkers. In december werd een Raadspositie vastgesteld waarin die balans beter is geborgd.
In april 2025 kondigde president Trump aan de tarieven voor vrijwel alle handelspartners significant te verhogen. Nederland droeg actief bij aan het EU pakket rebalancerende maatregelen. Nederland ondersteunde de inzet van de Europese Commissie om tot een onderhandelde uitkomst met de VS te komen en heeft daarbij ingezet op uitzonderingen van Amerikaanse importtarieven voor zoveel mogelijk sectoren waar Nederland exportbelangen heeft. Hetgeen leidde tot de gezamenlijke EU-VS verklaring waarover de Tweede Kamer op 26 augustus 2025 werd geïnformeerd (Kamerstuk 21501-02, nr. 3221). In september 2025 legde de Europese Commissie het EU-Mercosur akkoord en de modernisering van het bestaande EU-Mexico akkoord ter goedkeuring voor aan de Raad. Een appreciatie van beide akkoorden inclusief de Nederlandse kabinetspositie is in december 2025 met de Kamer gedeeld (Kamerstuk 31985-107 en Kamerstuk 21501-02, nr. 3271). Voorts zijn de onderhandelingen met Indonesië afgerond. Verder zijn onderhandelingen met de Verenigde Arabische Emiraten geopend, evenals onderhandelingen over een digitaal handelsakkoord met Canada, een duurzaam investeringsfacilitatie-akkoord met Ivoorkust. Ook is voortgang geboekt in de onderhandelingen met India, hetgeen leidde tot een akkoord begin 2026. En is er voortgang geboekt in onderhandelingen met Thailand, de Filipijnen en Maleisië. Uw Kamer is hierover regulier geïnformeerd via de voortgangsrapportage handelsakkoorden die driemaandelijks als bijlage bij de geannoteerde agenda’s voor de Raden Buitenlandse Zaken Handel wordt verstuurd.
Aanpak risico’s van afhankelijkheden
Op 12 februari 2025 is het Nederlands Materialen Observatorium (NMO) officieel geopend. Het NMO geeft uitvoering aan de doelstellingen en vereisten die de Nationale Grondstoffenstrategie (NGS) en de EU Critical Raw Materials Act (CRMA) stellen op het gebied van onderzoek en informatievoorziening over kritieke grondstoffen. In het kader van diversificatie en handelsbevordering bezocht voormalig minister Klever in maart de grootste mijnbouwbeurs ter wereld, de PDAC in Canada. Ze voerde hier gesprekken met collega’s uit grondstofrijke landen. Ook tekende ze een Letter of Intent met de Canadese provincie Quebec. Met het RVO-instrumentarium is een aantal handelsmissies met een behoorlijke grondstoffencomponent georganiseerd naar o.a. Kazakhstan en Oezbekistan. In het kader van versterking van grondstoffenketens zet het kabinet ook in op beter bestuur, aanpak van misstanden in de keten en lokale waardetoevoeging. Hiertoe zijn de bijdragen aan de Extractives Industries Transparency Initiative en het European Partnership for Responsible Minerals geïntensiveerd. In 2025 is ingezet op een internationale aanpak voor het versterken van verdienkansen vanuit waardeketens van nieuwe energie-technologieën en duurzame industrie. Strategische autonomie, energieleveringszekerheid en betaalbare energie zijn daarbij de belangrijkste pijlers. Middels de Partners for International Business-programmering (PIBs) worden programma’s gerealiseerd op waterstof in Japan, Chili, Australië, Golfregio (Oman, Verenigde Arabische Emiraten, Saoedi-Arabië), maar ook op wind-op-zee in Polen, Ierland, Finland en de Baltische Staten, en op het gebied van duurzame energie in Oekraïne. Ook is afgelopen jaar een Strategische Meerjarige Marktbewerking (SMM) traject gestart op waterstof in Duitsland. In december 2025 vond een economische missie op groene waterstof en kritieke grondstoffen naar Saoedi-Arabië plaats.
Beleid en uitvoering exportcontrole strategische goederen
In 2025 heeft de EU op verzoek van de lidstaten EU-brede controles ingesteld voor 24 dual-use goederen en technologieën. Met uniforme controles is de EU beter in staat opkomende technologieën te controleren. Uniforme controles zijn tevens goed voor ons bedrijfsleven omdat het een gelijk speelveld creëert binnen de interne markt. Dit is een belangrijke stap van de EU op het gebied van versterkte Europese coördinatie, een belangrijke beleidsinzet van Nederland. In 2025 en 2026 is Nederland voorzitter van het technische overlegorgaan (Experts Group) van het ‘Wassenaar Arrangement’. Nederland zal ook in het tweede jaar van zijn voorzitterschap zijn bijdrage leveren aan de non-proliferatiedoelstellingen van het regime. Er is in 2025 opnieuw actief onderzoek gedaan naar sanctieomzeiling en er is proactief samengewerkt met de Douane om met deze informatie sanctieomzeiling tegen te gaan. Daarnaast zijn er op basis van onderzoek vele nieuwe entiteiten geïdentificeerd die zijn voorgedragen voor handelsbeperkende maatregelen, vanwege betrokkenheid bij sanctieomzeiling. Ook droeg Nederland middels diverse voorstellen bij aan het verbeteren van bestaande EU-sanctiewetgeving, om de effectiviteit van de sancties te vergroten en de administratieve lasten voor het bedrijfsleven te beperken. In het kader van bewustwording en informatiedeling heeft Buitenlandse Zaken ook dit jaar een exportcontroleseminar georganiseerd voor bedrijven en kennisinstellingen over exportcontrole-maatregelen en sancties. Ruim 250 vertegenwoordigers van diverse bedrijven namen hieraan deel. Op verzoek van de kennisinstellingen is in 2025 een e-learningmodule ontwikkeld in samenwerking met de RVO, bedoeld om onderzoekers voor te lichten over exportcontrole. Het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole wordt elke vijf jaar door de lidstaten herzien. De instemming van Frankrijk, Duitsland en Spanje (juni 2025) met Nederlandse toetreding tot het verdrag inzake exportcontrole in het defensiedomein is in dat kader eveneens een welkome ontwikkeling die het kabinet momenteel opvolgt middels een parlementair goedkeuringstraject.
Internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen
In februari 2025 kondigde de Europese Commissie het Omnibus I-pakket aan met als doel de regeldruk van verschillende Europese wetten, waaronder de CSDDD, terug te dringen. Hier is 9 december 2025 een voorlopig politiek akkoord over bereikt. Het is gelukt om hierin de risicogebaseerde benadering, prioriteit van Nederland tijdens de Brusselse onderhandelingen, beter te verankeren. Ook is voortgang gemaakt met de uitvoering van de Anti-dwangarbeidverordening met de start van het wetgevingsproces en voorlichting aan het bedrijfsleven. Gezien de komst van wetgeving is in 2025 de ondersteuning van het Nederlandse bedrijfsleven verder versterkt. Zo is de dienstverlening van het MVO-steunpunt bij RVO uitgebreid met vier verschillende tools2 en is het nieuwe Subsidieprogramma Verantwoord Ondernemen MKB (SVOM) gelanceerd om het mkb te ondersteunen bij het toepassen van gepaste zorgvuldigheid.3 Ook is de dienstverlening aan bedrijven vanuit het postennetwerk versterkt, o.a. door verbeterde informatievoorziening en de uitbreiding van het aantal regionale IMVO-beleidsmedewerkers. Onder leiding van de Sociaal Economische Raad (SER) zijn de sectoren natuursteen en metaal afgelopen jaar gestart met een IMVO sectorovereenkomst. Voor de textielsector wordt een tweetal modules ontwikkeld voor het tegengaan van dwangarbeid en verminderen van broeikasgassen. Het IMVO convenant voor de sector hernieuwbare energie liep in 2025 door en is verder gegroeid tot 57 deelnemers.
Vanuit het ontwikkelingssamenwerkings-instrumentarium wordt nadrukkelijk aangesloten op deze agenda. Partijen als IDH, Solidaridad en CBI zijn strategische partners die het werk van internationaal opererende bedrijven vergemakkelijken en ondersteunen. Hetzelfde geldt voor het Subsidie Programma Verantwoord Ondernemen (SPVO) bij RVO.
Publiek-Private Samenwerking (PPS)
Met VNO-NCW, het Ministerie van Economische Zaken (EZ) en RVO is binnen het kader van de publiek-private samenwerking verder gewerkt aan het versterken van het verdienvermogen van het Nederlandse bedrijfsleven. Onderdeel hiervan is een betere afstemming van het innovatie-, industrie- en handelsbeleid. Er zijn middelen toegewezen voor de uitwerking van internationale strategieën via publiek-private meerjarige programmering en er is ondersteuning gegeven aan de uitvoering van de innovatiepacten met Duitsland en Frankrijk. De internationale activiteiten van de regionale ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) zijn, in samenwerking met EZ, versterkt op basis van de prioriteiten van het kabinet op het gebied van handel en innovatie. Meerdere ROM’s van het Trade & Innovate-netwerk (TINL) zijn betrokken bij projecten voor meerjarige publiek-private programmering.
Wereldtentoonstelling
Door de succesvolle Nederlandse deelname aan de Expo 2025 Osaka is de bilaterale relatie tussen Nederland en Japan geïntensiveerd. Er vonden 143 evenementen plaats gedurende de zes maanden durende Expo en meer dan 1,2 miljoen bezoekers hebben het Nederlandse paviljoen bezocht. Tijdens zes economische of handelsmissies naar de Expo zijn 14 samenwerkingsovereenkomsten ondertekend, waaronder MoU’s tussen Holland Home of Wind Energy en de Japanse Floating Offshore Wind Technology Research Association, en tussen Japan Hydrogen Association en NLHydrogen. In het eerste kwartaal van 2026 zal de Kamer nader over de resultaten van de Nederlandse deelname aan de Expo worden geïnformeerd.
Ontwikkelingshulp
In 2025 heeft het kabinet de inzet van ontwikkelingshulp uitgevoerd conform de beleidsbrief Ontwikkelingshulp en de uitgangspunten zoals opgenomen in de Memorie van Toelichting bij de BHO-begroting 2025. De inzet is geconcentreerd op drie samenhangende Nederlandse belangen: handel en economie, veiligheid en stabiliteit, en migratie. Deze belangen vormden het kader voor landenkeuzes, thematische prioriteiten en de inzet van instrumenten en zijn in 2025 verder uitgewerkt. In lijn met de begroting BHO 2025 is sterker dan voorheen gestuurd op focus, effectiviteit en samenhang, ook met de hulp-handel agenda en het breder geïntegreerd buitenlandbeleid.
Handel en economie
In lijn met de bezuinigingsopdracht zoals aangekondigd in de begroting, heeft het kabinet in 2025 het budget voor artikelonderdeel 1.3 verlaagd. Daarna is het budget gedurende het jaar verhoogd door wijzigingen van en binnen het ODA-budget. Hierdoor heeft het kabinet in 2025 de samenwerking met het Nederlandse bedrijfsleven verder geïntensiveerd. Door als kabinet bij te dragen aan innovaties en het oplossen van lokale problemen helpen we bedrijven om hun marktpositie in opkomende markten verder te versterken. De Kamer werd eind 2025 nader geïnformeerd over de modernisering van het DRIVE-programma (Development Related Infrastructure Investment Vehicle) voor infrastructuur (Kamerstuk 36 180 nr. 184). Hiermee kunnen, binnen de kaders van de wet- en regelgeving van de EU en de OESO, Nederlandse bedrijven beter worden gepositioneerd voor de uitvoering van infrastructuurprojecten in het buitenland.
In 2025 is in de 14 combinatielanden4 goede voortgang geboekt bij de 22 combitracks, hoewel de snelheid verschilt per land. In verschillende combitracks is al sprake van concrete contracten, investeringen en opdrachten, andere tracks bevinden zich nog meer in het stadium van lokale marktontwikkeling. Er zijn inmiddels meer dan 600 bedrijven betrokken en de strategische waarde blijkt uit de actieve betrokkenheid van partnerlanden en -organisaties, de groeiende vraag naar samenwerking en de groeiende bereidheid tot gezamenlijke investeringen en langdurige partnerschappen. Zoals bijvoorbeeld in de combitrack tuinbouw in Zuid-Afrika waarbij recent op de plek van een voormalige kolenmijn een kas is geopend in Grootvlei waar klimaatslimme landbouwoplossingen worden gedemonstreerd en waar lokale gemeenschappen worden betrokken door trainingen.
Ook Invest International speelt een actieve rol in het aanjagen van private en publieke investeringen in deze landen. Zo heeft de organisatie twee zogeheten Dutch Desks voor Nederlandse bedrijven bij lokale banken in Nigeria en Kenia opgezet en vertegenwoordiging afgevaardigd in Zuid-Afrika en Vietnam. Door knelpunten weg te nemen op het terrein van toegang tot financiering, wet- en regelgeving, capaciteitsopbouw, vergroening en infrastructuur wordt dit momentum benut en opschaling van de combitracks bewerkstelligd. Voorbeelden van succesvolle combitracks zijn te vinden in o.a. Kenia (agrologistiek), Zuid-Afrika (tuinbouw), Vietnam (aquacultuur) en Nigeria (zonne-energie).
In lijn met de motie Kamminga (36550-XVII nr. 16) heeft Nederland goed gebruik gemaakt van de kansen die EU Delegated Cooperation biedt en daarmee de ontwikkelingsimpact op basis van Nederlandse kennis en kunde vergroot, mede in het licht van Global Gateway. Het bedrag dat Nederlandse geaccrediteerde organisaties (Ministerie van Buitenlandse Zaken, RVO, NUFFIC en FMO) in beheer hebben gekregen is in 2025 gestaag gegroeid tot een bedrag van EUR 243 miljoen aan EU-middelen. Naast directe financiële bijdragen zijn er ook EFSD+ garanties ontvangen. De hoeveelheid garanties is recent de EUR 1,8 miljard gepasseerd en zal naar verwachting in 2026 nog verder oplopen.
In het kader van de EU Global Gateway-strategie, zijn contracten ondertekend met de Europese Commissie voor een bedrag van EUR 7 miljoen aan EU-middelen voor het Lobito corridor project in Angola en EUR 17 miljoen voor het Northern corridor project in Oost-Afrika, te verkrijgen via Delegated Cooperation. Onder Global Gateway spelen VNG en het Havenbedrijf Rotterdam in Namibië een rol bij de uitvoering van activiteiten ten behoeve van een groene waterstof project. De benodigde studies worden mede door de EU en Invest International gefinancierd. Invest International heeft in 2025 haar aanmelding ingediend om door de Europese Commissie geaccrediteerd te worden als uitvoeringspartner onder Delegated Cooperation (het zogeheten pillar assessment). Hiermee worden de financieringsmogelijkheden voor internationaal opererende Nederlandse bedrijven, ook in het kader van de Global Gateway-strategie, vergroot. Verder heeft Nederland in 2025 in consultatie met het Nederlandse bedrijfsleven actief bijgedragen aan de oprichting van de Investment Hub. Dit wordt het centrale verwijzingsloket binnen de Commissie om Global Gateway-projectvoorstellen van bedrijven te ontvangen.
Lobito Corridor
In lijn met de nationale grondstoffenstrategie heeft Nederland in 2025 ingezet op diversificatie van toeleveringsketens voor kritieke grondstoffen door te investeren in de ontwikkeling van de Lobito Corridor. Er zijn verschillende consultaties geweest met het Nederlandse en het bredere Europese bedrijfsleven en de desbetreffende landen (Angola, DRC en Zambia) om te kijken naar de kansen en uitdagingen langs de Lobito Corridor. Het belang van gelijkwaardige partnerschappen en creëren van win-win proposities kwam helder naar voren tijdens het bezoek van de minister-president aan de AU-EU top die in november 2025 plaatsvond in Angola.
In lijn met de motie Kamminga (Kamerstuk 36 550-XVII, nr. 16) heeft Nederland, met een eigen inbreng van EUR 1 miljoen, in 2025 EUR 7 miljoen aan EU financiering gemobiliseerd voor de ontwikkeling van een logistiek platform. Dit Nederlands initiatief, aangestuurd door Invest International, vormt het motorblok binnen de EU Global Gateway strategie voor de Lobito Corridor. Dit logistieke platform is essentieel voor de ontwikkeling van het agrarisch potentieel van Angola. Het sluit ook aan bij de Angolese agenda om haar economie minder afhankelijk te maken van olie- en gasinkomsten en zal banen creëren voor vele jongeren. Het platform biedt ook kansen voor de ontwikkeling van verwerkingscapaciteit van kritieke grondstoffen in Angola, en voor Nederlandse expertise en investeringen in de agro logistieke sector daar.
Op internationale waardeketens werkt Nederland met bedrijven uit Nederland en ontwikkelingslanden aan transparante en veerkrachtige handelsketens. Focus daarbij zijn waardenketens die van belang zijn voor zowel Nederland als productielanden. In deze context hebben VNO-NCW en IDH met ondersteuning van het kabinet en andere initiatiefnemers het actieplan voedselzekerheid wereldwijd omgezet in een publiek-privaat plan van aanpak «agrohandel: zeker, veerkrachtig en duurzaam.» Hiermee blijven internationale ketens van voedsel en landbouwproducten toekomstbestendig.
In 2025 heeft DGGF1 (Dutch Good Growth Fund) aan 23 Nederlandse, veelal startende en MKB-ondernemers in ontwikkelingslanden en opkomende markten voor EUR 38 miljoen aan financieringskapitaal verstrekt. Een voorbeeld hiervan betreft financiering van investeringen door een Nederlands bedrijf in de agrisector in Oekraïne en uitbreiding van een Nederlands bedrijf in Ghana op het gebied van laboratoriumdiensten in de agrisector. In 2025 is vanuit DGGF 2 o.a. in het ‘Financial Inclusion Resilience Fund’ (FIRF) geïnvesteerd. Met deze DGGF investering van EUR 19,5 miljoen in totaal is nog eens EUR 85 miljoen extern kapitaal gemobiliseerd. Hiermee zijn, via 23 lokale financiële instellingen in 16 landen, ruim 450 mkb-bedrijven en 75.000 microbedrijven van financiering voorzien. In 2025 zijn onder DGGF3 er 12 verzekeringen afgesloten, met een totale waarde van EUR 7,4 miljoen.
In de eerste helft van 2025 ondersteunde het Orange Corners-programma 767 jonge ondernemers, waaronder 318 vrouwen, en verstrekte het Orange Corners Innovation Fund EUR 711.000 aan leningen aan 44 bedrijven. Het Challenge Fund for Youth Employment en het Youth Entrepreneurship and Innovation Fund van de African Development Bank ondersteunden bedrijven actief en droegen bij aan de creatie van directe banen.
Voedselzekerheid
In lijn met de bezuinigingsopdracht zoals aangekondigd in de begroting heeft het kabinet in 2025 het budget voor artikelonderdeel 2.1 verlaagd. Deze bezuiniging ging ten koste van nieuwe initiatieven zoals het Food Systems Resilience Programme (FSRP) van de Wereldbank.
In de beleidsbrief Ontwikkelingshulp (Kamerstuk 36 180, nr. 133) schetste het kabinet de contouren van het nieuwe voedselzekerheidsbeleid gericht op de Nederlandse handels-, migratie- en veiligheidsbelangen. Daarbij richt Nederland zich op het versterken van lokale voedselproductie, koppelen we onze investeringen aan grotere regionale programma’s, en zetten we ons met actieve voedseldiplomatie in voor beter landbouw- en voedselbeleid in lage- en middeninkomenslanden. Om de bijdrage van Nederlandse bedrijven aan de lokale ontwikkeling van duurzame voedseleconomieën verder te vergroten, hebben we samen met het Netherlands Food Partnership (NFP) kansrijke sectoren voor handel met ontwikkelingslanden geïdentificeerd en worden deze sectoren betrokken bij de uitvoering van onze programma’s. Verder wordt het handels- (en economie-) belang versterkt door een publiek-privaat programma te ontwikkelen dat in 2026 start.5Om de veiligheid en stabiliteit in de Sahel-regio te bevorderen, is in 2025 binnen het West Africa Food Systems Resilience Programme van de Wereldbank het programma Soil Values versterkt, met expertise en gerichte actie op geïntegreerd bodemvruchtbaarheidsbeheer. Nederland financierde in Soedan een initiatief waarmee de toegang tot kunstmest voor boeren aanzienlijk is verbeterd zodat een belangrijke bijdrage kon worden geleverd aan de voedselzekerheid in een land waar veiligheid en stabiliteit zwaar onder druk staat.
Water
In de begroting BHO 2025 is het budget voor artikel 2.2 water verlaagd. De bezuiniging op water heeft een deel van het UNICEF WASH programma geraakt. In 2025 lag de inzet op water op het aanscherpen van de bestaande inzet in lijn met de Nederlandse belangen en op voorbereiding van de intensivering per 2026.6 Het Accelerated Sanitation and Water for All (ASWA) programma, dat bijdraagt aan het belang stabiliteit en migratie in prioritaire gebieden zoals de Sahel en de Hoorn van Afrika, is geïntensiveerd. Extra financiering voor water wordt gemobiliseerd door het vernieuwen van het partnerschap met Aqua for All en via het Water Sector Trustfund bij de Europese Investeringsbank.
Via diplomatieke inzet is de Nederlandse positie als internationaal waterland verstevigd. Zo bleef Nederland betrokken bij voorbereidingen van de VN Waterconferentie in 2026, in nauwe samenwerking met Senegal en de Verenigde Arabische Emiraten. Door het Heads of State Initiative (HoSI) in 2022 met UNICEF, SWA en IRC te initiëren en te ondersteunen, zetten in 2025 staatshoofden van 27 landen zich in om water, sanitatie en hygiëne (WASH) een prioriteit te maken.
Water is versterkt als thema binnen instrumenten die landen-specifiek bijdragen aan duurzame economische ontwikkeling. Voorbeeld is de ontwikkeling van een flexibele faciliteit die posten in staat stelt snel in te spelen op kansen voor het verdienvermogen op het gebied van klimaat, water en voedselzekerheid.7 Ook is ingezet op ambitieverhoging en ondersteuning van landen bij de implementatie van hun adaptatie- en waterambitie uit nationale klimaatplannen via de Water Technical Assistance Facility binnen het Nationally Determined Contributions Partnership (NDCP). Dergelijke partnerschappen kunnen ook als hefboom dienen om vraag gestuurd te werk te gaan in migratiedialogen. Ook is een nieuwe fase van het Young Expert Programmes (YEP) afgerond. De koppeling tussen ontwikkelingshulp en handel kreeg verder gestalte door de intensivering van de samenwerking met de Nederlandse watersector via RVO, o.a. middels de ontwikkeling van een instrument gericht op publiek private samenwerking op het gebied van water en voedselzekerheid, en het Netherlands Water Partnership (NWP).
Klimaat en energie
In lijn met de Memorie van Toelichting werden vanuit artikelonderdeel 2.3 geen nieuwe middelen ingezet op regionale klimaatfondsen. Als gevolg van de voorgenomen bezuinigingen op kleinschalige energie is de ambitie om 100 miljoen mensen met toegang tot hernieuwbare energie te bereiken teruggebracht naar de eerdere doelstelling van 50 miljoen. De inzet op duurzame energie met het oog op leveringszekerheid werd voortgezet. Zo werd EUR 5 miljoen geïnvesteerd in het Global Energy Transformation Program (GET.pro), dat zich onder meer richt op het mobiliseren van private financiering voor groene waterstof initiatieven.
In 2025 betrof een groot deel van de Nederlandse klimaatfinanciering adaptatiefinanciering. Dit werd aan het eind van het jaar onderstreept door samenwerking met de Wereldbank om steden weerbaar te maken tegen klimaatverandering via de Global Facility for Disaster Risk Reduction. Ook het programma Water at the Heart of Climate Action kreeg een extra bijdrage. Hiermee werd invulling gegeven aan het UAE Framework for Global Climate Resilience. De in de begroting aangekondigde beleidswijziging ten aanzien van het nieuwe financieringsdoel, de New Collective Quantified Goal (NCQG), kreeg nader vorm in de structuur van de bijlage bij de HGIS-nota 2026 over klimaatfinanciering.
Mondiale Gezondheid en Seksuele en Reproductieve Gezondheid en Rechten (SRGR)
In 2025 is Nederland verdergegaan met de implementatie van de mondiale gezondheidsstrategie 2023-2030. Met de beleidsbrief Ontwikkelingshulp is gezondheid een prioritair thema gebleven, zij het met minder budgettaire ruimte dan voorheen. In 2025 lag de nadruk op het aanscherpen van de bestaande inzet in lijn met Nederlandse economische en veiligheidsbelangen.
Het kabinet heeft nieuwe meerjarige afspraken gemaakt met de WHO, Gavi, het Global Fund ter bestrijding van malaria, tbc en hiv/aids, Global Financing Facility (Wereldbank), UNAIDS, en UNFPA. Nederland droeg in 2025 ook bij aan het versterken van de medische capaciteit in de regio van Gaza. Er zijn in samenwerking met de WHO en het Emergency Response Coordination Centre van de EU enkele kinderen uit Gaza tijdelijk naar Nederland gebracht voor medische zorg.
Vrouwenrechten en gendergelijkheid
In 2025 heeft het kabinet in het kader van de bezuinigingsopdracht ervoor gekozen om inspanningen aangaande vrouwenrechten efficiënter in te richten, met minder mensen en middelen, en dit niet meer te doen onder het etiket feministisch buitenlandbeleid. Vrouwenrechten en gendergelijkheid blijven wel een integraal onderdeel van het buitenlandbeleid. Dat houdt onder andere in dat Nederland zich, conform het 3e EU Gender Actieplan gecommitteerd heeft aan het streven dat 85% van de ODA-uitgaven bijdraagt aan de bescherming en bevordering van vrouwenrechten en gendergelijkheid en dat 5% van het ODA budget dit als hoofddoelstelling heeft. Nederland investeerde daarnaast, onder meer als onderdeel van de programma’s Versterking Maatschappelijk Middenveld (VMM), in economische zeggenschap, de bestrijding van geweld tegen vrouwen en meisjes en de rol van vrouwen in conflictoplossing en vredesopbouw. Ook heeft het zich in 2025, het jaar van zowel het 30-jarig bestaan de Beijing Declaration over gendergelijkheid als het 25-jarig bestaan van VN-Veiligheidsraadsresolutie 1325 over Vrouwen, Vrede en Veiligheid, ook diplomatiek ingezet voor het behoud van verworvenheden op het gebied van vrouwenrechten en gendergelijkheid.
Maatschappelijk middenveld
Nederland heeft ook in 2025 ingezet op het behoud en de vergroting van maatschappelijke ruimte via diplomatieke weg. Nederland financierde het International Center for Not-for-Profit Law en CIVICUS. Het jaar 2025 markeerde het laatste jaar van het beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld, waaronder 42 partnerschappen met consortia van maatschappelijke organisaties vielen, het Leading from the South programma en het Civic Space Fund.
Het nieuwe beleidskader voor de versterking van maatschappelijke organisaties, Focus, is in 2025 uitgewerkt. Publicatie van de uitvraagdocumenten verloopt grotendeels volgens planning om de acht instrumenten in de eerste helft van 2026 te starten. Alleen de publicatie van het subsidiebeleidskader voor het instrument schone en eerlijke handel is uitgesteld naar aanleiding van een amendement dat werd ingediend tijdens de BHO-begrotingsbehandeling 2026. Een tweetal instrumenten, stimuleren Nederlandse particuliere initiatieven en tegengaan schadelijke praktijken, is reeds per 1 januari 2026 gestart. Voor het beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld dat eind 2025 afliep, worden de rapportages van de eindevaluaties in mei 2026 verwacht.
Opvang en bescherming in de regio en migratiesamenwerking
Conform bezuinigingsopdracht zoals aangekondigd in de begroting BHO 2025 is het budget voor opvang in de regio verlaagd. Deze bezuiniging heeft niet-specifieke onderdelen van de programmering geraakt.
Nederland zette in op het ondersteunen van vrijwillige terugkeer naar Syrië en gebruikt hiervoor onder andere het PROSPECTS partnerschap, waarmee Nederland opvang in de regio steunt. Inzet op vrijwillige terugkeer als duurzame oplossing is ook belangrijk om de voortzetting van opvang in de buurlanden mogelijk te maken voor die vluchtelingen die nog niet kunnen terugkeren. Nederland heeft EUR 243 miljoen bijgedragen aan verbeterde toegang voor vluchtelingen en gastgemeenschappen tot onderwijs, werk, bescherming en basisvoorzieningen in de Hoorn van Afrika, de Syrië- en Afghanistan-regio, Armenië en Moldavië. Hierbij is onder andere voortgebouwd op het PROSPECTS partnerschap en de inzet via de Global Concessional Financing Facility (GCFF): een vehikel dat leningen met gunstige voorwaarden verstrekt aan middeninkomenslanden die veel vluchtelingen opvangen. Tot slot heeft Nederland in 2025 verder ingezet op het voortzetten van samenwerking met lokale organisaties en door vluchtelingen geleide organisaties die opvang in de regio ondersteunen, hiermee bijdragend aan effectievere opvang (de zogenoemde lokalisering).
Op het gebied van migratiesamenwerking heeft het kabinet in 2025 ingezet op het versterken en verder uitbouwen van bestaande migratiepartnerschappen evenals het aangaan van nieuwe partnerschappen, door middel van dialogen en bezoeken. Zo vonden in het afgelopen jaar onder meer formele gesprekken plaats met de Tunesische respectievelijk de Algerijnse Ministeries voor Asiel en Migratie en Buitenlandse Zaken om de bilaterale samenwerking verder vorm te gegeven. De partnerschapsinzet richt zich op het beperken van irreguliere migratie, het bevorderen van terugkeer bij onrechtmatig verblijf en het beschermen van migranten.
In EU-verband heeft Nederland zich ingezet om migratie hoog op de agenda te houden en invloed te hebben op de EU strategische migratiepartnerschappen met derde landen. Zowel bilateraal als binnen de EU neemt Nederland het voortouw bij het ontwikkelen van innovatieve oplossingen om irreguliere migratie tegen te gaan. Zo hebben Nederland en Oeganda in 2025 een Letter of Intent ondertekend voor het uitwerken van een transit hub. In EU-verband stuurde Nederland, samen met 18 andere Europese landen, een brief naar de Europese Commissie met een oproep om de randvoorwaarden te creëren om innovatieve oplossingen te operationaliseren waaronder financiering, operationele ondersteuning van EU-agentschappen en een diplomatieke strategie.
Per 1 januari 2025 is de Interdepartementale Taskforce Internationale Migratie actief: een samenwerking tussen betrokken ministeries en ketenpartners binnen de Rijksoverheid gericht op het versterken en verbeteren van de migratiesamenwerking met voor Nederland relevante herkomst en doorreislanden. Op 23 mei presenteerde onder andere de Minister voor BHO de beleidsagenda van de Taskforce aan de Tweede Kamer. De Taskforce heeft in 2025 een duidelijke geografische focus in de partnerschappen met migratierelevante landen gebracht, en heeft aanvullende middelen (EUR 20 miljoen) ter ondersteuning van deze partnerschappen doelmatig kunnen besteden.
Veiligheid en rechtsstaatontwikkeling
Het budget voor veiligheid en rechtsstaatontwikkeling is conform de begroting verlaagd. In lijn met de keuzes die in de beleidsbrief BHO zijn gemaakt, zijn activiteiten in Afghanistan en de Grote Meren afgebouwd. Besluitvorming over nieuwe programma’s is uitgesteld.
Nederland is in 2025 nieuwe meerjarige partnerschappen aangegaan met een zevental organisaties die zowel zelf ontmijnen, voorlichting geven als capaciteit van lokale ontmijningsautoriteiten versterken. De organisaties werken in Irak, Libanon, Libië, Somalië, Zuid Soedan, Syrië, Oekraïne en Jemen. Conform de beleidsbrief Ontwikkelingshulp is een start gemaakt met thematisch geïntegreerde programmering in de Sahel en een aantal West-Afrikaanse kuststaten, ten behoeve van stabiliteit en veiligheid in gemeenschappen die risico lopen te worden betrokken in internationale georganiseerde misdaad. Ook is een nieuwe aanpak ontwikkeld voor geïntegreerde programmering ter versterking van de rechtsorde in de drie prioritaire regio’s (West-Afrika, Hoorn van Afrika en MENA-regio).
Nederland heeft uitwerking gegeven aan het voornemen de in- en externe samenwerking op conflictbemiddeling te versterken, onder meer door het opzetten van een conflict-bemiddeling support eenheid (Kamerbrief 36 180, nr. 171). Met de in 2024 opgestarte meerjarige partnerschappen op het terrein van veilige en vreedzame samenlevingen, is een belangrijke stap gezet richting meer lokaal geleid werken op het gebied van bescherming van burgers, conflictpreventie en vredesopbouw. Ook worden resultaten nu meer op impactniveau gemeten. Zo is in kampen voor interne ontheemden (IDPs) in Zuid Soedan met lokale ‘Unarmed Civilian Protection’-teams bijgedragen aan conflictpreventie, bemiddeling en veiligheid onder jongeren.
Actief en strategisch gebruik makend van het lidmaatschap van het Koninkrijk der Nederlanden van de VN Peacebuilding Commission, heeft Nederland in 2025 effectief invloed kunnen uitoefenen op het beleid van de VN agenda’s op vredesopbouw en vredeshandhaving, onder andere op gebied van geestelijke gezondheid en psychosociale steun (MHPSS). De Nederlandse bijdrage aan het VN Peacebuilding Fund draagt bij aan maatschappelijke betrokkenheid bij conflictpreventie en vredesinitiatieven, in het bijzonder door jongeren en vrouwen.
Humanitaire Hulp
In 2025 namen de humanitaire noden wereldwijd verder toe, waren de omstandigheden voor hulpverleners opnieuw bijzonder moeilijk terwijl de behoefte aan hulp blijft groeien. Daar komt bij dat wereldwijd bezuinigingen op humanitaire hulp zijn doorgevoerd. Binnen dit turbulente krachtenveld bleef Nederland een betrouwbare humanitaire partner. Nederland hield het humanitaire budget relatief op peil, en bleef inzetten op meerjarige en flexibele financiering aan gespecialiseerde internationale hulporganisaties, die vroeg in het jaar beschikbaar komt. Dit geeft humanitaire partners de ruimte om vooruit te plannen en snel te handelen wanneer dat nodig is, zowel in crises die standaard veel (politieke) aandacht krijgen, als tijdens plotselinge natuurrampen of langdurige, ‘vergeten’ crises. Nederland geldt hierin als voorbeeld richting andere donoren en zal kennis en ervaring hierover dan ook actief met donoren blijven delen. De Nederlandse inzet werd nader toegelicht in Kamerbrief «Humanitaire hulp en diplomatie 2025 – Doen wat nodig blijft» (Kamerstuk 36180-136).
Afstemming met andere donoren is cruciaal, zeker in tijden van schaarste. Daarom hebben Nederland en Zwitserland in 2025 het voortouw genomen om de financiering van humanitaire hulp af te stemmen met de grootste donoren. Daarnaast zette Nederland zich op diplomatiek vlak actief in voor behoud van de humanitaire principes en het vergroten van humanitaire ruimte in contexten geraakt door conflict. Specifiek zette Nederland zich in ter bevordering van humanitaire toegang in bijvoorbeeld Gaza, Burkina Faso en Soedan. Ook maakte Nederland zich sterk voor de bescherming van hulpverleners, onder andere door ondertekening van de door Australië geïnitieerde Declaration for the Protection of Humanitarian Personnel8 en door bij te dragen aan het Global Initiative dat ICRC heeft gelanceerd ter bevordering van het humanitair oorlogsrecht.
Door Nederlandse inzet kan hulp ook effectiever worden verleend doordat lokale organisaties beter in staat worden gesteld een rol te spelen. Zo wordt een netwerk van lokale organisaties ondersteund in crisisgevoelige gebieden – het START netwerk - die financiering kunnen ontvangen en hulp kunnen verlenen zodra dat nodig is. Ook via de partnerschappen met de Dutch Relief Alliance en het Nederlandse Rode Kruis, en via de humanitaire landenfondsen van de Verenigde Naties (VN), wordt het werk van lokale organisaties – die de omstandigheden en de noden het beste kennen – ondersteund.
Multilaterale instellingen
Nederland ondersteunde via bijdragen aan de ontwikkelingsfondsen van de VN en de multilaterale banken partnerlanden op diverse gebieden zoals tegengaan van conflict, het versterken van het internationale handelssysteem, het nakomen van klimaatafspraken en ondersteuning voor Oekraïne. Daarnaast steunde Nederland nauwere samenwerking tussen de ontwikkelingsbanken onder meer door het harmoniseren van standaarden.
In maart 2025 lanceerde de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties het VN80-initiatief om het hoofd te bieden aan de financiële tekorten bij de VN, het vergroten van de interne efficiëntie, het herzien van mandaten en het inzetten van structurele hervormingen. Het Koninkrijk heeft zijn steun uitgesproken, en zet in op het voorkomen dat de hervormingen de grondbeginselen van de VN aantasten. In 2025 sloot Nederland overeenkomsten af voor nieuwe meerjarige kernbijdragen. De ombuigingen op de BHO-begroting leidden tot structureel lagere Nederlandse kernbijdragen aan UNICEF en UNDP.
Op 30 juni 2025 werd in VN-verband een nieuw internationaal kader voor de financiering van ontwikkeling aangenomen (de Compromiso de Sevilla). Nederland trad op als mede-onderhandelaar namens de EU. Dit kader moet zowel bestaande als nieuwe kanalen voor ontwikkelingsfinanciering mobiliseren. Door Nederland is ook actief ingezet op het versterken van samenwerking van de multilaterale banken met Nederlandse partners. Nederland is op de verschillende sporen actief in het Development Assistance Committee Review proces binnen de OESO, waaronder co-voorzitter van het spoor over ODA in het brede scala van geldstromen.
Brede Welvaart
In 2023 publiceerde het CBS voor het eerst Factsheets Brede Welvaart bij alle departementale begrotingen. Dit jaar worden de Factsheets voor het eerst bij de jaarverslagen op Verantwoordingsdag gepubliceerd in plaats van bij de begrotingen op Prinsjesdag. Uit de indicatoren die horen bij de BHO-begroting zijn een aantal trends en recente ontwikkelingen te herleiden.
Ontwikkelingshulp en overdrachten
In 1970 kwamen VN-leden overeen jaarlijks 0,7% van hun bruto nationaal inkomen (bni) aan ontwikkelingssamenwerking te besteden (de OESO-norm). Ontwikkelingshulp bedroeg in 2023 0,66% van het bni. Daarmee stond Nederland aan de bovenkant van de EU-ranglijst (6e van de 27 landen). In 2024 bedroeg het percentage 0,62% van het bni. De inkomensoverdrachten door mensen die in Nederland wonen (ingezetenen) aan mensen die in andere landen wonen (niet-ingezetenen) bedroegen 1,5% van het bbp in 2023. Ook hierbij stond Nederland in 2023 aan de bovenkant van de EU-ranglijst (7e van de 27 landen).
Spillovers/ voetafdrukken
Voetafdrukken meten de hoeveelheid hulpbronnen waarop beslag gelegd wordt en de effecten daarvan op natuur, klimaat en andere aspecten van brede welvaart die wereldwijd worden veroorzaakt door de consumptie van burgers en overheid in Nederland. Met 11,5 ton per inwoner was de invoer van fossiele brandstoffen in 2024 relatief de hoogste van de EU. De invoer neemt echter trendmatig af. De hoge invoer van grondstoffen hangt voor een deel samen met de rol van de Nederlandse zeehavens. De cijfers zijn inclusief wederuitvoer. Dat is de uitvoer van goederen die zonder noemenswaardige bewerking te hebben ondergaan, na invoer in Nederland weer worden uitgevoerd naar andere landen.
3.1 Focusonderwerp: Risico’s voor de goede inning en besteding van belasting- en premiegeld
De selectie van (beleids)doelen en risico’s is gecoördineerd via twee aanvliegroutes. Er is enerzijds een analyse gemaakt van de grootste uitgaven vanuit de begroting en anderzijds is gekeken naar interne risico analyses. Zodoende zijn drie concrete, budgettair omvangrijke en/of strategisch belangrijke (beleids)programma’s geïdentificeerd "die uit de verantwoording 2025 als hoog risico voor de goede inning en besteding van belasting- en premiegeld naar voren komen". Voor de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp betreft het de volgende onderwerpen:
– Rechtspersonen met een Wettelijke taak (RVO, Invest) gezien de onzekerheid rondom de door deze partners gerapporteerde cijfers van de regelingen die zij onder mandaat uitvoeren;
– Subsidies als financieel instrument, omdat een groot deel van de budgetten via subsidies wordt uitgegeven;
– Humanitaire hulp, vanwege de veiligheid van hulpverleners.
Rechtspersonen met een Wettelijke taak
Het ministerie werkt samen met diverse rechtspersonen met een wettelijke taak om de beleidsdoelstellingen te behalen zoals opgenomen in de begroting te realiseren. Belangrijke organisaties waar mee samengewerkt wordt zijn de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en Invest International. RVO is een agentschap maar voert net als Invest International activiteiten uit namens de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (BHO). Dit betreft met name activiteiten op het gebied van duurzame economische ontwikkeling, handel en investeringen. Het is belangrijk dat het ministerie het overzicht houdt over verplichtingen, uitgaven en ontvangsten, ook v.w.b. regelingen die worden uitgevoerd onder mandaat van de minister. In 2024 heeft de Auditdienst Rijk (ADR) een verklaring met beperking afgegeven m.b.t. het jaarverslag BHO. Voornaamste reden voor de beperking: onzekerheid rondom de door Invest International en RVO gerapporteerde cijfers van de regelingen die zij onder mandaat uitvoeren. De gecontroleerde cijfers van Invest International waren bijvoorbeeld te laat beschikbaar. Door vertraging in de aanlevering van cijfers vanuit verschillende bronnen diende BZ de jaarverslagen te laat in en ging de Algemene Rekenkamer over tot een bezwaarprocedure. Het verbeterplan van BZ was voor de AR aanleiding het bezwaar weer te laten vallen.
Aangezien zowel RVO als Invest International belangrijke uitvoeringspartners zijn voor het behalen van beleidsdoelstellingen van de Minister, is het tijdig en volledig uitvoeren van de maatregelen uit het verbeterplan de belangrijkste risicomitigatie. In 2025 is een deel van het verbeterplan uitgevoerd. Gerealiseerde uitgaven door RVO worden tijdig aan BZ aangeleverd. Invest International levert de gecontroleerde cijfers over 2025 al sneller aan, maar heeft nog een jaar nodig om de gevraagde versnelling te kunnen bereiken. Met de verbeteringen is de financiële administratie accurater geworden. De verwachting is dat alle verbetermaatregelen uit het verbeterplan in 2026 zijn doorgevoerd.
Subsidies als financieel instrument
Binnen de BHO-begroting wordt een groot aandeel van de middelen uitgegeven door middel van subsidies. Het ministerie stuurt niet op instrumenten, maar op thema’s. Het gebruik van instrumenten is dus een middel en niet een doel. De keuze voor een financieel instrument is een keuze op maat per beleidsthema, waarbij rechtmatigheid, doelmatigheid en efficiëntie leidend zijn. Omdat het ministerie zelf niet de capaciteit heeft om ontwikkelingshulpactiviteiten op grote schaal uit te voeren, zet het Ministerie subsidies in om via onder meer maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen de BHO-beleidsdoelen te behalen.
Via openbare subsidietenders kan gekozen worden voor die aanvrager(s) die het beste in staat worden geacht om de uitvoering op zich te nemen en de gewenste beleidsdoelen te bereiken. Tegelijkertijd zijn de relatief lange doorlooptijd en tijdsinzet van BZ-medewerkers in de voorfase een van de nadelen van subsidies als financieel instrument. Daarnaast kenmerken subsidies zich door beperkte sturingsmogelijkheid en niet-afdwingbaarheid. Daarmee heeft het ministerie minder zeggenschap over het behalen van de resultaten. Bovendien vinden de activiteiten geregeld plaats in een weerbarstige context.
Dit risico wordt op verschillende manieren gemitigeerd. Ten eerste voert BZ in de voorfase een grondige risicoanalyse uit op de context, fraude- en corruptierisico’s en op programma- en organisatieniveau, onder meer door bij subsidies hoger dan EUR 1,5 miljoen de ORIA (Organisational Risk and Integrity Assessment) te verplichten. Dit is onderdeel van de due diligence procedure die erop is gericht de organisaties waarmee we samenwerken te toetsen op organisatiecapaciteit en betrouwbaarheid. Daarnaast worden subsidierelaties geëvalueerd en meegenomen in besluitvorming over toekomstige subsidieverlening. Tijdens de uitvoering worden de activiteiten gemonitord en risico’s structureel gemanaged, onder meer door rapportages, jaarplannen en veldbezoeken. Voorschotten worden verstrekt voor afgebakende periodes, waarbij een restpercentage wordt achtergehouden totdat het project volledig is afgerond. Als de risico’s, die verplicht worden vastgelegd bij elke activiteit, daar aanleiding toe geven, kan een extra (rapportage)verplichting onderdeel zijn van de subsidieovereenkomst.
Humanitaire hulp
Het doel van humanitaire hulp is het lenigen van humanitaire noden wereldwijd. Nederland financiert organisaties die elkaar aanvullen: VN-organisaties en fondsen, de Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging, en de Dutch Relief Alliance. Deze humanitaire partners worden voorspelbaar en grotendeels flexibel gefinancierd, zodat organisaties snel kunnen handelen, daar waar de noden het hoogst zijn met oog voor de meest kwetsbare groepen.
Een risico voor de effectiviteit van de humanitaire inzet is de toenemende onveiligheid van hulpverleners. Als hulpverleners hun werk niet kunnen doen, blijven mensen in nood verstoken van hulp. Hierbij verdient de positie van lokale staf, die de grootste risico’s loopt, bijzondere aandacht.
Om dit risico te mitigeren maakt Nederland zich sterk voor de naleving van het Humanitair Oorlogsrecht, waarin de bescherming van hulpverleners is vastgelegd. Zo steunt Nederland verscheidene diplomatieke initiatieven op dit vlak en ondersteunt het humanitaire partners die zich richten op de veiligheid van hulpverleners, waaronder financieel.
Zo is in 2025 een bijdrage van EUR 5 miljoen toegezegd aan de International NGO Safety Organization (INSO). Dit is een ngo uit Den Haag die zowel internationale als lokale hulporganisaties in humanitaire crises wereldwijd voorziet van actuele data over veiligheidsrisico’s ter plaatse. Daarnaast biedt het trainingen op het gebied van veiligheid aan hulpverleners. Ook neemt INSO pleitbezorgingstaken op zich, zodat humanitaire veiligheid internationaal onder de publieke en politieke aandacht wordt gebracht. De extra bijdrage uit 2025 brengt de totale Nederlandse financiële ondersteuning van INSO op EUR 10 miljoen voor de periode 2024-2027.
3.2 Realisatie periodieke rapportages/beleidsdoorlichtingen
BD/PR | Thema | Artikel(en) | 2019 | 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | 2024 | 2025 | Kamerstuk |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
BD | Duurzame economische ontwikkelingen, handel en investeringen | 1.1, 1.2, 1.3 | X | |||||||
PR | Internationaal klimaatbeleid | 2 | X | |||||||
PR | Beleidscoherentie en effecten op voedselzekerheid, water en klimaat in ontwikkelingslanden | 2 | X | |||||||
PR | Sociale Vooruitgang | 3 | X | |||||||
PR | Vrede, veiligheid en duurzame ontwikkeling | 4 | X | |||||||
PR | Multilaterale samenwerking en overige inzet | 5.1 | X | |||||||
Toelichting | ||||||||||
Voor het meest recente overzicht van de programmering van periodieke rapportages / beleidsdoorlichtingen, zie het overzicht Ingepland en uitgevoerd onderzoek op rijksfinancien.nl. | ||||||||||
Voor de realisatie van deze en andere grote (evaluatie)onderzoeken, zie de bijlage "Afgerond evaluatie- en overig onderzoek». | ||||||||||
Periodieke Rapportage Sociale Vooruitgang (art. 3 BHO)
Conclusies
– IOB concludeert dat er veel positieve resultaten zijn geboekt op individueel en lokaal niveau: SRGR kennis onder jongeren is verbeterd en vrouwenrechtenorganisaties zijn versterkt. IOB is ook positief over de goed werkende coördinatie van multilaterale instrumenten op het gebied van gezondheid, SRGR en gendergelijkheid. IOB waardeert de Nederlandse COVID-19 respons in lage- en middeninkomenslanden. Ook concludeert IOB dat onder andere de flexibiliteit van het ministerie en financiële toezeggingen voor de lange termijn hebben bijgedragen aan efficiëntie van ontwikkelingsprogramma’s.
– Tegelijkertijd identificeert IOB een aantal verbeterpunten. Zo was de kwaliteit van programmaevaluaties niet altijd toereikend voor het vaststellen van effectiviteit en is er verbetering mogelijk op het gebied van efficiëntie en lokaal geleide ontwikkeling.
Aanbevelingen
1) Zet het principe van gecoördineerde en voorspelbare financiering van Nederland op het gebied van mondiale gezondheid en SRGR voort, met een focus op ondersteuning van nationale overheden en systemen
2) Zorg voor betrouwbare en verantwoorde partnerschappen met zowel multilaterale en internationale organisaties als met ngo’s/CSO’s
3) Ontwikkel realistische beleidskaders en programma’s binnen de invloedssfeer van Nederland. IOB raadt aan om bij het ontwikkelen van beleidskaders en programma’s voldoende rekening te houden met de invloed van externe factoren en de haalbaarheid van gestelde doelen.
4) Betrek lokale organisaties en doelgroepen vanaf de ontwerpfase bij programma’s, zodat de doelstellingen van het programma aansluiten bij behoeften van de doelgroepen
5) Blijf voortbouwen op de goede resultaten en praktijken van lokaal geleide interventies
6) Definieer duidelijke doelstellingen op het gebied van (gender)gelijkheid, en operationaliseer en monitor ze.
Periodieke rapportage Vrede, veiligheid en duurzame ontwikkeling (art. 4 BHO)
Conclusies
- Het beleid voor humanitaire hulp leidde ertoe dat er effectief en tijdig hulp werd geleverd die goed was afgestemd op de behoeften van de getroffen gemeenschappen.
- De ambitieuze en politiek geformuleerde doelstellingen werden vaak onvoldoende vertaald naar het specifieke landen- en instrumentniveau. Vaak miste een onderbouwde verandertheorie en ontbraken valide aannames en een weging van bestaande kennis.
- Ambities met betrekking tot lokalisering zijn over het algemeen onvoldoende waargemaakt. Directe financiering van lokale en nationale organisaties bleef grotendeels uit, en uitvoerende organisaties, begunstigden en overheden werden onvoldoende betrokken bij beleids- en projectontwikkeling.
- Opereren in fragiele en door conflict getroffen gebieden brengt inherent risico’s met zich mee. De beperkte risicoacceptatie binnen het ministerie was een belangrijke institutionele barrière die de relevantie van het beleid heeft ondermijnd.
- Door de verkokerde en thematisch gestuurde manier van werken binnen het ministerie was de interne coherentie van BHO-artikel 4 beperkt. De Nexus-benadering, waarin wordt gestreefd naar humanitaire hulp die leidt tot structurele ontwikkeling en vice versa, is beleidsmatig onvoldoende uitgewerkt en werd in de praktijk amper toegepast.
- Ondanks de constructieve rol van de Nederlandse ambassades, beperkten centraal geformuleerde beleidsprioriteiten, tijdspaden en benaderingen van Nederland en andere donoren de samenwerking tussen donoren. Daarnaast kwamen de Nederlandse beleidsprioriteiten niet altijd overeen met die van de betrokken autoriteiten, wat de externe coherentie eveneens beperkte. Nederlandse bijdragen aan multi-donorprogramma’s en ongeoormerkte financiering aan gezamenlijke fondsen droegen bij aan betere donorcoördinatie en -samenwerking.
Aanbevelingen
1) Het ministerie moet doorgaan met het verstrekken van voorspelbare, meerjarige en ongeoormerkte financiering aan humanitaire organisaties. Deze benadering is bewezen doeltreffend en doelmatig.
2) Nederland moet de vaak te ambitieuze overkoepelende beleidsdoelstellingen van het opereren in fragiele en door conflict getroffen gebieden heroverwegen. Daarnaast dienen de overkoepelende doelstellingen vertaald te worden naar concrete, realistische land-specifieke doelstellingen die binnen de Nederlandse invloedssfeer liggen.
3) De coherentie van het BHO-artikel 4 beleid moet worden verbeterd en het ministerie moet doorgaan met het adresseren van fragmentatie.
4) Het ministerie moet de ambities met betrekking tot lokalisering in de praktijk gaan brengen.
Periodieke rapportage Multilaterale samenwerking en overige inzet (art. 5.1 BHO)
Conclusies
- De Nederlandse inzet op multilaterale samenwerking in de periode 2017–2023 was overwegend doeltreffend en de gesteunde organisaties droegen aannemelijk bij aan het behalen van de meeste BHO-doelstellingen.
- De gesteunde multilaterale organisaties waren op een aantal aspecten minder doeltreffend.
- De vier gesteunde organisaties functioneerden overwegend doelmatig en voldeden aan de meeste voorwaarden voor doelmatigheid.
- Ongeoormerkte financiering van multilaterale organisaties droeg bij aan het vergroten van hun flexibiliteit, crisisparaatheid en hefboomeffect, maar dreigde soms te leiden tot versnippering.
- De steun voor multilaterale organisaties was grotendeels complementair en droeg bij aan het vergroten van de samenhang van het BHO-beleid.
Aanbevelingen
1) Versterk de rijksbrede afstemming van de multilaterale inzet.
2) Bewaak de omvang van het thematische mandaat van multilaterale organisaties.
3) Spoor multilaterale organisaties aan om goed bestuur in partnerlanden structureler te versterken.
4) Spreek multilaterale organisaties via executive boards en werkgroepen aan op het belang van het versterken van hun onafhankelijke evaluatieafdelingen.
5) Blijf inzetten op de systematiek van meerjarige financiering om voorspelbaarheid en doelmatigheid te versterken en stimuleer andere donoren dit eveneens te doen.
6) Zet in op gerichte institutionele hervormingen bij multilaterale organisaties op cruciale aspecten van doelmatigheid waar zij soms onvoldoende presteerden.
7) Verbeter de informatievoorziening over Nederlandse verdienkansen én behaalde verdiensten in het kader van multilaterale samenwerking.
8) Voer vervolgonderzoek uit om de doeltreffendheid en doelmatigheid van multilaterale samenwerking verder te verbeteren.
3.3 Overzicht van risicoregelingen
Artikel | Omschrijving | Uitstaande garanties 2024 | Verleend 2025 | Vervallen 2025 | Uitstaande garanties 2025 | Garantieplafond | Totaal plafond | Totaalstand risicovoorziening |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Artikel 1 Duurzame handel en investering | Garantie FOM | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 16.422 |
Artikel 1 Duurzame handel en investering | Garantie DTIF | 10.511 | 6.000 | 167 | 16.344 | 140.000 | 36.659 | |
Artikel 1 Duurzame handel en investering | Garantie DRIVE | 45.663 | 4.132 | 0 | 49.795 | 55.000 | 19.079 | |
Artikel 1 Duurzame handel en investering | Garantie DGGF | 108.216 | 8.358 | 9.648 | 106.926 | 675.000 | 44.610 | |
Artikel 5 Multilaterale samenwerking en overige inzet | Garantie Inter American Development Bank (IDB) | 291.448 | 0 | 11.397 | 280.051 | 280.051 | ||
Artikel 5 Multilaterale samenwerking en overige inzet | Garantie African Development Bank (AfDB) | 2.354.926 | 0 | 77.849 | 2.277.077 | 2.277.077 | ||
Artikel 5 Multilaterale samenwerking en overige inzet | Garantie Asian Development Bank (AsDB) | 1.251.588 | 0 | 41.375 | 1.210.213 | 1.210.213 | ||
Artikel 5 Multilaterale samenwerking en overige inzet | Garantie IS-NIO | 63.946 | 9.737 | 54.209 | 54.209 | 36.395 | ||
Totaal | 4.126.298 | 18.490 | 150.173 | 3.994.615 | 55.000 | 4.636.550 | 153.165 | |
Artikel | Omschrijving | Uitgaven 2024 | Ontvangsten 2024 | Saldo 2024 | Uitgaven 2025 | Ontvangsten 2025 | Saldo 2025 | Totaalstand mutatie volume risicovoorziening 2025 en 2024 |
Artikel 1 Duurzame handel en investeringen | Garantie FOM | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
Artikel 1 Duurzame handel en investeringen | Garantie DTIF | ‒ 2.077 | 12.171 | 10.094 | ‒ 696 | 7.362 | 6.666 | 16.760 |
Artikel 1 Duurzame handel en investeringen | Garantie DRIVE | 0 | 0 | 0 | 0 | 711 | 711 | 711 |
Artikel 1 Duurzame handel en investeringen | Garantie DGGF | ‒ 4.360 | 9.637 | 5.277 | ‒ 11.474 | 7.085 | ‒ 4.389 | 888 |
Artikel 5 Multilaterale samenwerking en overige inzet | Garantie IS-NIO | 0 | 1.581 | 1.581 | 1.117 | 1.117 | 2.698 | |
Totaal | ‒ 6.437 | 23.389 | 16.952 | ‒ 12.170 | 16.275 | 4.105 | 21.057 |
Artikel | Omschrijving | Uitgaven 2024 | Ontvangsten 2024 | Saldo 2024 | Uitgaven 2025 | Ontvangsten 2025 | Saldo 2025 | Totaalstand mutatie volume risicovoorziening 2025 en 2024 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Artikel 1 Duurzame handel en investeringen | Garantie FOM | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
Artikel 1 Duurzame handel en investeringen | Garantie DTIF | ‒ 2.077 | 12.171 | 10.094 | ‒ 696 | 7.362 | 6.666 | 16.760 |
Artikel 1 Duurzame handel en investeringen | Garantie DRIVE | 0 | 0 | 0 | 0 | 711 | 711 | 711 |
Artikel 1 Duurzame handel en investeringen | Garantie DGGF | ‒ 4.360 | 9.637 | 5.277 | ‒ 11.474 | 7.085 | ‒ 4.389 | 888 |
Artikel 5 Multilaterale samenwerking en overige inzet | Garantie IS-NIO | 0 | 1.581 | 1.581 | 1.117 | 1.117 | 2.698 | |
Totaal | ‒ 6.437 | 23.389 | 16.952 | ‒ 12.170 | 16.275 | 4.105 | 21.057 |
Dutch Good Growth Fund (DGGF)
Het Dutch Good Growth Fund (DGGF) is een revolverend fonds dat financiering verschaft voor ontwikkelingsrelevante en risicodragende investeringen en exporttransacties en bestaat uit drie onderdelen. Binnen alle drie de onderdelen van het DGGF is het mogelijk om garanties te verstrekken. Voor onderdeel 2 houdt de fondsbeheerder zelf een reserve aan ter grootte van de verstrekte garanties, waardoor het begrotingsrisico voor BHO beperkt is.
Daarnaast is de fondsbeheerder in de gelegenheid gesteld om het toegekende budget volledig in te kunnen zetten en is bepaald dat de fondsbeheerder voor een hoger bedrag dan het beschikbare budget aan contracten/committeringen kan aangaan met intermediaire fondsen. Het gaat hier om een overcommitteringsruimte, in de vorm van een garantie van BHO aan de fondsbeheerder van maximaal EUR 100 miljoen. Eventuele verliezen zullen ten laste van het investeringskapitaal worden gebracht, waardoor er geen extra begrotingsrisico voor BHO is. Daarom wordt hieronder alleen ingegaan op onderdeel 1 en 3 van het DGGF. Door het verstrekken van garanties kan het DGGF onverwachts geconfronteerd worden met onvoorziene uitgaven indien de garantieverstrekking leidt tot claims. Er kan een flinke mismatch in de tijd optreden tussen inkomsten en uitgaven. Om een buffer op te kunnen bouwen en de schommelingen in de tijd op te kunnen vangen wordt voor onderdeel 1 en 3 van het DGGF, ingevolge artikel 5, vierde lid, van de Comptabiliteitswet 2001, gebruik gemaakt van het instrument «interne begrotingsreserve». De huidige omvang van de begrotingsreserve is gerelateerd aan de uitstaande garantieverplichtingen en de verwachte groei van de portefeuille in 2026. Per saldo is in 2025 voor EUR 106,9 miljoen aan garanties en/of wisselfinancieringen verstrekt. In 2025 is de begrotingsreserve per saldo met EUR 4,4 miljoen afgenomen. Dit saldo bestaat uit een storting van ontvangen premies en aflossingen van wisselfinancieringen ad EUR 7,1 miljoen en een onttrekking van EUR 11,5 miljoen. De begrotingsreserve komt daarmee per 31 december 2025 op EUR 44,6 miljoen. Voor het DGGF is een garantieplafond ingesteld in lijn met het garantiekader. Het cumulatieve bedrag dat op enig moment aan garanties binnen het DGGF kan uitstaan is gemaximeerd op EUR 675 miljoen. De hoogte van het garantieplafond is in de beleidsevaluatie DGGF in 2020 geëvalueerd.
Faciliteit Opkomende Markten
Voor Nederlandse bedrijven die actief zijn op buitenlandse markten is een effectief functionerend bedrijfsleveninstrumentarium evenals goede economische diplomatie van groot belang. In 2016 is gewerkt aan een herziening van het bestaande non-ODA financieringsinstrumentarium. Door deze herziening is – op basis van additionaliteit van de overheid – optimaal ingespeeld op veranderende marktomstandigheden en financie ringsbehoeftes.
De Faciliteit Opkomende Markten (FOM) en Finance for International Business (FIB) zijn afgebouwd. De karakteristieken van deze regelingen zijn gecombineerd in het Dutch Trade and Investment Fund (DTIF) met als doel meer maatwerk te kunnen bieden, alsmede een meer homogene bediening aan het NL-bedrijfsleven, waardoor de doelgroep beter kan worden bereikt. De middelen die vrijkomen uit de bestaande begrotingsreserve voor de FOM worden ingezet voor DTIF. In 2024 is de portefeuille volledig afgebouwd.
Dutch Trade and Investment Fund (DTIF)
Het Dutch Trade and Investment Fund (DTIF) is een revolverend fonds dat financiering verschaft voor risicodragende investeringen en exporttransacties en bestaat uit twee onderdelen. Binnen beide onderdelen is het mogelijk om garanties te verstrekken. Binnen onderdeel twee worden garanties verstrekt in de vorm van wisselfinancieringen. Door het verstrekken van garanties kan het DTIF onverwachts geconfronteerd worden met onvoorziene uitgaven indien de garantieverstrekking leidt tot claims. Er kan een flinke mismatch in de tijd optreden tussen inkomsten en uitgaven. Om een buffer op te kunnen bouwen en de schommelingen in de tijd op te kunnen vangen wordt voor beide onderdelen van het DTIF, ingevolge artikel 5, vierde lid, van de Comptabiliteitswet 2001, gebruik gemaakt van het instrument «interne begrotingsreserve». De uiteindelijke hoogte van de begrotingsreserve is gerelateerd aan de hoogte van de garantieplafonds die voor de onderdelen van het DTIF zijn vastgesteld. Er is besloten een initiële storting van EUR 5,0 miljoen in de begrotingsreserve te doen bij de start van het DTIF ter dekking van het extra financiële risico dat de Staat kan gaan lopen door het verstrekken van garanties en wisselfinancieringen.
Per saldo is in 2025 voor EUR 16,3 miljoen aan garanties en/of wisselfinancieringen verstrekt. In 2025 is de begrotingsreserve per saldo met EUR 6,7 miljoen toegenomen. Dit saldo bestaat uit een storting van ontvangen premies en aflossingen van wisselfinancieringen ad EUR 7,4 miljoen en een onttrekking van EUR 0,7 miljoen. De stand van de begrotingsreserve komt per 31 december 2025 op EUR 36,7 miljoen. De huidige omvang van de begrotingsreserve is gerelateerd aan de uitstaande garantieverplichtingen en de verwachte groei van de portefeuille in 2026. Voor het DTIF is een garantieplafond ingesteld in lijn met het garantiekader. Het cumulatieve bedrag dat op enig moment aan garanties binnen het DTIF kan uitstaan is gemaximeerd op EUR 140 miljoen.
DRIVE
Met DRIVE faciliteert de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp (BHO) investeringen in publieke infrastructuurprojecten die bijdragen aan een goed ondernemingsklimaat en de ontwikkeling van de private sector in lage- en middeninkomenslanden. DRIVE doet dit middels het verstrekken van subsidies met of zonder terugbetalingsverplichting (lening of à fonds perdu) aan het bedrijfsleven. Ook kunnen garanties worden verstrekt en is er aanvullende Exportkredietverzekering (EKV) beschikbaar. Het garantieplafond voor DRIVE is vastgesteld op EUR 55 miljoen per jaar. Ter afdekking van de risico’s en ter compensatie van de mismatch in de tijd tussen (premie)inkomsten en uitgaven (ten behoeve van schades), is afgesproken een interne begrotingsreserve aan te houden. Bij de herziening van het toetsingskader risicoregelingen is in 2022 besloten de hefboom voor nieuwe transacties aan te passen naar de verhouding 1:3. Bij de start van DRIVE is besloten een initiële storting van EUR 12,5 miljoen in de begrotingsreserve te doen ter dekking van het extra financiële risico dat de Staat kan gaan lopen door het verstrekken van garanties en verzekeringen. Er is in 2019 een garantie verstrekt vanuit DRIVE. Deze garantie is in 2025 opgehoogd en geherwaardeerd tot een bedrag van EUR 49,795 miljoen. Er is in 2025 een premie ontvangen van EUR 0,71 miljoen. Er zijn in 2025 zijn ontvangen, maar er is geen schade uitgekeerd. De stand van de begrotingsreserve komt per 31 december 2025 op EUR 19,079 miljoen.
African Development Bank
De African Development Bank Group (hierna AfDB of Bank) heeft als centrale doelstelling het bestrijden van armoede in Afrika door het bevorderen van duurzame economische groei en sociale ontwikkeling. De Bank verstrekt daartoe financiering, beleidsadvies en technische ondersteuning aan Afrikaanse landen. De focus ligt hierbij op grote infrastructuurprojecten. De AfDB is een belangrijke partner voor Nederland op het Afrikaans continent die grote legitimiteit geniet bij de Afrikaanse overheden vanwege het sterke Afrikaanse eigenaarschap (de Afrikaanse landen bezitten samen 60% van de aandelen van de AfDB). De focus van de Bank is in lijn met de Nederlandse prioriteiten voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp, vooral op het gebied van voedselzekerheid en private sectorontwikkeling. Aandeelhouderschap van de AfDB verschaft Nederland daarnaast toegang tot een groot aantal aanbestedingen op het Afrikaans continent. Hier hebben Nederlandse bedrijven al veelvuldig baat bij gehad.
Net zoals bij andere ontwikkelingsbanken bestaat het aandelenkapitaal van de AfDB uit twee delen; een volgestort deel: het ‘ingelegde kapitaal’ (paid-in capital) en een niet volgestort deel: het ‘garantiekapitaal’ (callable capital). In 2024 heeft Nederland het garantiekapitaal bij de AfDB verhoogd met EUR 915 miljoen om een afwaardering van de AAA-kredietstatus van de AfDB te voorkomen. De verhoging van het garantiekapitaal door Nederland speelde een belangrijke rol aangezien Nederland één van de slechts zeven aandeelhouders in de Bank is met een AAA kredietbeoordeling. Dit stelt de AfDB in staat om aantrekkelijk geprijsde leningen te verstrekken aan Afrikaanse lidstaten van de AfDB ten behoeve van hun economische ontwikkeling. Het garantiekapitaal vormt geen uitgave en zal alleen in een zeer uitzonderlijke situatie, zoals het faillissement van de AfDB, leiden tot financiële consequenties. Dit risico is echter minuscuul. Zo heeft nog nooit een uitkering plaatsgevonden onder deze garantieregeling in de bestaansgeschiedenis van multilaterale ontwikkelingsbanken. Dit komt doordat de Banken beschikken over een preferred creditor status, zeer prudent beleid voeren waar aandeelhouders op toezien, en over een scala van mitigatiemaatregelen beschikken die eerst worden ingezet voordat het garantiekapitaal zou worden ingeroepen. De kans dat de garantstelling leidt tot een financiële verplichting voor de Nederlandse staat is verwaarloosbaar. Door het verhogen van het garantiekapitaal in lijn met het aandeel van Nederland in de Bank is het stemrecht van Nederland op peil gebleven. Het toetsingskader risicoregelingen Afrikaanse Ontwikkelingsbank is met uw Kamer gedeeld (Kamerstuk II, 2023/24, 29237 nr. 204).
Asian Development Bank
De Asian Development Bank (hierna AsDB of Bank) heeft een kernmandaat gericht op armoedebestrijding en het verbeteren van leefomstandigheden in Azië en de Pacific. De meerwaarde van de AsDB ligt onder meer in haar focus op grootschalige infrastructuurprojecten, regionale integratie en nauwe partnerschappen met de klantlanden. In 2023 heeft de bank USD 23,5 miljard gecommitteerd aan projecten en technische assistentie. De focus van de Bank sluit aan bij de Nederlandse prioriteiten op het gebied van water, voedselzekerheid en private sectorontwikkeling. Daarnaast zijn beleidseisen die horen bij ADB-leningen goed voor het economische- en ondernemingsklimaat en daarmee voor Nederlandse handel en bedrijven. Onze participatie in de AsDB stelt hun tenders open voor inschrijvingen van het Nederlandse bedrijfsleven, waar in het verleden al meerdere water-gerelateerde bedrijven van hebben geprofiteerd. Nederland ervaart goede samenwerking met de AsDB en ziet de Bank als een belangrijke partner op het Aziatische continent.
Net zoals bij andere ontwikkelingsbanken bestaat het aandelenkapitaal van de AsDB uit twee delen; een volgestort deel: het ‘ingelegde kapitaal’ (paid-in capital) en een niet volgestort deel: het ‘garantiekapitaal’ (callable capital). Het garantiekapitaal van Nederland bij de AsDB bedraagt EUR 1.210 miljoen. Het garantie kapitaal kan ingeroepen worden mocht een ontwikkelingsbank grootschalige, plotselinge problemen ondervinden bij terugbetalingen van leningen van klantlanden. Dit risico is echter minuscuul. Zo heeft nog nooit een uitkering plaatsgevonden onder deze garantieregeling in de bestaansgeschiedenis van multilaterale ontwikkelingsbanken. Dit komt doordat de Banken beschikken over een preferred creditor status, zeer prudent beleid voeren waar aandeelhouders op toezien, en over een scala van mitigatiemaatregelen beschikken die eerst worden ingezet voordat het garantiekapitaal zou worden ingeroepen. De kans dat de garantstelling leidt tot een financiële verplichting voor de Nederlandse staat is verwaarloosbaar.
Inter-American Development Bank
De Inter-American Development Bank (hierna IDB of Bank) is de grootste ontwikkelingsbank voor Latijns-Amerika en het Caribisch (LAC) gebied. Door middel van financiële en technische steun draagt de bank bij aan het bestrijden van armoede en ongelijkheid in de regio en helpt het bij het verbeteren van de gezondheidszorg, onderwijs en infrastructuur. Een van de sterke punten van de IDB is de hoge mate van regionaal eigenaarschap: de landen uit de LAC-regio beschikken over meer dan 50% van het stemaandeel van de bank. De IDB is onderdeel van de IDB Group, waar ook de private sector tak ‘IDB Invest’ en het innovatieplatform ‘IDB Lab’ onder vallen. In 2023 heeft de IDB Group voor in totaal USD 24,3 miljard gefinancierd in de LAC-regio. De IDB is een belangrijke partner voor Nederland in de LAC-regio vanwege het sterke regionale eigenaarschap. Ook weet de Nederlandse financiële sector (Rabobank, ILX en FMO) onderdelen van de bank, zoals IDB Invest, goed te vinden. De bank is actief in vele sectoren en heeft zodoende projecten die bijdragen aan alle 17 Duurzame Ontwikkelingsdoelen. De bank is met name actief op het gebied van eerlijk werk en economische groei (#8), industrie, innovatie en infrastructuur (#9), ongelijkheid verminderen (#10) en klimaatactie (#13).
Net zoals bij andere ontwikkelingsbanken bestaat het aandelenkapitaal van de IDB uit twee delen; een volgestort deel: het ‘ingelegde kapitaal’ (paid-in capital) en een niet volgestort deel: het ‘garantiekapitaal’ (callable capital). In 2010 keurde de Raad van Gouverneurs de negende, en meest recente, middelenaanvulling van de IDB goed. Het ging in totaal om USD 70 miljard aan volgestort en niet volgestort kapitaal dat werd toegevoegd aan de bestaande kapitaalbasis van USD 100 miljard. Nederland heeft hiervoor een USD-garantie verstrekt waarvan het uitstaande garantiekapitaal per 31 december 2025 EUR 280,1 miljoen bedraagt. Dit kapitaal kan ingeroepen worden mocht een ontwikkelingsbank grootschalige, plotselinge problemen ondervinden bij terugbetalingen van leningen van klantlanden. Dit risico is echter minuscuul. Zo heeft nog nooit een uitkering plaatsgevonden onder deze garantieregeling in de bestaansgeschiedenis van multilaterale ontwikkelingsbanken. Dit komt doordat de Banken beschikken over een preferred creditor status, zeer prudent beleid voeren waar aandeelhouders op toezien, en over een scala van mitigatiemaatregelen beschikken die eerst worden ingezet voordat het garantiekapitaal zou worden ingeroepen. De kans dat de garantstelling leidt tot een financiële verplichting voor de Nederlandse staat is verwaarloosbaar.
Begrotingsartikel | Revolverend Fonds | Uitvoerende organisatie | Omvang fonds[1] 31-12-2025; Beoogde totale omvang fonds | Bijdrage NL t/m 31-12-2025; beoogde totale bijdrage NL | Uitgangspunt revolveerbaarheid | Uitvoering evaluatie gepland; beleids-doorlichting gepland | Looptijd |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
1.2 | DTIF (onderdeel 1) | Invest International | PM | PM | 100% nominaal | In 2025 heeft de Algemene Rekenkamer een evaluatie uitgevoerd van DGGF en DTIF. Belkeidsdoorlichting is in 2021 uitgevoerd. | 2016 – Onbepaald |
Dutch Trade & Investment Fund | |||||||
1.3 | DGGF | Invest International | PM | PM | 100% nominaal | In 2025 heeft de Algemene Rekenkamer een evaluatie uitgevoerd van DGGF en DTIF. Belkeidsdoorlichting is in 2021 uitgevoerd. | 2014 – Onbepaald |
Dutch Good Growth Fund onderdeel 1 | |||||||
1.3 | DGGF | Triple Jump/PWC | 306,4 | 376,0; 409,0 | 100% nominaal | Evaluatie uitgevoerd in 2020; uitgevoerd 2021 | 2014 –Onbepaald |
Dutch Good Growth Fund onderdeel 2 | |||||||
1.3 | Massif | FMO | 433,5 | 354,4; 414,0 | n.v.t. | Evaluatie uitgevoerd in 2020; uitgevoerd in 2021 | 2006-2036 |
1.3 | Building Prospects (IDF) | FMO | 340,3 | 424,5; 472,0 | 100% | 2023; uitgevoerd in 2021 | 2001-2028 |
1.3 | PIDG | PIDG | 905,6 (USD 1.053,0) | 10,0 en 163,4,1 (10,0 en USD 190,0); 10,0 en 190,9 (10,0 en USD 222,0) | n.v.t. | n.v.t.; uitgevoerd in 2021 | 2002 - Onbepaald |
Private Infrastructure Development Group | |||||||
1.3 | One Acre Fund | One Acre Fund | 12,1(USD 14,1) | 25,8 (USD 30,0); 25,8 (USD 30,0) | 100% | n.v.t.; uitgevoerd in 2021 | 2018–2032 |
1.3 | Farm Fit | IDH | 26,7 | 37,4; 50,0 | 100% | Mid Term Review in 2025; uitgevoerd in 2021 | 2019–2034 |
2.1 | GAFSPGlobal Agricultural and Food Security Programme | IFC | 146,4 (USD 170,2) | 83,3 (USD 96,9 Investment); 104,4 (USD 121,4 investment) | 100% nominaal | Mid-term evaluatie 2018, geen afspraken over volgende evaluatie | 2012-2034 |
2.3 | AGRI3 Fund | Stichting Title Holder Agri3 | 79,8 (USD 92,8) | 30,1 (USD 35,0 Finance Fund); 30,1 (USD 35,0 Finance Fund) | Finance Fund 100% | 2022 (uitgevoerd); 2025 | 2020-2039 |
2.3 | AEFAccess to Energy Fund | FMO | 122,5 | 150,7; 190,0 | EUR 190 mln. is 75% ‒ 100% revolveerbaar | Iedere 5 jaar, in 2024 is een evaluatie uitgevoerd. Impact evaluatie 2029/2030 | 2006-2030 |
2.3 | CIO / AEF II Climate Investor One | FMO | 20,9 | 47,8 (USD 55,6); 47,8 (USD 55,6) | 75% ‒ 100% | Iedere 5 jaar, in 2023 is een evaluatie uitgevoerd. De volgende zal naar verwachting in 2028 plaatsvinden. | 2012-2037 |
2.3 | DFCDDutch Fund for Climate and Development | FMO | 132,4 | 183,7; 200,0 | Maximaal 200,0 (= 100%) | Iedere 5 jaar. De eerste heeft plaatsgevonden eind 2023. Het rapport is ontvangen begin 2024 | 2019-2037 |
2.3 | MFF - Mobilising Finance for Forests | FMO | 137,7 (USD 160,1) | 16,9 (USD 19,6); 25,7 (USD 29,9) | 100% | Iedere 5 jaar. De eerste zal naar verwachting in 2026 plaatsvinden. | 2024-2038 |
[1] De omvang van het fonds betreft de waarderingsgrondslag zoals die bij de uitvoerder in de balans wordt gerapporteerd volgens de meest recente beschikbare gegevens. Voor enkele fondsen (DGGF, DTIF, GAFSP, PIDG, FarmFit Fund, One Acre Fund, DFCD) zijn de (meest recente) gegevens per 31 december 2024 opgenomen.
Toelichting op overzicht revolverende fondsen
Revolverende fondsen hebben als kenmerk dat investeringen na enige tijd worden terugontvangen waarna deze middelen ingezet kunnen worden voor nieuwe investeringen passend binnen het doel van het fonds. Fondsbeheerders is benadrukt dat, waar mogelijk en verantwoord, bij nieuwe investeringen de nadruk op de focusregio’s ligt.
De bedragen in de tabel t.a.v. DGGF en DTIF ontbreken vanwege het feit dat er op dit moment vanuit de kaderstelling voor revolverende fondsen onder mandaat nog geen sluitende manier van representeren is. Aan deze kaderstelling wordt gewerkt.
Dutch Trade and Investment Fund (DTIF)
Het bieden van financiering voor Nederlandse ondernemers die willen investeren in of exporteren naar niet DGGF-landen.
Dutch Good Growth Fund (DGGF)
Onderdeel 1: het bevorderen van ondernemerschap en het creëren van werkgelegenheid door het bieden van financiering voor het mkb in Nederland die willen investeren in 71 lage-inkomenslanden en landen met opkomende markten. Onderdeel 2: stimuleren van financiële sectorontwikkeling in 71 lage- en middeninkomenslanden door middel van het (financieel) ondersteunen van lokale investeringsfondsen en financiële instellingen. Focus op het midden- en kleinbedrijf ter bevordering van ondernemerschap en het creëren van werkgelegenheid.
MASSIF
Het bieden van toegangtot financiële diensten voor micro- en mkb-bedrijven in lage inkomenskanden en landen met opkomende markten via investeringen in financiële intermediairs.
Building Prospects
Het bieden van lange termijn-financiering voor infrastructuurprojecten in brede zin in lage-inkomenslanden en landen met opkomende markten.
PIDG
De ontwikkeling en financiering van infrastructuurprojecten in Sub-Sahara Afrika en Zuidoost-Azië en het aantrekken van private investeerders voor infrastructuur.
One Acre Fund
Ondersteuning van kleinschalige boeren in Afrika met de financiering van noodzakelijke landbouwbenodigdheden en diensten.
Farmfit Fund
Het fonds maakt investeringen in kleinschalige boerenbedrijven aantrekkelijk. Het vermindert de risico's van investeringen in kleinschalige boeren en helpt duurzame impact te stimulerendoor de risico's en kosten voor zowel boeren als investeerders te verlagen.
GAFSP
Het bieden van financiering aan agri-ondernemers in fragiele staten ter vergroting van de voedselzekerheid en inkomenszekerheid.
AGRI3 Fund
Het AGRI3 Fund heeft tot doel banken, andere financiële instellingen en landbouwbedrijven te stimuleren bedrijfsmodellen te ontwikkelen een implementeren die leiden tot bosbescherming, herbebossing en implementatie van innovatieve landbouwoplossingen, terwijl de levensstandaard van lokale boeren wordt verbeterd.
AEF
Het faciliteren en financieren van private investeringen in hernieuwbare energieprojecten om zo duurzame toegang tot energie te verbeteren voor huishoudens en bedrijven in lage-inkomenslanden en landen met opkomende markten.
CIO / AEF II
Climate Investor One is door Climate Fund Managers en FMO ontworpen om private investeringen in hernieuwbare energieprojecten in lage- en middeninkomenslanden verder te versnellen.
DFCD
Het Dutch Fund for Climate and Development is een fonds voor klimaatactie in lage- en middeninkomenslanden gericht op het tegengaan van klimaatverandering en versterking van de weerbaarheid tegen de gevolgen van klimaatverandering, als uitvloeisel van de Nederlandse toezeggingen onder de Overeenkomst van Parijs.
MFF
De belangrijkste doelstelling van het Mobilising Finance for Forest Program (MFF) is het mobiliseren van particulier kapitaal voor de bescherming en het herstel van tropische bossen.
3.4 Onderuitputting
In 2025 was er geen onderuitputting op de BHO-begroting.
3.5 Openbaarheidsparagraaf
BHO maakt gebruik van het apparaat van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Zie het Jaarverslag Buitenlandse Zaken (V) 2025 voor verantwoordingsinformatie over de openbaarmaking van informatie.
4. Beleidsartikelen
Artikel 1: Duurzame economische ontwikkeling, handel en investeringen
Versterken van het internationaal verdienvermogen van Nederland, nu en in de toekomst, verminderen van armoede en maatschappelijke ongelijkheid, bevorderen van toekomstbestendige groei wereldwijd, waarbij wordt ingespeeld op mondiale transities. Nederland werkt aan een toekomstbestendig handels- en investeringssysteem, gebaseerd op hoge standaarden, Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO), effectieve inzet van het handels- en financieringsinstrumentarium, het beleid en uitvoering van exportcontrole, het ontwikkelen, uitvoeren en houden van toezicht op sancties op technologie en goederen, bevordering van de economische weerbaarheid en versterking van de private sector en arbeidsmarkt in ontwikkelingslanden.
Het vergt een kabinetsbrede inspanning om deze doelstellingen te verwezenlijken. De Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking werkt hiertoe in het bijzonder samen met de Minister van Financiën, de Staatssecretaris Fiscaliteit en Belastingdienst, de Minister van Economische Zaken, de Minister voor Klimaat en Energie, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de Minister voor Rechtsbescherming, de Minister en Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat en de AIVD en MIVD.
De Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking is verantwoordelijk voor:
Financieren
– Het financieren van de jaarlijkse verdragscontributie van het Koninkrijk aan de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en daarnaast enkele programma’s binnen de WTO gericht op een betere integratie van ontwikkelingslanden.
– Het voeren van een op maat gesneden en onderling samenhangend financieel instrumentarium gericht op export- en investeringsbevordering voor het Nederlands bedrijfsleven en het bedrijfsleven in ontwikkelingslanden, handelsfacilitatie en markttoegang.
– In het licht van internationale ontwikkelingen en toenemende concurrentie internationaal inzetten op een verbetering van het gelijk speelveld in het financieel instrumentarium gericht op export- en investeringsbevordering en banengroei in Nederland.
– Het financieel ondersteunen van het Nederlandse en lokale middenen kleinbedrijf en startups om met eigentijdse oplossingen bij te dragen aan wereldwijde maatschappelijke vraagstukken en de Nederlandse economie.
– Het financieren van diverse bilaterale en internationale programma’s die bijdragen aan een gunstig ondernemingsklimaat en innovatief ondernemerschap in lage- en middeninkomenslanden, inclusief ketenverduurzaming in deze landen, (jeugd)werkgelegenheid en innovatie.
– Het financieren van het National Contact Punt (NCP) voor de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen belast met voorlichting over de OESO-richtlijnen, en het behandelen van klachten met betrekking tot het nakomen van de OESO-richtlijnen door Nederlandse bedrijven.
– Het financieren van de opzet van een IMVO-steunpunt voor het bedrijfsleven, van een nieuw instrument voor het bevorderen van sectorale samenwerking op het gebied van IMVO, en van aanloopkosten voor IMVO-wetgeving die in de EU en nationaal wordt uitgewerkt.
Stimuleren
– Het bevorderen van internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen door het Nederlandse bedrijfsleven met een doordachte mix van verplichtende en vrijwillige maatregelen, waaronder (de ontwikkeling van) Europese en nationale IMVO-wetgeving, het opzetten van een IMVO-steunpunt voor het bedrijfsleven, het stimuleren van sectorale samenwerking en het stellen van IMVO-voorwaarden in het kader van het BHO-bedrijfsleveninstrumentarium en het inkoopbeleid van de overheid.
– Het bevorderen van werkgelegenheid en ondernemerschap in lageen middeninkomenslanden.
– Stimuleren van ketenverduurzaming in lage- en middeninkomenslanden. Het versterken en monitoren van de impact van IMVO-beleid.
– Het stimuleren van het bedrijfsleven en kennisinstellingen, Nederlands en in ontwikkelingslanden, om met hun internationale activiteiten bij te dragen aan oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen, waaronder de SDG’s van de VN.
– Het bevorderen van handel in gevestigde en opkomende markten en het wereldwijd faciliteren en ondersteunen van Nederlandse bedrijven om zaken te doen op buitenlandse markten, met behulp van kennis en informatie, contacten en netwerken, positionering en belangenbehartiging (incl. financiering). Hierbij is speciale aandacht voor het Nederlandse midden- en kleinbedrijf, startups/scaleups, ondernemers en clustergewijze samenwerking van bedrijven op buitenlandse markten.
– Bijdragen aan het stimuleren van een aantrekkelijk internationaal vestigingsklimaat voor buitenlandse investeringen in Nederland via economische diplomatie, ten behoeve van een versterkt internationaal verdienvermogen van Nederland.
– Het stimuleren van goed bestuur in de vorm van goede wet- en regelgeving, betrouwbare instituties en actoren en verbeterde belastingregimes in lage- en middeninkomenslanden.
– Het stimuleren van de kennis en expertise bij bedrijven op het terrein van exportcontrole via voorlichtingsactiviteiten.
Regisseren
– Een actieve bijdrage leveren aan het ondersteunen en bevorderen van een op regels gebaseerd mondiaal handels- en investeringssysteem, met oog voor het gelijke speelveld, open markten, open strategische autonomie, economische weerbaarheid en veiligheid en dwarsdoorsnijdende thema’s, zoals digitalisering onder meer via de WTO, OESO en G20.
– Het bevorderen van toekomstbestendige bilaterale handelsakkoorden van de EU met derde landen en effectieve implementatie van deze handelsakkoorden.
– Het bevorderen van internationale kaders voor IMVO via de VN, OESO en EU.
– Het vorm en inhoud geven aan economische diplomatie, economische missies en inkomende en uitgaande bezoeken, en het opstellen en bewaken van de afgestemde economische reisagenda van het kabinet.
– Het bevorderen en optimaliseren van publiek-private samenwerking op het terrein van internationaal ondernemen.
– Het invulling geven aan de internationale kant van het topsectorenbeleid.
– Het inhoud geven aan de mede-beleidsverantwoordelijkheid voor de Exportkredietverzekering (EKV) met de Minister van Financiën.
– Het afstemmen van Nederlandse inspanningen op het gebied van private sectorontwikkeling en duurzame groei met die van andere multilaterale en bilaterale donoren, met bijzondere aandacht voor programma’s van de Europese Commissie en EU-lidstaten.
– Het inzetten nationaal en in internationale exportcontroleregimes op het controleren en waar nodig beheersen van sensitieve technologieën. Versterken van de adviesrol ten aanzien van andere departementen op het gebied van exportcontrole, bijvoorbeeld op het thema kennisveiligheid.
Uitvoeren
– Het behandelen van klachten van Nederlandse bedrijven in het buitenland, onder andere over oneerlijke concurrentie.
– Het uitvoeren van controle op de export van strategische goederen, zoals in de EU en internationale kaders overeengekomen.
– Nationale implementatie en uitvoering van internationale sancties op goederen en technologie.
– Het aansturen en vormgeven van de inzet van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) op het gebied van handelsbevordering en private sector ontwikkeling; het strategisch aansturen van de Nederlandse ontwikkelingsbank FMO; en het direct aansturen van de regelingentaak van Invest International en de beleidsmatige aansturing op afstand van de investeringstaak van Invest International.
– Het aansturen van het Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) met als oogmerk het aantrekken van buitenlandse investeerders naar Nederland, samen met de Minister van Economische Zaken (EZ).
– Het doen uitvoeren van het toezicht op de naleving van de Conflictmineralenverordening.
Internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen
In 2025 werd de implementatie van Wivo gepauzeerd na de aankondiging van het Omnibus I pakket. Het voorlopig politieke akkoord op het Omnibus I pakket stelt de toepassing van de CSDDD nog een jaar uit. Dit komt bovenop het eerder overeengekomen uitstel op grond van de «stop de klokrichtlijn». De deadline voor implementatie door lidstaten is juli 2028. De richtlijn is van toepassing op bedrijven vanaf juli 2029. Het kabinet pakt in 2026 het implementatietraject van de Wivo weer op. Conform staand kabinetsbeleid wordt de richtlijn zuiver en lastenluw geïmplementeerd, zonder nationale koppen.
De Anti-dwangarbeidverordening schrijft voor dat EU-lidstaten voor 14 december 2025 de verantwoordelijke toezichthouders en hun rollen bij de Europese Commissie bekend moesten maken. Aan die verplichting is deels voldaan. Op dit moment is er nog geen partij gevonden die bereid is de taak op zich te nemen om in Nederland te onderzoeken en vast te stellen of producten zijn gemaakt met dwangarbeid.9 Ook een groot aantal andere EU-lidstaten heeft hiervoor nog geen geschikte partij kunnen aanwijzen. Wel heeft Nederland een aantal markttoezichthouders (NVWA, ILT, NLA, IGJ) aan de Europese Commissie doorgegeven voor de handhaving van het verbod wanneer dwangarbeid is vastgesteld. De gesprekken over het toezicht worden in 2026 geïntensiveerd.
Combitracks
De resultaten van de combitracks zijn conform de verwachtingen. De betrokken bedrijven en partners zijn positief over de Nederlandse inzet om via combitracks de synergie tussen de inzet voor ontwikkeling en Nederlands verdienvermogen te verbeteren in opkomende markten. Bij een meerderheid van de 21 combitracks is goede vooruitgang geboekt. Combitracks werken op verschillende snelheden en zijn sterk afhankelijk van de lokale context. Aansluiting bij de prioriteiten van partnerlanden is een belangrijke succesfactor. In sommige tracks is al zicht op het bereiken van doelstellingen (verdienvermogen, lokale marktontwikkeling, vergroening). Voor het behalen van duurzame resultaten, die bijdragen aan het toekomstbestendig verdienvermogen van Nederland en het versterken van economische groei en werkgelegenheid in de combinatielanden, is een lange adem nodig.
Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
2021 | 2022 | 2023 | 2024 | 2025 | 2025 | 2025 | ||
Art. | Verplichtingen | 499.364 | 663.825 | 826.341 | 449.774 | 466.721 | 379.145 | 87.576 |
Uitgaven | 549.655 | 579.628 | 639.144 | 644.580 | 653.706 | 536.817 | 116.889 | |
1.1 | Duurzaam handels- en investeringssysteem, inclusief MVO | 28.939 | 28.056 | 28.571 | 31.927 | 24.393 | 32.130 | ‒ 7.737 |
Subsidies (regelingen) | 13.578 | 16.658 | 12.823 | 11.683 | 8.440 | 13.558 | ‒ 5.118 | |
MVO en beleidsondersteuning (ODA) | 12.908 | 15.946 | 12.287 | 9.422 | 4.876 | 9.305 | ‒ 4.429 | |
MVO en beleidsondersteuning (non-ODA) | 670 | 712 | 536 | 2.261 | 3.564 | 4.253 | ‒ 689 | |
Opdrachten | 1.932 | 1.613 | 2.425 | 1.192 | 1.268 | 2.231 | ‒ 963 | |
MVO en beleidsondersteuning (non-ODA) | 1.932 | 1.613 | 2.425 | 1.192 | 1.268 | 2.231 | ‒ 963 | |
Bijdrage aan agentschappen | 1.498 | 2.652 | 2.563 | 2.681 | 4.196 | 1.716 | 2.480 | |
Rijksdienst voor ondernemend Nederland | 1.498 | 2.652 | 2.563 | 2.681 | 4.196 | 1.716 | 2.480 | |
Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties | 11.931 | 7.133 | 10.760 | 16.371 | 10.489 | 14.625 | ‒ 4.136 | |
MVO en beleidsondersteuning (ODA) | 6.563 | 1.768 | 4.750 | 10.508 | 4.121 | 8.430 | ‒ 4.309 | |
Contributies internationaal ondernemen (non-ODA) | 5.368 | 5.365 | 6.010 | 5.863 | 6.368 | 6.195 | 173 | |
1.2 | Versterkte Nederlandse Handels- en Investeringspositie | 105.214 | 100.284 | 127.480 | 113.250 | 114.626 | 105.176 | 9.450 |
Subsidies (regelingen) | 30.242 | 20.307 | 39.743 | 21.030 | 18.871 | 30.781 | ‒ 11.910 | |
Programma's internationaal ondernemen | 15.732 | 9.107 | 7.744 | 7.203 | 9.939 | 10.000 | ‒ 61 | |
Versterking concurrentiepositie Nederland | 6.950 | 4.000 | 6.000 | 2.000 | 2.932 | 6.502 | ‒ 3.570 | |
Invest Internationaal | 60 | 7.200 | 8.999 | 6.827 | 0 | 9.780 | ‒ 9.780 | |
Dutch Trade and Investment Fund | 7.500 | 0 | 17.000 | 5.000 | 6.000 | 4.499 | 1.501 | |
Garanties | 15.238 | 15.007 | 21.263 | 14.505 | 8.057 | 1.500 | 6.557 | |
Dutch Trade and Investment Fund | 15.238 | 15.007 | 21.263 | 14.505 | 8.057 | 1.500 | 6.557 | |
Opdrachten | 15.976 | 18.228 | 19.345 | 20.703 | 30.343 | 24.655 | 5.688 | |
Programma's internationaal ondernemen | 10.972 | 13.214 | 15.467 | 12.761 | 22.275 | 10.566 | 11.709 | |
Dutch Trade and Investment Fund | 1.022 | 1.014 | 544 | 586 | 634 | 4.186 | ‒ 3.552 | |
Wereldtentoonstelling Dubai | 3.982 | 4.000 | 7 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Wereldtentoonstelling | 0 | 0 | 3.327 | 7.356 | 7.434 | 9.903 | ‒ 2.469 | |
Bijdrage aan agentschappen | 43.716 | 46.742 | 47.095 | 56.945 | 57.321 | 48.240 | 9.081 | |
Rijksdienst voor ondernemend Nederland | 43.716 | 46.742 | 47.095 | 56.945 | 57.321 | 48.240 | 9.081 | |
Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties | 42 | 0 | 34 | 67 | 34 | 0 | 34 | |
Programma's internationaal ondernemen | 42 | 0 | 34 | 67 | 34 | 0 | 34 | |
1.3 | Versterkte private sector en arbeidsmarkt in ontwikkelingslanden | 415.502 | 451.288 | 483.093 | 499.403 | 514.687 | 399.511 | 115.176 |
Subsidies (regelingen) | 162.025 | 156.591 | 189.798 | 206.648 | 266.531 | 127.543 | 138.988 | |
Marktontwikkeling en markttoegang | 32.572 | 5.659 | 26.327 | 29.800 | 44.647 | 12.362 | 32.285 | |
Economic governance and institutions | 28.834 | 16.992 | 9.856 | 32.868 | 47.247 | 3.153 | 44.094 | |
Financiële sector ontwikkeling | 34.561 | 35.563 | 51.633 | 48.923 | 49.697 | 36.809 | 12.888 | |
Infrastructuurontwikkeling | 15.607 | 33.583 | 23.866 | 48.107 | 50.558 | 22.380 | 28.178 | |
Duurzame productie en handel | 39.010 | 47.726 | 62.130 | 31.850 | 65.343 | 35.504 | 29.839 | |
(Jeugd)werkgelegenheid | 8.341 | 10.704 | 4.365 | 775 | 1.790 | 9.000 | ‒ 7.210 | |
Nexus onderwijs en werk | 3.100 | 4.741 | 5.788 | 1.894 | 569 | 2.685 | ‒ 2.116 | |
Lokale private sector ontwikkeling | 0 | 1.623 | 5.833 | 12.431 | 6.680 | 5.650 | 1.030 | |
Leningen | 14.530 | 81.825 | 49.200 | 40.800 | 21.000 | 50.000 | ‒ 29.000 | |
Infrastructuurontwikkeling | 11.830 | 27.525 | 15.200 | 14.800 | 0 | 10.000 | ‒ 10.000 | |
Financiële sector ontwikkeling | 2.700 | 54.300 | 34.000 | 26.000 | 21.000 | 40.000 | ‒ 19.000 | |
Garanties | 20.594 | 22.342 | 25.590 | 13.997 | 19.270 | 10.000 | 9.270 | |
Financiële sector ontwikkeling | 20.594 | 16.474 | 25.590 | 13.997 | 18.559 | 10.000 | 8.559 | |
Infrastructuurontwikkeling | 0 | 5.868 | 0 | 0 | 711 | 0 | 711 | |
Opdrachten | 40.570 | 59.320 | 84.531 | 57.921 | 63.347 | 61.800 | 1.547 | |
Marktontwikkeling en markttoegang | 9.018 | 9.015 | 12.184 | 7.526 | 15.589 | 12.000 | 3.589 | |
Economic governance and institutions | 15.971 | 17.635 | 23.740 | 7.948 | 17.541 | 17.000 | 541 | |
Financiële sector ontwikkeling | 4.549 | 5.752 | 7.878 | 3.279 | 4.018 | 1.000 | 3.018 | |
Infrastructuurontwikkeling | 2.354 | 9.213 | 11.270 | 11.911 | 14.101 | 1.750 | 12.351 | |
(Jeugd)werkgelegenheid | 8.678 | 17.705 | 29.459 | 27.257 | 12.057 | 30.050 | ‒ 17.993 | |
Lokale private sector ontwikkeling | 0 | 0 | 0 | 0 | 41 | 0 | 41 | |
Bijdrage aan agentschappen | 31.282 | 25.434 | 27.512 | 35.579 | 51.304 | 26.000 | 25.304 | |
Rijksdienst voor ondernemend Nederland | 31.282 | 25.434 | 27.512 | 35.579 | 51.304 | 26.000 | 25.304 | |
Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties | 146.501 | 105.776 | 106.462 | 144.458 | 93.235 | 124.168 | ‒ 30.933 | |
International Labour Organisation | 4.994 | 4.551 | 4.979 | 5.768 | 5.649 | 5.700 | ‒ 51 | |
Lokale private sector ontwikkeling | 27.130 | 27.968 | 30.168 | 37.403 | 21.219 | 38.860 | ‒ 17.641 | |
Marktontwikkeling en markttoegang | 17.515 | 8.837 | 10.216 | 10.729 | 3.856 | 11.109 | ‒ 7.253 | |
Partnershipprogramma ILO | 4.901 | 4.218 | 6.500 | 6.450 | 4.600 | 6.450 | ‒ 1.850 | |
Economic governance and institutions | 5.944 | 1.462 | 4.910 | 12.874 | 3.270 | 6.000 | ‒ 2.730 | |
Financiële sector ontwikkeling | 25.639 | 11.396 | 3.551 | 21.103 | 7.965 | 16.000 | ‒ 8.035 | |
Infrastructuurontwikkeling | 45.838 | 29.204 | 32.875 | 42.852 | 40.170 | 31.909 | 8.261 | |
(Jeugd)werkgelegenheid | 3.380 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Nexus onderwijs en werk | 11.160 | 16.360 | 12.028 | 7.279 | 1.368 | 8.140 | ‒ 6.772 | |
Duurzame productie en handel | 0 | 1.780 | 1.235 | 0 | 5.138 | 0 | 5.138 | |
Nog te verdelen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Nog te verdelen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Ontvangsten | 19.230 | 38.583 | 59.153 | 29.089 | 29.484 | 14.000 | 15.484 | |
Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
2021 | 2022 | 2023 | 2024 | 2025 | 2025 | 2025 | ||
Art. | Ontvangsten | 19.230 | 38.583 | 59.153 | 29.089 | 29.484 | 14.000 | 15.484 |
1.10 | Duurzame economische ontwikkeling, handel en investeringen | 10.176 | 16.326 | 33.598 | 15.092 | 10.211 | 7.000 | 3.211 |
Duurzame economische ontwikkeling, handel en investeringen | 10.176 | 16.326 | 33.598 | 15.092 | 10.211 | 7.000 | 3.211 | |
Duurzame economische ontwikkeling, handel en investeringen | 10.176 | 16.326 | 33.598 | 15.092 | 10.211 | 7.000 | 3.211 | |
1.30 | Ontvangsten DGGF | 9.054 | 22.257 | 25.555 | 13.997 | 19.273 | 7.000 | 12.273 |
Ontvangsten DGGF | 9.054 | 22.257 | 25.555 | 13.997 | 19.273 | 7.000 | 12.273 | |
Ontvangsten DGGF | 9.054 | 22.257 | 25.555 | 13.997 | 19.273 | 7.000 | 12.273 | |
Realisatie 2021 | Realisatie 2022 | Realisatie 2023 | Realisatie 2024 | Realisatie 2025 | Vastgestelde begroting 2025 | Verschil 2025 | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
Verplichtingen | 499 364 | 663 825 | 826 341 | 449 774 | 466 721 | 379 145 | 87 576 |
garantieverplichtingen | 9 168 | ‒ 13 367 | 21 681 | 35 752 | 30 251 | 129 000 | ‒ 98 749 |
overige verplichtingen | 490 196 | 677 192 | 804 660 | 414 022 | 436 470 | 250 145 | 186 325 |
Verplichtingen
De verplichtingenrealisatie op artikel 1 Duurzame economische ontwikkeling, handel en investeringen valt ten opzichte van de vastgestelde begroting EUR 87,6 miljoen hoger uit. De mutatie bedroeg bij de Eerste suppletoire begroting 2025 EUR 34,6 miljoen, met name doordat in 2025 verplichtingen werden aangegaan in het kader van de Ukraine Partnership Facility (UPF) 2. Bij de Suppletoire begroting September is het verplichtingenbudget verhoogd met EUR 19,2 miljoen. Zoals toegelicht in deze begrotingswet, werd het verplichtingenbudget op artikel 1 verhoogd om een aantal ambassades in staat te stellen programma's te committeren gericht op de inzet op handel en economie binnen het kader van de beleidsbrief Ontwikkelingshulp. Bij de Tweede suppletoire begroting 2025 werd het verplichtingenbudget verhoogd met EUR 78,1 miljoen. De oorzaak hiervan was voornamelijk dat de gerealiseerde uitgaven van Invest International en RVO in hetzelfde boekjaar verwerkt dienen te worden in de BHO-begroting, waardoor een verrekening heeft plaatsgevonden in 2025 (Kamerstuk 36 800-XVII, nr. 17). Tot slot zijn er twee omvangrijke negatieve bijstellingen verwerkt op dit artikel, conform het fiche verplichtingenbeheer bij het rijk (zie bij de saldibalans 14. Andere verplichtingen voor meer toelichting).
Uitgaven
De uitgaven op beleidsartikel 1 Duurzame economische ontwikkeling, handel en investeringen zijn ten opzichte van de vastgestelde begroting EUR 117 miljoen hoger uitgevallen. Dit heeft te maken met verschillende mutaties die lopende het jaar hebben plaatsgevonden en waarover het parlement is geïnformeerd middels de Eerste suppletoire begroting (Kamerstuk 36 725-XVII, nr. 2), de Suppletoire begroting september (Kamerstuk 36 820-XVII, nr. 2), de Tweede suppletoire begroting (Kamerstuk 36 850-XVII, nr. 2) en de Decemberbrief BHO (Kamerstuk 36 800-XVII, nr. 17).
Artikelonderdeel 1.1
De uitgaven op artikelonderdeel 1.1 vallen ten opzichte van de vastgestelde begroting EUR 8 miljoen lager uit. Bij de Eerste suppletoire begroting en de Suppletoire begroting september bleven de geraamde uitgaven nagenoeg gelijk. Bij de Tweede suppletoire begroting werden de geraamde uitgaven verlaagd met EUR 7,1 miljoen, onder andere doordat de uitgaven voor de ODA-budgetten in het kader van maatschappelijk verantwoord ondernemen lager uitvielen (Kamerstuk 36 850-XVII, nr. 2). Bij de Slotwet werden de uitgaven verder verlaagd met EUR 1 miljoen.
Artikelonderdeel 1.2
De uitgaven op artikelonderdeel 1.2 vallen ten opzichte van de vastgestelde begroting EUR 9,5 miljoen hoger uit. Bij de Eerste suppletoire begroting zijn de geraamde uitgaven opwaarts bijgesteld met EUR 3,2 miljoen, dat was in het kader van de uitvoeringskosten van RVO (Kamerstuk 36 725-XVII, nr. 2). Bij de Suppletoire begroting september zijn de uitgaven niet gewijzigd. Bij de Tweede suppletoire begroting werden de uitgaven per saldo verhoogd met EUR 7,5 miljoen, onder andere door een stijging van de uitvoeringskosten van RVO (Kamerstuk 36 850-XVII, nr. 2). Bij de Slotwet vielen de uitgaven daarentegen per saldo EUR 1,1 miljoen lager uit.
Artikelonderdeel 1.3
De uitgave op 1.3 vallen ten opzichte van de vastgestelde begroting EUR 115,2 miljoen hoger uit. Bij de eerste suppletoire begroting werden de geraamde uitgave opwaarts bijgesteld met EUR 6,5 mln, dat was in het kader van een beleidsintensivering op handel (Kamerstuk 36 725-XVII, nr. 2). Bij de september suppletoire begroting is de opwaarts bijgesteld met 760.000 EUR ten behoeve van beurzen en trainingen in het kader van de inzet op handel en economie (Kamerstuk 36 820-XVII, nr. 2). In de tweede suppletoire begroting is het budget opwaarts bijgesteld met EUR 89,5 miljoen. De oorzaak hiervan was onder andere een stijging van de uitgaven voor het infrastructuurprogramma dat door Invest International wordt uitgevoerd. Daarnaast zijn de uitgaven voor de programma’s ten behoeve van duurzame productie en handel en de uitvoeringskosten voor RVO gestegen (Kamerstuk 36 850-XVII, nr. 2). Ook vielen de infrastructuur uitgaven via Invest International hoger uit dan verwacht met EUR 18,5 miljoen.
OntvangstenOp artikel 1 is EUR 15,5 miljoen meer ontvangen dan begroot. Dit komt door een ontrekking vanuit FOM en DGGF reserves die zijn ingezet binnen artikel 1.
Zie ook de Geannoteerde Agenda voor de RBZ Handel van 24 november 2025, Kamerstuk 21501-02, nr. 3270.
Artikel 2: Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid, water en klimaat
Toegenomen voedselzekerheid; verbeterd waterbeheer, drinkwater, sanitaire voorzieningen en voorlichting over hygiëne; toegenomen weerbaarheid tegen klimaatverandering en tegengaan van klimaatverandering; duurzaam gebruik natuurlijke hulpbronnen.
Om deze doelstelling te realiseren, werkt de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking nauw samen met de Minister en de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei, de Minister en de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, de Minister van Financiën en de Minister en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat. De Minister is verantwoordelijk voor:
Financieren
– De financiering van diverse programma’s en fondsen gericht op groene economische ontwikkeling en armoedebestrijding, voedsel- en waterzekerheid, toegang tot hernieuwbare energie, klimaatadaptatie en -mitigatie en verduurzaming van grondstofwinning. In toenemende mate wordt ingezet op financiering van programma’s waarin oog is voor de dwarsverbanden die tussen deze en andere mondiale uitdagingen, zoals biodiversiteitsverlies, bestaan. Groeiende druk op natuurlijke hulpbronnen dwingt tot verduurzaming en een integrale benadering die synergie tussen de verschillende thema’s bevordert. De programma’s worden uitgevoerd door multilaterale instellingen, maatschappelijke organisaties, kennisinstellingen, (lokale) overheden, centrale uitvoerders (zoals FMO en RVO), in consultatie en samen werking met andere donoren (waaronder FCDO, BMZ, USAID en SIDA) en via publiek-private partnerschappen.
– De financiering van verschillende multilaterale en internationale instellingen, die een sleutelrol spelen bij de verzameling van gegevens, analyse en (formulering van de) aanpak van vraagstukken op het gebied van deze thema’s.
Stimuleren
– Nadruk op de verduurzaming van de dienstverlening en een integrale benadering die synergie tussen de verschillende thema’s bevordert.
– Het stimuleren van een inclusieve benadering met extra aandacht voor vrouwen en jongeren.
– Het intensiveren van de samenwerking tussen overheden, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en de private sector gericht op bovengenoemde doelstellingen.
– Mobilisatie van private investeringen in klimaatadaptatie, klimaatmitigatie en biodiversiteit met gebruikmaking van begrotingsmiddelen.
– Het stimuleren van ambities, acties en aandacht voor klimaat, water en voedselzekerheid.
Regisseren
– Inzet van Nederlandse deskundigheid en technologie bij het realiseren van de ontwikkelingsdoelstellingen.
– Coördinatie, in nauwe samenwerking met de Minister van KGG, IenW, LVVN en FIN, van het Nederlandse internationale milieu- en klimaatbeleid.
Voedselzekerheid
In het verslagjaar werden 32 miljoen mensen (vooral kinderen en hun moeders) bereikt met activiteiten ter verbetering van hun voedingssituatie. Dit resultaat ligt ruim boven de jaarlijkse streefwaarde (van 20 miljoen). Drie grote en goedlopende voedingsprogramma’s (uitgevoerd door resp. UNICEF, GAIN en CARE) leverden een belangrijke bijdrage aan dit resultaat.
Het aantal ondersteunde kleinschalig producerende boer(inn)en ligt dit jaar, met 5,2 miljoen, onder de streefwaarde (van 10 miljoen). Dit komt door een groot programma (2SCALE) dat in het verslagjaar afliep en doordat meerdere programma’s pas na de peildatum hun resultaten publiceerden. Deze resultaten worden in het volgend verslagjaar meegenomen.
Verder werd duurzaam landgebruik gepromoot op 0,8 miljoen hectare landbouwgrond. Dit ligt, om dezelfde redenen, ook iets onder het jaarlijkse streefcijfer (van 1,4 miljoen). Door bijsturing en een vernieuwde inzet zal de komende jaren het aantal bereikte boer(inn)en en hectares weer gaan stijgen.
Concluderend: evenals voorgaande jaren blijft het in dit Jaarverslag gerapporteerde resultaatbereik ruim voldoende om de komende jaren de einddoelstellingen van het voedselzekerheidsbeleid in 2030 te behalen (zie TK 33625-341), binnen de kaders van het vernieuwde BHO beleid.
Bovendien zal de komende jaren de bijdrage van de inzet op voedselzekerheid aan de overkoepelende doelen op gebied van economie, stabiliteit en migratie zichtbaar worden gemaakt binnen de nieuwe verantwoordingssystematiek.
Waterbeheer
In de verslagperiode kregen 5,3 miljoen mensen met Nederlandse financiering toegang tot een verbeterde waterbron, en 4,4 miljoen mensen kregen toegang tot sanitaire voorzieningen. Deze resultaten zijn hoger dan de streefwaarden van 2,0 miljoen en 3,5 miljoen.
Het aantal mensen dat voordeel ondervond van Nederlandse inspanning op geïntegreerd waterbeheer lag met 3,3 miljoen boven de streefwaarde van 2,7 miljoen. Nederland ligt daarmee op schema om de meerjarige doelen voor waterbeheer en sanitatie te halen en ligt voor op het schema van de drinkwater doelstelling.
De hogere resultaten in 2025, ten opzichte van de streefwaarden, zijn mede te danken aan inzet via de Wereldbank en via partnerschappen van Nederlandse waterbedrijven met waterbedrijven in partnerlanden. Verder zorgden programma's van Aqua for All en Global Water Partnerschip (GWP) voor een veelvoud aan private investeringen in de watersector.
Concluderend: evenals voorgaande jaren blijft het in dit Jaarverslag gerapporteerde resultaatbereik ruim voldoende om de komende jaren de einddoelstellingen van het waterbeleid in 2030 te behalen, binnen de kaders van het vernieuwde BHO beleid. Bovendien zal de komende jaren de bijdrage van de inzet op water aan de overkoepelende doelen op gebied van economie, stabiliteit en migratie zichtbaar worden gemaakt binnen de nieuwe verantwoordingssystematiek.
Klimaat en energie
Met de beleidsbrief Ontwikkelingshulp (Kamerstuk 36 180, nr. 133) is besloten het budget van artikel 2.3 Klimaat te verlagen. Dit heeft gevolgen voor regionale klimaatfondsen, de inzet op bossen en kleinschalige hernieuwbare energie. Als gevolg hiervan is de ambitie om 100 miljoen mensen met toegang tot hernieuwbare energie te bereiken teruggebracht naar de eerdere doelstelling van 50 miljoen. Bestaande verplichtingen worden uitgevoerd, waardoor in 2025 alsnog meer dan 10 miljoen mensen toegang kregen tot hernieuwbare energie. Door klimaat sterker te integreren in overige beleidsthema’s, met name water en voedselzekerheid, blijft de Nederlandse publieke klimaatfinanciering op peil.
Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
2021 | 2022 | 2023 | 2024 | 2025 | 2025 | 2025 | ||
Art. | Verplichtingen | 749.142 | 916.727 | 1.375.688 | 817.073 | 339.307 | 906.951 | ‒ 567.644 |
Uitgaven | 757.490 | 816.870 | 897.149 | 960.406 | 959.884 | 908.803 | 51.081 | |
2.1 | Voedselzekerheid | 328.812 | 340.180 | 388.412 | 422.406 | 360.509 | 358.536 | 1.973 |
Subsidies (regelingen) | 83.743 | 118.409 | 145.867 | 176.348 | 169.571 | 117.315 | 52.256 | |
Realiseren ecologische houdbare voedselsystemen | 14.695 | 10.793 | 15.388 | 22.557 | 20.004 | 12.000 | 8.004 | |
Bevorderen inclusieve, duurzame groei in de agrarische sector | 37.642 | 31.301 | 27.661 | 37.611 | 34.028 | 21.250 | 12.778 | |
Kennis & capaciteitsopbouw ten behoeve van voedselzekerheid | 2.138 | 1.862 | 4.964 | 5.636 | 8.371 | 3.000 | 5.371 | |
Uitbannen huidige honger en voeding | 24.007 | 31.515 | 18.913 | 33.844 | 21.822 | 16.000 | 5.822 | |
Voedselzekerheid | 5.261 | 42.938 | 78.941 | 76.700 | 85.346 | 65.065 | 20.281 | |
Opdrachten | 22.577 | 17.494 | 10.920 | 2.944 | 1.683 | 11.000 | ‒ 9.317 | |
Kennis & capaciteitsopbouw ten behoeve van voedselzekerheid | 20.930 | 13.422 | 10.632 | 2.444 | 0 | 10.000 | ‒ 10.000 | |
Realiseren ecologische houdbare voedselsystemen | 1.647 | 1.549 | 0 | 0 | 287 | 1.000 | ‒ 713 | |
Voedselzekerheid | 0 | 2.523 | 288 | 500 | 1.396 | 0 | 1.396 | |
Bijdrage aan agentschappen | 1.995 | 1.973 | 2.939 | 2.804 | 1.616 | 3.735 | ‒ 2.119 | |
Rijksdienst voor ondernemend Nederland | 1.995 | 1.973 | 2.939 | 2.804 | 1.616 | 3.735 | ‒ 2.119 | |
Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties | 220.497 | 202.304 | 228.686 | 240.310 | 187.639 | 226.486 | ‒ 38.847 | |
Voedselzekerheid | 126.653 | 127.195 | 105.040 | 128.762 | 85.983 | 120.270 | ‒ 34.287 | |
Realiseren ecologische houdbare voedselsystemen | 19.243 | 0 | 15.560 | 0 | 11.470 | 11.000 | 470 | |
Bevorderen inclusieve, duurzame groei in de agrarische sector | 17.563 | 41.974 | 42.369 | 69.725 | 22.327 | 60.149 | ‒ 37.822 | |
Kennis & capaciteitsopbouw ten behoeve van voedselzekerheid | 42.250 | 13.415 | 43.819 | 35.348 | 48.572 | 24.000 | 24.572 | |
Uitbannen huidige honger en voeding | 14.788 | 19.720 | 21.898 | 6.475 | 19.287 | 11.067 | 8.220 | |
Nog te verdelen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Nog te verdelen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
2.2 | Water | 189.997 | 186.866 | 201.682 | 191.209 | 207.896 | 170.330 | 37.566 |
Subsidies (regelingen) | 52.425 | 56.517 | 68.582 | 69.208 | 82.881 | 44.887 | 37.994 | |
Waterbeheer | 16.923 | 27.530 | 32.646 | 35.060 | 43.234 | 27.960 | 15.274 | |
Drinkwater en sanitatie | 35.502 | 28.987 | 35.936 | 34.148 | 39.647 | 16.927 | 22.720 | |
Opdrachten | 0 | 3.114 | 1.792 | 1.361 | 358 | 3.200 | ‒ 2.842 | |
Waterbeheer | 0 | 3.114 | 1.792 | 1.361 | 358 | 3.200 | ‒ 2.842 | |
Bijdrage aan agentschappen | 6.085 | 4.113 | 3.155 | 4.354 | 4.871 | 1.829 | 3.042 | |
Rijksdienst voor ondernemend Nederland | 6.085 | 4.113 | 3.155 | 4.354 | 4.871 | 1.829 | 3.042 | |
Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties | 131.487 | 123.122 | 128.153 | 116.286 | 119.786 | 120.414 | ‒ 628 | |
Waterbeheer | 63.240 | 81.914 | 69.770 | 73.100 | 66.331 | 74.350 | ‒ 8.019 | |
Drinkwater en sanitatie | 68.247 | 41.208 | 58.383 | 43.186 | 53.455 | 46.064 | 7.391 | |
2.3 | Klimaat | 238.681 | 289.824 | 307.055 | 346.791 | 391.479 | 379.937 | 11.542 |
Subsidies (regelingen) | 96.150 | 98.698 | 131.749 | 118.560 | 169.745 | 141.600 | 28.145 | |
Klimaat algemeen | 32.557 | 29.099 | 66.856 | 50.813 | 54.642 | 32.400 | 22.242 | |
Hernieuwbare energie | 28.593 | 16.599 | 39.779 | 33.544 | 59.362 | 47.000 | 12.362 | |
Dutch Fund for Climate and Development | 35.000 | 53.000 | 25.114 | 8.958 | 14.840 | 10.000 | 4.840 | |
Klimaatfonds | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 15.000 | ‒ 15.000 | |
Bosbehoud | 0 | 0 | 0 | 25.245 | 40.901 | 37.200 | 3.701 | |
Opdrachten | 614 | 845 | 1.072 | 1.882 | 1.640 | 0 | 1.640 | |
Klimaat algemeen | 614 | 845 | 1.072 | 1.882 | 1.640 | 0 | 1.640 | |
Bijdrage aan agentschappen | 3.077 | 4.858 | 4.696 | 9.501 | 11.363 | 3.400 | 7.963 | |
Rijksdienst voor ondernemend Nederland | 3.077 | 4.858 | 4.696 | 9.501 | 11.363 | 3.400 | 7.963 | |
Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties | 138.840 | 185.423 | 169.538 | 216.848 | 208.731 | 234.937 | ‒ 26.206 | |
Contributie IZA/IZT | 276 | 334 | 351 | 365 | 380 | 358 | 22 | |
Klimaatprogramma's (non-ODA) | 1.279 | 1.138 | 1.410 | 1.990 | 1.273 | 1.265 | 8 | |
Klimaat algemeen | 113.578 | 157.085 | 123.876 | 14.554 | 11.442 | 14.568 | ‒ 3.126 | |
Hernieuwbare energie | 16.565 | 19.724 | 35.259 | 45.820 | 24.989 | 45.000 | ‒ 20.011 | |
UNEP | 7.142 | 7.142 | 8.642 | 8.642 | 8.885 | 8.642 | 243 | |
Bosbehoud | 0 | 0 | 0 | 3.924 | 8.750 | 12.000 | ‒ 3.250 | |
Multilaterale klimaatfondsen | 0 | 0 | 0 | 107.044 | 153.012 | 153.104 | ‒ 92 | |
Resilience and Sustainability Trust | 0 | 0 | 0 | 34.509 | 0 | 0 | 0 | |
Nog te verdelen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Nog te verdelen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Ontvangsten | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Verplichtingen
De realisatie van de verplichtingen op artikel 2 Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid, water en klimaat valt ten opzichte van de vastgestelde begroting EUR 567,6 miljoen lager uit. In de Eerste suppletoire begroting (Kamerstuk 36 725-XVII, nr. 2) is een stijging van EUR 193,3 miljoen toegelicht vanwege de verhoging van de meerjarige kasbudgetten op artikelonderdeel 2.1 Voedselzekerheid en 2.2 Water conform de beleidsbrief Ontwikkelingshulp (Kamerstuk 36 180 nr. 133). Aanvullend is bij de Suppletoire begroting September (Kamerstuk 36 820-XVII, nr. 2) een stijging van EUR 54,7 miljoen toegelicht om een aantal ambassades in staat te stellen programma's op gebied van voedselzekerheid en watermanagement te committeren binnen het kader van de beleidsbrief Ontwikkelingshulp en door de overheveling van middelen voor wederopbouw van Gaza van art. 4.3 naar artikel 2.2 (EUR 10 miljoen). De uiteindelijke realisatie aan het einde van het jaar valt EUR 815,5 miljoen lager uit dan bij de Tweede suppletoire begroting verwacht. Dit komt doordat terughoudend omgegaan moest worden met het aangaan van nieuwe committeringen zolang de begroting niet was goedgekeurd. Dit leidde tot vertragingen in het aangaan van nieuwe verplichtingen.
Uitgaven
Artikelonderdeel 2.2 Water
De uitgaven voor het thema Water vallen ten opzichte van de vastgestelde begroting EUR 37,6 miljoen hoger uit. Bij de Suppletoire begroting September (Kamerstuk 36 820-XVII, nr. 2) is dit artikelonderdeel met EUR 10 miljoen verhoogd door middel van een overheveling vanuit artikel 4.3 Veiligheid en stabiliteit voor een bijdrage via UNICEF voor het herstel van waterinfrastructuur in de Gazastrook. Bij de Tweede suppletoire begroting (Kamerstuk 36 850-XVII, nr. 2) zijn de uitgaven verhoogd met EUR 20 miljoen. Dit kwam enerzijds door nogmaals een overheveling vanuit artikel 4.3 voor hetzelfde doel (nogmaals EUR 10 miljoen) en anderzijds door een verhoging van EUR 10 miljoen uit ontstane ruimte op bufferartikel 5.4 voor programmering op schaalbare en innovatieve oplossingen in lijn met de beleidsbrief Ontwikkelingshulp. De realisatie valt uiteindelijk EUR 8,1 miljoen hoger uit door een betaling van EUR 6,4 miljoen aan een programma op het verminderen van risico’s op water- en klimaat gerelateerde rampen met de focus op steden, waar de belangen economie en migratie samenkomen, en een betaling van EUR 1,8 miljoen voor onderzoek, onderwijs en capaciteitversterkende activiteiten.
Artikelonderdeel 2.3 Klimaat
De uitgaven op artikel 2.3 Klimaat vallen EUR 11,6 miljoen hoger uit dan verwacht bij de vastgestelde begroting 2025. Bij de Tweede suppletoire begroting (Kamerstuk 36 850-XVII, nr. 2) zijn de uitgaven verhoogd met EUR 10,3 miljoen vanuit ontstane ruimte op bufferartikel 5.4. EUR 5 miljoen hiervan was bestemd voor mobilisatie van private klimaatfinanciering en EUR 5 miljoen voor het vergroten van weerbaarheid tegen klimaatextremen in de Nijldelta.
Artikel 3: Sociale vooruitgang
Menselijke ontplooiing en het bevorderen van sociale gelijkheid en inclusieve ontwikkeling, door:
– Het bijdragen aan seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR) voor iedereen en een halt toeroepen aan de verspreiding van hiv/aids;
– Het bevorderen van vrouwenrechten en gendergelijkheid;
– Versterking van het maatschappelijk middenveld en bevordering en bescherming van de politieke ruimte voor maatschappelijke organisaties;
– Versterken van de meest gemarginaliseerde en gediscrimineerde groepen, zodat zij hun stem kunnen laten horen;
– Versterken van het onderwijs en daarmee bijdragen aan het vergroten van kansen en perspectieven voor jongeren;
– Een toename van het aantal goed opgeleide professionals, versterking van hoger- en beroepsonderwijsinstellingen en het bevorderen van beleidsrelevant onderzoek.
De Minister is verantwoordelijk voor:
Financieren
– Het financieren van programma’s van multilaterale organisaties, niet gouvernementele organisaties, bedrijven, overheden en kennisinstellingen, die het meeste perspectief bieden op het verwezenlijken van de beoogde resultaten op het gebied van SRGR, HIV/aids, vrouwenrechten en gendergelijkheid en het versterken van de meest gemarginaliseerde en gediscrimineerde groepen.
– Het financieren van programma’s gericht op het versterken van het maatschappelijk middenveld in ontwikkelingslanden, via onder meer strategische partnerschappen.
– Het financieren van initiatieven op het terrein van onderwijs, onder andere via ondersteuning van het Global Partnership for Education en programma’s gericht op het vergroten van perspectieven en kansen voor jongeren, zoals Generation Unlimited en de programma’s die de nexus tussen onderwijs en werkgelegenheid bevorderen.
– De versterking van hoger- en beroepsonderwijsinstellingen via het Orange Knowledge Programma (OKP); en de Kennisplatforms voor Development Policies en voor SRGR (Share-Net International).
Stimuleren
– Het bijdragen aan structurele armoedebestrijding en bevorderen van inclusieve groei en ontwikkeling door mensen te steunen, invloed uit te oefenen op beleid en hun mogelijkheden en kansen te vergroten om bij te dragen aan inclusieve ontwikkeling, specifiek voor achtergestelde of gediscrimineerde groepen, waaronder vrouwen, meisjes en LHBTIQ+.
– De Nederlandse inzet voor seksuele en reproductieve gezondheid en rechten en hiv-preventie, onder meer in multilaterale fora. Nederland speelt een actieve rol in de follow-up van ICPD beyond 2014 en uitvoering van SRGR en gendergelijkheid als onderdeel van de 2030 agenda, in de bilaterale dialoog in de partnerlanden, in de samenwerking met NGO’s en in samenwerking met private partijen en het bedrijfsleven.
– Werken aan goede internationale kaders voor vrouwenrechten en gendergelijkheid in multilaterale fora (VN, OESO/DAC, EU) en het ondersteunen van lokale organisaties ter versterking van politieke participatie, economische zelfstandigheid, een actieve rol van vrouwen in vredesprocessen en de uitbanning van geweld tegen vrouwen. Lokale ervaringen worden ingebracht in multilaterale fora, en vice versa.
– De samenwerking met het maatschappelijk middenveld op de internationale beleidsagenda en het bevorderen van de politieke ruimte in internationale fora, waaronder het Global Partnership for Effective Development Cooperation (GPEDC).
– De Nederlandse inzet voor onderwijs om jongeren in ontwikkelingslanden meer perspectief te bieden uitdragen in internationale fora.
Het beleid op het gebied van gezondheid en SRGR is uitgevoerd conform de beleidsbrief Ontwikkelingshulp en de kabinetsbrede Mondiale gezondheidsstrategie. 2025 was het jaar waarin de voorbereiding van het meerjarige bestedingsvoorstel Mondiale Gezondheid en SRGR ter hand is genomen, waarbij de inzet op gezondheid meer gericht wordt op onze veiligheids- en handelsbelangen.
In 2025 heeft het kabinet in het kader van de bezuinigingsopdracht ervoor gekozen om inspanningen aangaande vrouwenrechten efficiënter in te richten, met minder mensen en middelen. Op beleidsartikel 3.2 is er derhalve sprake van een afbouw van financiering conform de tweede supplementaire begroting. Naar aanleiding van het amendement Hirsch c.s. (Kamerstuk 36 725-XVII, nr. 18) is in 2025 o.a. de kernbijdrage aan UN Women verlengd, en nieuwe steun aan het Ukrainian Women Fund verleend.
Het beleid op het gebied van versterking van het maatschappelijk middenveld is conform begroting uitgevoerd. In 2025 is het beleidskader samenwerking met maatschappelijke organisaties in ontwikkelingshulp verder ontwikkeld (zie ook het CW 3.1-formulier bij de Kamerbrief Beleidskader voor samenwerking met maatschappelijke organisaties in ontwikkelingshulp 2026-2030, Kamerstuk 36180, nr. 168) en zijn 7 van de 8 instrumenten binnen het kader gepubliceerd of gegund.
Hoewel de inzet op de zelfstandige jongerenagenda minder prioritair werd, blijft de aanpak relevant in prioritaire regio’s en een inspiratiebron voor landen en internationale organisaties. Nederland werkt aan het overdragen van verantwoordelijkheden aan internationale partners en lokale actoren.
Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
2021 | 2022 | 2023 | 2024 | 2025 | 2025 | 2025 | ||
Art. | Verplichtingen | 687.598 | 782.314 | 527.161 | 280.562 | 716.212 | 1.749.132 | ‒ 1.032.920 |
Uitgaven | 825.433 | 901.132 | 830.675 | 835.421 | 668.273 | 692.989 | ‒ 24.716 | |
3.1 | Mondiale gezondheid en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten | 533.472 | 579.156 | 515.235 | 542.914 | 486.567 | 447.355 | 39.212 |
Subsidies (regelingen) | 98.256 | 191.449 | 215.733 | 198.609 | 194.276 | 147.035 | 47.241 | |
Mondiale gezondheid en SRGR | 98.256 | 139.449 | 215.733 | 198.609 | 194.276 | 147.035 | 47.241 | |
Global Fund to Fight Aids, Malaria and Tuberculosis | 0 | 52.000 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Opdrachten | 20.961 | 9.280 | 8.351 | 14.555 | 14.717 | 17.975 | ‒ 3.258 | |
Mondiale gezondheid en SRGR | 20.961 | 9.280 | 8.351 | 14.555 | 14.717 | 17.975 | ‒ 3.258 | |
Bijdrage aan agentschappen | 94 | 78 | 323 | 93 | 263 | 140 | 123 | |
Rijksdienst voor ondernemend Nederland | 94 | 78 | 323 | 93 | 263 | 140 | 123 | |
Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties | 414.161 | 378.349 | 290.828 | 329.657 | 277.311 | 282.205 | ‒ 4.894 | |
WHO/PAHO | 5.938 | 5.638 | 6.790 | 15.007 | 97 | 7.122 | ‒ 7.025 | |
Mondiale gezondheid en SRGR | 211.468 | 188.464 | 203.937 | 196.378 | 160.670 | 178.681 | ‒ 18.011 | |
UNFPA | 66.317 | 72.995 | 46.342 | 57.463 | 83.869 | 60.000 | 23.869 | |
UNAIDS | 20.000 | 23.000 | 23.000 | 46.000 | 18.200 | 23.000 | ‒ 4.800 | |
Partnershipprogramma WHO | 15.835 | 15.773 | 10.759 | 10.309 | 9.975 | 13.402 | ‒ 3.427 | |
Global Fund to Fight Aids, Malaria and Tuberculosis | 52.000 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
UNICEF | 7.000 | 9.000 | 0 | 4.500 | 4.500 | 0 | 4.500 | |
Vrouwenrechten en keuzevrijheid | 35.603 | 63.479 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Nog te verdelen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Nog te verdelen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
3.2 | Vrouwenrechten en gendergelijkheid | 52.077 | 51.675 | 51.930 | 48.618 | 34.668 | 39.358 | ‒ 4.690 |
Subsidies (regelingen) | 39.787 | 39.526 | 39.441 | 34.758 | 20.546 | 25.858 | ‒ 5.312 | |
Vrouwenrechten | 39.787 | 39.526 | 39.441 | 34.758 | 20.546 | 25.858 | ‒ 5.312 | |
Opdrachten | 107 | 188 | 136 | 77 | 35 | 0 | 35 | |
Vrouwenrechten | 107 | 188 | 136 | 77 | 35 | 0 | 35 | |
Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties | 12.183 | 11.961 | 12.353 | 13.783 | 14.087 | 13.500 | 587 | |
Vrouwenrechten | 6.183 | 5.483 | 6.104 | 7.783 | 5.253 | 7.500 | ‒ 2.247 | |
UNWOMEN | 6.000 | 6.478 | 6.249 | 6.000 | 8.834 | 6.000 | 2.834 | |
Nog te verdelen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Nog te verdelen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
3.3 | Maatschappelijk middenveld | 165.842 | 200.486 | 206.413 | 227.162 | 140.281 | 154.074 | ‒ 13.793 |
Subsidies (regelingen) | 143.464 | 179.828 | 183.116 | 205.984 | 121.983 | 137.656 | ‒ 15.673 | |
Twinningsfaciliteit Suriname | 0 | 60 | 659 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Versterking maatschappelijk middenveld | 143.464 | 179.768 | 182.457 | 205.984 | 121.983 | 137.656 | ‒ 15.673 | |
Opdrachten | 13.987 | 10.822 | 12.858 | 11.533 | 1.864 | 7.291 | ‒ 5.427 | |
Versterking maatschappelijk middenveld | 13.987 | 10.720 | 12.692 | 11.247 | 1.630 | 6.000 | ‒ 4.370 | |
Versterking maatschappelijk middenveld Monitoringsfonds | 0 | 102 | 166 | 286 | 234 | 1.291 | ‒ 1.057 | |
Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties | 8.391 | 9.836 | 10.439 | 9.645 | 16.434 | 9.127 | 7.307 | |
Versterking maatschappelijk middenveld | 8.391 | 9.836 | 10.439 | 9.645 | 16.434 | 9.127 | 7.307 | |
Nog te verdelen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Nog te verdelen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
3.4 | Onderwijs | 74.042 | 69.815 | 57.097 | 16.727 | 6.757 | 52.202 | ‒ 45.445 |
Subsidies (regelingen) | 1.425 | 1.425 | 1.426 | 1.500 | 2.626 | 1.500 | 1.126 | |
Onderzoeksprogramma's | 1.425 | 1.425 | 1.426 | 1.500 | 2.626 | 1.500 | 1.126 | |
Opdrachten | 59.799 | 32.261 | 41.372 | 14.987 | 2.120 | 50.702 | ‒ 48.582 | |
Onderwijs | 120 | 77 | 176 | 0 | 386 | 200 | 186 | |
Onderzoeksprogramma's | 0 | 0 | 2.000 | 2.000 | 0 | 1.500 | ‒ 1.500 | |
Hoger Onderwijs | 59.679 | 32.184 | 39.196 | 12.987 | 1.734 | 49.002 | ‒ 47.268 | |
Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties | 12.818 | 36.129 | 14.299 | 240 | 2.011 | 0 | 2.011 | |
Onderwijs | 2.818 | 2.879 | 2.579 | 240 | 2.011 | 0 | 2.011 | |
Global partnership for education | 10.000 | 33.250 | 11.720 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Ontvangsten | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Verplichtingen
De realisatie van de verplichtingen op artikel 3 Sociale vooruitgang valt ten opzichte van de vastgestelde begroting 2025 EUR 1,032 miljard lager uit. In de Eerste suppletoire begroting (Kamerstuk 36 725-XVII, nr. 2) is toegelicht dat dit met name wordt veroorzaakt doordat de committeringen voor het nieuwe beleidskader voor het maatschappelijk middenveld oorspronkelijk gepland stonden in 2025, maar zijn verschoven naar 2026. Zoals medegedeeld in de Kamerbrief Toekomst samenwerking met maatschappelijke organisaties in ontwikkelingshulp (Kamerstuk 36 600 XVII, nr. 13) wordt er bezuinigd op de samenwerking met het maatschappelijke middenveld. Derhalve zijn de verplichtingen in 2025 met EUR 901 miljoen afgenomen en is het verplichtingenbudget in 2026 met een lager bedrag (EUR 515 miljoen) verhoogd. Daarnaast is het verplichtingenbudget in 2025 verder verlaagd door de bezuinigingen op artikelonderdeel 3.2 Vrouwenrechten en gendergelijkheid conform de beleidsbrief Ontwikkelingshulp (Kamerstuk 36 180 nr. 133). Tot slot is bij de Suppletoire begroting September (Kamerstuk 36 820-XVII, nr. 2) toegelicht dat het verplichtingenbudget op artikel 3.4 neerwaarts is bijgesteld als gevolg van de overheveling van middelen voor beurzen en trainingen (EUR 25,8 miljoen) naar artikel 1.
Uitgaven
Artikelonderdeel 3.1 Mondiale gezondheid en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten
De uitgaven voor het thema Mondiale gezondheid en SRGR vallen ten opzichte van de vastgestelde begroting EUR 39,2 miljoen hoger uit. Bij de Tweede suppletoire begroting (Kamerstuk 36 850-XVII, nr. 2) zijn er middelen geschoven vanuit artikel 3.2, 3.3 en 3.4 om EUR 41,2 miljoen extra uitgaven en verplichtingen aan te gaan in verband met bijdragen aan multilaterale gezondheidsorganisaties. Deze inzet is nader toegelicht in de Kamerbrief «Nederlandse bijdragen aan 6 multilaterale gezondheidsorganisaties vanaf 2026 en de effecten van de bezuinigingen op het SRGR-beleid» van 7 oktober 2025 (Kamerstuk 36180 nr. 177). Daarnaast is EUR 3 miljoen overgeheveld naar artikel 4.1 voor een bijdrage aan WHO ten behoeve van het Gaza Strip Emergency Appeal 2025.
Artikelonderdeel 3.2 Vrouwenrechten en gendergelijkheid
De uitgavenrealisatie op artikelonderdeel 3.2 Vrouwenrechten en gendergelijkheid valt EUR 4,5 miljoen lager uit ten opzichte van de vastgestelde begroting. Zoals toegelicht in de Tweede suppletoire begroting (Kamerstuk 36 850-XVII, nr. 2) heeft het kabinet besloten om niet meer in te zetten op vrouwenrechten via een zelfstandig budget op dit begrotingsartikel. Hierdoor zijn er in 2025 minder nieuwe activiteiten opgestart. Een bedrag van EUR 3,8 miljoen is overgeheveld naar artikel 3.1 Mondiale gezondheid en SRGR ten behoeve van continuering van de inzet op mondiale gezondheid en SRGR.
Artikelonderdeel 3.3 Maatschappelijk middenveld
De uitgaven op artikelonderdeel 3.3 Maatschappelijk middenveld vallen EUR 13,793 miljoen lager uit ten opzichte van de vastgestelde begroting. Bij de Tweede suppletoire begroting (Kamerstuk 36 850-XVII, nr. 2) is EUR 15,8 miljoen overgeheveld naar artikel 3.1 ten behoeve van de inzet op mondiale gezondheid en SRGR. Deze middelen waren in 2025 niet nodig op artikel 3.3 doordat de uitgaven binnen de programmering op maatschappelijk middenveld lager waren dan eerder verwacht.
Artikelonderdeel 3.4 Onderwijs
In de beleidsbrief Ontwikkelingshulp heeft het kabinet aangegeven dat onderwijs geen zelfstandig thema meer is en is besloten om niet te starten met een nieuw beroeps- en hoger onderwijsprogramma. Zoals toegelicht in de Suppletoire begroting September (Kamerstuk 36 820-XVII, nr. 2) is er EUR 25,8 mln. overgeheveld naar artikel 5.4 en heeft er een herallocatie plaatsgevonden binnen de BHO-begroting via verdeelartikel 5.4 naar artikel 1.3. Vervolgens is bij de Tweede suppletoire begroting (Kamerstuk 36 850-XVII, nr. 2) het budget op onderwijs verder verlaagd met EUR 19,8 miljoen. Dit budget is overgeheveld naar artikel 3.1 Mondiale gezondheid en SRGR ten behoeve van de inzet op mondiale gezondheid en SRGR.
Artikel 4: Vrede, veiligheid en duurzame ontwikkeling
Vrede, veiligheid en duurzame ontwikkeling door het voorkomen en terugdringen van gewelddadig conflict en het bevorderen van rechtsstaatontwikkeling, vredesopbouw en legitieme staatsstructuren. Tevens het bevorderen van migratiesamenwerking, het verbeteren van de perspectieven van vluchtelingen en gastgemeenschappen (met focus op bescherming, onderwijs en werk) en het verlenen van noodhulp ter leniging van humanitaire nood wereldwijd.
De Minister is verantwoordelijk voor:
Financieren
– Programma’s en partners op het terrein van veiligheid & rechtsorde, gericht op het aanpakken van de grondoorzaken van conflict, waaronder conflictpreventie, veiligheid van mensen, rechtsstaatontwikkeling, vredesprocessen met nadruk op de focusregio’s (Sahel, MENA en Hoorn van Afrika). Voor een deel worden deze gefinancierd uit het geïntegreerde Budget Internationale Veiligheid (Defensie begroting) en het Stabiliteitsfonds (BZ-begroting), waarmee het geïntegreerde karakter van de inzet van diplomatieke, civiele en/of militaire activiteiten wordt geborgd.
– Humanitaire hulpverlening door gespecialiseerde VN-organisaties, het Internationale en Nederlandse Rode Kruis, en Nederlandse NGO’s (Dutch Relief Alliance).
– Programma’s gericht op innovatie van de humanitaire hulpverlening.
– Programma’s gericht op opvang en bescherming van vluchtelingen in de regio.
– Het ondersteunen van brede partnerschappen op migratieterrein met prioritaire herkomst-, transit- en opvanglanden, door financiering van activiteiten die belangrijk zijn voor betrokken ontwikkelingslanden en die bijdragen aan betere migratiesamenwerking, betere bescherming en perspectieven voor vluchtelingen en gastgemeenschappen, tegengaan van uitbuiting en mishandeling van migranten en bestrijding van mensensmokkel/handel en het bevorderen van vrijwillige terugkeer en herintegratie.
Stimuleren
– Programma’s gericht op veiligheid & rechtsorde en ‘legitieme stabiliteit’ in partnerlanden in landen waarin zich actuele crises voordoen, met name in landen in de Sahel, MENA en Hoorn van Afrika regio’s en Grote Meren van Afrika. Onder deze programma’s valt ook inzet op fysieke veiligheid van burgers via humanitair ontmijnen en clustermunitie programma’s.
– De nadruk ligt daarbij op het bereiken van resultaten onder SDG16, wat zich specifiek richt op vrede, justitie en sterke (inclusieve) instellingen, als leidraad voor de Nederlandse inzet. – Innovatie richt zich vooral op een nog grotere synergie bereiken tussen de verschillende thema’s en programma’s binnen deze landen op het terrein van veiligheid en rechtsorde. Bijvoorbeeld door een samenwerking te stimuleren tussen verschillende partners die actief zijn op lokaal bestuur en politieke partijenversterking, waarbij ook speciale aandacht wordt gegeven aan jongeren.
– Innovatie en hervorming bij noodhulporganisaties om efficiënter en effectiever te werken en om de onderlinge coördinatie te versterken.
– Vergroten van paraatheid voor tijdige en effectieve rampenrespons.
– Betrekken van kwetsbare groepen in humanitaire situaties bij beleid en uitvoering en het tegengaan van seksueel geweld.
– Realisatie van brede partnerschappen op migratieterrein met prioritaire herkomst-, transit- en opvanglanden, waar zowel betrokken landen, NL/ EU als vluchtelingen/migranten baat bij hebben.
– Versterking opvang en bescherming van vluchtelingen in de regio, door inzet op betere bescherming en een sterkere rechtspositie voor vluchtelingen (inclusief toegang tot werk), meer en betere voorzieningen (onderwijs, gezondheidszorg, water etc.) en het stimuleren van economische ontwikkeling en banengroei, zodat vluchtelingen en gastgemeenschappen betere perspectieven en dienstverlening krijgen. Toegang tot werk en onderwijs vormen hierbij speerpunten. Speciale aandacht gaat uit naar vrouwen en jongeren.
Regisseren
– Handhaving en bevordering van internationaal humanitair recht en humanitaire principes en vergroten van effectiviteit van humanitaire hulpverlening door onder andere innovatie. Nederland blijft tevens aandringen op het nakomen en stimuleren van afspraken gemaakt in de Grand Bargain en tijdens de World Humanitarian Summit in 2016.
– Samenwerking met actoren zoals de VN, het Rode Kruis en NGO’s voor een effectievere noodhulpverlening, en met de Europese Commissie Office for Humanitarian Aid Department (ECHO) en EU-lidstaten.
– Betere samenwerking op veiligheid & rechtsorde tussen UNDP (team rechtsstaatsontwikkeling) en VN-DPKO via multi-donor dialoog over het Global Focal Point for Justice, Police and Corrections.
– Meer interne cohesie tussen EU-lidstaten en -instellingen, met name de Europese Commissie en EDEO, op crisisbeheersing en conflictpreventie, onder meer via het ‘Comprehensive Approach Action Plan’, het ‘EUwide Security Sector Reform framework’ en de ‘Joint Communication on Capacity Building in support of security and development’ waarbij Nederland eigen ‘best practices’ inbrengt.
– Bevordering van herstel na crises en stimulering van een belangrijke rol voor het maatschappelijk middenveld bij lokale conflictpreventie, het bevorderen van participatie van burgers en sociaaleconomische wederopbouw.
– Nederland leidt en coördineert namens de EU en de EU-lidstaten de uitrol van het EU-programma om vluchtelingenopvang in de Hoorn van Afrika te versterken. Dit heeft als doel een betere bescherming van vluchtelingen (speciale aandacht voor vrouwen en meisjes), betere perspectieven voor gastgemeenschappen en vluchtelingen, inclusief meer mogelijkheden om buiten de vluchtelingenkampen te wonen, werken en onderwijs te volgen.
Humanitaire hulp
In 2025 bleef Nederland een stabiele en betrouwbare humanitaire partner en donor. Conform de Kamerbrief over ‘Humanitaire hulp en diplomatie 2025 – doen wat nodig blijft’ d.d. 1 april 2025 (Kamerstuk 36180, nr. 136) bleef Nederland inzetten op meerjarige en flexibele voorfinanciering aan gespecialiseerde hulporganisaties. Hierdoor konden onze partners snel, duurzaam, en op schaal hulp verlenen. Deze hulp bereikte de meest kwetsbaren, zowel in crises die standaard veel (politieke) aandacht krijgen, als tijdens plotselinge natuurrampen of langdurige, ‘vergeten’ crises. Zo kwam Nederlands geld in 2025 ten goede aan hulpverlening in de humanitaire brandhaarden die wereldwijd de meeste aandacht kregen: Soedan, Gaza en Oekraïne. Via de Dutch Relief Alliance en het humanitair landenfonds van de VN voor Soedan steunde Nederland in Soedan lokale hulpstructuren zoals de Emergency Response Rooms, waarmee op zeer lokaal niveau gaarkeukens draaiende werden gehouden. In Gaza stelde Nederlandse middelen hulpverleners van de Palestijnse Rode Halve Maan en ICRC in staat om, met dikwijls grote veiligheidsrisico's, toch medische en noodhulp te bieden. En in Oekraïne konden via het humanitair landenfonds van de VN kwetsbare gemeenschappen voorbereid worden op de winterkou. Deze voorbeelden laten de kern van humanitaire actie en de humanitaire principes zien: menselijkheid in het verlichten van lijden, neutraliteit en onpartijdigheid in het bereiken van iedereen in nood, en onafhankelijkheid om hulp te kunnen bieden waar en wanneer dat nodig is.
Nederlandse voorfinanciering kwam daarnaast juist terecht in vergeten crises als Afghanistan, Ethiopië, de Democratische Republiek Congo, Jemen, Myanmar, Somalië, Syrië en Zuid-Soedan. Acute en chronische crises ontwrichten het dagelijks leven van mensen, onder meer door grootschalige ontheemding, voortdurende conflicten en tekorten aan basisvoorzieningen. De druk op kwetsbare gemeenschappen wordt verder versterkt door klimaatrampen, zoals droogte, overstromingen en orkanen. Dankzij de flexibele Nederlandse financiering kon bijvoorbeeld de Dutch Relief Alliance in de Democratische Republiek Congo hulp verlenen in Noord- en Zuid-Kivu, het Nederlandse Rode Kruis de Zuid-Soedanese bevolking helpen met de opvang van vluchtelingen uit Soedan, en het Central Emergency Response Fund van de VN direct geld beschikbaar stellen voor hulpverlening in de Filipijnen, Sri Lanka en Vietnam na de grootschalige overstromingen in Zuidoost-Azië.
Opvang en bescherming in de regio en migratiesamenwerking
Het uitgevoerde beleid was conform de verwachtingen zoals opgenomen in de begroting voor Opvang en bescherming in de regio- en migratiesamenwerking.
De additionele EUR 20 miljoen die in de 1e suppletoire begroting is toegevoegd aan het migratiesamenwerkingsbudget voor 2025 is ingezet ten behoeve van migratiepartnerschappen. Een deel van de inzet t.b.v. migratiepartnerschappen, EUR 10 mln in 2025, is overgeheveld naar de begroting van het Ministerie van Asiel en Migratie. De besteding van zowel de ODA als non-ODA middelen voor partnerschappen is nauw afgestemd in de Interdepartementale Taskforce Internationale Migratie. Er zijn verschillende nieuwe programma’s opgestart vanuit dit budget. Zo heeft Nederland nieuwe programmering opgestart met IOM op het gebied van bescherming, vrijwillige terugkeer, toegang tot legal identity en het tegengaan van mensenhandel- en smokkel. Dit zijn enkele voorbeelden van een brede portfolio ter ondersteuning van de migratiepartnerschappen.
Veiligheid en rechtsstaatontwikkeling
Het beleid is grotendeels uitgevoerd conform de begroting en de toelichting op de intensiveringen voor Veiligheid en Stabiliteit (ref CW3.1). Het aantal mensen dat toegang heeft gekregen tot recht is (net als vorig jaar) ver boven de streefwaarde, onder meer door het toegenomen gebruik van e-justitie-mechanismen.
Om praktische redenen zijn de partnerrapportages van 2024 op het terrein van ontmijning, samengevoegd met de eindrapportage over de volledige subsidieperiode. Deze eindrapportages zijn pas na de peildatum ontvangen. Daarom zal in het BHO-jaarverslag van 2026 worden gerapporteerd over de resultaten van 2024 en 2025 bij elkaar. Het is echter de verwachting dat de resultaten van 2024 en 2025 niet fundamenteel anders zijn dan die van 2023.
Ondanks de soms zeer moeilijke omstandigheden ter plaatse, kon in de meeste fragiele landen resultaten conform de planning worden behaald. Dit is mede te danken aan flexibele programmering waarmee (pro)actief op nieuwe ontwikkelingen kan worden ingespeeld.
Omdat Nederland de afgelopen jaren (beperkte) ondersteuning heeft gegeven aan partners die actief waren in Syrië op het terrein van ‘transitional justice’, was er in 2025 na de val van het Assad-regime een unieke kans om – via deze partners - gerechtigheid en verantwoording te ondersteunen. Dit gebeurde onder meer door technisch advies aan de nieuw opgerichte Syrische Nationale Commissie voor Transitional Justice en de Nationale Commissie voor Vermisten. De door Nederland gesteunde partners hebben daarnaast ook Syrische maatschappelijke organisaties versterkt in hun werk met slachtoffers en families van vermisten.
In 2025 is een onafhankelijk haalbaarheidsonderzoek naar een topinstituut voor internationale conflictbemiddeling uitgevoerd, naar aanleiding van het amendement De Korte (Kamerstuk 36725-XVII, nr. 19). Uit het onderzoek blijkt dat het opzetten van zo’n topinstituut weinig meerwaarde heeft. De overige aanbevelingen uit het rapport worden meegenomen in het ontwikkelen van een conflictbemiddeling supporteenheid binnen het ministerie.
Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
2021 | 2022 | 2023 | 2024 | 2025 | 2025 | 2025 | ||
Art. | Verplichtingen | 527.479 | 1.631.883 | 1.761.552 | 725.357 | 483.543 | 369.343 | 114.200 |
Uitgaven | 784.522 | 943.326 | 1.113.608 | 1.100.606 | 1.015.246 | 951.204 | 64.042 | |
4.1 | Humanitaire Hulp | 431.360 | 520.229 | 637.858 | 609.255 | 528.300 | 473.901 | 54.399 |
Subsidies (regelingen) | 93.174 | 123.442 | 151.331 | 129.700 | 167.079 | 122.000 | 45.079 | |
Noodhulpprogramma's | 93.174 | 123.442 | 151.331 | 129.700 | 167.079 | 122.000 | 45.079 | |
Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties | 338.186 | 396.787 | 486.527 | 479.555 | 361.221 | 351.901 | 9.320 | |
Noodhulpprogramma's | 246.744 | 269.786 | 341.110 | 365.550 | 242.221 | 240.884 | 1.337 | |
Noodhulpprogramma's non-ODA | 3.442 | 1 | 417 | 5 | 0 | 1.017 | ‒ 1.017 | |
UNHCR | 33.000 | 33.000 | 35.000 | 35.000 | 39.000 | 35.000 | 4.000 | |
UNRWA | 19.000 | 19.000 | 37.000 | 19.000 | 15.000 | 15.000 | 0 | |
Wereldvoedselprogramma | 36.000 | 75.000 | 73.000 | 60.000 | 65.000 | 60.000 | 5.000 | |
Nog te verdelen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Nog te verdelen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
4.2 | Opvang en bescherming in de regio en migratiesamenwerking | 174.060 | 218.578 | 266.912 | 290.931 | 306.950 | 297.015 | 9.935 |
Subsidies (regelingen) | 9.335 | 5.274 | 5.197 | 9.639 | 18.750 | 15.500 | 3.250 | |
Opvang in de regio | 9.335 | 5.274 | 5.197 | 8.786 | 15.005 | 12.500 | 2.505 | |
Migratie en ontwikkeling | 0 | 0 | 0 | 853 | 3.745 | 3.000 | 745 | |
Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties | 164.725 | 213.304 | 261.715 | 281.292 | 288.200 | 281.515 | 6.685 | |
Opvang in de regio | 131.061 | 179.513 | 201.286 | 220.840 | 228.100 | 230.515 | ‒ 2.415 | |
Migratie en ontwikkeling | 33.664 | 33.791 | 60.429 | 60.452 | 60.100 | 51.000 | 9.100 | |
Nog te verdelen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Nog te verdelen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
4.3 | Veiligheid en Rechtstaatontwikkeling | 179.102 | 204.519 | 208.838 | 200.420 | 179.996 | 180.288 | ‒ 292 |
Subsidies (regelingen) | 53.575 | 55.059 | 57.433 | 71.256 | 83.270 | 53.709 | 29.561 | |
Legitieme stabiliteit | 6.787 | 6.070 | 6.426 | 10.619 | 8.500 | 10.092 | ‒ 1.592 | |
Inclusieve vredes- en politieke processen | 24.470 | 14.750 | 8.674 | 22.135 | 32.059 | 11.927 | 20.132 | |
Vredesdividend: werkgelegenheid en basisvoorzieningen | 5.007 | 2.229 | 818 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Functionerende rechtsorde | 17.311 | 32.010 | 41.515 | 38.502 | 42.711 | 31.690 | 11.021 | |
Opdrachten | 0 | 1.427 | 0 | 2.979 | 473 | 1.376 | ‒ 903 | |
Inclusieve vredes- en politieke processen | 0 | 1.427 | 0 | 2.979 | 448 | 1.376 | ‒ 928 | |
Functionerende rechtsorde | 0 | 0 | 0 | 0 | 25 | 0 | 25 | |
Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties | 125.527 | 148.033 | 151.405 | 126.185 | 96.253 | 125.203 | ‒ 28.950 | |
Legitieme stabiliteit | 10.404 | 3.100 | 4.000 | 0 | 0 | 3.000 | ‒ 3.000 | |
Functionerende rechtsorde | 93.159 | 102.499 | 94.739 | 101.639 | 62.885 | 90.108 | ‒ 27.223 | |
Inclusieve vredes- en politieke processen | 21.964 | 42.434 | 52.666 | 24.546 | 33.368 | 32.095 | 1.273 | |
Nog te verdelen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Nog te verdelen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Ontvangsten | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Verplichtingen
De verplichtingenrealisatie op artikel 4 Vrede, veiligheid en duurzame ontwikkeling valt ten opzichte van de vastgestelde begroting EUR 114,2 miljoen hoger uit. In de Eerste suppletoire begroting (Kamerstuk 36 725-XVII, nr. 2) is een stijging van EUR 179 miljoen toegelicht in verband met de ophogingen van de meerjarige kasbudgetten op artikel 4 conform de beleidsbrief Ontwikkelingshulp. Als gevolg van de verwerking van amendement Hirsch c.s. (Kamerstuk 36725 XVII, nr. 21) zijn de verplichtingen vervolgens verlaagd met EUR 20 miljoen. In de Suppletoire begroting september (Kamerstuk 36 820-XVII, nr. 2) is een verlaging van EUR 15 miljoen toegelicht vanwege overhevelingen naar de begroting van Asiel en Migratie en naar artikel 2.2 Water. In de Tweede suppletoire begroting (Kamerstuk 36 850-XVII, nr. 2) is een stijging van EUR 123 miljoen toegelicht als gevolg van een ophoging van het budget voor humanitaire hulp en om het verplichtingenbudget voor Migratie en ontwikkeling in lijn te brengen met het kasbudget voor 2025. Het verplichtingenbudget is uiteindelijk EUR 152,8 miljoen lager uitgevallen dan verwacht bij de Tweede suppletoire begroting. Dit komt met name doordat een aantal meerjarige verplichtingen voor programma’s in het kader van het belang veiligheid niet in 2025 maar in 2026 wordt aangegaan.
Uitgaven
De uitgaven op artikel 4 Vrede, veiligheid en duurzame ontwikkeling zijn ten opzichte van de vastgestelde begroting hoger uitgevallen. Dit heeft te maken met verschillende mutaties die gedurende het jaar hebben plaatsgevonden en waarover het parlement is geïnformeerd middels de Eerste suppletoire begroting (Kamerstuk 36 725-XVII, nr. 2), de Suppletoire begroting september (Kamerstuk 36 820-XVII, nr. 2) en de Tweede suppletoire begroting (Kamerstuk 36 850-XVII, nr. 2).
Artikelonderdeel 4.1 Humanitaire hulp
De uitgavenrealisatie op artikelonderdeel 4.1 Humanitaire hulp valt ten opzichte van de vastgestelde begroting EUR 54,4 miljoen hoger uit. Deze stijging wordt verklaard in de Tweede suppletoire begroting 2025 (Kamerstuk 36 850-XVII, nr. 2) en houdt verband met een ophoging van het budget voor humanitaire hulp vanuit artikel 5.4, waar ruimte ontstond als gevolg van een aangepaste raming voor de asieluitgaven.
Artikelonderdeel 4.2 Opvang in de regio en migratiesamenwerking
De uitgaven op artikelonderdeel 4.2 Opvang in de regio en migratiesamenwerking vallen EUR 9,9 miljoen hoger uit ten opzichte van de vastgestelde begroting. Een initiële stijging van EUR 20 miljoen is toegelicht in de Eerste suppletoire begroting (Kamerstuk 36 725-XVII, nr. 2) in verband met een intensivering voor migratiepartnerschappen in samenwerking met het ministerie van Asiel en Migratie. Vervolgens is van dit bedrag EUR 10 miljoen omgelabeld van ODA naar non-ODA en overgeheveld naar het ministerie van Asiel en Migratie, zoals toegelicht in de Suppletoire begroting september (Kamerstuk 36 820-XVII, nr. 2).
Artikel 5: Multilaterale samenwerking en overige inzet
Multilaterale samenwerking en inclusieve groei door versterkte multilaterale betrokkenheid en overige inzet; de inzet van cultuur en sport in ontwikkelingslanden om een sociale en kansrijke samenleving te stimuleren, het bevorderen van maatschappelijke betrokkenheid in Nederland en steun aan Oekraïne.
De Minister is verantwoordelijk voor:
Financieren
– Het bijdragen aan organisaties die een belangrijke systeemfunctie hebben binnen de multilaterale ontwikkelingsarchitectuur.
– Het bijdragen aan organisaties die een belangrijke uitvoerende rol hebben in het bereiken van ontwikkeling en inclusieve groei.
– Reguliere bijdrage (sinds 1954) aan het Nederlandse assistentdeskundigen programma (onderdeel van breder VN-programma) waarmee recent afgestudeerden in de gelegenheid worden gesteld om internationale werkervaring op te doen binnen de VN en daarmee bij te dragen aan beleid en uitvoering van activiteiten van VN organisaties die zich met ontwikkelingshulp bezighouden. Programma heeft ook tot doel het aantal Nederlanders werkzaam bij de VN te vergroten.
– Het verlenen van schuldverlichting in de Club van Parijs, de Wereldbank en de regionale ontwikkelingsbanken. Het in internationaal verband deelnemen in de kapitaal-aanvullingen van de regionale ontwikkelingsbanken.
– Het geïntegreerd met het Internationaal Cultuurbeleid 2021-2024 ondersteunen van initiatieven die cultuur inzetten voor ontwikkeling, zowel op posten in enkele landen rondom Europa als door middel van subsidies aan Nederlandse organisaties zoals het Prins Claus Fonds en het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie.
– Het ondersteunen van initiatieven die sport inzetten voor ontwikkeling, zoals KNVB WorldCoaches.
– Steun aan Oekraïne via verschillende kanalen.
Stimuleren
– Het leveren van een bijdrage in relevante fora aan het overleg over de hervorming van de multilaterale ontwikkelingsarchitectuur om zo coherentie en effectiviteit te verbeteren.
– Het toezien op de uitvoering door multilaterale organisaties van strategische aanwijzingen die de lidstaten in de VN opstellen.
– Het bevorderen van meer coherent beleid en samenwerking door multilaterale organisaties op hoofdkantoor- en landenniveau.
– Het bevorderen dat multilaterale organisaties resultaatgericht werken en hun resultaten zichtbaar maken.
– Internationaal en nationaal een bijdrage leveren aan de implementatie en monitoring van de nieuwe Duurzame Ontwikkelingsagenda en de Financing for Development agenda, onder andere door multilaterale organisaties te stimuleren de uitvoering gezamenlijk op te pakken.
– In de betrokken multilaterale instellingen een bijdrage leveren aan het overleg over schuldhoudbaarheid.
– Het pleiten voor een gezonde kapitaalpositie van de regionale ontwikkelingsbanken.
– Ondersteunen van organisaties en processen die een bijdrage leveren aan internationale economische stabiliteit.
– Het verbinden van culturele en sportieve initiatieven met onderwerpen van internationaal beleid, in het bijzonder ontwikkeling, democratisering, maatschappelijke transitie, mensenrechten en bevorderen van de SDG’s.
Regisseren
– De coördinatie van de rijksbrede multilaterale inzet op het terrein van ontwikkelingshulp.
– De coördinatie van de nationale rijksbrede implementatie van de SDG afspraken.
Oekraïne
Uitgevoerd conform begroting 2025, waarin EUR 252 miljoen generale middelen voor herstel, wederopbouw, humanitaire hulp en private sector ondersteuning in Oekraïne waren gereserveerd. De Russische agressieoorlog tegen Oekraine duurde in 2025 onverminderd voort, waardoor de hulpinspanningen onder onvoorspelbare omstandigheden en grote instabiliteit moesten worden verricht en duurzame resultaten moeilijk te behalen zijn.
Multilaterale instellingen
Het beleid op artikel 5.1 is grotendeels conform verwachtingen uitgevoerd. Door een groot deel van de inzet via Internationale Financiële Instellingen te kanaliseren, verloopt de steun effectief en samenhangend, waardoor fragmentatie wordt voorkomen en het effect van de hulpverlening wordt gemaximaliseerd. Nederland zegde als betrouwbare donor en in lijn met zijn aandeel, een nieuwe bijdrage toe aan het Afrikaans Ontwikkelingsfonds (het loket voor de armste landen op het Afrikaans continent) voor de periode 2026-2028.
Het samenwerken van de Multilaterale ontwikkelingsbanken (MDBs working as a system) en harmoniseren van standaarden van verschillende ontwikkelingsbanken is een belangrijke prioriteit om te komen tot hervorming. De Wereldbank en de Aziatische Ontwikkelingsbank hebben begin 2025 een samenwerkingsovereenkomst getekend, het Full Mutual Reliance Framework, het eerste in zijn soort. Het doel hiervan is om de samenwerking efficiënter in te vullen bij co-financing projecten in de publieke sector, waarbij het beleid van de leidende instelling in het project van toepassing zijn. Verwacht wordt dat dit de administratieve lasten zal verminderen en de schaal en snelheid van resultaten in Azië en de Pacific zal vergroten. De banken hebben ook stappen gezet m.b.t. het hervormen en uniformer maken van het aanbestedingsbeleid. De Wereldbank groep liep voorop, veel regionale banken volgen, door in hun aanbestedingsbeleid meer te focussen op kwaliteit.
Door Nederland is ook actief ingezet op het versterken van samenwerking van de ontwikkelingsbanken met Nederlandse partners. Interessante samenwerkingen zijn o.a. de MoU tussen Wageningen University & Research, en de ADB en IDB Lab. Ook FMO, de Nederlandse Ontwikkelingsbank heeft in november 2025 een MoU gesloten met IDB Invest.
In 2025 werden de nieuwe kernbijdragen aan de voor Nederland belangrijkste VN-organisaties voor de periode 2026-29 vastgesteld. Het parlement herstelde de financiering aan UNWOMEN middels een amendement op de begroting. Financiering aan UNRWA wordt als uitkomst van een tweede amendement op de begroting afgebouwd. In 2025 sloot Nederland nieuwe overeenkomsten af met UNAIDS, UNFPA en UNWOMEN voor nieuwe kernbijdragen voor de periode 2026-29 (en in geval van UNWOMEN 2028). Aan de overeenkomsten met de VN organisaties zijn nieuwe teksten toegevoegd over prioriteiten zoals lokalisering en de afspraken uit het Funding Compact. NL voerde in 2025 beleidsdialogen met UNDP, UNFPA, WFP, WHO, ILO, en UNICEF. O.a. in deze dialogen werd het belang van zichtbaarheid voor het effect van kernfinanciering consequent opgebracht. O.a. UNFPA heeft in 2025 beter inzichtelijk gemaakt welke impact de Nederlandse kernfinanciering heeft gehad op bijvoorbeeld het terugbrengen van moedersterfte.
Nederland vervulde in 2025 dan ook het MOPAN-voorzitterschap (het samenwerkingsverband van 21 donoren die in totaal 36 VN-organisaties periodiek toetsen) met als resultaten een nieuwe beoordelingssystematiek, akkoord op het meerjarig onderbrengen van MOPAN bij de OESO in Parijs en verbeterde interne werkafspraken. Doorlichtingen van AsDB, GEF, UN Women, UNESCO, en UNFPA werden in 2025 opgeleverd naast een drietal thematische analyses ten behoeve van de onderhandelingen over VN hervormingen en UN80.
Verdragsmiddelen Suriname
In 2025 werd een arrangement getekend van EUR 5 miljoen voor het Productie Krediet Fonds ter stimulering van het midden- en kleinbedrijf in Suriname. Tevens werden op 4 juli 2025 twee arrangementen getekend voor een herverdeling van de eerdere EUR 5 miljoen voor een zorgautoriteit. Op verzoek van Suriname bleef EUR 2 miljoen voor de oprichting van een zorgautoriteit en ging de resterende EUR 3 miljoen naar de aanschaf van medische apparatuur i.v.m. acute noden. Momenteel resteert nog een klein gedeelte van de Verdragsmiddelen. Deze middelen blijven conform het Verdrag beschikbaar.
Daarnaast werd een nieuw Makandra-programma (government-to-government-samenwerkprogramma voor Suriname) aangekondigd. Het programma ziet op technische assistentie en capaciteitsversterking voor de periode 2026 t/m 2030. Totale omvang bedraagt EUR 10 miljoen , waarvan EUR 5 miljoen op BZ-begroting en EUR 5 miljoen op de BHO-begroting.
Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
2021 | 2022 | 2023 | 2024 | 2025 | 2025 | 2025 | ||
Art. | Verplichtingen | 61.837 | 532.027 | 476.609 | 1.062.763 | 138.113 | 281.456 | ‒ 143.343 |
Uitgaven | 271.230 | 417.023 | 423.147 | 444.793 | 493.209 | 507.448 | ‒ 14.239 | |
5.1 | Multilaterale samenwerking | 178.163 | 348.175 | 341.316 | 364.334 | 195.128 | 196.007 | ‒ 879 |
Subsidies (regelingen) | 0 | 0 | 0 | 0 | 100 | 0 | 100 | |
Speciale multilaterale activiteiten | 0 | 0 | 0 | 0 | 100 | 0 | 100 | |
Opdrachten | 0 | 0 | 0 | 0 | 1.054 | 0 | 1.054 | |
Assistent deskundigenprogramma | 0 | 0 | 0 | 0 | 1.054 | 0 | 1.054 | |
Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties | 178.163 | 348.175 | 341.316 | 364.334 | 193.974 | 196.007 | ‒ 2.033 | |
UNIDO | 1.531 | 1.367 | 1.531 | 1.779 | 1.843 | 1.950 | ‒ 107 | |
UNDP | 30.000 | 30.000 | 30.000 | 39.000 | 34.000 | 34.000 | 0 | |
UNICEF | 33.000 | 33.000 | 33.000 | 44.000 | 38.806 | 38.806 | 0 | |
Speciale multilaterale activiteiten | 8.521 | 8.151 | 8.847 | 8.844 | 8.606 | 8.946 | ‒ 340 | |
Assistent deskundigenprogramma | 9.035 | 10.092 | 7.981 | 9.113 | 3.648 | 9.000 | ‒ 5.352 | |
Internationale Financiële Instellingen | 30.530 | 29.633 | 6.516 | 19.306 | 6.834 | 3.531 | 3.303 | |
Middelenaanvullingen multilaterale banken en fondsen | 58.894 | 67.280 | 79.789 | 84.039 | 91.663 | 91.663 | 0 | |
Kapitaalaanvullingen bij regionale ontwikkelingsbanken | 6.652 | 6.652 | 6.652 | 8.753 | 8.574 | 8.111 | 463 | |
Bijdrage aan IFI's voor steun Oekraïne | 0 | 162.000 | 167.000 | 149.500 | 0 | 0 | 0 | |
Nog te verdelen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Nog te verdelen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
5.2 | Overig armoedebeleid | 93.067 | 68.848 | 81.831 | 80.459 | 87.124 | 77.624 | 9.500 |
Subsidies (regelingen) | 7.053 | 8.022 | 7.791 | 10.121 | 4.610 | 6.772 | ‒ 2.162 | |
Kleine activiteiten posten en cultuur en ontwikkeling | 6.293 | 7.522 | 7.211 | 9.361 | 3.940 | 6.122 | ‒ 2.182 | |
Nationale SDG implementatie | 760 | 500 | 580 | 760 | 670 | 650 | 20 | |
Opdrachten | 0 | 0 | 731 | 54 | 64 | 290 | ‒ 226 | |
Nationale SDG implementatie | 0 | 0 | 88 | 54 | 64 | 290 | ‒ 226 | |
Programmamiddelen Oekraïne - In-kind steun | 0 | 0 | 643 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties | 86.014 | 60.826 | 73.309 | 70.284 | 82.450 | 70.562 | 11.888 | |
UNESCO | 3.895 | 4.083 | 4.336 | 4.346 | 3.959 | 4.400 | ‒ 441 | |
Diverse ondersteunende activiteiten | 17.942 | 2.321 | 519 | 9.024 | 13.235 | 5.371 | 7.864 | |
Kleine activiteiten posten en cultuur en ontwikkeling | 2.036 | 2.121 | 2.322 | 2.096 | 1.935 | 656 | 1.279 | |
Schuldverlichting | 62.069 | 52.220 | 62.341 | 54.739 | 55.245 | 58.600 | ‒ 3.355 | |
Voorlichting op het terrein van Ontwikkelingssamenwerking | 72 | 81 | 81 | 79 | 76 | 228 | ‒ 152 | |
Verdragsmiddelen Suriname | 0 | 0 | 3.710 | 0 | 8.000 | 1.307 | 6.693 | |
Nog te verdelen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Nog te verdelen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
5.3 | Oekraïne (XVII) | 0 | 0 | 0 | 0 | 210.957 | 237.000 | ‒ 26.043 |
Subsidies (regelingen) | 0 | 0 | 0 | 0 | 6.001 | 0 | 6.001 | |
Verbeteren drinkwater en sanitatie | 0 | 0 | 0 | 0 | 6.001 | 0 | 6.001 | |
Opdrachten | 0 | 0 | 0 | 0 | 3.663 | 0 | 3.663 | |
Energieherstel | 0 | 0 | 0 | 0 | 3.663 | 0 | 3.663 | |
Bijdrage aan agentschappen | 0 | 0 | 0 | 0 | 293 | 0 | 293 | |
Rijksdienst voor ondernemend Nederland | 0 | 0 | 0 | 0 | 293 | 0 | 293 | |
Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties | 0 | 0 | 0 | 0 | 201.000 | 185.000 | 16.000 | |
Humanitaire hulp | 0 | 0 | 0 | 0 | 25.000 | 25.000 | 0 | |
Steun en wederopbouw Oekraïne via IFIs | 0 | 0 | 0 | 0 | 110.000 | 95.000 | 15.000 | |
Energieherstel | 0 | 0 | 0 | 0 | 66.000 | 65.000 | 1.000 | |
Nog te verdelen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 52.000 | ‒ 52.000 | |
Onverdeelde programmamiddelen Oekraïne (XVII) | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 52.000 | ‒ 52.000 | |
5.4 | Nog te verdelen i.v.m.wijzigingen BNI en/of toerekeningen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | ‒ 3.183 | 3.183 |
Nog te verdelen i.v.m.wijzigingen BNI en/of toerekeningen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | ‒ 3.183 | 3.183 | |
Nog te verdelen i.v.m.wijzigingen BNI en/of toerekeningen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | ‒ 3.183 | 3.183 | |
Ontvangsten | 42.770 | 62.344 | 76.256 | 46.502 | 36.406 | 39.225 | ‒ 2.819 | |
Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
2021 | 2022 | 2023 | 2024 | 2025 | 2025 | 2025 | ||
Art. | Ontvangsten | 42.770 | 62.344 | 76.256 | 46.502 | 36.406 | 39.225 | ‒ 2.819 |
5.20 | Ontvangsten en restituties met betrekking tot leningen | 25.019 | 23.146 | 18.748 | 14.658 | 13.094 | 16.220 | ‒ 3.126 |
Ontvangsten en restituties met betrekking tot leningen | 25.019 | 23.146 | 18.748 | 14.658 | 13.094 | 16.220 | ‒ 3.126 | |
Ontvangsten en restituties met betrekking tot leningen | 25.019 | 23.146 | 18.748 | 14.658 | 13.094 | 16.220 | ‒ 3.126 | |
5.21 | Ontvangsten OS | 16.028 | 37.438 | 29.453 | 29.958 | 21.010 | 21.275 | ‒ 265 |
Ontvangsten OS | 16.028 | 37.438 | 29.453 | 29.958 | 21.010 | 21.275 | ‒ 265 | |
Ontvangsten OS | 16.028 | 37.438 | 29.453 | 29.958 | 21.010 | 21.275 | ‒ 265 | |
5.22 | Koerverschillen OS | 0 | 0 | 25.739 | 0 | 0 | 0 | 0 |
Koerverschillen OS | 0 | 0 | 25.739 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Koerverschillen OS | 0 | 0 | 25.739 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
5.23 | Diverse ontvangsten non-ODA | 1.723 | 1.760 | 2.316 | 1.886 | 2.302 | 1.730 | 572 |
Diverse ontvangsten non-ODA | 1.723 | 1.760 | 2.316 | 1.886 | 2.302 | 1.730 | 572 | |
Diverse ontvangsten non-ODA | 1.723 | 1.760 | 2.316 | 1.886 | 2.302 | 1.730 | 572 | |
Realisatie 2021 | Realisatie 2022 | Realisatie 2023 | Realisatie 2024 | Realisatie 2025 | Vastgestelde begroting 2025 | Verschil 2025 | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
Verplichtingen | 61 837 | 532 027 | 476 609 | 1 062 763 | 138 113 | 281 456 | ‒ 143 343 |
garantieverplichtingen | 10 558 | 246 017 | ‒ 174 576 | 838 699 | ‒ 130 621 | 0 | ‒ 130 621 |
overige verplichtingen | 51 279 | 286 010 | 651 185 | 224 064 | 268 734 | 0 | 268 734 |
Verplichtingen
De verplichtingenrealisatie valt EUR 143,3 miljoen lager uit dan de stand van de vastgestelde begroting. Dit door voornamelijk door een negatieve bijstelling van de garantie verplichting voor regionale ontwikkelingsbanken van EUR 130,6 miljoen. De resterende mutatie wordt met name verklaard door herschikkingen op het budget voor de steun aan Oekraïne.
Uitgaven
De uitgaven op beleidsartikel 5 Multilaterale Samenwerking en Overige Inzet zijn ten opzichte van de vastgestelde begroting lager uitgevallen. Dit heeft te maken met verschillende mutaties die lopende het jaar hebben plaatsgevonden en waarover het parlement is geïnformeerd middels de Eerste suppletoire begroting (Kamerstuk 36 725-XVII, nr. 2), de Suppletoire begroting September (Kamerstuk 36 820-XVII, nr. 2), de Tweede suppletoire begroting (Kamerstuk 36 850-XVII, nr. 2) en de Decemberbrief BHO (Kamerstuk 36 800-XVII, nr. 17).
Artikelonderdeel 5.1
De uitgave op artikel 5.1 zijn EUR 900.000 lager uitgevallen dan vastgesteld in de begroting. Dit komt door een opwaartse bijstelling van EUR 1,9 miljoen in de eerste suppletorie begroting. De kasuitgaven in 2025 t.b.v. Internationale Financiële Instellingen zijn circa EUR 4,5 miljoen hoger uitgevallen. Daar stond tegenover dat er EUR 3,5 miljoen minder budget nodig was in het kader van het JPO programma (Kamerstuk 36 725-XVII, nr. 2). In de tweede suppletoire begroting is het budget met EUR 1 miljoen naar beneden bijgesteld. Met name door een verlaging van het budget voor het Assistent deskundigenprogramma (Kamerstuk 36 850-XVII, nr. 2).
Artikelonderdeel 5.2
De uitgaven op artikel 5.2 zijn EUR 9,5 miljoen hoger uitgevallen in 2025. In de eerste suppletoire begroting werd er met EUR 57 miljoen opwaarts bijgesteld. Dat kwam voornamelijk doordat de wisselkoers ten aanzien van betalingen in buitenlandse valuta een tegenvaller liet zien op de gehanteerde peildatum (Kamerstuk 36 725-XVII, nr. 2). Bij de tweede suppletoire begroting is het budget met EUR 44,7 miljoen neerwaarts bijgesteld omdat het grootste deel van de gereserveerde middelen voor de koerswisseling niet langer nodig bleek (Kamerstuk 36 850-XVII, nr. 2).
Artikelonderdeel 5.3
De uitgaven op artikelonderdeel 5.3 vallen EUR 26 miljoen lager uit dan de geraamde uitgaven bij de vastgestelde begroting. Bij de Eerste suppletoire begroting werden de uitgaven niet gewijzigd. Bij de Suppletoire begroting september werden de uitgaven met EUR 26 miljoen verlaagd doordat middelen voor de steun aan Oekraïne in het juiste kasritme werden gezet middels een schuif vanuit 2025 naar 2026 en 2027 (Kamerstuk 36 820-XVII, nr. 2). Bij de Tweede suppletoire begroting werden de uitgaven niet gewijzigd. Bij de Slotwet werden de uitgaven ook niet substantieel gewijzigd.
Artikelonderdeel 5.4
Zoals ook opgenomen in het Jaarverslag 2024 wordt hiernavolgend een tabel opgenomen met de mutaties op hoofdlijnen op artikelonderdeel 5.4, ook wel het verdeelartikel of bufferartikel genoemd. De invulling van de overprogrammering bestaat zoals gebruikelijk uit twee onderdelen: onderschrijding op ODA-budgetten elders op de (Rijks)begroting en een compensatie binnen de budgettaire systematiek van de HGIS.
2025 | |||
Beginstand | ‒ 3.138 | ||
Mutaties 1e suppletoire begroting | Totaal | ‒ 55.143 | |
w.v. | asielbijstelling | 571.176 | |
w.v. | kasschuif asiel | ‒ 371.176 | |
w.v. | actualiseren EU-afdracht | ‒ 61.000 | |
w.v. | wisselkoersfluctuaties | ‒ 52.000 | |
w.v. | prijsbijstellingstaakstelling | ‒ 48.884 | |
w.v. | overschrijding ODA 2024 | ‒ 35.833 | |
w.v. | overige overboekingen binnen HGIS | ‒ 18.053 | |
w.v. | overige inzet binnen de BHO-begroting | ‒ 39.373 | |
Mutaties Suppletoire begroting september | Totaal | 25.000 | |
w.v. | asielbijstelling | 250.033 | |
w.v. | kasschuif asiel | ‒ 250.033 | |
w.v. | budget voor beurzen en trainingen | 25.000 | |
Mutaties 2e suppletoire begroting | Totaal | 167 | |
w.v. | asielbijstelling | 116.069 | |
w.v. | inzet binnen de BHO-begroting | ‒ 113.402 | |
w.v. | overige overboekingen binnen HGIS | ‒ 2.500 | |
Mutaties slotwet | Totaal | 33.159 | |
Eindstand | 0 | ||
Ontvangsten
Ontvangsten worden verantwoord op de ontvangsten van artikelonderdelen van beleidsartikel 5, met uitzondering van de ontvangsten op risicoregelingen van beleidsartikel 1.
De ontvangsten op artikel 5 vielen per saldo EUR 2,8 miljoen lager uit dan in de vastgestelde begroting geraamd. De voornaamste verklaring is dat de ontvangsten op uitstaande NIO-leningen een lagere realisatie kenden in 2025.
5. Bedrijfsvoeringsparagraaf
In de uitvoering van de begroting van BHO wordt gebruik gemaakt van het apparaat van het ministerie van BZ. Om deze reden wordt in deze bedrijfsvoeringparagraaf verwezen naar de bedrijfsvoeringparagraaf in het jaarverslag van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Uitzondering hierop zijn de onderdelen rechtmatigheid, totstandkoming van de niet-financiële verantwoordingsinformatie, misbruik en oneigenlijk gebruik en activiteitenbeheer.
(1) Rapporteringstolerantie | (2) Verantwoord bedrag in € (omvangsbasis) | (3) Rapporterings-tolerantie voor fouten en onzekerheden in € | (4) Bedrag aan fouten in € | (5) Bedrag aan onzekerheden in € | (6) Bedrag aan fouten en onzekerheden in € | (7) Percentage aan fouten en onzekerheden t.o.v. verantwoord bedrag = (6)/(2)*100% |
|---|---|---|---|---|---|---|
Totaalniveau artikelen verplichtingen | 2.143.896 | 42.878 | 2.578 | 205.511 | 208.089 | 9,7% |
Totaalniveau artikelen uitgaven/ ontvangsten | 3.856.208 | 77.124 | 4.145 | 124.106 | 128.251 | 3,3% |
Artikel 1 verplichtingen | 466.721 | 25.000 | 2.578 | 200.407 | 202.985 | 43,5% |
Artikel 1 uitgaven/ ontvangsten | 683.190 | 34.160 | - | 124.106 | 124.106 | 18.2% |
Rechtmatigheid
Ten aanzien van de uitgaven en verplichtingen op artikel 1 en op totaalniveau artikelen zijn overschrijdingen van de rechtmatigheid geconstateerd. De overschrijdingen worden hieronder toegelicht.
Artikel 1 verplichtingen
De onrechtmatigheden en de onzekerheid voor de verplichtingen hebben de volgende oorzaken:
– Voor de verplichtingen van IIPP namens BZ aan derden geldt dat er geen formele afspraken zijn gemaakt tussen BZ en IIPP over het kunnen aantonen van de rechtmatigheid. BHO heeft geen assurance over de rechtmatigheid van de verplichtingen van deze regelingen over 2025 kunnen verkrijgen. Ten behoeve van de verantwoording over 2026 wordt daarom gewerkt aan herijking van de verantwoordingskaders zodat ook rechtmatigheidsaspecten worden afgedekt.
– De overige oorzaken van de overschrijdingen zijn een fout in de aanschrijving bij een minicompetitie voor een opdracht en het ontbreken van een begroting bij het aangaan van een verplichting.
Totaalniveau verplichtingen
– De oorzaken van de overschrijdingen zijn, naast de genoemde oorzaken bij artikel 1 een onzekerheid omtrent staatssteun bij het aangaan van een verplichting.
Artikel 1 uitgaven & ontvangsten
De onrechtmatigheden en de onzekerheid voor de uitgaven en ontvangsten hebben de volgende oorzaken:
– Voor de uitgaven en ontvangsten van IIPP namens BZ aan derden geldt dat geen formele afspraken gemaakt zijn tussen BZ en IIPP over het kunnen aantonen van de rechtmatigheid. BHO heeft geen assurance over de rechtmatigheid van de uitgaven en ontvangsten van deze regelingen over 2025 kunnen verkrijgen. Ten behoeve van de verantwoording over 2026 wordt daarom gewerkt aan herijking van de verantwoordingskaders zodat ook rechtmatigheidsaspecten worden afgedekt.
– De overige oorzaak van de overschrijdingen is het niet aansluiten van de liquiditeitsbehoefte op het jaarplan bij een betaling.
Totaalniveau uitgaven & ontvangsten
– De oorzaken van de overschrijdingen zijn, naast de genoemde oorzaken bij artikel 1 een uitgave hoger dan de liquiditeitsbehoefte, een uitgave waar geen raming voor beschikbaar was en een uitgave voor een periode meer dan 12 maanden.
Er zijn bij BHO geen signalen binnen gekomen dat er zich in 2025 daadwerkelijk onrechtmatigheden hebben voor gedaan of dat middelen onjuist zijn besteed.
Totstandkoming niet-financiële verantwoordingsinformatie
Er zijn geen bijzonderheden te melden.
Begrotingsbeheer, financieel beheer en de materiële bedrijfsvoering
Vastleggen financiële instrumenten
In het kader van «verantwoord begroten» presenteren departementen de financiële inzet op instrumentniveau. Dit volgt uit de Rijksbegrotingsvoorschriften.
Over 2024 is vastgesteld dat het Ministerie uitgaven heeft verantwoord op een onjuist financieel instrument. In 2025 heeft het Ministerie de kaders aangescherpt en is een correctieslag gemaakt op bestaande verplichtingen die op een verkeerd instrument waren verantwoord. Er is gekozen voor een risicogerichte correctie waarbij rekening is gehouden met het totale financieel belang en de tolerantiegrenzen op getrouwheidsfout van de subartikelen. Vervolgacties zoals kennisoverdracht, automatisering (afdwingen van keuzes in IT-systemen) en onderzoek naar een simpelere indeling van de begroting qua instrumenttype zijn in 2026 gepland met als streven aantoonbaar structurele verbetering van de verantwoording op de juiste financiële instrumenten.
Hierbij speelt mee dat voor de gehele BZ- en BHO-begroting geldt dat er bij het bepalen van een activiteit een ander instrument kan worden gekozen dan het verwachte instrument in de begroting, omdat bij de instrumentkeuze de te bereiken resultaten leidend zijn. Daarmee kan per geval het meest doelmatige instrument gekozen wordt. Dit kan betekenen dat de gebruikte instrumenten (subsidies, bijdragen, etc.) voor hetzelfde onderwerp van jaar tot jaar kunnen verschillen. Dit is bij een aantal artikelen zichtbaar. Tevens betekent dit ook dat voor hetzelfde onderwerp meerdere instrumenten mogelijk zijn. Dat betekent in sommige gevallen ook dat de instrumenten bij het opstellen van de begroting nog niet bekend zijn, omdat de activiteiten na het publiceren van de begroting starten en dan duidelijk wordt hoe financiering plaatsvindt. Een voorbeeld is dat voor posten buiten de EU het instrument verschilt voor partners binnen en buiten de EU. Bij een subsidiebeleidskader, dat afhankelijk is van aanvragen door partners, kan daarom vooraf moeilijk bepaald worden hoeveel aanvragen door partners binnen en hoeveel door partners buiten de EU worden gedaan. Voor deze activiteiten wordt in de begroting het verwachte instrument gekozen. Het aantal activiteiten en het aantal financiële instrumenten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken inclusief het postennet is aanzienlijk, met een groot aantal mutaties tot gevolg in het Jaarverslag.
Financieel en materieelbeheer
BHO maakt gebruik van het apparaat van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Voor een nadere toelichting op Begrotingsbeheer, financieel beheer en de materiële bedrijfsvoering wordt verwezen naar de bedrijfsvoeringsparagraaf in het jaarverslag van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. RVO en IIPP zijn uitvoeringspartners die onder mandaat van de minister regelingen uit hoofdstuk XVII uitvoeren en zijn daarom hier wel benoemd.
Toezicht op RWT’s
Bij de uitvoering van onderdelen van de BHO begroting wordt gebruik gemaakt van Rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT’s). In het kader van de verbeterplannen voor het beheer op RWT organisaties van BZ zijnde de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en Invest International Public Programmes BV zijn acties uitgevoerd om de comptabele wet en regelgeving beter na te leven. Zo zijn afspraken herzien ten aanzien van het voorschieten en factureren van uitvoeringskosten en programmagelden en is de registratie van de verschillende stromen in de BHO administratie verbeterd. De staat van middelen op de programmamiddelen van beide organisaties is als uitgangspunt genomen voor de BHO administratie. In samenspraak met de betreffende organisaties zal in 2026 de inrichting en uitvoering van het toezicht verder worden doorontwikkeld.
Misbruik en oneigenlijk gebruik
In deze rapportage wordt misbruik en oneigenlijk gebruik (hierna: externe fraude) beschouwd als het opzettelijk handelen van externe partijen binnen de activiteitencyclus, waarbij gebruik wordt gemaakt van misleiding om een onrechtmatig of onwettig voordeel te verkrijgen.
BZ beschikt over beleid en procedures ten aanzien van de handelwijze bij vermoedens van externe fraude binnen de activiteitencyclus die zijn opgenomen in het Handboek Bedrijfsvoering Buitenlandse Zaken (HBBZ). Deze vermoedens en gevallen van fraude door derden worden gemeld bij het Expertisecentrum Malversaties (ECM) van het ministerie.
De activiteitencyclus is zowel op Buitenlandse Zaken als Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp van toepassing. Meer informatie ten aanzien van (vermoedens van) externe fraude rond BHO-activiteiten is opgenomen in de bijlage ‘misbruik en oneigenlijk gebruik’ bij het jaarverslag van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp 2025.
Voor wat betreft de BHO-activiteiten zijn in 2025 102 vermoedens van externe fraude gemeld bij ECM. Meer gedetailleerde informatie hierover is opgenomen in de bijlage ‘misbruik en oneigenlijk gebruik’.
Sinds 1 januari 2025 heeft ECM haar registratiemethodiek verder gestructureerd. Vanaf dat moment wordt onderscheid gemaakt tussen meldingen waarvan direct herleidbaar is wat de financiële impact is op de BZ- dan wel BHO-begroting en meldingen die niet direct herleidbaar zijn naar Nederlandse financiering (e.g. ongeoormerkte bijdragen). Van de niet herleidbare meldingen worden alleen de (mogelijk) politiek/publicitair significante zaken geregistreerd. Alle overige zaken binnen deze activiteiten worden niet geregistreerd en worden ook niet opgenomen in de bijlage ‘misbruik en oneigenlijk gebruik’ van het departementale jaarverslag. Met deze aangepaste methodiek dient rekening te worden gehouden in geval van statistische vergelijkingen met voorgaande jaren.
Overige aspecten van de bedrijfsvoering
BHO maakt gebruik van het apparaat van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Voor een nadere toelichting op de overige aspecten van de bedrijfsvoering wordt verwezen naar de bedrijfsvoeringparagraaf in het jaarverslag van Hoofdstuk V. Specifiek voor BHO wordt in deze paragraaf nog stil gestaan bij het toezicht op RWT's.
Fraude en Corruptie
BHO maakt gebruik van het apparaat van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Voor een nadere toelichting op fraude en corruptie wordt verwezen naar de bedrijfsvoeringparagraaf in het jaarverslag van Hoofdstuk V.
Rijksbrede bedrijfsvoeringsonderwerpen
BHO maakt gebruik van het apparaat van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Voor een nadere toelichting op de rijksbrede bedrijfsvoeringsonderwerpen wordt verwezen naar de bedrijfsvoeringparagraaf in het jaarverslag van Hoofdstuk V.
Belangrijke ontwikkelingen en verbeteringen in de bedrijfsvoering
BHO maakt gebruik van het apparaat van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Voor een nadere toelichting op de belangrijkste ontwikkelingen en verbeteringen in de bedrijfsvoering wordt verwezen naar de bedrijfsvoeringparagraaf in het jaarverslag van Hoofdstuk V.
C. JAARREKENING
6. Verantwoordingsstaat
Art. | Omschrijving | Vastgestelde begroting (1) | Realisatie (2) | Verschil (3) = (2) - (1) | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Verplichtingen | Uitgaven | Ontvangsten | Verplichtingen | Uitgaven | Ontvangsten | Verplichtingen | Uitgaven | Ontvangsten | ||
Totaal | 3.686.027 | 3.597.261 | 53.225 | 2.143.896 | 3.790.318 | 65.890 | ‒ 1.542.131 | 193.057 | 12.665 | |
Beleidsartikelen | ||||||||||
1 | Duurzame economische ontwikkeling,handel en investeringen | 379.145 | 536.817 | 14.000 | 466.721 | 653.706 | 29.484 | 87.576 | 116.889 | 15.484 |
2 | Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid, water en klimaat | 906.951 | 908.803 | 0 | 339.307 | 959.884 | 0 | ‒ 567.644 | 51.081 | 0 |
3 | Sociale vooruitgang | 1.749.132 | 692.989 | 0 | 716.212 | 668.273 | 0 | ‒ 1.032.920 | ‒ 24.716 | 0 |
4 | Vrede, veiligheid en duurzame ontwikkeling | 369.343 | 951.204 | 0 | 483.543 | 1.015.246 | 0 | 114.200 | 64.042 | 0 |
5 | Multilaterale samenwerking en overige inzet | 281.456 | 507.448 | 39.225 | 138.113 | 493.209 | 36.406 | ‒ 143.343 | ‒ 14.239 | ‒ 2.819 |
7. Saldibalans per 31 december 2025 en toelichting begroting Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp (XVII)
Activa | 31-12-2025 | 31-12-2024 | Passiva | 31-12-2025 | 31-12-2024 | |||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Intra-comptabele posten | ||||||||
1 | Uitgaven ten laste van de begroting | 3.790.311 | 3.985.798 | 2 | Ontvangsten ten gunste van de begroting | 65.889 | 75.588 | |
3 | Liquide middelen | 0 | 0 | |||||
4 | Rekening-courant RHB | 0 | 0 | 4a | Rekening-courant RHB | 3.724.422 | 3.910.210 | |
5 | Rekening-courant RHB Begrotingsreserve | 116.772 | 113.783 | 5a | Begrotingsreserves | 116.772 | 113.783 | |
6 | Vorderingen buiten begrotingsverband | 0 | 0 | 7 | Schulden buiten begrotingsverband | 0 | 0 | |
8 | Kas-transverschillen | 0 | 0 | |||||
Subtotaal intra-comptabel | 3.907.083 | 4.099.581 | Subtotaal intra-comptabel | 3.907.083 | 4.099.581 | |||
Extra-comptabele posten | ||||||||
9 | Openstaande rechten | 0 | 0 | 9a | Tegenrekening openstaande rechten | 0 | 0 | |
10 | Vorderingen | 2.487.002 | 2.452.453 | 10a | Tegenrekening vorderingen | 2.487.002 | 2.452.453 | |
11a | Tegenrekening schulden | 0 | 0 | 11 | Schulden | 0 | 0 | |
12 | Voorschotten | 7.634.953 | 5.976.386 | 12a | Tegenrekening voorschotten | 7.634.953 | 5.976.386 | |
13a | Tegenrekening garantieverplichtingen | 3.994.615 | 4.126.301 | 13 | Garantieverplichtingen | 3.994.615 | 4.126.301 | |
14a | Tegenrekening andere verplichtingen | 5.896.051 | 7.482.678 | 14 | Andere verplichtingen | 5.896.051 | 7.482.678 | |
15 | Deelnemingen | 177.260 | 174.983 | 15a | Tegenrekening deelnemingen | 177.260 | 174.983 | |
Subtotaal extra-comptabel | 20.189.881 | 20.212.801 | Subtotaal extra-comptabel | 20.189.881 | 20.212.801 | |||
Totaal | 24.096.964 | 24.312.382 | Totaal | 24.096.964 | 24.312.382 | |||
Inleiding
1. Algemeen
De saldibalans is een financiële staat waarop de standen van de intra- en extracomptabele rekeningen van de begroting van BHO worden verantwoord.
Het intra-comptabele deel van de saldibalans geeft inzicht in de kasstromen. Het gaat hier voornamelijk om de uitgaven en ontvangsten van dienstjaar 2025, die nog met het Ministerie van Financiën moeten worden verrekend. Na goedkeuring van de Rijksrekening vindt de verrekening plaats. De tegenrekening van de uitgaven en ontvangsten is de post «Rijkshoofdboekhouding» (RHB), de rekening-courant tussen de Ministeries van Buitenlandse Zaken en Financiën. Voor de BHO-begroting wordt deze verrekening periodiek en achteraf gemaakt op basis van interne verrekenstukken. Hierdoor zit er een vertraging tussen het saldo van kasstromen en het saldo van de rekening-courant RHB voor BHO. Per eindejaar blijft er derhalve een (beperkt) saldo over van nog te verrekenen kasstromen (zie hoofdstuk 4).
Met uitzondering van de RHB Rekening BHO worden alle liquide middelen verantwoord op de saldibalans van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, begroting Buitenlandse Zaken.
Ook alle uitgaven en ontvangsten buiten begrotingsverband, die met derden zullen worden verrekend en niet ten laste c.q. ten gunste van de begroting zijn gebracht, worden verantwoord onder de intra-comptabele vorderingen en schulden van de BZ balans.
Het extracomptabele deel van de saldibalans geeft enerzijds inzicht in de standen van de uitstaande vorderingen en voorschotten die in het verleden tot kasstromen hebben geleid (ten laste van de begrotingen van BHO in voorgaande jaren). Anderzijds bevat dit deel van de saldibalans de post openstaande verplichtingen en de garantieverplichtingen. Deze posten geven inzicht in de mogelijke toekomstige kasstromen. Openstaande verplichtingen kunnen leiden tot uitgaven ten laste van begrotingen van volgende jaren. De extracomptabele rekeningen worden met behulp van diverse tegenrekeningen in evenwichtsverband geboekt.
2. Waarderingsgrondslagen
Uitgaven, ontvangsten, verplichtingen en mutaties op balansrekening in vreemde valuta worden gedurende het jaar met behulp van een vaste verrekenkoers (de corporate rate) omgerekend naar EUR. De coorporate rate 2025 van de US Dollar (USD) was per 1 januari 2025 vastgesteld op 1 USD = 0,895 EUR. Voor 2026 is deze vastgesteld op 0,86 EUR.
Alle ODA ontvangsten (zowel op de BHO als de BZ begroting) worden verantwoord op artikel 5.21 ‘ontvangsten OS’ van de BHO begroting. NON-ODA ontvangsten worden waar van toepassing verantwoord op respectievelijk artikel 2.4 ‘Restituties programma’s op de BZ begroting’ dan wel op artikel 5.23 ‘Diverse ontvangsten NON-ODA op de BHO begroting.
De extracomptabele balansstanden voor de geconditioneerde vorderingen, voorschotten, deelnemingen zijn gewaardeerd tegen de corporate rate van het volgend boekjaar. Ook de balansstand extracomptabele verplichtingen is gewaardeerd tegen de corporate rate van het volgend boekjaar. De herwaardering die hieruit voortvloeit is verwerkt in de verplichtingenrealisatie van het verantwoordingsjaar. Revolvende fondsen worden in de saldibalans gepresenteerd als een geconditioneerde vordering tegen nominale waarde.
Extracomptabele vorderingen zijn de per balansdatum bestaande rechten om geldmiddelen te ontvangen van een wederpartij die niet tot het Rijk behoort. Voor de geconditioneerde vorderingen geldt de nominale waarde. De deelnemingen zijn gewaardeerd op basis van het gestort kapitaal. De overige in de saldibalans en de toelichting opgenomen bedragen zijn gewaardeerd tegen de nominale waarde.
Toelichting op de saldibalans per 31 december 2024
1. Uitgaven ten lasten van de begroting
Specificatie x 1.000 EUR | 31 december 2025 | 31 december 2024 |
|---|---|---|
Uitgaven ten laste van de begroting | 3.790.311 | 3.985.798 |
Onder deze post zijn de gerealiseerde uitgaven op de begroting van BHO in het jaar 2025 opgenomen. Splitsing van de uitgaven heeft plaatsgevonden op basis van de verdeling van de budgeteenheden per hoofdstuk. Na goedkeuring van de slotwet door de Staten-Generaal wordt dit bedrag vereffend met het Ministerie van Financiën.
De departementale administratie verantwoordt bij de revolverende fondsen DGGF 1 en DTIF 1, die onder mandaat worden uitgevoerd door Invest International Public Programs (IIPP), de kasbetalingen aan IIPP. De financiële verantwoording van IIPP heeft betrekking op de betalingen aan derden. In 2025 heeft IIPP EUR 5,850 miljoen meer aan uitgaven gerapporteerd dan het ministerie aan IIPP heeft betaald.
2. Ontvangsten ten gunste van de begroting
Specificatie x 1.000 EUR | 31 december 2025 | 31 december 2024 |
|---|---|---|
Ontvangsten ten gunste van de begroting | 65.889 | 75.588 |
Onder deze post zijn de gerealiseerde ontvangsten in het jaar 2025 opgenomen. Splitsing van de ontvangsten heeft plaatsgevonden op basis van de verdeling van de budgeteenheden per hoofdstuk. Na goedkeuring van de slotwet door de Staten-Generaal wordt dit bedrag vereffend met het Ministerie van Financiën.
Bij de revolverende fondsen DGGF 1 en DTIF 1, uitgevoerd door IIPP, kunnen ontvangsten gerelateerd aan uitgaven in eerdere jaren opnieuw worden ingezet. Tevens int IIPP rente en premies voor verstrekte financieringen. Dit werkkapitaal blijft beschikbaar bij IIPP en wordt niet opgenomen in de departementale saldibalans. In 2025 heeft IIPP € 27,425 miljoen aan ontvangsten en inkomsten gerapporteerd.
4a. Rekening-courant RHB
Omdat de administratie en de liquide middelen stroom voor beide begrotingen via één administratief systeem verlopen is er voor gekozen alle lopende rekeningen op te nemen op de balans van BZ en het saldo van de uitgaven met betrekking tot BHO achteraf middels een intern verrekenstuk tussen de RHB rekeningen van BZ en BHO te verrekenen.
Specificatie x 1.000 EUR | 31 december 2025 | 31 december 2024 |
|---|---|---|
Rekening-courant RHB BHO | 3.723.139 | 3.934.767 |
Te verrekenen tussen BZ en BHO | 1.283 | ‒ 24.557 |
Totaal | 3.724.422 | 3.910.210 |
Op de rekening-courant met de Rijkshoofdboekhouding is de financiële verhouding met het Ministerie van Financiën weergegeven. Het verschuldigde saldo op de rekening-courant met de Rijkshoofdboekhouding is in overeenstemming met de opgave van de RHB. Door de splitsing van de balans tussen BHO en BZ is er een te verrekenen bedrag tussen de twee balansen noodzakelijk om evenwicht te creëren. Het te verrekenen bedrag ontstaat doordat er ná de verrekening van de maand december nog correcties plaatsvinden en invloed hebben op de verhouding BZ en BHO. De verrekening van dit bedrag zal bij de RHB plaatsvinden met verrekenstukken in het komende jaar.
5. Rekening-courant RHB (begrotingsreserve)
Specificatie x 1.000 EUR | 31 december 2025 | 31 december 2024 |
|---|---|---|
Begrotingsreserve DGGF | 44.611 | 48.999 |
Begrotingsreserve FOM | 16.422 | 16.422 |
Begrotingsreserve DRIVE | 19.079 | 18.368 |
Begrotingsreserve DTIF | 36.660 | 29.994 |
Totaal | 116.772 | 113.783 |
5a. Begrotingsreserve
Specificatie x 1.000 EUR | Saldo 31 december 2024 | Toevoegingen 2025 | Onttrekkingen 2025 | Saldo 31 december 2025 | Verwijzing naar Begrotings-artikel |
|---|---|---|---|---|---|
Begrotingsreserve DGGF | 48.999 | 7.085 | 11.473 | 44.611 | 1.3 |
Begrotingsreserve FOM | 16.422 | 0 | 0 | 16.422 | 1.2 |
Begrotingsreserve DRIVE | 18.368 | 711 | 0 | 19.079 | 1.3 |
Begrotingsreserve DTIF | 29.994 | 7.362 | 696 | 36.660 | 1.2 |
Totaal | 113.783 | 15.158 | 12.169 | 116.772 |
In 2016 is besloten het FOM voor nieuw af te geven garanties stop te zetten ten gunste van het DTIF. De regeling in 2024 volledig afgewikkeld. Conform het DTIF toetsingskader risicoregelingen blijven de resterende middelen in de FOM begrotingsreserve beschikbaar voor DTIF.
Ter dekking van eventuele schades uit het Dutch Good Growth Fund (DGGF) onderdeel 1 (Invest International) dient tegen hefboom 1:2 de helft van het uitstaande bedrag aan garanties aangehouden te worden in de begrotingsreserve. Ter dekking van eventuele schades uit het DGGF onderdeel 3 (Atradius DSB) dient tegen hefboom 1:1 voor de wisselfinancieringen en tegen hefboom 1:3 voor de garanties een begrotingsreserve te worden aangehouden.
In 2025 zijn door Invest International en Atradius DSB ontvangen premies van EUR 7,085 miljoen toegevoegd aan de begrotingsreserve. Schade-uitkeringen (wisselfinancieringen) door Atradius DSB van EUR 11,473 miljoen zijn onttrokken aan de begrotingsreserve.
De totaalstand van de garantieverplichtingen DGGF bedraagt per ultimo 2025 EUR 106,926 miljoen. De begrotingsreserve is hoger dan op basis van de uitstaande garanties minimaal vereist is. In 2026 wordt bezien of een mutatie in de begrotingsreserve noodzakelijk is.
Voor het Development Related Infrastructure Investment Vehicle (DRIVE) is in 2015 een begrotingsreserve gecreëerd. Ter dekking van eventuele schades dient tegen een hefboom van 1:4 een kwart van het uitstaande bedrag aan garanties te worden aangehouden in de begrotingsreserve. In 2022 is de verstrekte garantie omgezet in een polis. Bij de herziening van het toetsingskader risicoregelingen is in 2022 besloten de hefboom voor nieuwe transacties aan te passen naar de verhouding 1:3. In 2025 zijn premies ontvangen ter waarde van EUR 0,711 miljoen. Het saldo in de reserve komt daarmee op EUR 19,079 miljoen en betreft het saldo van de bodemstorting uit 2015 en de storting van de ontvangen premies. De afgegeven garantie is in 2025 verhoogd en geherwaardeerd en is gestegen naar EUR 49,795 miljoen gebleven. In 2026 wordt bezien of een mutatie in de begrotingsreserve noodzakelijk is.
Voor het Dutch Trade and Investment Fund (DTIF) is in 2016 een begrotingsreserve gecreëerd. Ter dekking van eventuele schades uit het DTIF onderdeel 1 (Invest International) dient tegen hefboom 1:4 een kwart van het uitstaande bedrag aan garanties in de begrotingsreserve te worden aangehouden.
Ter dekking van eventuele schades uit het DTIF onderdeel 2 (Atradius DSB) dient tegen hefboom 1:1 voor de verstrekte wisselfinancieringen een begrotingsreserve te worden aangehouden.
De begrotingsreserve bevat een bodemstorting van EUR 5,0 miljoen. In 2025 zijn door Invest International en Atradius DSB ontvangen premies en aflossingen van wisselfinancieringen van EUR 7,362 miljoen toegevoegd aan de begrotingsreserve. Schade-uitkeringen (wisselfinancieringen) door Atradius DSB van EUR 0,696 miljoen zijn onttrokken aan de begrotingsreserve.
De totaalstand van de garantieverplichtingen DTIF bedraagt per ultimo 2025 EUR 16,344 miljoen. De begrotingsreserve is hoger dan op basis van de uitstaande garanties minimaal vereist is. In 2026 wordt bezien of een mutatie in de begrotingsreserve noodzakelijk is.
10. Vorderingen
Dit betreffen vorderingen die reeds ten laste van de begroting zijn gebracht en extracomptabel worden bewaakt. Deze vorderingen hebben vaak een langdurig karakter.
Specificatie EUR x 1.000 | 31 december 2025 | 31 december 2024 |
|---|---|---|
Op termijn opeisbare leningen NIO | 88.165 | 98.712 |
Verrichte garantiebetalingen NIO | 36.395 | 37.513 |
Buiteninvordering gestelde vorderingen | 375 | 90 |
Diverse extra-comptabele vorderingen | 2.362.067 | 2.316.138 |
Totaal | 2.487.002 | 2.452.453 |
De begrotingsleningen zijn door de NIO in het verleden afgesloten met OS-landen. De laatste lening is in 2001 verstrekt. De laatste aflossing staat voor 2040 gepland.
In de departementale administratie heeft een wijziging plaatsgevonden in de manier van registreren van vorderingen van DGGF 1 en DTIF 1, uitgevoerd door IIPP. Voorheen werden de betalingen van het departement aan IIPP op de regelingen als vordering opgenomen. Per 31-12-2025 zijn de vorderingen van IIPP op derden overgenomen in de administratie. De hiermee samenhangende correctie bedraagt in totaal EUR 56,385 miljoen.
Specificatie x 1.000 EUR | Totaal | 2025 | 2024 | 2023 | 2022 en ouder |
|---|---|---|---|---|---|
Direct opeisbaar garantiebetalingen NIO | 36.395 | 0 | 0 | 11.361 | 25.034 |
Direct opeisbaar overige vorderingen | 38.979 | 31.398 | 3.055 | 37 | 4.489 |
Totaal direct opeisbare vorderingen | 75.374 | 31.398 | 3.055 | 11.398 | 29.523 |
Op termijn opeisbare leningen NIO | 88.165 | ||||
Geconditioneerde vorderingen | 2.323.463 | ||||
Totaal | 2.487.002 |
Specificatie x 1.000 EUR | 31 december2025 | 31 december2024 | ||
|---|---|---|---|---|
Te ontvangen boete rente (NIO) | 14.480 | 13.625 | ||
TCX Currency Exchange Fund | 59.375 | 59.756 | ||
IFC-GAFSP | 83.348 | 86.740 | ||
AEF Fund | 198.475 | 187.962 | ||
PIDG lening | 173.400 | 180.050 | ||
DTIF | 38.250 | 66.230 | ||
AFAWA Guarantee Program | 34.400 | 35.800 | ||
DFCD | 183.740 | 168.900 | ||
AGRI3 Fund | 30.100 | 31.325 | ||
Aceli Africa | 5.160 | 4.028 | ||
Massif Fund | 354.375 | 334.375 | ||
Building Prospects (voorheen IDF/MOL) | 424.517 | 424.516 | ||
DGGF Fonds | 537.720 | 537.138 | ||
Prospects Blended Finance Trust Fund van IFC | 45.150 | 33.562 | ||
MFF | 16.888 | 0 | ||
Overige vorderingen | 162.689 | 152.131 | ||
Totaal | 2.362.067 | 2.316.138 |
Extracomptabele vorderingen waarop in 2025 belangrijke wijzigingen hebben plaats gevonden, worden toegelicht.
De vordering op het Access to Energy Fund (AEF Fund) is in 2006 in de vorm van een subsidie verstrekt. De vordering staat uit bij de FMO en betreft een deels revolverend fonds. Het programma heeft als doel om armoede te verminderen door de toegang tot energiediensten te verbeteren. Uit informatie van de FMO blijkt dat het aandeel van BHO voor wat betreft het AEF Fund per 31 december 2025 is vastgesteld op EUR 143,4 miljoen. De door BHO totaal ingebrachte fondsen tot en met 31 december 2025 bedroegen EUR 198,5 miljoen.
De vordering op het Dutch Fund for Climate Development (DFCD) is in 2019 in de vorm van een subsidie verstrekt. De vordering staat uit bij de FMO en betreft een deels revolverend fonds. Het programma vloeit voort uit de opdracht zoals gedefinieerd in het regeerakkoord en heeft als doel om klimaatrelevante projecten in ontwikkelingslanden te financieren ten behoeve van een klimaatbestendige economische groei. Uit informatie van de FMO blijkt dat het aandeel van BHO voor wat betreft het DFCD per 31 december 2024 is vastgesteld op EUR 132,4 miljoen. Betreft de cijfers ultimo 2024, de recente gegevens per eind boekjaar 2025 zijn nog niet beschikbaar. De door BHO totaal ingebrachte fondsen tot en met 31 december 2024 bedroegen EUR 183,7 miljoen.
De vordering op het AGRI3 Fund is in 2020 in de vorm van een subsidie verstrekt. De vordering staat uit bij Stichting Title Holder AGRI3 en betreft een revolverend fonds. Het programma heeft tot doel banken, andere financiële instellingen en landbouwbedrijven te stimuleren zakenmodellen te ontwikkelen met bosbescherming, herbebossing en implementatie van innovatie landbouwoplossingen terwijl de levensstandaard van lokale boeren wordt verbeterd. De assetwaarde van het AGRI3 Fund bedraagt per 31 december 2024 USD 92,8 miljoen. Betreft de cijfers ultimo 2024, de recente gegevens per eind boekjaar 2025 zijn nog niet beschikbaar. De door BHO totaal ingebrachte fondsen tot en met 31 december 2025 bedroegen USD 35 miljoen.
De extracomptabele vorderingen met betrekking tot het Massif fonds en het Building Prospects (BP) (voorheen IDF en voorheen MOL fonds) staan uit bij de FMO en betreffen revolverende fondsen. De betaalde Massif-fondsen en BP-fondsen staan respectievelijk per 31 december 2036 en 31 december 2028 ter beschikking van de staatssecretaris en zijn als geconditioneerde vordering opgenomen op de balans.
Uit informatie van de FMO blijkt dat het aandeel van BHO voor wat betreft het Massif fonds per 31 december 2025 is vastgesteld op EUR 433,5 miljoen. De door BHO totaal ingebrachte fondsen tot en met 31 december 2025 bedroegen EUR 354,375 miljoen.
De asset waarde van het BP bedraagt per 31 december 2025 EUR 340,3 miljoen. De door BHO totaal ingebrachte fondsen tot en met 31 december 2025 bedroegen EUR 424,517 miljoen.
De genoemde asset waarden zijn voorlopige cijfers zoals bekend bij het opstellen van de saldibalans. De definitieve cijfers blijken uit de jaarrekening 2025 van FMO.
Voor het DGGF zijn leningen verstrekt door Invest International B.V. en aan PwC/TJ, gericht op het midden- en kleinbedrijf voor investeringen in ontwikkelingslanden. Door Invest Internatonal B.V. zijn leningen verstrekt van EUR 161,749 miljoen. Aan PwC/TJ is een lening verstrekt van EUR 375,971 miljoen.
Voor de Private Infrastructure Development Group (PIDG) is een lening verstrekt voor het realiseren van infrastructurele projecten in lage inkomenslanden en fragiele staten. De totaal verstrekte leningen tot en met 31 december 2025 bedroegen EUR 173,4 miljoen.
Voor het DTIF zijn leningen verstrekt door Invest Internatonal B.V. gericht op het midden en kleinbedrijf voor risicodragende investeringen en exporttransacties. Door Invest Internatonal B.V. zijn leningen verstrekt van EUR 38,250 miljoen.
De vordering op het Prospects Blended Finance Trust Fund van het IFC bestaat uit bijdragen die sinds 2021 aan het IFC zijn verstrekt. Onder het Prospects programma dat in 2019 van start is gegaan zijn met het IFC afspraken gemaakt over een separaat Trust Fund voor Blended Finance activiteiten. IFC gebruikt hierbij een mix van verschillende soorten financiering om risico’s te verminderen en financiële levensvatbaarheid te vergroten van private projecten in investeringen in Prospects landen (Hoorn van Afrika en MENA-regio) die een positieve impact op gedwongen ontheemden en hun gastgemeenschappen hebben en die niet van de grond zouden komen zonder steun van het IFC. De door BHO totaal ingebrachte fondsen tot en met 31 december 2025 bedroegen USD 52,5 miljoen.
12. Voorschotten
Het saldo van de post Voorschotten omvat zowel de voorschotten die binnen als buiten begrotingsverband zijn geboekt. De afwikkeling vindt plaats op basis van de eindvaststelling.
De buiten begrotingsverband verstrekte voorschotten betreffen middelen die zijn ontvangen in het kader van de Delegated Coorperation van de Europese Commissie en silent partners.
Specificatie x 1.000 EUR | 31 december 2025 | 31 december 2024 | |
|---|---|---|---|
Voorschotten | 7.130.835 | 5.596.569 | |
Voorschotten RVO | 326.680 | 277.016 | |
Voorschotten Invest | 177.438 | 102.801 | |
Totaal | 7.634.953 | 5.976.386 |
Specificatie x 1.000 EUR | 31 december 2025 | 31 december 2024 | |
|---|---|---|---|
Verstrekt in 2018 en ouder | 51.883 | 127.918 | |
Verstrekt in 2019 | 53.934 | 75.263 | |
Verstrekt in 2020 | 112.849 | 169.105 | |
Verstrekt in 2021 | 441.664 | 491.549 | |
Verstrekt in 2022 | 1.064.375 | 1.218.047 | |
Verstrekt in 2023 | 1.772.736 | 1.904.813 | |
Verstrekt in 2024 | 2.013.668 | 1.989.691 | |
Verstrekt in 2025 | 2.123.844 | 0 | |
Totaal | 7.634.953 | 5.976.386 |
Specificatie x 1.000 EUR | 31 december 2025 | 31 december 2024 | |
|---|---|---|---|
Openingsbalans | 5.976.386 | 4.123.201 | |
Bij: Correctie beginstand | 236.167 | 288.298 | |
Bij: Verstrekte voorschotten | 2.142.285 | 2.016.915 | |
Af: Verantwoorde voorschotten | 635.626 | 383.351 | |
Af/Bij: Herwaardering naar nieuwe corporate rate | ‒ 84.259 | ‒ 68.677 | |
Eindbalans | 7.634.953 | 5.976.386 |
In de beginstand is een correctie verwerkt ad € 1,3 miljoen naar aanleiding van de definitieve cijfers van Invest International Public Programs (IIPP) over 2024. Daarnaast is in de beginstand een correctie verwerkt voor wat betreft voorschotten die in eerdere jaren als voorschotten waren aangemerkt en in verslagjaar 2025 zijn gecorrigeerd naar lumpsum, en omgekeerd. Het totaalbedrag van de correctie bedraagt EUR 234,8 miljoen.
13. Garantieverplichtingen
Opbouw openstaande Garantieverplichtingen: | ||
|---|---|---|
Specificatie x 1.000 EUR | 31 december 2025 | 31 december 2024 |
Openingsbalans | 4.126.301 | 3.280.351 |
Correctie beginstand | 1.100 | 0 |
Bij: Aangegane verplichtingen | 30.251 | 929.823 |
Af: Tot betaling gekomen verplichtingen | 19.966 | 16.330 |
Af: Negatieve bijstellingen | 12.450 | 13.040 |
Af: Herwaardering | 130.621 | 54.503 |
Eindbalans | 3.994.615 | 4.126.301 |
In de beginstand is een correctie verwerkt ad € 1,1 miljoen als gevolg van een wijziging in het instrumenttype van een garantieverplichting.
Specificatie x 1.000 EUR | 31 december 2025 | 31 december 2024 | |
|---|---|---|---|
Asian Development Bank (AsDB) | 1.210.213 | 1.251.588 | |
Inter-American Development Bank (IADB) | 280.051 | 291.449 | |
African Development Bank (AfDB) | 2.277.077 | 2.354.929 | |
Fonds Opkomende Markten (FOM) | 0 | 0 | |
Dutch Good Growth Fund (DGGF) | 106.926 | 108.215 | |
Dutch Trade Investment Fund (DTIF) | 16.344 | 10.511 | |
Development Relevant Infrastructure Investment Vehicle (DRIVE) | 49.795 | 45.663 | |
NIO | 54.209 | 63.946 | |
Totaal | 3.994.615 | 4.126.301 |
De garantieverplichting in het kader van het Fonds Opkomende Markten (FOM) is in 2024 volledig afgewikkeld.
De garantieverplichting in het kader van het DGGF heeft betrekking op ontwikkelingsrelevante en risicodragende investeringen en exporttransacties. De daling van EUR 108,216 miljoen naar EUR 106,926 miljoen betreft een stijging van de afgegeven garanties door Invest International van EUR 0,9 miljoen en een daling van de garantieverplichtingen voor PwC/TJ en Atradius.
Fondsbeheerder PwC/TJ is in 2019 in de gelegenheid gesteld om voor maximaal EUR 100 miljoen boven het beschikbare investeringsbudget aan contracten/committeringen aan te gaan met intermediaire fondsen in de vorm van een garantie van BHO. De garantieverplichting is per ultimo 2025 vastgesteld op EUR 6,232 miljoen.
De garantieverplichting in het kader van het DTIF betreft een garantie voor risicodragende investeringen en exporttransacties. De stijging van EUR 5,833 miljoen naar EUR 16,344 miljoen komt met door een toename van de verstrekte garanties door Invest International.
De garantieverplichting in het kader van DRIVE heeft betrekking op investeringen in publieke infrastructuurprojecten die bijdragen aan een goed ondernemingsklimaat en de ontwikkeling van de private sector in lage en middeninkomenslanden. Het garantieplafond voor DRIVE is vastgesteld op EUR 55 miljoen per jaar. In 2019 is door Atradius DSB een garantie afgegeven, deze garantie is in 2025 verhoogd en geherwaardeerd en bedraagt EUR 49,795 miljoen.
Voor deze vier garantieregelingen is een begrotingsreserve gevormd.
14. Andere verplichtingen
Het saldo van de post Andere Verplichtingen omvat zowel de openstaande verplichtingen die binnen als buiten begrotingsverband zijn geboekt. De verplichtingen buiten begrotingsverband betreffen verplichtingen die wordt gefinancierd door de Europese Commissie en silent partners in het kader van Delegated Cooperation.
Opbouw openstaande verplichtingen: | |||
|---|---|---|---|
Specificatie x 1.000 EUR | 31 december 2025 | 31 december 2024 | |
Openingsbalans | 7.482.678 | 8.897.275 | |
Bij: Correctie beginstand | ‒ 1.110 | 64.718 | |
Bij: Correctie beginstand Invest | ‒ 124.220 | 0 | |
Bij: Aangegane verplichtingen | 2.330.759 | 2.503.126 | |
Af: Tot betaling gekomen verplichtingen | 3.792.056 | 3.982.441 | |
Af: Negatieve bijstellingen | 0 | 0 | |
Eindbalans | 5.896.051 | 7.482.678 |
In de beginstand is een correctie verwerkt ad € 1,1 miljoen als gevolg van een wijziging in het instrumenttype van een garantieverplichting.
In de beginstand is daarnaast een correctie verwerkt ad EUR 124,2 miljoen naar aanleiding van de definitieve cijfers van Invest International Public Programs (IIPP) over 2024. In voorgaand jaarverslag waren de conceptcijfers van IIPP vermeld. Deze bleken achteraf af te wijken van de definitieve cijfers van IIPP. Het gecorrigeerde bedrag bestaat uit:
– Een bedrag van EUR 12,471 miljoen op de openingsbalans 1-1-2024 naar aanleiding van een onvoldoende gespecifieerde administratie van afgesloten verplichtingen in de door IIPP overgenomen administratie van RVO.
– Een bedrag van EUR 47,988 miljoen op basis van de correctie op mutaties in 2024. Deze correctie bestaat uit een deel nieuwe verplichtingen van plus EUR 2 miljoen en een deel afgesloten verplichtingen van minus EUR 50 miljoen.
– Een bedrag van EUR 63,760 miljoen om de beginstand 1-1-2025 aan te laten sluiten op de administratie van IIPP voor DGGF 1 en DTIF 1.
In 2025 hebben twee omvangrijke negatieve bijstellingen op verplichtingen groter dan € 25 miljoen uit voorgaande boekjaren plaatsgevonden, voor een totaalbedrag van € 92,588 miljoen. Deze bijstellingen hebben betrekking op de correcties inzake IIPP en zijn verwerkt onder ‘Correctie beginstand Invest’.
Af te dragen vennootschapsbelasting
De aangiften over de jaren 2016 t/m 2020 zijn definitief vastgesteld. Over deze periode is er per saldo meer betaald aan de Belastingdienst dan de belastingschuld bedraagt. Voor de jaren 2021, 2022 en 2023 bleken de fiscale winsten van de financieringsregelingen lager te liggen dan de verrekenbare verliezen. Reden waarom het ministerie hierover in 2024 met de Belastingdienst in vooroverleg is getreden. De Belastingdienst heeft op 23 april 2025 het standpunt ingenomen dat de financieringsregelingen niet voldoen aan het principe van winststreven zoals bedoeld in de Wet op de Vennootschapsbelasting. Daarmee is het ministerie niet meer belastingplichtig en is er geen saldo als af te dragen vennootschapsbelasting opgenomen in de saldibalans.
Het ministerie en de Belastingdienst zijn voorts overeengekomen dat het ministerie de regelingen zal blijven monitoren en in vooroverleg treedt indien de feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven. De Belastingdienst zal deze feiten en omstandigheden hoe dan ook in 2030 opnieuw beoordelen.
15. Deelnemingen
De post deelnemingen bestaat uit aandelen in internationale instellingen. Voor het niet volgestorte deel (callable capital) is een garantieverplichting verstrekt die onder 13. Garantieverplichtingen is opgenomen.
De laatste kolom van het overzicht vermeldt de voting power ultimo 2025. Naast de omvang van de deelneming in aandelen kan dit percentage ook beïnvloed zijn door bijvoorbeeld de omvang van de middelenaanvullingen.
Specificatie x 1.000 EUR | 31 december 2025 | 31 december 2024 | Voting power in % | |
|---|---|---|---|---|
Asian Development Bank | 63.707 | 65.885 | 1,113 | |
African Development Bank | 86.118 | 82.628 | 0,886 | |
Inter-American Development Bank | 12.584 | 13.096 | 0,200 | |
Inter-American Investment Corp. | 14.432 | 12.955 | 0,630 | |
Instex Deelneming | 419 | 419 | 4,210 | |
Totaal | 177.260 | 174.983 |
Begin 2020 is Nederland formeel toegetreden als aandeelhouder van INSTEX in het kader van het Joint Comprehensive Plan of Action (JCPOA) met Iran. INSTEX was een special purpose vehicle om bij te dragen aan het faciliteren van het betalingsverkeer tussen Europese en Iraanse bedrijven. Op 9 maart 2023 is unaniem door de aandeelhouders (Frankrijk, Duitsland, Verenigd Koninkrijk, België, Denemarken, Finland, Noorwegen, Spanje, Zweden en Nederland) het besluit genomen tot de ontmanteling van INSTEX aangezien er om verschillende redenen geen enkele basis was voor voortzetting. Een curator is aangesteld om INSTEX volledig te ontmantelen. In december 2025 zijn de aandeelhouders unaniem akkoord gegaan met het eindrapport van de curator. De financiële afronding van de ontmanteling is voorzien in februari 2026.
Niet uit de saldibalans blijkende bestuurlijke verplichtingen
Uitvoeringskosten RVO (meerdere artikelen)
De offerte van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland 2026 is goedgekeurd voor de uitvoeringskosten voor diverse subsidieregelingen en opdrachten op het gebied van internationale handel en ontwikkelingshulp. Dit leidt tot een bestuurlijke verplichting van EUR 136,8 miljoen in 2026.
PROSPECTS (artikel 4)
Nederland heeft zich gecommitteerd aan de tweede fase van het PROSPECTS partnerschap voor een bedrag van EUR 800 miljoen. Hiervan blijkt per 31 december 2025 een bedrag van EUR 91 miljoen nog niet uit de saldibalans. Het PROSPECTS partnerschap wordt gefinancierd uit artikel 4.2 van de begroting (opvang en bescherming in de regio).
Middelenaanvulling van het African Development Fund, onderdeel van de African Development Bank (artikel 5.1)
De AfDB richt zich op een specifiek terrein (armoedebestrijding, inclusieve groei, duurzame ontwikkeling) dat onvoldoende wordt gedekt door commerciële banken. Nederland heeft een aandeel van 0,877% in de Bank en een burden share van 3,56% in het Fonds van de Bank. Voor de middelenaanvulling AfDF XVII zal in 2026 een verplichting van naar verwachting EUR 242,86 miljoen worden aangegaan. De uitbetaling van deze middelenaanvulling zal in de periode 2026 ‒ 2035 plaatsvinden.
Niet uit de saldibalans blijkende financiële risico's voortkomend uit lopende juridische procedures
Op dit moment zijn op het beleidsterrein van BHO geen rechtszaken aanhangig bij het ministerie van BZ met een substantieel geclaimd bedrag van EUR 25 miljoen of hoger.
D. BIJLAGEN
Bijlage 1: Toezichtrelaties rwt's en zbo's
Invest International Public Programmes B.V. | Begrote bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT | Gerealiseerde bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT | Begrote bijdrage overige departementen | Gerealiseerde bijdrage overige departementen | Bijzonderheden |
|---|---|---|---|---|---|
Bedrag | 15.061 | 19.955 | Nee | ||
Invest International Development B.V. | |||||
Bedrag | 3.486 | 3.486 | Nee |
[1] Gerealiseerde bijdrage aan Invest International Public Programmes is inclusief betaalde BTW over uitvoeringskosten DGGF en DTIF.
[2] gerealiseerde bijdrage aan Invest International Development zijn voor zowel de activiteit als de uitvoeringskosten.
Bijlage 2: Afgerond evaluatie- en overig onderzoek
Uitkomsten Strategische Evaluatie Agenda | |||||
|---|---|---|---|---|---|
Uitkomsten Strategische Evaluatie Agenda Thema Bijdrage aan het structurele internationale verdienvermogen van Nederland | |||||
Alle subthema's | |||||
Titel onderzoek | Type onderzoek | Afronding | Status | Begrotingsartikel(en) | Vindplaats onderzoek |
Beleidsdoorlichting Duurzame economische ontwikkeling, handel en investeringen | beleidsdoorlichting | 2022 | afgerond | 1.1, 1.2, 1.3 | |
Subthema Bijdrage beleid aan een duurzaam handels- en investeringssysteem en MVO | |||||
Titel onderzoek | Type onderzoek | Afronding | Status | Begrotingsartikel(en) | Vindplaats onderzoek |
Beleidsevaluatie Nederlands handels- en investeringsbeleid inclusief effecten van EPA's | ex post evaluatie | 2022 | afgerond | 1.1 | |
Beleidsevaluatie BHOS-beleid gericht op bijdragen van Nederlandse bedrijven aan duurzame ontwikkeling | ex post evaluatie | 2022 | afgerond | 1.1 | |
Subthema Bijdrage handelsinstrumentarium aan internationaal verdienvermogen | |||||
Titel onderzoek | Type onderzoek | Afronding | Status | Begrotingsartikel(en) | Vindplaats onderzoek |
Onderzoek AI verdienkansen | ex post evaluatie | 2025 | afgerond | 1.2 | |
Uitkomsten Strategische Evaluatie Agenda Thema Private Sector Development ten behoeve van waardig werk en economische groei | |||||
Subthema Versterking Ondernemingsklimaat | |||||
Titel onderzoek | Type onderzoek | Afronding | Status | Begrotingsartikel(en) | Vindplaats onderzoek |
Effectenonderzoek DRIVE | ex-post evaluatie | 2026 | lopend | 1.3 | nvt |
Mid-term evaluatie VMP, CNV en FNV, Agriterra | mid term evaluatie | 2025 | afgerond | 1.3 | |
Subthema Handel voor ontwikkeling | |||||
Titel onderzoek | Type onderzoek | Afronding | Status | Begrotingsartikel(en) | Vindplaats onderzoek |
Mid term review of IDH 2021-2025: navigating systematic market transformation | mid term review | 2024 | afgerond | 1.3 | Mid term review of IDH 2021-2025: navigating systematic market transformation |
Evaluatie National Initiatives for Sustainable and Climate-Smart Oil Palm Smallholders (NI-SCOPS) | ex post evaluatie | 2024 | afgerond | 1.3 | |
Subthema Financiële sector | |||||
Titel onderzoek | Type onderzoek | Afronding | Status | Begrotingsartikel(en) | Vindplaats onderzoek |
CGAP - strategy VII evaluatie | ex post evaluatie | 2026 | lopend | 1.3 | nvt |
Uitkomsten Strategische Evaluatieagenda Thema Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid, water en klimaat | |||||
Alle subthema's | |||||
Titel onderzoek | Type onderzoek | Afronding | Status | Begrotingsartikel(en) | Vindplaats onderzoek |
Periodieke rapportage Internationaal klimaatbeleid | Periodieke rapportage | 2024 | afgerond | 2 | |
Periodieke rapportage Beleidscoherentie en effecten op voedselzekerheid, water en klimaat in ontwikkelingslanden | Periodieke rapportage | 2024 | afgerond | 2 | |
Subthema Klimaat | |||||
Titel onderzoek | Type onderzoek | Afronding | Status | Begrotingsartikel(en) | Vindplaats onderzoek |
Beleidsevaluatie klimaatfinanciering 2016-2019 | ex post evaluatie | ||||
Literatuurstudie en synthese van evaluaties naar effectiviteit van adaptatie in waterbeheer en voedselzekerheid | ex post evaluatie | 2023 | afgerond | 2 | Rapport – Evaluatie van de integratie van klimaatadaptatie in water- en voedselzekerheidsprogramma’s |
Analyse van de effectiviteit van de Nederlandse klimaatdiplomatie, vooral de Klimaatcampagne en NDC partnership | ex post evaluatie | 2023 | afgerond | 2 | Rapport – Evaluatie van de Nederlandse klimaatdiplomatie 2018-2021 |
Subthema Coherentie van het Nederlands beleid en effecten op voedselzeker-heid, water en klimaat in ontwikkelingslanden | |||||
Titel onderzoek | Type onderzoek | Afronding | Status | Begrotingsartikel(en) | Vindplaats onderzoek |
Interne coherentie NL en EU beleid, art. 2 BHOS | ex post evaluatie | 2022 | afgerond | 2 | |
Inventarisatie lange termijn strategieën | Ex post evaluatie | 2022 | afgerond | 2 | |
Uitkomsten Strategische Evaluatieagenda Sociale Vooruitgang | |||||
Alle subthema's | |||||
Titel onderzoek | Type onderzoek | Afronding | Status | Begrotingsartikel(en) | Vindplaats onderzoek |
Periodieke rapportage | Periodieke rapportage | 2025 | afgerond | 3.1, 3.2, 3.3, 3.4 | |
Subthema Mondiale gezondheid en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten | |||||
Titel onderzoek | Type onderzoek | Afronding | Status | Begrotingsartikel(en) | Vindplaats onderzoek |
Beleidsevaluatie:Onderzoek naar de effectiviteit van de beleidsuitvoering SRGR | ex post evaluatie | 2023 | Afgerond | 3.1 | Rapport – Evaluatie Nederlandse bijdrage aan seksuele en reproductieve gezondheid en rechten |
Effectenonderzoek: Fonds Product Development Partnerships | ex post evaluatie | 2026 | lopend | 3.1 | nvt |
Subthema Vrouwenrechten en gendergelijkheid | |||||
Titel onderzoek | Type onderzoek | Afronding | Status | Begrotingsartikel(en) | Vindplaats onderzoek |
Effectenonderzoek: Eindevaluatie van het FLOW programma | ex post evaluatie | 2022 | Afgerond | 3.2 | Final Evaluation of Funding Leadership Opportunities for Women (FLOW 2) 2016–2020 |
Effectenonderzoek: NAP 1325 | ex post evaluatie | 2022 | Afgerond | 3.2 | Final Report: External evaluation of the Netherlands WPS 2016-2019 and WPS 2020 programmes |
Effectenonderzoek Regionaal vrouwenfonds ‘Leading from the South’ | ex post evaluatie | 2022 | Afgerond | 3.2 | End evaluation of the policy framework Leading from the South (2017-2020) |
Subthema Maatschappelijk middenveld | |||||
Titel onderzoek | Type onderzoek | Afronding | Status | Begrotingsartikel(en) | Vindplaats onderzoek |
Beleidsevaluatie:Onderzoek naar de resultaten die bereikt zijn via de strategische partnerschappen met maatschappelijke organisaties | ex post evaluatie | 2023 | afgerond | 3.3 en 3.1 | |
Baseline, Monitoring & Mid-Term Review (MTR) van het beleidskader versterking maatschappelijk middenveld | baseline en mid term review | 2024 | afgerond | 3.1, 3.2, 3.3 | Rapporten - Strengthening Civil Society Policy Framework 2021-2025 |
Meta-evaluatie MTRs van het beleidskader versterking maatschappelijk middenveld | meta-evaluatie | 2024 | afgerond | 3.1, 3.2, 3.3 | |
Subthema Onderwijs | |||||
Titel Onderzoek | Type Onderzoek | Afronding | Status | Begrotingsartikel(en) | Vindplaats onderzoek |
Syntheseonderzoek Onderwijs | Syntheseonderzoek | ex post evaluatie | afgerond | 3.4 | |
Uitkomsten Strategische Evaluatieagenda Thema Vrede Veiligheid en Duurzame ontwikkeling | |||||
Alle subthema's | |||||
Titel onderzoek | Type onderzoek | Afronding | Status | Begrotingsartikel(en) | Vindplaats onderzoek |
Periodieke rapportage | Periodieke rapportage | 2025 | afgerond | 4.1, 4.2, 4.3 | |
Subthema Humanitaire hulp | |||||
Titel onderzoek | Type onderzoek | Afronding | Status | Begrotingsartikel(en) | Vindplaats onderzoek |
Effectiviteit van humanitaire partners en financieringsrelaties | deelstudie met case studies | 2022 | afgerond | 4.1 | |
Beleidsevaluatie: Nederlandse Humanitaire Hulp | ex post evaluatie | 2023 | Afgerond | 4.1 | |
Subthema Migratie, opvang in de regio, migratiesamenwerking | |||||
Titel onderzoek | Type onderzoek | Afronding | Status | Begrotingsartikel(en) | Vindplaats onderzoek |
Syntheseonderzoek Adressing Root Causes / grondoorzaken migratie | ex post evaluatie | 2023 | Afgerond | 4.2 | Deelstudie — Synthesestudie van het Addressing Root Causesprogramma (ARC) |
Effectenonderzoek naar de inzet op opvang in de regio Syrie | ex post evaluatie | 2024 | Afgerond | 4.2 | Rapport - Effectenonderzoek naar de inzet op opvang in de regio Syrie |
Subthema Veiligheid en rechtsorde | |||||
Titel onderzoek | Type onderzoek | Afronding | Status | Begrotingsartikel(en) | Vindplaats onderzoek |
Beleidsevaluatie Nederlandse inzet op stabiliteit in fragiele context (met BZ art 2.5) | ex post evaluatie | 2023 | Afgerond | art. 4.3 BZ en art. 2.5 BHO | Rapport - Nederlandse bijdrage aan stabiliteit, veiligheid en rechstorde in fragiele contexten |
Uitkomsten Strategische Evaluatieagenda Thema Multilaterale samenwerking en overige inzet | |||||
Alle subthema's | |||||
Titel onderzoek | Type onderzoek | Afronding | Status | Begrotingsartikel(en) | Vindplaats onderzoek |
Periodieke rapportage | Periodieke rapportage | 2025 | afgerond | 5.1 | |
Bijlage 3: Sanctiebeleid en Misbruik en oneigenlijk gebruik
In deze bijlage wordt informatie gegeven over meldingen van externe fraude binnen activiteiten gefinancierd vanuit begrotingshoofdstuk XVII Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp (hierna: BHO-activiteiten).
Meer informatie ten aanzien van meldingen van externe fraude rond activiteiten gefinancierd vanuit begrotingshoofdstuk V Buitenlandse Zaken (hierna: BZ-activiteiten) staat in bijlage 5 van het jaarverslag van begrotingshoofdstuk V.
Jaar | Bewezen | Ongegrond | In onderzoek | Totaal |
2025 | 22 | 31 | 50 | 103 |
2024 | 65 | 90 | 29 | 184 |
2023 | 66 | 57 | 4 | 127 |
2022 | 65 | 54 | 2 | 121 |
2021 | 62 | 53 | 0 | 115 |
Meldingen van externe fraude 2025
In 2025 werden 103 vermoedens van externe fraude t.a.v. BHO- en BZ-activiteiten gemeld bij het Expertisecentrum Malversaties (ECM) van het ministerie.10
Jaar | Financiële omvang bewezen externe fraude* | Official Development Assistance (ODA) budget BHO en BZ | Percentage omvang bewezen externe fraude t.o.v. ODA budget BHO en BZ |
Specificatie x 1.000 EUR | Specificatie x 1.000 EUR | ||
2025 | 699 | 5.119.716 | 0,01% |
2024 | 682 | 5.290.000 | 0,01% |
2023 | 1.132 | 5.220.000 | 0,02% |
2022 | 1.312 | 4.990.000 | 0,03% |
2021 | 878 | 3.700.000 | 0,02% |
2020 | 1.885 | 3.680.000 | 0,05% |
Gemiddelde over 2020-2024** | 0,02% | ||
* De financiële omvang is berekend op basis van het Nederlands aandeel van een bewezen fraude, waarbij dit aandeel is toegekend aan het jaar waarin de melding is geregistreerd door het ministerie. (Toekomstige) succesvolle terugvorderingen en verrekeningen zijn niet meegenomen in de berekening. | |||
** Een significant aantal meldingen uit 2025 is nog in onderzoek, daarom is dat jaar niet meegenomen in de berekening van het gemiddelde. | |||
Proces en preventie
Het ministerie hanteert in haar externe fraudebeleid zero-tolerance for inaction. Dit houdt in dat het ministerie verwacht dat ieder gefundeerd vermoeden van externe fraude wordt onderzocht, dat het ministerie hierover wordt geïnformeerd en passende maatregelen worden genomen.
Meldingen van (vermoedens van) externe fraude worden door ECM geregistreerd. Afhankelijk van de ernst en inhoud van de meldingen worden vervolgstappen bepaald. Deze kunnen bijvoorbeeld bestaan uit het instellen van een (accountants) onderzoek, een gesprek met de betrokken organisatie en/of melder, en/of het opschorten van lopende betalingen.
Wanneer op basis van (forensisch- of accountants-) onderzoek een externe fraudezaak wordt bewezen, worden stappen genomen om de financiële schade niet ten laste te laten komen van de begroting van het ministerie. Dit kan onder andere door het in gang zetten van een terugvorderingsprocedure, of door het lager vaststellen van een subsidie.
Conform de Nota Beheer en Toezicht (1998) publiceert het ministerie jaarlijks de bewezen externe fraudezaken met Nederlandse financiële impact in het departementaal jaarverslag. Tussentijds wordt de Tweede Kamer door middel van een brief geïnformeerd over bewezen externe fraudezaken met een Nederlandse financiële omvang van EUR 100.000 of meer, zoals vastgelegd tijdens de Begrotingsbehandeling BHOS 2021.
Met ‘financiële omvang’ wordt hier bedoeld: het Nederlandse (i.e. het door het ministerie van Buitenlandse Zaken gefinancierde) aandeel van een bewezen externe fraudezaak. Dit aandeel is toegekend aan het jaar waarin de externe fraudezaak door het ministerie is geregistreerd. (Toekomstige) succesvolle terugvorderingen en verrekeningen (door het ministerie dan wel door de contractpartner) zijn niet meegenomen. Zodoende wordt niet gesproken van ‘financiële schade’. In de meeste gevallen slaagt het ministerie erin om de financiële schade niet ten laste van het budget van het ministerie te laten komen.
Preventie van externe fraude
Een deel van de door het ministerie gefinancierde activiteiten vindt plaats in fragiele en volatiele regio’s en omstandigheden, waar het risico op externe fraude per definitie groter is.
Daarom zet het ministerie zich permanent in op de toepassing en doorontwikkeling van risicomanagement om de kans op succesvolle en efficiënte projectimplementatie te vergroten, de kans op onregelmatigheden en afwijkingen te verkleinen en risico’s zoveel mogelijk te beheersen. Zo wordt o.a. een organisational risk and integrity assessment (ORIA) uitgevoerd voor contracten vanaf een bedrag van EUR 1,5 miljoen, en een risicoparagraaf opgesteld voor alle nieuwe activiteiten.
In de risicoparagraaf worden risico’s op context-, programma- en organisatieniveau geïnventariseerd en geanalyseerd, alsmede mitigerende maatregelen geformuleerd om de kans en impact van deze risico’s te minimaliseren of ze bewust te accepteren.
In het geval van een bewezen externe fraudezaak kan het ministerie besluiten de betreffende organisatie uit te sluiten van vervolgfinanciering. Ook wordt toegezien op implementatie van geleerde lessen en verbeterde controle- en monitoringsmechanismen om de kans op herhaling te minimaliseren. Daarnaast worden waar nodig de eigen procedures en monitoring aangescherpt op basis van geleerde lessen.
Bewezen externe fraude BHO-activiteiten 2025
Hieronder volgt een overzicht van in 2025 bewezen externe fraudezaken die betrekking hebben op door het ministerie gefinancierde BHO-activiteiten met een financiële impact van minimaal EUR 10.000. Het totale Nederlands aandeel van deze 15 externe fraudezaken tezamen bedroeg EUR 1.064.801. Meldingen die in 2025 zijn bewezen, kunnen ook in eerdere jaren zijn gemeld aan BZ.
In 2025 zijn daarnaast 46 externe fraudezaken bewezen waarvan de omvang van het Nederlands aandeel lager dan EUR 10.000 was. De totale financiële impact hiervan bedroeg EUR 80.843.
Schadebedragen als gevolg van bewezen fraude kunnen - in principe - niet bij het ministerie in rekening gebracht worden en dienen zodoende verhaald of gedekt te worden door de betrokken contract- en/of uitvoeringspartner(s). Hierdoor is de daadwerkelijke financiële schade lager dan de berekende financiële impact.
Referentienummer | 23-042 |
Land | Kenia |
Organisatie | Lokale organisatie |
Ontdekt | Tijdens reguliere controlewerkzaamheden heeft een internationale contractpartner fraude ontdekt bij een lokale uitvoerder. Onderzoek heeft bevestigd dat sprake is van vervalste facturen en toevoeging van niet-bestaande deelnemers bij een evenement. |
Omvang | 13.683 |
Nederlands aandeel | 13.683 |
Actie | De contractpartner heeft het contract met de lokale uitvoerder beëindigd. Pogingen de schade te verhalen zijn niet geslaagd. Verbetermaatregelen zijn genomen. Vanwege de contractvorm (opdracht) draagt het ministerie van Buitenlandse Zaken deze schade. |
Referentienummer | 24-057 |
Land | Zimbabwe |
Organisatie | Lokale organisatie |
Ontdekt | Tijdens een reguliere controle door een internationale contractpartner ontstonden er vermoedens van fraude bij een lokale uitvoeringspartner. Uit extern onderzoek blijkt dat de financiële medewerker geld van de organisatierekening heeft overgemaakt naar diens eigen rekening, er was sprake van slecht toezicht. Meerdere donoren en programma's zijn geraakt door deze fraude. Er is geen financiële schade voor het ministerie van Buitenlandse Zaken. |
Omvang | 135.634 |
Nederlands aandeel | 24.800 |
Actie | De contractpartner heeft de samenwerking met de lokale uitvoeringspartner beëindigd; uitvoering van de activiteiten is belegd bij een andere organisatie. De lokale uitvoeringspartner onderzoekt juridische mogelijkheden t.a.v. de ontslagen financiële medewerker. |
Referentienummer | 24-081 |
Land | Zambia |
Organisatie | Lokale organisatie |
Ontdekt | Via een klokkenluider bij het landenkantoor van een internationale organisatie is ontdekt dat twee medewerkers van de consortiumpartner zijn omgekocht. De internationale organisatie heeft een forensische audit laten uitvoeren, waaruit o.a. sprake bleek van het onterecht verhogen van het eigen salaris door de CEO van de uitvoeringspartner, onterechte (reis)declaraties en fictieve uitgaven. |
Omvang | 65.345 |
Nederlands aandeel | 65.345 |
Actie | Verschillende disciplinaire, juridische en mitigerende acties zijn genomen, o.a. op het gebied van projectmonitoring. Er is geen financiële schade voor het ministerie van Buitenlandse Zaken. |
Referentienummer | 24-096 |
Land | Jordanië |
Organisatie | Internationale organisatie |
Ontdekt | Een contractpartner ontving signalen van mogelijke fraude bij een internationale uitvoerder. Uit het ingestelde accountantsonderzoek is gebleken dat sprake is van verduistering van middelen, aangewend voor privédoeleinden. Het ministerie is niet de enige financier. |
Omvang | 294.107 |
Nederlands aandeel | 185.785 |
Actie | De organisatie heeft het verduisterde bedrag volledig terugbetaald. Tegen de pleger van de fraude zijn door de organisatie juridische stappen ondernomen. Gezien het verlies van vertrouwen is de samenwerking met de uitvoerder definitief beëindigd. Er is geen financiële schade voor het ministerie van Buitenlandse Zaken. |
Referentienummer | 24-129 |
Land | Uganda |
Organisatie | Lokale organisatie |
Ontdekt | Op basis van een melding van een klokkenluider heeft een contractpartner melding gemaakt van fraude bij een lokale uitvoerder. Na onderzoek door een externe accountant is vastgesteld dat fraude heeft plaatsgevonden met betrekking tot onterechte salaris- en per diem-declaraties. |
Omvang | 18.804 |
Nederlands aandeel | 13.804 |
Actie | Het contract met de lokale uitvoerder is beëindigd en de contractpartner vordert het gefraudeerde bedrag terug bij de lokale uitvoerder; er is geen financiële schade voor het ministerie van Buitenlandse Zaken. De contract- en consortiumpartner is gevraagd hun eigen systeem van due diligence en monitoring te herzien. |
Referentienummer | 24-132 |
Land | Afghanistan |
Organisatie | Lokale organisatie |
Ontdekt | Naar aanleiding van een melding door een anoniem staflid bij een lokale uitvoerder heeft de internationale organisatie een audit laten uitvoeren. Fraude werd bewezen, en bestond uit verhoogde facturen en het in rekening brengen van niet-uitgevoerde werkzaamheden. die wel in rekening werden gebracht. |
Omvang | 27.785 |
Nederlands aandeel | 27.785 |
Actie | Het contract met de lokale organisatie is beëindigd; de internationale organisatie heeft mitigerende maatregelen getroffen om processen te versterken en uitgebreide toezicht mechanismen geïmplementeerd. Er is geen financiële schade voor het ministerie van Buitenlandse Zaken. |
Referentienummer | 24-148 |
Land | Zuid-Sudan |
Organisatie | Lokale organisatie |
Ontdekt | Een (internationale) lead partner ontving tijdens een veldbezoek signalen van de staf van een lokale uitvoerende organisatie. Uit het onderzoek uitgevoerd door de fraude unit van de internationale organisatie werd fraude bewezen met salarisbetalingen (volledig gerapporteerd, minder uitbetaald) en belastingafdrachten (gerapporteerd, niet afgedragen). |
Omvang | 13.191 |
Nederlands aandeel | 13.191 |
Actie | De bij de fraude betrokken medewerkers worden ontslagen, de fondsen zijn teruggestort en uitbetaald aan rechthebbenden; de belasting is alsnog afgedragen. Verbeterpunten zijn geïdentificeerd en doorgevoerd. Er is geen financiële schade voor het ministerie van Buitenlandse Zaken. |
Referentienummer | 24-165 |
Land | Tunesië |
Organisatie | Lokale organisatie |
Ontdekt | Via een reguliere interne controle werd fraude ontdekt bij een lokale organisatie: door ‘phishing’ werd het bedrag bedoeld voor de lokale uitvoerende organisatie overgemaakt naar de rekening van de oplichters. Uitgebreid onderzoek heeft plaatsgevonden: door de zeer geraffineerde opzet had deze fraude niet kunnen worden voorkomen. |
Omvang | 50.000 |
Nederlands aandeel | 50.000 |
Actie | Na het nemen van extra controle- en ICT-maatregelen is een tweede poging succesvol onderschept. Omdat er sprake is van overmacht en er niet verwijtbaar is gehandeld, is besloten de schade voor rekening van het ministerie van Buitenlandse Zaken te nemen. |
Referentienummer | 25-001 |
Land | Rwanda |
Organisatie | Lokale organisatie |
Ontdekt | Naar aanleiding van een melding door een lokale uitvoerende organisatie heeft de internationale contractpartner een forensisch accountsonderzoek laten uitvoeren dat fraude heeft bevestigd. het gaat om verduistering via het innen van cheques door de voormalige bestuurder en de penningmeester van de lokale organisatie. Beiden zijn met onbekende bestemming vertrokken. |
Omvang | 107.751 |
Nederlands aandeel | 107.751 |
Actie | Er loopt een strafrechtelijk onderzoek naar de fraudeurs in Rwanda. De subsidie is lager bijgesteld; er is geen financiële schade voor het ministerie van Buitenlandse Zaken. De internationale organisatie zal de schade verhalen op de lokale organisatie. |
Referentienummer | 25-004 |
Land | Zimbabwe/Namibië |
Organisatie | Diverse lokale organisaties |
Ontdekt | Na een klokkenluidersmelding over een specifiek programma van een internationale contractpartner is een audit uitgevoerd op alle lokale uitvoeringspartners binnen dit specifieke programma. Hieruit bleek dat sprake is van fraude, potentiële fraude en/of niet-verantwoordbare uitgaven bij een groot deel van de uitvoeringspartners. Het gaat voornamelijk om valse, potentieel valse of ontbrekende documentatie ter verantwoording van uitgaven. |
Omvang | 27.186 |
Nederlands aandeel | 27.186 |
Actie | De contractpartner draagt zelf de kosten, er is geen financiële schade voor het ministerie van Buitenlandse Zaken. Alle aanbevelingen van de auditors ten aanzien van hun due diligenceproces en systeem van financieel toezicht worden opgevolgd. Het programma is beëindigd. |
Referentienummer | 25-005 |
Land | Nigeria |
Organisatie | Lokale organisatie |
Ontdekt | Naar aanleiding van een eerdere (niet-bevestigde) safeguarding melding besloot een internationale contractpartner tot verificatie van uitgaven bij een lokale uitvoeringspartner. Hierbij is vastgesteld dat sprake is geweest van frauduleuze bank statements. De financiële administratie en het toezicht bij de uitvoerder bleken erg gebrekkig. |
Omvang | 12.800 |
Nederlands aandeel | 12.800 |
Actie | Het contract met de uitvoeringspartner is beëindigd; de contractpartner heeft het fraudebedrag en nog niet uitgegeven fondsen teruggevorderd. Er is geen financiële schade voor het ministerie van Buitenlandse Zaken. |
Referentienummer | 25-019 |
Land | Mali |
Organisatie | Lokale organisatie |
Ontdekt | Naar aanleiding van een reguliere interne controle door internationale contractpartner bij een lokale uitvoeringspartner kwamen onregelmatigheden aan het licht. Uit forensisch onderzoek is gebleken dat medewerkers zich schuldig hebben gemaakt aan aanbestedings- en facturatiefraude. |
Omvang | 124.958 |
Nederlands aandeel | 124.958 |
Actie | De betrokken medewerkers zijn ontslagen, het programma wordt niet verlengd en de contractpartner heeft de financiële schade gedekt; er is geen financiële schade voor het ministerie van Buitenlandse Zaken. |
Referentienummer | 25-033 |
Land | Filipijnen |
Organisatie | Lokale organisatie |
Ontdekt | Naar aanleiding van onjuistheden in de salarisadministratie en liquiditeitsproblemen bij een lokale uitvoerende organisatie heeft de internationale contractpartner een externe audit laten uitvoeren, ook heeft het hoofdkantoor van de lokale uitvoerende organisatie een intern onderzoek ingesteld. |
Omvang | 18.006 |
Nederlands aandeel | 18.006 |
Actie | Fraude werd aangetoond; het contract met de lokale uitvoerder is beëindigd en verbetermaatregelen zijn getroffen. Het gefraudeerde bedrag komt niet ten laste van het ministerie van Buitenlandse Zaken. |
Referentienummer | 25-037 |
Land | Irak |
Organisatie | Internationale organisatie |
Ontdekt | Een internationale contractpartner heeft gemeld dat er sprake is van fraude bij het landenkantoor, wat werd bevestigd door accountantsonderzoek: een medewerker van het landenkantoor heeft middelen verduisterd. |
Omvang | 335.000 |
Nederlands aandeel | 335.000 |
Actie | De contractpartner dekt het gehele verduisterde bedrag uit eigen middelen, waardoor er geen financiële schade is voor het ministerie van Buitenlandse Zaken. Er zijn maatregelen genomen om vergelijkbare zaken in de toekomst te voorkomen. |
Referentienummer | 25-061 |
Land | Kenia |
Organisatie | Lokale organisatie |
Ontdekt | Een internationale contractpartner meldt fraude door middel van ‘hacking’ bij een lokale uitvoerder, waar een kwaadwillende is geïnfiltreerd en betaalgegevens heeft vervalst. Hierdoor is een betaling naar de verkeerde bankrekening overgemaakt. |
Omvang | 44.706 |
Nederlands aandeel | 44.706 |
Actie | Er is aangifte gedaan, waarna de politie de dader heeft gearresteerd; betrokkene is aangeklaagd. Er worden pogingen gedaan het bedrag terug te krijgen van de dader. Maatregelen zijn getroffen om vergelijkbare zaken in de toekomst te voorkomen. De schade wordt gedekt door de internationale contractpartner; er is geen financiële schade voor het Ministerie van Buitenlandse Zaken. |
Sancties
Het onderstaande overzicht biedt informatie over lopende sanctiemaatregelen omtrent bewezen externe fraudezaken aangaande BHO-activiteiten. Het sanctiebeleid is erop gericht externe fraude bedragen terug te vorderen of, wanneer dit niet mogelijk blijkt, andere passende maatregelen te treffen.
Referentienummer | 17-013 |
Land | Mali |
Organisatie | Lokale organisatie |
Vordering | EUR 962.154 |
Stand van zaken | De betrokkenen zijn veroordeeld tot een gevangenisstraf en terugbetaling van het gemalverseerde bedrag. Het ministerie blijft zich inspannen om het bedrag door middel van een beslaglegging terug te vorderen. |
Referentienummer | 22-086 |
Land | Rwanda |
Organisatie | Lokale organisatie |
Vordering | EUR 342.382 |
Stand van zaken | Het ministerie wil het gefraudeerde bedrag terugvorderen van de contractpartner. Het ministerie is op dit moment bezig om de vordering in te stellen en zal zich inspannen om het gefraudeerde bedrag terug te krijgen. |
Aan de daling van het aantal meldingen ten opzichte van 2024 ligt een proceswijziging ten grondslag: per 1 januari 2025 heeft ECM de registratiemethodiek verder gestructureerd door van meldingen die niet direct herleidbaar zijn naar Nederlandse financiering (e.g. ongeoormerkte bijdragen) alleen de (mogelijk) politiek/publicitair significante zaken te registreren. De overige niet-herleidbare meldingen worden elders per organisatie geregistreerd, zonder zaaknummer.
Bijlage 4: Toelichting op de streefwaarden en indicatoren
Thema | Resultaatgebied | Indicator | Streefwaarde 2024 | Realisatie 2024 | Streefwaarde 2021-2025 | SDG |
|---|---|---|---|---|---|---|
Buitenlandse HandelArtikel 1: Duurzame economische ontwikkeling, handel en investeringen | Bevorderen van MVO onder het Nederlands bedrijfsleven | MVO onder het Nederlands bedrijfsleven Het aandeel grote bedrijven in Nederland dat de OESO richtlijnen voor multinationale ondernemingen expliciet onderschrijft als referentiekader voor hun internationale activiteiten. | N.v.t. | 41% | 90% in 2023 | SDG 8 Inclusieve en duurzame groei en SDG 12 Duurzame consumptie en productie |
Bevorderen van internationaal ondernemerschap | Het aantal door RVO voor internationalisering ondersteunde ondernemingen dat in de 3 jaar na de beleidsinterventie meer heeft geëxporteerd naar de doelmarkt | N.v.t. | 985 van 4780 | N.v.t. | SDG 8 Inclusieve en duurzame groei SDG 9 Innovatie en duurzame infrastructuur | |
De cumulatieve exporttoename van de betreffende bedrijven | N.v.t. | 366,9 mln EUR | N.v.t. |
Thema | Resultaatgebied | Indicator | Realisatie 2023 | Realisatie 2024 | Realisatie 2025 | Streefwaarde 2025 | Streefwaarde 2021-2025 | SDG |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Private sector ontwikkeling (PSD) | Bedrijfsontwikkeling | Aantal banen ondersteund door PSD-programma’s (direct jobs supported naar internationaal geharmoniseerde definitie) | 317.000 | 518.946 | 590.231 | 271.000 | 330.000 per jaar (streefwaarde in 2025, hier wordt jaarlijks naar toe gegroeid) | SDG 8 Inclusieve en duurzame groei |
Aantal bedrijven (Nederlandse en lokale ondernemingen) met een ondersteund plan voor investering, handel of dienstverlening | 15.500 | 18.224 | 19.514 | 16.400 | 20.000 per jaar (streefwaarde in 2025, hier wordt jaarlijks naar toe gegroeid) | |||
Voedselzekerheid | Uitbannen van de huidige honger en ondervoeding | Aantal mensen bereikt met activiteiten gericht op verbetering van de inname van voedsel | 2.800.000 | 17.974.224 | 31.988.914 | 20.000.000 | 24.000.000 (per jaar) | SDG 2 Einde maken aan honger |
Stimuleren van duurzame en inclusieve groei van de landbouwsector | Aantal boeren bereikt met activiteiten gericht op toename van productiviteit en/of inkomen | 12.500.000 | 8.786.826 | 5.142.858 | 10.000.000 | 12.000.000 (per jaar) | ||
Creëren van ecologisch duurzame voedselsystemen | Aantal hectare landbouwgrond bereikt met activiteiten gericht op eco-efficiënter gebruik | 1.100.000 | 1.224.750 | 749.872 | 1.400.000 | 2.000.000 (per jaar) | ||
Water | Drinkwater, sanitaire voorzieningen en hygiëne | Het aantal mensen dat toegang heeft gekregen tot een verbeterde waterbron | 2.518.005 | 3.663.236 | 5.328.426 | 2.000.000 | 1.900.000 per jaar(30 miljoen cumulatief in 2030) | SDG 6 Toegang tot een duurzaam beheer van water |
Het aantal mensen dat toegang heeft gekregen tot verbeterde sanitaire voorzieningen en voorlichting over hygiënische leefomstandigheden | 4.053.676 | 6.490.907 | 4.451.725 | 3.500.000 | 3.400.000 per jaar(50 miljoen cumulatief in 2030) | |||
Verbeterd stroomgebied beheer en veilige delta’s | Het aantal mensen bereikt met activiteiten gericht op verbeterd stroomgebied beheer en veiligere delta’s | 1.665.203 | 4.117.044 | 3.308.717 | 2.700.000 | 2.500.000 (per jaar) | ||
Klimaat | Hernieuwbare energie | Aantal mensen met toegang tot hernieuwbare energie | 4.000.000 | 4.750.818 | 11.784.438 | 8.500.000 | 26.000.000 (50 miljoen, cumulatief in 2030) | SDG 7 Toegang tot duurzame en moderne energie |
Vrouwen-rechten en gender-gelijkheid | Verbeterde randvoorwaarden voor vrouwen-rechten en gender gelijkheid | Aantal keren dat maatschappelijke organisaties erin slagen ruimte te creëren voor maatschappelijke eisen en posities op het gebied van vrouwenrechten en gendergelijkheid | 647 | 2824 | 1.404 | 500 | 2.500 | SDG 5 Sekse-gelijkheid en zelfontplooiing van vrouwen |
Versterkte capaciteit van maatschappelijke organisaties | Aantal maatschappelijke organisaties met versterkte capaciteit voor de bevordering van vrouwenrechten en gendergelijkheid | 2.420 | 1.514 | 1.333 | 300 | 1.500 | ||
SRGR | Toegang tot family planning | Aantal van de 20 geselecteerde landen met jaarlijkse toename van modern Contraceptive Prevalence Rate (mCPR) | 19 | 19 | 20 | 20 | n.v.t. | SDG 3 Goede gezondheid en welzijn; SDG 5 Sekse-gelijkheid en zelfontplooiing van vrouwen |
Rechten | Aantal gemeenschappen, maatschappelijke organisaties en pleitbezorgingsnetwerken met versterkte capaciteit voor de bevordering van seksuele en reproductieve gezondheid & rechten | 685 | 734 | 1.163 | 450 | 1.100 | ||
Veiligheid & rechtsorde | Rechtstaat ontwikkeling | Aantal mensen (man/vrouw) dat toegang heeft tot recht via een juridische instelling (formeel of informeel), om zo hun grondrechten te beschermen, strafbare feiten te laten berechten en geschillen te beslechten, | 558.203 | 676.830 | 810.989 | 450.000 | 1.500.000 cumulatief | SDG 16 Vreedzame en inclusieve samenleving |
Menselijke Veiligheid | Aantal m2 land dat is vrijgegeven als gevolg van humanitaire ontmijningswerkzaamheden | 22.614.440 | 10.383.867 | 2.206 | 6.000.000 | 60.000.000 m2 | ||
Migratie en ontwikkeling | Opvang en bescherming in de regio | Aantal mensen dat formeel/ informeel onderwijs en trainingen volgt | 696.651 | 751.984 | 338.976 | 400.000 | 2.000.000 personen | SDG 4 Kwaliteitsonderwijs |
Aantal mensen ondersteund in het ontwikkelen van inkomsten genererende activiteiten | 61.073 | 117.320 | 921 | 30.000 | 180.000 personen | SDG 8 Inclusieve en duurzame groei |
Toelichting
In de begroting voor 2025 zijn drie buitenlandse handel- en zeventien ontwikkelingshulpindicatoren en -streefwaarden opgenomen zoals weergegeven in de tabel hierboven. In deze bijlage vindt u een toelichting op indicatoren, streefwaarden en realisaties. Dit betreft grotendeels uitvoering in 2024 waarover verantwoording is gedaan in 2025 middels rapportages die zijn ontvangen in de periode 1 oktober 2024 t/m 30 september 2025 en beoordeeld. Deze periode wordt ook wel aangeduid als de peilstokperiode.
Indicator Duurzaam handels- en investeringssysteem (incl. MVO)
Bij het monitoringsonderzoek in 2023 onderschreef 41% van de grote bedrijven de OESO-richtlijnen; In het BHOS-jaarverslag 2023 (Kamerstuk 36560-XVII-1) is toegelicht dat 2023 de laatste keer was dat de voortgang op de 90%-doelstelling is gemonitord.
Indicator Bevorderen Internationaal Ondernemerschap
In het referentiejaar 2020 maakten 5.456 MKB-ondernemers gebruik van overheidsondersteuning op een specifieke doelmarkt via vijf geselecteerde handelsbevorderingsregelingen. In 2024 bedroeg dit aantal 4.780 en bij 985 ondernemers leidde dit tot een stijging van de uitvoer blijkt uit cijfers van het CBS en de RVO. Nieuw is dat CBS en RVO nu ook de niet-MKB bedrijven hebben meegenomen die van de RVO dienstverlening gebruik hebben gemaakt. Deze indicator maakt sinds 2019 deel uit van de BHOS-begroting; de Theory of Change en methodologie zijn gepubliceerd op de website van de Rijksoverheid.
In 2025 zijn 11 nieuwe programma’s gestart onder de vlag van Partners in International Business (PIB) met 77 Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen en een totaal budget van EUR 3,67 miljoen. In totaal zijn op dit moment 38 PIBs in uitvoering. Het Support International Business (SIB) budget voor 2025 was in juni uitgeput. Met een verhoging van het budget met EUR 1 miljoen zijn in 2025 nog ca. 500 extra MKB-ondernemingen ondersteund in het zakendoen over de grens, waarmee het totaal aan vanuit de SIB ondersteunde bedrijven in 2025 uitkwam op 1925. In totaal zijn 49 aanvragen voor Strategische Beurzen Programma (SBP) ontvangen, hiervan zijn 35 aanvragen voor beurzen in 2025 en 14 aanvragen voor beurzen in 2026. Voor MKB Lounge zijn in totaal 21 aanvragen ontvangen, hiervan zijn 19 aanvragen voor beurzen in 2025 en 2 aanvragen voor beurzen in 2026.
Indicatoren Private Sectorontwikkeling
In 2024 was private sectorontwikkeling gericht op SDG 8 waardig werk en economische groei in lage- en middeninkomenslanden, met focus op het MKB. Nederland droeg hieraan bij via versterking van het ondernemings-, handels- en financieringsklimaat en via directe ondersteuning van lokaal en Nederlands MKB. Dit stimuleert productiviteit, werkgelegenheid en lonen, en creëert tevens handels- en investeringskansen voor Nederlandse bedrijven.
Het bereik van deze inzet wordt gemeten met twee PSD-indicatoren: (1) het aantal ondersteunde banen en (2) het aantal ondersteunde bedrijven met een plan voor handel, investering of dienstverlening. Deze hangen samen doordat ondersteuning van meer bedrijven vaak leidt tot meer banen. Voor beide indicatoren zijn de resultaten verbeterd.
Indicator: Aantal ondersteunde banen (direct jobs supported naar internationaal geharmoniseerde definitie)
In de verslagperiode rapporteerden PSD-programma’s circa 590.000 ondersteunde banen, een stijging van 10% ten opzichte van de vorige periode. De toename komt vooral door verbeterde meetmethoden (banen die eerder niet meetelden, zoals via contractuele opdrachten), andere investeringskeuzes en doordat programma’s na een opstartfase volledig operationeel werden. Daling bij aflopende activiteiten werd hierdoor ruimschoots gecompenseerd.
Stijgende resultaten:
– Building Prospects (FMO): 200.000 banen in agribusiness-ketens, meer dan een verdubbeling, grotendeels door aangepaste meetmethode.
– Dutch Good Growth Fund (track 2): stijging van circa 10% naar 53.000, met name door de keuze van investeringen in financiële instellingen gericht op grotere mkb’s waardoor meer banen werden ondersteund.
– Affirmative Finance Action for Women in Africa (AFAWA): 41.000 banen, 2,5 maal zoveel vrouwelijke ondernemers kregen toegang tot financiering als eerder, door het op gang komen van het programma en betere meting.
– Centrum tot Bevordering van de Import uit ontwikkelingslanden (CBI): 39.000 banen (+37%), vooral door verschillen in steekproef van bedrijven voor de resultaatmeting.
– Pathways to Prosperity (Solidaridad): 20.000 banen in duurzamere waardeketens in land- en mijnbouw, tegen 1.000 in de vorige periode, vanwege een eerste volledig jaar van implementatie.
– Challenge Fund for Youth Employment (CFYE): 71.000 banen (+26%), met focus op jongeren en sectoren zoals digitale zorg en recycling doordat het stadium van optimale implementatie is bereikt.
Dalende resultaten:
– Local Employment for African Development (LEAD)-programma Fase II: nauwelijks resultaten door geplande beëindiging in 2024.
– MASSIF-fonds voor financiële inclusie van het MKB: 37.000 tegen 47.000 in de vorige periode, door wisselingen in de portfolio en wijzigingen in de meetmethode.
Het totaal ligt ruim boven de streefwaarde van 271.000 banen, die indertijd naar beneden was bijgesteld door verwachte bezuinigingen.
Indicator: Aantal bedrijven (Nederlandse en lokale ondernemingen) met een ondersteund plan voor investering, handel of dienstverlening
In totaal werden circa 19.500 bedrijven ondersteund met een plan voor investering, handel of dienstverlening, een stijging van 7% ten opzichte van 18.200 in de vorige periode en ruim boven de streefwaarde van 16.400.
Belangrijkste resultaten:
– Challenge Fund for Youth Employment (CFYE): 4.700 bedrijven vergeleken met 330 in de vorige periode.
– Youth Entrepreneurship and Innovation Multi Donor Trust Fund (YEI MTDF) van de African Development Bank (AfDB): 2.950 bedrijven vergeleken met 1.800 vorig jaar, waarvan 39% (mede) door vrouwen geleid, vanwege het bereiken van de optimale effectiviteit.
– Affirmative Finance Action for Women in Africa (AFAWA): 1.000 bedrijven, +50%.
Minder resultaat door aflopende programmering en gewijzigde investeringskeuzes:
– Het beëindigen van LEAD II betekende het wegvallen van 1.500 ondersteunde bedrijven die nog werden gerapporteerd in de vorige periode.
– Dutch Good Growth Fund (track 2): 4.000 bedrijven (tegen 5.000), door investeringen in financiële instellingen gericht op grotere mkb’s, wat leidde tot minder ondersteunde mkb’s (maar wel meer ondersteunde banen zoals bij de voorgaande indicator aangegeven).
Indicatoren voedselzekerheid
Nederland committeerde zich in 2015 om uiterlijk in 2030 32 miljoen mensen (met name vrouwen en kinderen) uit ondervoeding te halen, de productiviteit en het inkomen van 8 miljoen kleinschalige voedselproducenten te verhogen en 8 miljoen hectare landbouwgrond te verduurzamen. Ook dit jaarverslag rapporteert over het bereik in aantallen mensen, boeren en hectares. In de nieuwe verantwoordingssystematiek zal daarnaast worden gerapporteerd over de effecten van dit bereik, in relatie tot de beleidstheorie en de drie centrale BHO-beleidsbelangen: handel en economie, veiligheid en stabiliteit, en migratie.
Direct en indirect bereik
De voortgang wordt gemeten in direct structureel, direct incidenteel en indirect bereik:
– Direct structureel bereik: interventies die naar verwachting (zoals beschreven in de Theory of Change) leiden tot duurzame systeemverandering die meetbaar bijdraagt aan de 2030-doelen (bijv. integrale ondersteuning van boeren om productiviteit en inkomen te verhogen).
– Direct incidenteel bereik: eenmalige of deelinterventies met beperkte structurele impact (bijv. voedingssupplementen voor kinderen of verspreiding van verbeterd zaaizaad onder boeren).
– Indirect bereik: interventies zonder directe focus op specifieke personen, boeren of hectares (bijv. massamediale voorlichting gericht op boeren).
Samenvatting indicatoren
Indicator | Streefwaarde direct bereik | Direct bereik totaal | Direct structureel | Direct incidenteel | Indirect bereik |
|---|---|---|---|---|---|
Mensen (voedselinname) | 20 mln | 32 mln | 13,3 mln | 18,7 mln | 16,4 mln |
Boeren (productiviteit/inkomen) | 10 mln | 5,2 mln | 3,1 mln | 2.1 mln | 12,4 mln |
Hectare (eco-efficiënt gebruik) | 1,4 mln | 0,8 mln | 0,7 mln | 0,1 mln | 0,2 mln |
Indicator voedselzekerheid: Aantal mensen bereikt met activiteiten gericht op verbetering van de inname van voedsel
In de verslagperiode werden 13,3 miljoen mensen (vooral jonge kinderen en hun moeders) direct structureel bereikt met duurzame voedingsinterventies, zoals dieetadvies en verbeterde toegang tot divers en gezond voedsel. Daarnaast werden 18,7 miljoen mensen direct incidenteel bereikt via onder meer voorlichting en voedingssupplementen. 16,4 miljoen mensen werden indirect bereikt, vooral via grootschalige bewustwordingscampagnes.
Het totale directe bereik van 32 miljoen ligt ruim boven de jaarlijkse streefwaarde van 20 miljoen. De sterke stijging ten opzichte van vorig jaar is te danken aan drie grote voedingsprogramma’s die nu volledig operationeel zijn. Hiermee is een duurzame verbetering van de voedingssituatie voor 32 miljoen ondervoede mensen in 2030 haalbaar.
Indicator voedselzekerheid: Aantal kleinschalige boer(inn)en bereikt met activiteiten gericht op toename van productiviteit en/of inkomen
In totaal werden 3,1 miljoen boeren direct structureel bereikt met duurzame interventies, waaronder verbeterd zaaigoed, meststoffen, financiële diensten, landrechten en (digitaal) agronomisch advies. 2,1 miljoen boeren werden direct incidenteel bereikt, en 12,4 miljoen boeren indirect, bijvoorbeeld via verbeterde marktwerking en toegang tot weersinformatie.
Het totale directe bereik van 5,2 miljoen ligt onder de streefwaarde van 10 miljoen en lager dan in 2024. Dit wordt verklaard door het aflopen van een groot programma (2SCALE) en het later rapporteren van resultaten door meerdere programma’s. Met bijsturing en vernieuwde inzet wordt een stijging verwacht, waardoor de 2030-doelstelling van 8 miljoen boeren haalbaar blijft.
Indicator voedselzekerheid: Aantal hectare landbouwgrond bereikt met activiteiten gericht op eco-efficiënter gebruik
Er werd 0,8 miljoen hectare direct structureel bereikt met duurzame landbouwpraktijken, zoals geïntegreerd bodemvruchtbaarheidsbeheer, agroforestry, gewasrotatie en watermanagement en erosiebestrijding. Daarnaast werd 0,1 miljoen hectare direct incidenteel bereikt door promotie van specifiek verbeteringen in landgebruik en 0,2 miljoen hectare indirect via randvoorwaardelijke interventies voor eco-efficiënt gebruik, zoals plaagbestrijding en klimaatinformatie ten behoeve van adaptatie.
Het totale directe bereik van 0,8 miljoen hectare ligt onder de streefwaarde van 1,4 miljoen en is lager dan in 2024, door het aflopen van programma’s en vertraagde rapportage. Met bijsturing en intensivering wordt een stijgende trend verwacht, waardoor de 2030-doelstelling van 8 miljoen hectare duurzaam landgebruik haalbaar blijft.
Indicatoren water
Nederland draagt bij aan duurzame toegang tot veilig drinkwater, verbeterde sanitaire voorzieningen en hygiëne, en aan geïntegreerd waterbeheer (SDG6). Nederland stelde zich voor de periode 2016-2030 ten doel om 30 miljoen mensen te voorzien van schoon en veilig drinkwater, om 50 miljoen mensen toegang te geven tot verbeterde sanitaire voorzieningen en hygiëne, en om 3 miljoen mensen per jaar te bereiken met verbeteringen op het gebied van geïntegreerd waterbeheer, zoals beheer van stroomgebieden, weerbaarheid tegen overstromingen en droogte, en het veiliger maken van delta’s. Er zijn in dit kader drie begrotingsindicatoren op water:
1. Drinkwater: aantal mensen met toegang tot een verbeterde waterbron;
2. Sanitatie en hygiëne: aantal mensen met toegang tot verbeterde sanitaire voorzieningen en voorlichting over hygiënische omstandigheden;
3. Geïntegreerd waterbeheer: aantal mensen dat direct voordeel ondervindt van verbeterd stroomgebied beheer en veiligere delta’s.
In de verslagperiode kregen 5,3 miljoen mensen toegang tot een verbeterde waterbron en 4,4 miljoen tot sanitaire voorzieningen met Nederlandse financiering, ruim boven de streefwaarden van respectievelijk 2,0 en 3,5 miljoen. Ook profiteerden 3,3 miljoen mensen van Nederlandse inzet op geïntegreerd waterbeheer, tegen een doel van 2,7 miljoen.
De hogere resultaten in 2025 zijn mede te danken aan inzet via de Wereldbank, partnerschappen tussen Nederlandse en lokale waterbedrijven en programma’s van Aqua for All en Global Water Partnership, die bovendien aanzienlijke private investeringen mobiliseerden.
Net als in voorgaande jaren is het resultaatbereik voldoende om de waterdoelen voor 2030 te realiseren binnen het vernieuwde BHO-beleid. Daarnaast wordt de bijdrage van waterinzet aan economie, stabiliteit en migratie de komende jaren zichtbaar gemaakt binnen de nieuwe verantwoordingssystematiek
Indicator Klimaat: aantal mensen met toegang tot hernieuwbare energie
Zonder extra inspanningen zullen in 2030 naar schatting nog altijd circa 660 miljoen mensen geen toegang hebben tot elektriciteit en koken bijna 1,8 miljard mensen nog op een traditionele en vervuilende manier, voornamelijk in Sub-Sahara Afrika. In dit kader droeg Nederland in 2024/2025 via bilaterale programma’s, multilaterale fondsen en publiek-private partnerschappen bij aan toegang tot betaalbare, betrouwbare, duurzame en moderne energie voor iedereen (SDG7). In deze verslagperiode kregen ongeveer 11,8 miljoen mensen met Nederlandse steun toegang tot hernieuwbare energie (elektriciteit en schoon koken). Sinds 2015 zijn ruim 40 miljoen mensen bereikt.
Conform de Beleidsbrief Ontwikkelingshulp (Kamerstuk 36 180, nr. 133) wordt de inzet op kleinschalige hernieuwbare energie de komende jaren afgebouwd. Enkele programma’s die substantieel bijdragen aan het aantal mensen met toegang tot hernieuwbare energie lopen eind 2026 af. In 2027 zal daarover voor het laatst worden gerapporteerd. Daarna zal het jaarlijkse aantal nieuw bereikte mensen naar verwachting verder afnemen. De ambitie om tot 2030 ten minste 100 miljoen mensen te bereiken met toegang tot hernieuwbare energie is hierdoor niet langer realistisch. Deze ambitie was een verdubbeling van het oorspronkelijke streefgetal van 50 miljoen mensen (Kamerstuk 33 625, nr. 191). De verwachting is dat deze oorspronkelijke doelstelling van 50 miljoen mensen op basis van de bestaande verplichtingen wél gehaald zal worden.
Indicatoren vrouwenrechten en gendergelijkheid
Het thema vrouwenrechten en gendergelijkheid richt zich op het waarborgen van gelijke rechten en kansen en vormt een fundamenteel mensenrecht, essentieel voor economische ontwikkeling en veiligheid. Ook in 2025 zette Nederland zich, samen met partners, via multilaterale diplomatie en programma’s in voor de bevordering hiervan. Nederland ondersteunde maatschappelijke organisaties en vrouwenfondsen die zich richten op het tegengaan van geweld tegen vrouwen, het versterken van hun politieke en economische positie en hun rol in conflictbeheersing en vredesopbouw.
Indicator vrouwenrechten en gendergelijkheid: Aantal keren dat maatschappelijke organisaties erin slagen ruimte te creëren voor maatschappelijke eisen en posities op het gebied van vrouwenrechten en gendergelijkheid
Gedurende de rapportageperiode hebben maatschappelijke organisaties dankzij Nederlandse steun in totaal 1.404 keer ruimte gecreëerd voor maatschappelijke invloed en het behartigen van belangen op het gebied van vrouwenrechten en gendergelijkheid. De uitkomsten liggen boven de gestelde doelstelling van 500. Dit kan mogelijk worden verklaard doordat de meerjarenprogramma’s inmiddels voor langere tijd zijn uitgevoerd, en zich derhalve in de fase beginnen waarin de impact van al langer lopende inzet zichtbaar wordt.
Aantal maatschappelijke organisaties met versterkte capaciteit voor de bevordering van vrouwenrechten en gendergelijkheid
In totaal zijn 1.333 maatschappelijke organisaties ondersteund bij het versterken van hun capaciteit om vrouwenrechten en gendergelijkheid te bevorderen, waarmee de oorspronkelijke streefwaarde van 300 ruimschoots is overtroffen. Deze streefwaarde was gebaseerd op de baselinerapportages van de VMM-strategische partnerschappen en destijds voorzichtig geformuleerd, wat de aanzienlijk hogere gerealiseerde resultaten verklaart. De door Nederland ondersteunde maatschappelijke organisaties richten zich op het vergroten van de politieke en economische zeggenschap van vrouwen en op het versterken van hun rol in conflictoplossing en vredesopbouw. Daarnaast zetten zij zich in voor het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen.
Indicator Seksuele en Reproductieve Gezondheid (SRGR)
Deze indicator meet in hoeveel van de 20 geselecteerde landen de modern Contraceptive Prevalence Rate (mCPR) jaarlijks toeneemt. mCPR is het percentage vrouwen van 15–49 jaar dat (of van wie de partner) moderne anticonceptie gebruikt. De indicator geeft inzicht in kennis, toegang, acceptatie en gebruik van anticonceptie en fungeert tevens als graadmeter voor de capaciteit van gezondheidssystemen om basisgezondheid te leveren. De voortgang wordt jaarlijks gemeten in 10 focuslanden met een brede Nederlandse OS-relatie op SRGR11 en 10 overige landen die via door Nederland gefinancierde multilaterale kanalen worden ondersteund.12 Daarmee levert Nederland een bijdrage aan SDG 3: universele toegang tot SRGR.
Indicator Seksuele en Reproductieve Gezondheid (SRGR): Aantal van de 20 geselecteerde landen met jaarlijkse toename van modern Contraceptive Prevalence Rate (mCPR).
In alle 20 landen nam het gebruik van moderne anticonceptie toe.13 De gemiddelde stijging in alle 20 landen bedroeg 0,5%, en 0,6% in de focuslanden. Nederland draagt via bilaterale programma’s, strategische partnerschappen en multilaterale initiatieven bij aan toegang tot seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, waaronder contraceptie en aan versterking van gezondheidssystemen. De meting vond plaats in 2025 en heeft betrekking op op een periode waarin de Verenigde Staten nog de grootste mondiale SRGR-donor waren; de gevolgen van het wegvallen van die financiering zijn daarom nog niet zichtbaar.
Indicatoren Opvang en bescherming in de regio
Indicator Opvang en bescherming in de regio: Het aantal mensen dat formeel/informeel onderwijs en trainingen volgt
Deze indicator (SDG 4) meet het aantal mensen dat dankzij Nederlandse financiering toegang kreeg tot (in)formeel onderwijs en trainingen binnen opvang en bescherming in de regio. Onderwijs voorkomt verloren generaties onder vluchtelingen en verkleint de noodzaak tot gevaarlijke migratie. Nederland ondersteunt onderwijsprojecten in onder meer Libanon, Jordanië, Oeganda en Ethiopië, variërend van basis- en hoger onderwijs tot vakopleidingen en catch-up classes. In de verslagperiode kregen 209.657 personen toegang tot onderwijs. Dit cijfer wijkt af van de waarde genoemd in de tabel, die gaat over de uitvoering in 2024. Dit cijfer ligt ver beneden de streefwaarde van 400.000, en is lager dan het voorgaande jaar door rapportageproblemen bij PROSPECTS-partners en bezuinigingen op onderwijsprogramma’s, onder meer als gevolg van Amerikaanse financieringskortingen. De target voor de vijfjaarperiode 2021-2025 ligt nog wel binnen bereik vanwege hoge resultaten in de eerste twee jaren. In Afghanistan werden minder mensen bereikt door ingrijpende beleidswijzigingen in Pakistan en grootschalige gedwongen terugkeer van Afghaanse vluchtelingen, wat onderwijsactiviteiten belemmerde of stillegde.
Indicator Opvang en bescherming in de regio: Het aantal mensen dat wordt ondersteund in het ontwikkelen van inkomsten genererende activiteiten
Deze indicator meet het aantal mensen dat met steun van programma’s inkomsten-genererende activiteiten ontwikkelt, zoals ondernemerschap of werk in de (in)formele sector. Werkgelegenheid is essentieel voor perspectief en zelfredzaamheid van vluchtelingen, ontheemden en kwetsbare gastgemeenschappen en sluit aan bij de werkgelegenheidsindicator onder artikel 1 van de BHO-begroting. In de verslagperiode kregen 38.120 personen in acht landen in de Hoorn van Afrika, de Syrië-regio en Afghanistan ondersteuning. Dit cijfer wijkt af van de waarde genoemd in de tabel, die vanwege een ander boekjaar van de Wereld Bank de resultaten van Prospects op deze indicator nog niet had meegenomen en die gaat over de uitvoering in 2024. Dit resultaat ligt boven de jaarlijkse streefwaarde van 30.000, maar lager dan in eerdere jaren, toen de resultaten piekten door extra financiering bij de start van de tweede fase van PROSPECTS. De lagere output hangt samen met structurele veranderingen in de Opvang in de Regio-context, waaronder de sluiting van USAID en forse begrotingskortingen bij VN-partners. Het merendeel van de resultaten is behaald via PROSPECTS, het partnerschap van VN-organisaties en internationale financiële instellingen.
Indicatoren Veiligheid & Rechtsorde
Indicator Veiligheid & Rechtsorde: Aantal mensen (man/vrouw) dat toegang heeft tot recht via een juridische instelling (formeel of informeel), om zo hun grondrechten te beschermen, strafbare feiten te laten berechten en geschillen te beslechten
Nederland ondersteunt mensen bij het verkrijgen van toegang tot recht, zodat zij hun grondrechten kunnen beschermen, strafbare feiten kunnen laten berechten en geschillen kunnen oplossen. Daarbij staan de behoeften van mensen centraal in beleid en uitvoering, onder meer via rechtshulp en ondersteuning van nationale en lokale rechtsinstellingen.
In 2025 kregen 810.989 mensen toegang tot recht dankzij Nederlandse steun. Dit betreft onder andere ondersteuning aan vrouwen en meisjes bij seksueel geweld, begeleiding van slachtoffers van ernstige mensenrechtenschendingen, beslechting van commerciële geschillen voor het mkb, vaststelling van land(gebruik)rechten voor kleine boeren, toegang tot land en basisvoorzieningen voor vluchtelingen en gastgemeenschappen, en het oplossen van conflicten over land, erfenis en werk die lokale vrede en cohesie bedreigen.
Het oplossen van juridische problemen stelt mensen in staat te investeren in hun levensonderhoud en productieve economische activiteiten, wat bijdraagt aan maatschappelijke stabiliteit en economische ontwikkeling. Hiermee levert Nederland een bijdrage aan SDG16 en aan bredere ontwikkelingsdoelen.
Het resultaat over 2025 ligt boven de streefwaarde, mede door aangepaste meetmethodologieën, verbeterde metingen binnen het portfolio en de toegenomen inzet van e-justice sinds de COVID-19-pandemie. Belangrijke bijdragen kwamen van UNDP, het Hague Institute for the Innovation of Law en Land@Scale en landenactiviteiten in Oeganda en Tunesië.
Indicator Veiligheid & Rechtsorde: Aantal m2 land dat is vrijgegeven als gevolg van humanitaire ontmijningswerkzaamheden
Nederland investeert in humanitaire ontmijning om de veiligheid en levensomstandigheden van mensen in fragiele staten te verbeteren en daarmee grondoorzaken van instabiliteit aan te pakken. Ontmijning doen we ter voorkoming van nog meer verlies en schade, daardoor bouwen we aan productiviteit zowel van de (niet getroffen) mens als van het geschoonde land. Dit draagt bij aan SDG doel 16.1 (het terugdringen van geweld en gerelateerde sterfte).
Hoewel veel landen zijn gestopt met het gebruiken en produceren van antipersoonsmijnen, kampen nog 57 landen met antipersoonsmijnen of andere explosieve oorlogsresten. Deze vormen, ook jaren na conflicten, een ernstige bedreiging voor burgers en belemmeren veilige terugkeer, humanitaire hulp en wederopbouw. In 2024 vielen wereldwijd dagelijks gemiddeld 17 slachtoffers door antipersoonsmijnen, in totaal 6.279. Hiervan was 90% burger en 46% kind. De meeste slachtoffers vielen in Syrië, Afghanistan en Oekraïne. Humanitaire ontmijning omvat naast het ruimen van explosieven ook risicovoorlichting aan mannen, vrouwen en kinderen.
Staten die partij zijn bij het Anti-Personnel Mine Ban Convention rapporteerden dat in 2024 wereldwijd 11.148.200.000 m² besmet land is vrijgegeven en 105.640 antipersoonsmijnen zijn vernietigd. De wereldwijde financiering voor humanitaire ontmijning bedroeg USD 1,07 miljard, voor de tweede keer boven de miljard, mede door extra steun aan Oekraïne. Oekraïne blijft het zwaarst getroffen land door explosieve oorlogsresten, terwijl er dagelijks nieuwe mijnen worden gelegd.
Het meerjarige programma Mine Action and Cluster Munitions II (2020–2025) liep af op 31 maart 2025; het opvolgende MACM III (2025–2030) startte op 1 juni 2025. Hierdoor zijn de rapportages over 2024 samengevoegd met de eindrapportage van MACM II, die later wordt verwacht. De resultaten over 2024 worden samen met die van 2025 gerapporteerd in het BHO-jaarverslag 2026 en zullen naar verwachting niet wezenlijk afwijken van eerdere jaren.
In 2024 is met Nederlandse bijdragen 2.206 m² land vrijgegeven in Jemen via UNOPS. Daarnaast droeg Nederland EUR 10 miljoen bij aan het door UNDP gecoördineerde Mine Action Plan voor Oekraïne, gericht op onder meer landvrijgave, capaciteitsversterking van nationale ontmijningsautoriteiten (training en innovatie), risicovoorlichting en slachtofferhulp.
Bijlage 5: Budgettair overzicht Oekraïne
Artikelnummer | Artikelnaam | Maatregel | Verplichtingen 2025 | Uitgaven 2025 | Ontvangsten 2025 | Relevante Kamerstukken |
|---|---|---|---|---|---|---|
1.3 | Versterkte private sector en arbeidsmarkt in ontwikkelingslanden | Steun aan bedrijfsleven door herstel infrastructuur en partnerschapsfaciliteit | 35.925 | 22.774 | Kamerstuk 36 045 nr. 183Kamerstuk 36 725 XVII nr. 2 | |
2.2 | Water | Herstel drinkwatervoorziening via de Nederlandse publieke drinkwaterbedrijven | 0 | 1.071 | ||
3.1 | Mondiale gezondheid en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten | 7.019 | 3.429 | |||
3.2 | Vrouwenrechten en gendergelijkheid | 2.500 | 800 | |||
3.3 | Maatschappelijk middenveld | 5.000 | 780 | |||
4.1 | Humanitaire Hulp | Humanitaire hulp | ‒ 6 | 109 | ||
5.2 | Overig armoedebeleid | Steunen particulier initiatief | 177 | 188 | ||
5.3 | Oekraïne (XVII) | 227.334 | 210.957 | Kamerstuk 36 045 nr. 185Kamerstuk 36 820 XVII nr. 2 |
Naast generaal beschikbaar gesteld budget is er in 2025 in zeer beperkte mate ook specifiek budget ingezet binnen de BHO-begroting. Hierdoor zijn de totale uitgaven gewijzigd ten opzichte van het generaal beschikbaar gestelde uitgavenbudget.
Artikelonderdeel 1.3De uitgavenrealisatie op artikel 1.3 betreft een investering in de partnerschapsfaciliteit voor bedrijven en maatschappelijke organisaties ter ondersteuning van het herstel en de wederopbouw van Oekraïne.
Artikelonderdeel 2.2De uitgaven op artikel 2.2 zijn ingezet voor steun aan Oekraïne, specifiek gericht op het herstel van drinkwatervoorzieningen via Nederlandse publieke drinkwaterbedrijven.
Artikelonderdeel 3.1In Oekraïne is met Nederlandse steun en in samenwerking met het prinses Maxima Centrum begonnen met de bouw van een kinderoncologie centrum met operatiefaciliteit in Lviv. Ook is in samenwerking met het Oekraïense ministerie van Gezondheid, de WHO en Sanguin een project gestart ter versterking van het bloedtransfusie systeem in Oekraïne.
Artikelonderdeel 3.2In november 2025 sloot Nederland een nieuw partnerschap met het Ukrainian Women’s Fund. Het programma beoogd de rol van vrouwen te versterken in lokale veiligheid en wederopbouw processen en hulp te bieden aan vrouwen en meisjes die zijn getroffen door de oorlog. Dit is onderdeel van de inzet van Nederland op vrouwen, vrede en veiligheid.
Artikelonderdeel 3.3Vanaf artikelonderdeel 3.3 werd in Oekraïne het maatschappelijk middenveld ondersteund.
Artikelonderdeel 4.1Vanaf artikelonderdeel 4.1 werd humanitaire hulp geboden. De negatieve verplichting ontstond door een technische verwerking van een eindbetaling.
Artikelonderdeel 5.2Vanaf artikelonderdeel 5.2 worden maatschappelijke organisaties in Oekraïne ondersteund.
Artikelonderdeel 5.3Om de inzichtelijkheid van de Nederlandse steun aan Oekraïne te vergroten, is besloten om in de begrotingen van BZ en BHO een separaat subartikel voor Oekraïne in te richten. Op de BHO-begroting worden de budgetten voor niet-militaire steun aan Oekraïne gebundeld onder subartikel 5.3.
In 2025 zijn via dit artikel meerdere initiatieven voor energiesteun ondersteund. Onder andere ondersteuning van urgente gasaankopen, aanschaf van in-kind goederen, het Ukraine Relief, Recovery, Reconstruction and Reform Trust (URTF) en het Ukraine Energy Support Fund (UESF).
Naast niet landgebonden meerjarige steun aan internationale humanitaire organisaties (zie artikel 4.1 algemeen) droeg Nederland onder artikel 5.3 humanitair in 2025 ook bij aan het landenspecifieke humanitaire VN-fonds (Ukraine Humanitarian Fund), dat vooral veel lokale organisaties financiert die noodhulp bieden (huisvesting, drinkwater, verwarming, gezondheidszorg, psychische steun, bescherming). Ook gaf Nederland een extra bijdrage aan het Internationale Comité van het Rode Kruis (ICRC) dat een neutraal mandaat heeft en is gespecialiseerd in het werken in oorlogssituaties (traceren van vermiste personen, herenigen van families, identificeren van overledenen, bezoek aan krijgsgevangenen en in verband met de oorlog gedetineerde burgers). Tenslotte droeg Nederland via de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) bij aan mentale en psychosociale steun en aan het hervormen en versterken van de geestelijke gezondheidszorg in Oekraïne.