Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

3.7 Artikel 11. Studiefinanciering

Het stelsel van studiefinanciering biedt studenten in het hoger onderwijs en deelnemers in de beroepsopleidende leerweg de financiële mogelijkheden om in Nederland en daarbuiten onderwijs te kunnen volgen.

De Minister is verantwoordelijk voor de doeltreffende en doelmatige werking van het stelsel van studiefinanciering, zoals geregeld in de Wet studiefinanciering 2000.

Financieren

De Minister financiert het stelsel waarbij de financiële toegankelijkheid is gewaarborgd; er zijn geen onoverkomelijke financiële belemmeringen om te gaan studeren. Tegelijkertijd wordt recht gedaan aan het principe dat studeren ook een investering van de student zelf is. Tevens wordt recht gedaan aan de bijdrage die ouders daaraan kunnen leveren.

Kengetallen

Voor indicatoren/kengetallen over studiefinanciering wordt verwezen naar OCW in Cijfers.

Tabel 47 Normbedragen studiefinanciering 2021 per maand in euro's1
 

Normbedragen ho

 

Normbedragen mbo/bol

 

Uitwonend

Thuiswonend

Studie-voorschot

 

Uitwonend

Thuiswonend

Basisbeurs

€ 308,60

€ 110,84

n.v.t.

 

€ 285,15

€ 87,37

Aanvullende beurs

€ 295,53

€ 272,41

€ 413,78

 

€ 382,29

€ 359,23

Maximaal leenbedrag

€ 317,04

€ 317,04

€ 507,39

 

€ 190,34

€ 190,34

Collegegeldkrediet

€ 180,67

€ 180,67

€ 180,67

 

n.v.t

n.v.t.

Totaal

€ 1.101,84

€ 880,96

€ 1.101,84

 

€ 857,78

€ 636,94

1

Peildatum 1 september 2021

Vanwege de coronamaatregelen en de hersteloperatie toeslagen heeft een aantal beleidswijzigingen plaatsgevonden op artikel 11. Allereerst hebben studenten die tot en met studiejaar 2022/2023 uit hun recht op basisbeurs of aanvullende beurs lopen recht op een tegemoetkoming. Ook is voor veel studenten het reisrecht verlengd. Verder worden als onderdeel van de hersteloperatie toeslagen de publieke schulden van de gedupeerden kwijtgescholden. Op artikel 11 betreft dit de kwijtschelding van studieschulden bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO).

Tabel 48 Budgettaire gevolgen van beleid art. 11 (bedragen x € 1.000)1
  

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

5.171.220

6.182.899

4.836.822

6.042.469

6.031.685

6.058.753

6.075.991

Totale uitgaven

5.171.220

6.182.899

4.836.822

6.042.469

6.031.685

6.058.753

6.075.991

waarvan juridisch verplicht (%)

 

100%

     
         

Inkomensoverdracht

2.328.241

2.961.441

1.328.826

2.323.300

2.321.670

2.366.175

2.382.996

Basisbeurs gift (R)

865.335

643.864

423.616

386.866

378.527

373.221

356.691

Aanvullende beurs gift (R)

692.622

730.654

769.726

796.567

805.985

814.819

820.985

Reisvoorziening gift (R)

666.540

1.055.892

‒ 42.705

965.472

1.008.151

1.043.712

1.071.598

Caribisch Nederland gift (R)

2.852

2.894

2.894

2.894

2.894

2.894

2.894

Overige uitgaven (R)

100.892

528.137

175.295

171.501

126.113

131.529

130.828

Leningen

2.717.821

3.073.748

3.367.673

3.576.573

3.563.952

3.550.331

3.553.988

Basisbeurs prestatiebeurs (NR)

‒ 622.580

‒ 408.097

‒ 193.415

‒ 159.807

‒ 180.362

‒ 184.232

‒ 159.568

Aanvullende beurs prestatiebeurs (NR)

122.378

134.006

120.024

109.591

84.383

61.675

45.874

Reisvoorziening (NR)

161.344

169.105

160.180

145.629

118.062

102.368

80.525

Rentedragende lening (NR)

2.645.105

2.845.884

2.972.723

3.048.467

3.096.658

3.114.916

3.125.965

Collegegeldkrediet (NR)

303.414

279.243

254.231

364.769

373.536

380.321

386.099

Leven lang leren krediet (NR)

29.551

28.795

25.834

37.871

39.909

41.947

41.947

Overige uitgaven (NR)

78.609

24.812

28.096

30.053

31.766

33.336

33.146

Bijdrage aan agentschappen

125.158

147.710

140.323

142.596

146.063

142.247

139.007

Dienst Uitvoering Onderwijs

125.158

147.710

140.323

142.596

146.063

142.247

139.007

Ontvangsten

1.051.508

1.147.989

1.211.951

1.266.065

1.308.869

1.355.191

1.403.705

Ontvangsten (R)

97.386

83.452

73.432

74.857

80.033

88.386

98.581

 

Ontvangen rente (R)

63.342

56.271

52.280

55.718

60.906

69.271

79.478

 

Overige ontvangsten (R)

33.824

26.961

20.932

18.919

18.907

18.895

18.883

 

Ontvangsten Caribisch Nederland (R )

220

220

220

220

220

220

220

Ontvangsten (NR)

954.122

1.064.537

1.138.519

1.191.208

1.228.836

1.266.805

1.305.124

 

Terugontvangen lening (NR)

954.122

1.064.537

1.138.519

1.191.208

1.228.836

1.266.805

1.305.124

1

Toelichting: R = relevant, NR = niet-relevant.

Tabel 49 Indeling Budgettaire gevolgen van beleid naar Relevant en Niet-relevant (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

relevante uitgaven:

2.453.399

3.109.151

1.469.149

2.465.896

2.467.733

2.508.422

2.522.003

niet relevante uitgaven:

2.717.821

3.073.748

3.367.673

3.576.573

3.563.952

3.550.331

3.553.988

relevante ontvangsten:

97.386

83.452

73.432

74.857

80.033

88.386

98.581

niet relevante ontvangsten:

954.122

1.064.537

1.138.519

1.191.208

1.228.836

1.266.805

1.305.124

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 11 is voor 2022 100 procent juridisch verplicht op basis van de Wet studiefinanciering 2000. Alternatieve aanwending vereist wijziging van wet- en regelgeving. De geraamde uitgaven DUO zijn volledig benodigd voor de uitvoering van de Wet.

Toelichting

Zowel voor de uitgaven als de ontvangsten wordt een onderscheid gemaakt tussen relevant en niet-relevant. Relevant betekent: relevant voor het EMU-saldo en daarmee relevant voor het uitgavenplafond. De relevante uitgaven worden hoofdzakelijk gevormd door studiefinanciering die meteen als gift wordt toegekend en uitgekeerde prestatiebeurs die wordt omgezet in een gift (na het behalen van het diploma binnen tien jaar). Onder de niet-relevante uitgaven vallen vooral de prestatiebeursuitgaven (zolang die nog niet zijn omgezet in een gift) en de rentedragende leningen. Deze uitgaven zijn niet-relevant voor het uitgavenplafond, maar worden wel meegerekend in de EMU-schuld. De relevante ontvangsten worden vooral gevormd door de ontvangen rente op leningen. De niet-relevante ontvangsten betreffen hoofdzakelijk aflossingen op de hoofdsom van de rentedragende leningen.

Inkomensoverdrachten

Basisbeurs

Sinds het studiejaar 2015/2016 geldt voor nieuwe studenten in het hoger onderwijs (ho) het studievoorschot. De basisbeurs in het ho is vervangen door de mogelijkheid om gebruik te maken van een leenvoorziening tegen sociale terugbetaalvoorwaarden. Studenten die voordien zijn ingestroomd, vallen voor hun bachelor of master nog onder het oude stelsel en ontvangen in enkele gevallen nog een basisbeurs. Voor mbo-studenten van achttien jaar en ouder in de beroepsopleidende leerweg (bol) is de basisbeurs onveranderd gebleven. Voor studenten in de bol niveau 1 en 2 is de basisbeurs direct een gift. Studenten in de bol niveau 1 en 2 vallen niet onder het prestatiebeursregime omdat studenten op deze niveaus nog niet over een startkwalificatie beschikken. Voor wie er niet in slaagt een startkwalificatie te halen, wordt het terugbetalen van de prestatiebeurs al snel problematisch. Door het beschikbaar stellen van de basisbeurs in de vorm van een gift, draagt dit bij aan het wegnemen van financiële belemmeringen voor studenten in de bol niveau 1 en 2.

Studenten in de bol niveau 3 en 4 hebben recht op een basisbeurs onder het prestatiebeursregime. Het prestatiebeursregime geeft hen een prikkel om de opleiding binnen 10 jaar na de eerst opgenomen studiefinanciering met succes af te ronden.

Tabel 50 Totaal aantal studenten met studiefinanciering (vanaf 2020 afgeronde raming)1
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Studenten met basisbeurs

222.092

223.800

232.400

239.500

231.500

225.300

221.500

bol

216.315

221.200

231.100

238.900

231.500

225.300

221.500

hbo

5.218

2.300

1.200

600

0

0

0

wo

559

300

100

0

0

0

0

Studenten zonder basisbeurs

585.572

619.800

637.100

647.200

652.500

653.900

653.700

bol

20.030

20.500

21.400

22.100

21.400

20.900

20.500

hbo

345.123

360.900

366.300

367.900

367.600

363.600

358.500

wo

220.419

238.400

249.400

257.200

263.500

269.400

274.700

Totaal

807.664

843.600

869.500

886.700

884.000

879.200

875.200

1

Bron 2020: realisatiegegevens DUO; Bron 2021 – 2026: ramingsmodel SF

Toelichting

Deze gegevens laten het verwachte gebruik zien van de regeling. Het aantal studenten met studiefinanciering volgt het aantal voltijds studenten in het ho en de bol, maar ligt lager omdat niet iedere student die ingeschreven is ook daadwerkelijk aanspraak maakt op studiefinanciering.

Naast de groep studenten met een basisbeurs is er een groep die geen aanspraak kan maken op de basisbeurs (omdat de maximale duur is verbruikt of omdat ze onder het studievoorschot vallen), maar (nog) wel recht heeft op een lening en eventueel de reisvoorziening en de aanvullende beurs. Als gevolg van de invoering van het studievoorschot vond een verschuiving plaats van het aantal studenten met een basisbeurs naar het aantal studenten zonder basisbeurs.

De gegevens zijn inclusief aantallen studenten die met een meeneembare studiefinanciering een volledige opleiding in het buitenland volgen.

Tabel 51 Uitgaven basisbeurs gift (bedragen x € 1.000)1
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Uitbetaalde basisbeurs gift

84.597

89.701

92.998

98.339

93.612

90.040

87.793

bol

82.278

88.501

92.124

98.339

93.612

90.040

87.793

hbo

1.355

693

576

0

0

0

0

wo

963

507

298

0

0

0

0

Naar gift omgezette basisbeurs prestatiebeurs

780.738

554.163

330.618

288.527

284.915

283.181

268.898

bol

211.376

209.306

206.060

214.858

220.946

229.012

234.729

hbo

315.070

164.630

56.245

38.533

33.683

28.783

18.783

wo

254.292

180.227

68.313

35.136

30.286

25.386

15.386

Totaal

865.335

643.864

423.616

386.866

378.527

373.221

356.691

1

Bron 2020: realisatiegegevens DUO; Bron 2021 – 2026: ramingsmodel SF

Toelichting

In tabel 51 worden de geraamde relevante uitgaven voor de basisbeurs gepresenteerd. De hoogte van de basisbeurs wordt jaarlijks bijgesteld en wordt verstrekt gedurende de nominale studieduur. Als gevolg van de invoering van het studievoorschot dalen de omzettingen van prestatiebeurs naar gift in het ho.

Aanvullende beurs

In de studiefinanciering wordt recht gedaan aan de bijdrage die ouders kunnen leveren aan de opleiding van hun kinderen. Daarom wordt rekening gehouden met een zogenoemde ouderlijke bijdrage. In het geval dat ouders onvoldoende inkomen hebben om die bijdrage te leveren, hebben studenten een extra financiële belemmering. Om deze belemmering weg te nemen wordt aan hen een aanvullende beurs verstrekt die afhankelijk is van het ouderlijk inkomen.

Studenten in de bol niveau 1 en 2 met recht op aanvullende beurs krijgen dit direct als gift, aangezien zij nog geen startkwalificatie hebben bereikt.

Studenten in de bol niveau 3 en 4 en in het ho met recht op aanvullende beurs vallen onder het prestatiebeursregime. Studenten in de bol niveau 3 en 4 krijgen de eerste 12 maanden de aanvullende beurs als gift uitgekeerd. Na deze periode wordt de aanvullende beurs uitgekeerd onder het prestatiebeursregime. In het ho krijgen studenten de eerste 5 maanden de aanvullende beurs als gift uitgekeerd.

Voor studenten die onder het studievoorschot vallen is de maximale aanvullende beurs hoger dan voor studenten die hier (nog) niet onder vallen.

Tabel 52 Totaal aantal studenten met een aanvullende beurs (vanaf 2020 afgeronde raming)1
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

bol

108.264

112.900

117.900

121.700

117.600

114.200

112.200

hbo

89.602

94.400

95.600

95.900

95.600

94.600

93.200

wo

31.493

33.600

35.000

36.100

37.100

37.900

38.600

Totaal

229.359

240.900

248.500

253.700

250.300

246.700

244.000

1

Bron 2020: realisatiegegevens DUO; Bron 2021 – 2026: ramingsmodel SF

Toelichting

Tabel 52 laat het aantal studenten met een aanvullende beurs zien. In de bol wordt vaker een beroep gedaan op de aanvullende beurs dan in het hbo en in het hbo vaker dan in het wo.

Tabel 53 Uitgaven aanvullende beurs gift (bedragen x € 1.000)1
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Uitbetaalde aanvullende beurs gift

289.739

311.073

322.781

330.580

319.436

310.382

304.977

bol

231.259

248.897

259.473

266.690

255.312

246.407

241.355

hbo

45.783

48.386

48.948

49.082

48.938

48.442

47.777

wo

12.697

13.790

14.360

14.808

15.186

15.533

15.845

Naar gift omgezette aanvullende beurs prestatiebeurs

402.884

419.581

446.945

465.987

486.549

504.437

516.008

bol

141.841

140.264

140.365

140.292

143.672

148.955

152.289

hbo

191.368

205.554

224.843

239.496

251.938

260.235

265.295

wo

69.675

73.763

81.737

86.199

90.939

95.247

98.424

Totaal

692.622

730.654

769.726

796.567

805.985

814.819

820.985

1

Bron 2020: realisatiegegevens DUO; Bron 2021 – 2026: ramingsmodel SF

Toelichting

In de tabel 53 worden de geraamde relevante uitgaven voor de aanvullende beurs gepresenteerd. De hoogte van de aanvullende beurs wordt jaarlijks bijgesteld. Voor studenten in het ho die niet onder het studievoorschot vallen, is de aanvullende beurs naast het inkomen van de ouders onder andere afhankelijk van de woonsituatie van de studerende; thuis- of uitwonend, maximaal respectievelijk € 272,41 of € 295,53 per maand. Dit geldt ook voor het bol, daar bedraagt de aanvullende beurs maximaal respectievelijk € 359,12 of € 382,29 per maand (zie tabel 47).

De hoogte van de maximale aanvullende beurs voor studenten die onder het studievoorschot vallen is € 413,78 per maand. De woonsituatie van de studerende (thuis- of uitwonend) is dan niet langer bepalend voor de hoogte van de aanvullende beurs.

Het verloop van deze uitgaven is voor een groot deel afhankelijk van de prijsontwikkeling. Daarnaast is de ontwikkeling in het aantal studenten met minder draagkrachtige ouders en de deelname aan het onderwijs hier van invloed, en spelen exogene factoren een rol, zoals de ontwikkeling van de conjunctuur en de daarmee samenhangende inkomensontwikkeling.

Reisvoorziening

Als onderdeel van het stelsel van studiefinanciering, draagt een reisvoorziening bij aan de toegankelijkheid van het onderwijs. Meer in het bijzonder is het doel van de reisvoorziening om studenten te faciliteren in het reizen van huis naar de onderwijsinstelling en van huis naar de stageplaatsen.

Tabel 54 Totaal aantal studenten met reisvoorziening (vanaf 2020 afgeronde raming)1
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Aantal gebruikers van het reisrecht

817.573

867.700

892.300

906.300

901.700

898.600

884.500

bol minderjarig

112.599

111.300

109.300

107.300

104.900

105.600

107.000

bol

218.779

223.800

233.700

241.600

234.100

227.900

224.100

ho

486.195

532.600

549.300

557.400

562.700

565.100

553.400

Aantal RBS

11.497

15.300

15.800

16.100

16.200

16.300

16.300

bol

1.378

2.000

2.100

2.200

2.100

2.100

2.000

ho

10.119

13.300

13.700

13.900

14.100

14.200

14.300

Totaal

829.070

883.000

908.100

922.400

917.900

914.900

900.800

1

Bron 2020: realisatiegegevens DUO; Bron 2021 – 2026: ramingsmodel SF

Toelichting

De reisvoorziening kan in twee vormen worden toegekend: een reisproduct op een persoonlijke ov-chipkaart (week- of weekendabonnement) of een financiële vergoeding voor studenten die studeren in het buitenland (reisvergoeding buitenland studerenden (RBS)).

Voltijdstudenten in het ho kunnen gebruik maken van de reisvoorziening voor de duur van de nominale studie en één uitloopjaar. In het Nationaal Programma Onderwijs is het reisrecht voor veel ho-studenten verlengd met een extra jaar: studenten die in de periode maart t/m december 2020 een opleiding volgden aan een hogeschool of universiteit én op dat moment minimaal een maand recht hadden op studiefinanciering, krijgen in totaal 12 maanden extra reisrecht erbij, aansluitend op het reguliere reisrecht van de nominale studieduur plus één jaar.

Studenten in de bol kunnen gebruik maken van de reisvoorziening voor de duur van de nominale studie en drie uitloopjaren. Sinds 1 januari 2017 hebben ook minderjarige studenten in de bol recht op de reisvoorziening.

De reisvoorziening is onderdeel van de prestatiebeurs voor studenten in de bol niveau 3 en 4 en voor studenten in het ho. Voor studenten in de bol niveau 1 en 2 wordt de reisvoorziening direct als gift verstrekt.

Tabel 55 Uitgaven reisvoorziening (bedragen x € 1.000)1
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Uitbetaalde reisvoorziening gift

92.663

95.460

99.706

103.469

103.248

104.139

105.855

bol

81.448

83.189

86.735

89.887

89.103

89.467

90.675

ho

11.215

12.270

12.971

13.582

14.145

14.672

15.181

Naar gift omgezette reisvoorziening prestatiebeurs

688.227

727.859

774.825

817.203

853.756

885.079

909.194

bol

210.598

246.745

260.853

277.242

288.474

295.741

301.143

ho

477.629

481.114

513.972

539.961

565.282

589.338

608.051

Bijdrage studerenden aan OV-contract

‒ 972.684

‒ 1.026.830

‒ 1.089.548

‒ 1.127.049

‒ 1.141.773

‒ 1.158.255

‒ 1.162.202

bol

‒ 394.983

‒ 402.974

‒ 420.891

‒ 436.794

‒ 432.885

‒ 434.249

‒ 439.746

ho

‒ 577.701

‒ 623.856

‒ 668.658

‒ 690.255

‒ 708.888

‒ 724.006

‒ 722.456

Kosten contract OV-bedrijven

858.334

1.259.403

172.312

1.171.850

1.192.920

1.212.749

1.218.751

Totaal reisvoorziening

666.540

1.055.892

‒ 42.705

965.472

1.008.151

1.043.712

1.071.598

1

Bron 2020: realisatiegegevens DUO; Bron 2021 – 2026: ramingsmodel SF

Toelichting

Bij de kosten contract OV-bedrijven zijn de jaarlijkse uitgaven wat lastiger met elkaar te vergelijken. Dit heeft te maken met verschillende kasschuiven. Het betreft allereerst een kasschuif van € 425,0 miljoen van 2021 naar 2018. Daarnaast zijn er twee kasschuiven van € 200,0 miljoen van 2021 naar 2020. Ook is er een kasschuif van € 1.050,0 miljoen van 2022 naar 2021, mede op verzoek van de OV-bedrijven. Contractueel is vastgelegd dat het Ministerie van OCW de vergoeding voor de OV-studentenkaart uiterlijk medio januari van het betreffende jaar aan de vervoerbedrijven betaalt. Door de betaling aan de vervoerbedrijven (gedeeltelijk) al aan het eind van het voorafgaande jaar in plaats van aan het begin van het betreffende jaar te doen, kan zonder af te wijken van de afspraken met de vervoerbedrijven een bijdrage worden geleverd aan de optimalisering van de kasritmes van de Staat over de jaren heen.

Overige uitgaven

De geraamde overige uitgaven omvatten voornamelijk technische posten, waaronder achterstallige rechten en boekingen tussen relevante en niet-relevante uitgaven en kwijtscheldingen. In 2021 zijn de overige uitgaven fors hoger dan andere jaren. Dat komt enerzijds omdat de kosten voor de tegemoetkoming studenten mbo en ho als gevolg van de coronamaatregelen zijn opgenomen onder deze post. Daarnaast worden de kwijtscheldingen als gevolg van de kinderopvangtoeslagaffaire ook onder deze post geboekt.

Leningen

Onder de niet-relevante uitgaven vallen de uitgaven die niet-relevant zijn voor het EMU-saldo, maar wel doorwerken op de EMU-schuld. Het betreft hier de prestatiebeurzen, de rentedragende leningen, het collegegeldkrediet en het levenlanglerenkrediet.

Basisbeurs

Studenten in de bol niveau 3 en 4 en in het ho hebben recht op een basisbeurs onder het prestatiebeursregime. Sinds het studiejaar 2015/2016 geldt voor nieuwe studenten in het ho het studievoorschot.

Tabel 56 Uitgaven basisbeurs prestatiebeurs (bedragen x € 1.000)1
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Uitbetaalde basisbeurs

256.278

263.866

270.403

277.320

268.552

262.949

259.330

bol

234.960

248.835

260.084

269.525

263.314

257.743

254.173

hbo

19.108

13.153

9.064

6.954

4.561

4.514

4.451

wo

2.210

1.878

1.255

841

677

692

706

Naar gift omgezette basisbeurs prestatiebeurs

‒ 780.738

‒ 554.163

‒ 330.618

‒ 288.527

‒ 284.914

‒ 283.181

‒ 268.898

bol

‒ 211.376

‒ 209.307

‒ 206.061

‒ 214.858

‒ 220.945

‒ 229.012

‒ 234.729

hbo

‒ 315.070

‒ 164.630

‒ 56.245

‒ 38.533

‒ 33.683

‒ 28.783

‒ 18.783

wo

‒ 254.292

‒ 180.226

‒ 68.312

‒ 35.136

‒ 30.286

‒ 25.386

‒ 15.386

Naar lening omgezette basisbeurs prestatiebeurs

‒ 98.120

‒ 117.800

‒ 133.200

‒ 148.600

‒ 164.000

‒ 164.000

‒ 150.000

bol

‒ 15.484

‒ 17.000

‒ 18.000

‒ 19.000

‒ 20.000

‒ 20.000

‒ 20.000

hbo

‒ 60.976

‒ 70.000

‒ 80.000

‒ 90.000

‒ 100.000

‒ 100.000

‒ 90.000

wo

‒ 21.660

‒ 30.800

‒ 35.200

‒ 39.600

‒ 44.000

‒ 44.000

‒ 40.000

Totaal

‒ 622.580

‒ 408.097

‒ 193.415

‒ 159.807

‒ 180.362

‒ 184.232

‒ 159.568

1

Bron 2020: realisatiegegevens DUO; Bron 2021 – 2026: ramingsmodel SF

Toelichting

In tabel 56 worden de geraamde niet-relevante uitgaven voor de basisbeurs gepresenteerd. Als gevolg van de invoering van het studievoorschot daalde het aantal toekenningen in het hbo en wo vanaf 2015. Met de invoering van het Programma Vernieuwing Studiefinanciering (PVS) vindt de omzetting van prestatiebeurs naar lening op een later moment plaats. Voorheen werd een prestatiebeurs naar lening omgezet als een student gestopt was met de studie. Nu wordt een prestatiebeurs naar lening omgezet als een student uit de diplomatermijn van 10 jaar loopt, zodat er later bij het behalen van een diploma niet alsnog hoeft te worden omgezet en moet worden verrekend met eventueel betaalde termijnen. Dit zorgt ervoor dat er een oplopende trend zit in de omzettingen van prestatiebeurs naar lening, die ook terug te zien is bij de aanvullende beurs en de reisvoorziening.

Aanvullende beurs

Studenten in de bol niveau 3 en 4 en het ho met recht op aanvullende beurs vallen onder het prestatiebeursregime. De eerste 5 maanden krijgen de studenten in het ho de aanvullende beurs als gift uitgekeerd. Studenten in de bol niveau 3 en 4 krijgen de eerste 12 maanden de aanvullende beurs als gift uitgekeerd. Na deze periode wordt de aanvullende beurs uitgekeerd onder het prestatiebeursregime.

Tabel 57 Uitgaven aanvullende beurs prestatiebeurs (bedragen x € 1.000)1
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Uitbetaalde aanvullende beurs

559.371

594.087

609.968

621.078

618.932

614.613

610.383

bol

165.389

172.494

180.306

186.874

182.518

178.610

176.104

hbo

286.532

305.459

308.648

309.361

308.327

305.029

300.708

wo

107.451

116.134

121.014

124.843

128.087

130.974

133.571

Naar gift omgezette aanvullende beurs prestatiebeurs

‒ 402.884

‒ 419.581

‒ 446.944

‒ 465.987

‒ 486.549

‒ 504.438

‒ 516.009

bol

‒ 141.841

‒ 140.264

‒ 140.365

‒ 140.292

‒ 143.672

‒ 148.955

‒ 152.289

hbo

‒ 191.368

‒ 205.554

‒ 224.842

‒ 239.496

‒ 251.938

‒ 260.236

‒ 265.296

wo

‒ 69.675

‒ 73.763

‒ 81.737

‒ 86.199

‒ 90.939

‒ 95.247

‒ 98.424

Naar lening omgezette aanvullende beurs prestatiebeurs

‒ 34.110

‒ 40.500

‒ 43.000

‒ 45.500

‒ 48.000

‒ 48.500

‒ 48.500

bol

‒ 9.192

‒ 12.000

‒ 13.000

‒ 14.000

‒ 15.000

‒ 15.000

‒ 15.000

hbo

‒ 19.109

‒ 22.000

‒ 23.000

‒ 24.000

‒ 25.000

‒ 25.000

‒ 25.000

wo

‒ 5.809

‒ 6.500

‒ 7.000

‒ 7.500

‒ 8.000

‒ 8.500

‒ 8.500

Totaal

122.378

134.006

120.024

109.591

84.383

61.675

45.874

1

Bron 2020: realisatiegegevens DUO; Bron 2021 – 2026: ramingsmodel SF

Toelichting

In tabel 57 worden de geraamde niet-relevante uitgaven voor de aanvullende beurs gepresenteerd. Voor het verloop van deze uitgaven gelden dezelfde factoren als voor de relevante uitgaven aan de aanvullende beurs.

Reisvoorziening

Tabel 58 Uitgaven reisvoorziening prestatiebeurs (bedragen x € 1.000)1
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Uitbetaalde reisvoorziening

894.126

946.964

992.005

1.025.832

1.040.817

1.056.447

1.058.719

bol

315.311

320.372

334.780

347.565

344.432

345.428

349.719

ho

578.815

626.592

657.225

678.267

696.385

711.019

709.000

Naar gift omgezette reisvoorziening prestatiebeurs

‒ 688.227

‒ 727.859

‒ 774.825

‒ 817.203

‒ 853.755

‒ 885.079

‒ 909.194

bol

‒ 210.598

‒ 246.745

‒ 260.853

‒ 277.242

‒ 288.473

‒ 295.741

‒ 301.143

ho

‒ 477.629

‒ 481.114

‒ 513.972

‒ 539.961

‒ 565.282

‒ 589.338

‒ 608.051

Naar lening omgezette reisvoorziening prestatiebeurs

‒ 44.555

‒ 50.000

‒ 57.000

‒ 63.000

‒ 69.000

‒ 69.000

‒ 69.000

bol

‒ 8.082

‒ 10.000

‒ 12.000

‒ 13.000

‒ 14.000

‒ 14.000

‒ 14.000

ho

‒ 36.473

‒ 40.000

‒ 45.000

‒ 50.000

‒ 55.000

‒ 55.000

‒ 55.000

Totaal reisvoorziening

161.344

169.105

160.180

145.629

118.062

102.368

80.525

1

Bron 2020: realisatiegegevens DUO; Bron 2021 – 2026: ramingsmodel SF

Toelichting

In tabel 58 worden de geraamde niet-relevante uitgaven voor de reisvoorziening gepresenteerd.

Tabel 59 Niet-relevante uitgaven leenfaciliteit (bedragen x € 1.000)1
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Rentedragende lening

2.645.105

2.845.884

2.972.723

3.048.467

3.096.658

3.114.916

3.125.965

Collegegeldkrediet

303.414

279.243

254.231

364.769

373.536

380.321

386.099

Leven lang leren krediet

29.551

28.795

25.834

37.871

39.909

41.947

41.947

Totaal

2.978.070

3.153.922

3.252.788

3.451.107

3.510.103

3.537.184

3.554.011

1

Bron 2020: realisatiegegevens DUO; Bron 2021 – 2026: ramingsmodel SF

Toelichting

Het totale bedrag dat wordt geleend stijgt jaarlijks vanwege onder andere hogere studentenaantallen. De verwachte uitgaven aan het collegegeldkrediet en levenlanglerenkrediet lopen in 2021 en 2022 iets terug vanwege de halvering van het collegegeld. Het maximaal aan te vragen collegegeldkrediet en levenlanglerenkrediet voor studenten die het wettelijk collegegeld betalen is in collegejaar 2021-2022 gehalveerd.

Bijdrage aan agentschappen

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

Ontvangsten

Leningen worden terugbetaald naar draagkracht. Wie gelet op zijn of haar inkomen niet kan terugbetalen, hoeft niet of minder terug te betalen.

Tabel 60 Relevante ontvangsten (bedragen x € 1.000)1
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Ontvangen rente

63.342

56.271

52.280

55.718

60.906

69.271

79.478

Overige ontvangsten

33.824

26.961

20.932

18.919

18.907

18.895

18.883

Renteloos voorschot en relevante

1.034

1.003

974

961

949

937

925

rentedragende lening

Kortlopende vorderingen

32.790

25.958

19.958

17.958

17.958

17.958

17.958

Ontvangsten Caribisch Nederland

220

220

220

220

220

220

220

Totaal relevante ontvangsten

97.386

83.452

73.432

74.857

80.033

88.386

98.581

1

Bron 2020: realisatiegegevens DUO; Bron 2021 – 2026: ramingsmodel SF

Toelichting

De relevante ontvangsten bestaan uit verschillende posten, waarvan de ontvangen rente de grootste is. De overige relevante ontvangsten bestaan voor het grootste deel uit ontvangsten op de kortlopende vorderingen, die ontstaan doordat onterecht ontvangen studiefinanciering wordt teruggevorderd. De relevante rentedragende lening betreft leningen van vóór 1992; het renteloze voorschot betreft voornamelijk studieleningen die zijn verstrekt vóór 1986 en waarover geen rente verschuldigd is.

De niet-relevante ontvangsten ontstaan door terugbetaling van de hoofdsom op studieleningen. De ontvangsten nemen de komende jaren toe, omdat er in eerdere jaren meer en vaker is geleend.

Licence