Base description which applies to whole site

3.8 Beleidsartikel 11. Studiefinanciering

Tabel 24 Budgettaire gevolgen van beleid art. 11 (Eerste suppletoire begroting) (bedragen x € 1.000)
  

Ontwerp-begroting 2023 (1)

Mutaties via NvW, moties, amende-menten en ISB (2)

Vastgestelde begroting 2023 (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutatie 2024

Mutatie 2025

Mutatie 2026

Mutatie 2027

Verplichtingen

5.516.325

0

5.516.325

152.587

5.668.912

104.399

282.104

163.048

252.842

           

Uitgaven

5.516.325

0

5.516.325

159.473

5.675.798

111.420

288.946

169.751

258.051

           

Inkomensoverdracht

 

1.447.206

0

1.447.206

44.684

1.491.890

‒ 31.085

145.690

50.878

141.587

Basisbeurs gift (R)

 

373.559

0

373.559

21.707

395.266

‒ 11.733

‒ 23.432

‒ 28.303

‒ 6.800

Aanvullende beurs gift (R)

 

761.611

0

761.611

‒ 22.226

739.385

‒ 24.105

‒ 22.038

‒ 22.883

‒ 21.120

Reisvoorziening gift (R)

 

296

0

296

‒ 6.564

‒ 6.268

‒ 20.547

1.563

21.452

58.502

Maatregelen herinvoering basisbeurs (R)

 

29.925

0

29.925

4.462

34.387

11.127

19.024

53.030

86.328

Tegemoetkoming (R)

 

0

0

0

0

0

0

78.247

9.059

5.774

Studievoorschotvouchers (R)

 

9.152

0

9.152

‒ 8.087

1.065

‒ 819

76.334

1.531

911

Caribisch Nederland gift (R)

 

2.971

0

2.971

130

3.101

130

130

130

130

Overige uitgaven (R)

 

269.692

0

269.692

55.262

324.954

14.862

15.862

16.862

17.862

Leningen

 

3.890.737

0

3.890.737

101.822

3.992.559

131.322

128.331

107.864

69.630

Basisbeurs prestatiebeurs (NR)

 

‒ 117.068

0

‒ 117.068

6.736

‒ 110.332

38.933

58.079

62.119

28.418

Aanvullende beurs prestatiebeurs (NR)

 

117.521

0

117.521

45.340

162.861

42.371

37.866

39.707

43.832

Reisvoorziening (NR)

 

147.994

0

147.994

160.266

308.260

146.205

129.932

106.452

88.199

Maatregelen herinvoering basisbeurs (NR)

 

362.000

0

362.000

28.500

390.500

101.500

79.000

58.000

33.000

Rentedragende lening (NR)

 

2.937.615

0

2.937.615

‒ 19.929

2.917.686

‒ 45.414

‒ 11.513

14.048

63.033

Collegegeldkrediet (NR)

 

352.580

0

352.580

‒ 56.203

296.377

‒ 59.939

‒ 64.354

‒ 68.683

‒ 73.126

Leven lang leren krediet (NR)

 

35.011

0

35.011

‒ 9.094

25.917

‒ 9.036

‒ 8.979

‒ 8.978

‒ 8.977

Overige uitgaven (NR)

 

55.084

0

55.084

‒ 53.794

1.290

‒ 83.298

‒ 91.700

‒ 94.801

‒ 104.749

Bijdrage aan agentschappen

 

178.382

0

178.382

12.967

191.349

11.183

14.925

11.009

46.834

Dienst Uitvoering Onderwijs

 

178.382

0

178.382

12.967

191.349

11.183

14.925

11.009

46.834

Ontvangsten

 

1.233.363

0

1.233.363

166.907

1.400.270

320.575

455.874

469.724

492.320

Ontvangsten (R)

 

71.588

0

71.588

10.066

81.654

143.997

258.457

250.185

249.306

Ontvangen rente (R)

52.633

0

52.633

7.663

60.296

141.570

256.002

247.697

246.780

Overige ontvangsten (R)

18.630

0

18.630

2.237

20.867

2.224

2.212

2.203

2.195

Ontvangsten Caribisch Nederland (R )

325

0

325

166

491

203

243

285

331

Ontvangsten (NR)

1.161.775

0

1.161.775

156.841

1.318.616

176.578

197.417

219.539

243.014

Terugontvangen lening (NR)

1.161.775

0

1.161.775

156.841

1.318.616

176.578

197.417

219.539

243.014

Toelichting: R = relevant, NR = niet-relevant

In de kolom "Mutaties 1e suppletoire begroting 2023" worden de mutaties ten opzichte van de «Stand vastgestelde begroting 2023» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting

Toelichting instrumenten (algemeen):

Zowel voor de uitgaven als de ontvangsten wordt een onderscheid gemaakt tussen relevant en niet-relevant. Relevant betekent: relevant voor het uitgavenplafond. Uitgangspunt in de begrotingsregels is dat uitgaven die relevant zijn voor het EMU-saldo ook relevant zijn voor het uitgavenplafond. Zoals opgenomen in Miljoenennota 2022 is de behandeling van prestatiebeurzen voor het EMU-saldo veranderd door gewijzigde inzichten van Eurostat en daarmee CBS. De relevante uitgaven in deze begroting worden hoofdzakelijk gevormd door studiefinanciering die meteen als gift wordt toegekend en uitgekeerde prestatiebeurs die wordt omgezet in een gift. In deze begroting van OCW worden de prestatiebeursuitgaven als niet-relevant behandeld (zolang die nog niet zijn omgezet in een gift); in de weergave van het EMU-saldo worden zij wel als relevant weergegeven, middels een correctie op het EMU-saldo. Overige niet-relevante uitgaven zijn de rentedragende leningen. Deze uitgaven zijn niet-relevant voor het uitgavenplafond, maar worden wel meegerekend in de EMU-schuld.

De relevante ontvangsten worden vooral gevormd door de ontvangen rente op leningen. De niet-relevante ontvangsten betreffen hoofdzakelijk aflossingen op de hoofdsom van de rentedragende leningen

Toelichting mutaties:

Uitgaven

In deze paragraaf wordt de ontwikkeling op de studiefinancieringsraming beschreven. De totale uitgaven op Artikel 11 worden met € 159,5 miljoen naar boven bijgesteld. Het betreft een bijstelling van de inkomensoverdrachten naar boven van € 44,7 miljoen, een bijstelling omhoog van de leningen met € 101,8 miljoen en een bijstelling omhoog van het budget voor de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) met € 13,0 miljoen. Hieronder wordt per instrument toegelicht hoe de bijstellingen tot stand zijn gekomen.

Toelichting per instrument:

Inkomensoverdrachten

De relevante uitgaven worden met € 44,7 miljoen verhoogd. Dit bestaat uit de volgende elementen:

  • de uitgaven aan de basisbeurs worden per saldo met € 21,7 miljoen verhoogd. Dit betreft met name de bijstelling omhoog van € 28,8 miljoen op de omzettingen. Het grootste deel van de omzettingen vindt in januari plaats, voor 2023 zijn deze uitgaven al bekend. Daarnaast zijn de uitgaven aan basisbeurs die direct als gift uitgekeerd wordt € 15,5 miljoen lager, als gevolg van een lager dan geraamd aantal studenten en fractie gebruikers in het mbo. Door de loon- en prijsbijstelling wordt het bedrag met € 8,4 miljoen verhoogd;

  • de relevante uitgaven aan de aanvullende beurs worden per saldo met € 22,2 miljoen verlaagd. De uitgaven aan aanvullende beurs die direct als gift wordt uitgekeerd zijn, voornamelijk op basis van realisatiegegevens, omlaag bijgesteld met € 41,3 miljoen. Verder betreft dit lagere omzettingen dan geraamd (€ 10,9 miljoen). Door de loon- en prijsbijstelling wordt het bedrag met € 29,9 miljoen verhoogd;

  • de reisvoorziening wordt per saldo met € 6,6 miljoen verlaagd. Hier liggen de volgende verklaringen aan ten grondslag:

    • het budget kosten ov-contract is met € 144,9 miljoen verhoogd. Dit is het gevolg van de hogere prijs voor het OV in 2022. Daarnaast zit in deze bijstelling ook € 5,1 miljoen verwerkt aan kwijtschelding OV-boetes;

    • de reisvoorziening direct gift is met € 11,8 miljoen omhoog bijgesteld. Dit is het gevolg van het hogere normbedrag voor de reisvoorziening.

    • de omzettingen van prestatiebeurs in gift zijn per saldo met € 41,8 miljoen omlaag bijgesteld op basis van realisatiegegevens door lagere geraamde aantallen studenten;

    • de bijdrage studerenden aan ov is met € 121,4 miljoen naar beneden bijgesteld. Dit betreft een tegenboeking waarmee voorkomen wordt dat de waarde van de ov-kaart dubbel geboekt wordt (enerzijds door toekenning aan de student, anderzijds door de betaling aan de ov-bedrijven). Doordat het een tegenboeking betreft, betekent deze negatieve mutatie dus eigenlijk een hoger bedrag aan toekenningen. Dit wordt veroorzaakt door de kostenstijging van het OV;

    • door de loon- en prijsbijstelling wordt de reisvoorziening met €12,5 miljoen omhoog bijgesteld.

  • het relevante budget voor de Maatregelen herinvoering basisbeurs bestaat grotendeels uit twee onderdelen. De uitgaven voor de herinvoering basisbeurs en de uitgaven ten aanzien van de maatregelen aanvullende beurs. Het budget voor de Maatregelen herinvoering basisbeurs wordt per saldo met € 4,5 miljoen bijgesteld. De uitgaven zijn met € 1,5 miljoen opwaarts bijgesteld vanwege hogere toekenningen aanvullende beurs (in het kader van het niet-gebruik aanvullende beurs). Door de loon- en prijsbijstelling wordt het bedrag met € 3,0 miljoen verhoogd;

  • er zijn geen bijstellingen op het budget voor de tegemoetkoming;

  • de middelen voor de Studievoorschotvouchers worden per saldo met € 8,1 miljoen neerwaarts bijgesteld. Er vindt een kasschuif plaats van € 10,5 miljoen van 2023 naar 2025. Daarnaast is er in 2023 € 1,5 miljoen aan eindejaarsmarge toegevoegd vanuit 2022. Als laatste is het budget verhoogd met € 0,9 miljoen op basis van loon- en prijsbijstelling;

  • het budget voor Caribisch Nederland is met € 0,1 miljoen naar boven bijgesteld;

  • de relevante overige uitgaven worden per saldo met € 55,3 miljoen verhoogd. Het budget wordt met € 51,9 miljoen verhoogd voor middelen ten behoeve van de kwijtschelding van studieschulden van toeslagengedupeerden. Daarnaast worden de uitgaven met € 10,0 miljoen verhoogd ten behoeven van de NP Onderwijs maatregelen. Als laatste worden de overige uitgaven met € 8,9 miljoen naar beneden bijgesteld, dit betreft een bijstelling van de kwijtscheldingen op basis van de realisatiegegevens.

Leningen

De niet-relevante uitgaven worden per saldo met € 101,8 miljoen verhoogd. Dit bestaat uit de volgende onderdelen:

  • de niet-relevante uitgaven aan de basisbeurs worden met € 6,7 miljoen omhoog bijgesteld. Dit betreft allereerst de toekenningen prestatiebeurs. Deze worden omlaag bijgesteld met € 21,5 miljoen vanwege lagere fractie gebruikers en lagere aantallen studenten. Daarnaast zorgen de tegenboekingen van de omzettingen van prestatiebeurs in gift en lening voor een opwaartse bijstelling van in totaal € 2,7 miljoen (€ 28,8 miljoen omzetting gift en € 31,5 miljoen omzetting lening). Tot slot is er voor € 25,6 miljoen aan prijsbijstelling voor 2023 toegekend;

  • de niet-relevante uitgaven aanvullende beurs zijn met € 45,3 miljoen naar boven bijgesteld. Dit betreft een neerwaartse bijstelling van € 28,0 miljoen op de toekenningen prestatiebeurs, voornamelijk als gevolg van de lagere aantallen studenten. Daarnaast zijn de omzettingen van prestatiebeurs naar gift en lening, die hier tegen geboekt worden, omhoog bijgesteld met € 11,0 miljoen (dit betreffen dus minder omzettingen in gift). Tot slot is er voor € 62,4 miljoen aan prijsbijstelling voor 2023 toegekend;

  • de niet-relevante uitgaven ov worden met € 160,3 miljoen naar boven bijgesteld. Dit betreft voornamelijk hogere toekenningen prestatiebeurs, € 118,5 miljoen, als gevolg van de hogere prijs van het OV. Daarnaast zijn de omzettingen naar gift € 41,8 miljoen hoger. Aangezien de omzettingen op deze post negatief worden tegen geboekt, betekent dit dat er minder reisvoorziening naar gift zal worden omgezet. Tot slot is er voor € 2,1 miljoen aan prijsbijstelling voor 2023 toegekend;

  • het niet-relevante budget voor de Maatregelen herinvoering basisbeurs bestaat uit drie onderdelen. De uitgaven voor de herinvoering basisbeurs, uitgaven ten aanzien van de maatregelen aanvullende beurs en de bijstelling doordat studenten minder gaan lenen vanwege de herinvoering van de basisbeurs.

    Het budget voor de Maatregelen herinvoering basisbeurs is per saldo met € 28,5 miljoen opwaarts bijgesteld.

    • deze bijstelling wordt voornamelijk veroorzaakt door de bijstelling op het leningen deel van € 12,6 miljoen. In de raming voor de herinvoering van de basisbeurs wordt ervan uitgegaan dat studenten minder gaan lenen. Doordat uit realisatiegegevens blijkt dat studenten al voor de herinvoering minder zijn gaan lenen, is de verwachting dat het effect van de herinvoering van de basisbeurs tot een kleinere daling van totale leensom leidt;

    • daarnaast wordt het budget met € 15,9 miljoen opwaarts bijgesteld vanwege hogere toekenningen basisbeurs en aanvullende beurs (in het kader van het niet-gebruik aanvullende beurs).

  • de uitgaven op de post rentedragende lening (niet-relevant) zijn per saldo neerwaarts bijgesteld met € 19,9 miljoen. Deze bijstelling wordt allereerst veroorzaakt door lagere aantallen leerlingen (neerwaartse bijstelling van € 76,9 miljoen). Daarnaast is er sprake van een dalende trend in het percentage leners wat zorgt voor lagere uitgaven aan de rentedragende lening (neerwaartse bijstelling van € 196,0 miljoen). Ook is de tegenboeking van de post omzettingen naar lening met € 31,7 miljoen naar beneden bijgesteld. Tot slot is er voor € 284,6 miljoen aan prijsbijstelling voor 2023 toegekend;

  • de uitgaven aan het collegegeldkrediet zijn verlaagd met € 56,2 miljoen. Deze bijstelling komt, evenals bij de rentedragende lening, door de dalende trend in het percentage studenten dat naar verwachting gebruik gaat maken van het krediet (neerwaartse bijstelling van € 83,6 miljoen). Daarnaast is er voor € 27,4 miljoen aan prijscompensatie voor 2023 toegekend;

  • het budget voor het levenlanglerenkrediet wordt met € 9,1 miljoen naar beneden bijgesteld op basis van realisatiegegevens. Er wordt minder gebruik gemaakt van het krediet dan verwacht (neerwaartse bijstelling van € 11,8 miljoen). Daarnaast is er voor € 2,7 miljoen aan prijscompensatie voor 2023 toegekend;

  • de niet-relevante overige uitgaven zijn met € 53,8 miljoen omlaag bijgesteld op basis van realisatiegegevens.

Bijdrage aan agentschappen

Het budget voor de Dienst Uitvoering Onderwijs wordt per saldo met € 13,0 miljoen verhoogd. Als gevolg van de lagere volumes uit de referentieraming wordt het budget met € 0,3 miljoen verlaagd. Door de doorverdeling van de loon- en prijsbijstelling tranche 2023 stijgt het budget met € 10,7 miljoen. Er worden ook extra uitgaven gedaan voor informatie- en systeembeveiliging, wat het budget verhoogt met € 5,4 miljoen om aan de meest recente compliancy-eisen te voldoen. Om het meerjarig beeld goed te krijgen, is er een kasschuif toegepast waardoor het budget voor 2023 met € 2,8 miljoen wordt verlaagd.

Ontvangsten

De ontvangsten worden met € 166,9 miljoen verhoogd. Dit wordt veroorzaakt door een stijging van de relevante ontvangsten van € 10,1 miljoen en een stijging van de niet-relevante ontvangsten met € 156,8 miljoen.

  • de relevante ontvangsten worden omhoog bijgesteld met € 10,1 miljoen. Dit wordt veroorzaakt door:

    • renteontvangsten: deze post is met € 7,7 miljoen verhoogd. Dit betreft hogere renteontvangsten als gevolg van een hogere rente;

    • overige ontvangsten: deze post is met € 2,2 miljoen verhoogd op basis van realisatiegegevens;

    • ontvangsten Caribisch Nederland: deze post is met 0,2 miljoen verhoogd op basis van realisatiegegevens.

  • de niet-relevante ontvangsten worden gevormd door de terugontvangen lening en worden omhoog bijgesteld met € 156,8 miljoen op basis van realisatiegegevens. Dit is het gevolg van hoger dan verwachte extra ontvangsten (ontvangsten bovenop de reguliere termijnontvangsten).

Licence