Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

Artikel 18 Scheepvaart en Havens

Algemene doelstelling

Het realiseren van een efficiënt, veilig en duurzaam goederenvervoersysteem, waarbinnen de internationale concurrentiekracht van de mainport en van de Nederlandse maritieme sector wordt versterkt.

(Doen) uitvoeren

Rollen en verantwoordelijkheden

  • De Minister is verantwoordelijk voor het in stand houden van een robuust hoofdnetwerk van vaarwegen. Vanuit de begroting Hoofdstuk XII (artikel 26.01) wordt een bijdrage gedaan aan het Infrastructuurfonds. Via het Infrastructuurfonds (artikel 15, 17 en 18) investeert de Minister door middel van aanleg en benutting in dit netwerk, in binnenhavens en in de maritieme toegang van zeehavens om een goede en betrouwbare bereikbaarheid over water van de economische kerngebieden te realiseren. Aanleg- en benuttingsprojecten worden in het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) vastgelegd.

  • De Minister is verantwoordelijk voor toezicht en nautisch beheer. Rijkswaterstaat voert als beheerder het beheer, onderhoud en vervanging uit. De uitgaven aan beheer, onderhoud en vervanging worden verantwoord op het Infrastructuurfonds (artikel 15).

Regisseren

  • De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en deels ook voor de uitvoering van het maritiem beleid. De rol «regisseren» heeft betrekking op de volgende taken:

  • De Minister stelt normen en handhaaft deze om het veilige en duurzame gebruik van netwerken te waarborgen. De Minister ijvert regionaal en internationaal voor deze normen, bijvoorbeeld in de Raad Vervoer, Telecommunicatie en Energie van de EU en de Internationale Maritieme Organisatie (IMO), ook omdat een internationaal level playing field goed is voor de Nederlandse concurrentiepositie. Daarin passen een actief Nederlands lidmaatschap van IMO en Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) en een gerichte bijdrage aan de totstandkoming van Europese regelgeving, inclusief een actieve rol in agentschappen als het Europese Maritieme Veiligheidsagentschap (EMSA) en andere organisaties.

  • De in 2015 vastgestelde maritieme strategie geeft de leidende principes aan: meerwaarde door samenwerking, ruimte voor ondernemerschap en oog voor de leefomgeving. Vanuit het oogpunt van verbetering van het milieu en van de kwaliteit van de leefomgeving in de zeehavengebieden wordt de innovatie en de transitie naar een duurzame scheepvaart bevorderd. IenW zorgt voor «state of the art» regelgeving op het gebied van marktordening, passagiersrechten, bemanningszaken en security. Waar nodig wordt hiervoor internationaal samengewerkt.

  • Met het programma Beter Benutten stimuleert de Minister een slim, efficiënt en veilig gebruik van de vaarwegen. Samen met de inspanningen van de vervoerders en verladers kan daarmee de capaciteit van de vaarwegen beter worden benut.

  • De Minister geeft zoveel mogelijk ruimte voor ondernemerschap, met een maximaal beroep op de eigen verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven voor een permanente verbetering van de veiligheid en duurzaamheid met betrekking tot maritiem beleid.

  • IenW draagt, binnen het kabinetsbrede bedrijvenbeleid onder coördinatie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, als vakdepartement verantwoordelijkheid voor de overheidsinbreng op de Topsector Logistiek en het maritieme cluster binnen de Topsector Water en Maritiem.

  • Voorts zet de Minister in op een intensivering en stroomlijning van de inspanningen van alle overheden, belangenorganisaties en sectorpartijen betrokken bij bovenstaande beleidsopgaven.

Ten slotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de Inspectie Leefomgeving en Transport op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht) en door de Autoriteit Consument en Markt.

Indicatoren en kengetallen

Indicator: Passeertijd sluizen
 

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Hoofdtransportas

68%

67%

68%

69%

70%

68%

66%

66%

63%

Hoofdvaarweg

81%

79%

78%

80%

80%

80%

80%

80%

75%

Overige vaarweg

88%

92%

93%

92%

92%

91%

91%

88%

87%

Bron: RWS, 2018

De gegevens over 2018 waren nog niet beschikbaar ten tijde van het drukken van dit jaarverslag. De informatie zal aan de Tweede Kamer worden aangeboden bij de begroting 2020.

Toelichting:

Voor elk type vaarweg (Hoofdtransportas, Hoofdvaarweg en Overige vaarwegen) wordt een te realiseren percentage schepen nagestreefd dat binnen de normtijd de sluis passeert (streefwaarde). De «passeertijd sluizen» is een absolute normtijd die voor elke sluis afzonderlijk is bepaald. De gerealiseerde passeertijden op de hoofdtransportassen voldoen nog niet aan de streefwaarden. Dit speelt al langere tijd en wordt voornamelijk veroorzaakt door gebrek aan capaciteit op de corridors tussen Zeeland en Rotterdam. Voor de sluizen op die corridors lopen dan ook MIRT-projecten, gericht op het verbeteren van deze capaciteit. De passeertijden op de hoofdvaarwegen zijn in 2018 negatief beïnvloed door de lange periode van laag water (omvaarverkeer met meer schepen bij enkele sluizen) en renovatiewerkzaamheden (m.n. sluis Delden, Hagestein en Prinses Beatrixsluis). De passeertijden voor de hoofd- en overige vaarwegen scoren overigens wel (ruim) voldoende.

Kengetal: Ontwikkeling van het procentuele marktaandeel (in tonnen) van de Nederlandse havengebieden ten opzichte van de totale Noordwest-Europese havenrange (de «Hamburg-Le Havre range»)
 

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Totaal Nederlandse Zeehavens

44,9

44,2

44,5

45

46,9

47,8

47,2

47,9

47,5

47,2

48,1

48,3

47,9

n.n.b

Mainport Rotterdam

34,9

33,8

34,2

34,4

36

37

36,3

37

36,6

36,2

37,3

37,7

37,2

n.n.b

Overige Nederlandse Zeehavens

10

10,4

10,4

10,6

10,9

10,8

10,9

10,9

10,9

11

10,8

10,6

10,7

n.n.b

Noot 1: Vanaf 2016 Havenbedrijf Rotterdam op basis van cijfers ESPO. ESPO beschouwt daarin alleen de Nederlandse havens van Rotterdam, Amsterdam en Zeeland. In eerdere jaren zijn ook de havens van Moerdijk en Groningen in het overzicht meegenomen. Deze worden niet meegenomen door ESPO.

Bron: 2002–2010 Nationale Havenraad, 2011–2015 IenW, 2016 Havenbedrijf Rotterdam

Toelichting:

Dit kengetal geeft informatie over het marktaandeel van de Nederlandse zeehavens ten opzichte van de concurrerende Noordwest Europese havenrange (de zogenaamde «Hamburg-Le Havre range»). Het streven is het marktaandeel van de Nederlandse havengebieden ten opzichte van de totale Noordwest (de «Hamburg-Le Havre range») ten minste te handhaven.

De gegevens over 2018 waren nog niet beschikbaar ten tijde van het drukken van dit jaarverslag. De informatie zal aan de Tweede Kamer worden aangeboden bij de begroting 2020.

Kengetal: Ontwikkeling in aantallen en bruto tonnage (GT) van schepen > 100 GT en pontons > 1.000 GT
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

 

Van de vloot van in Nederland geregistreerde zeeschepen onder Nederlandse vlag

Aantallen

                 

Handelsvaart

725

769

800

822

808

790

771

761

n.n.b

Zeesleepvaart

249

235

247

260

258

275

288

291

n.n.b

Waterbouw

120

156

169

168

167

171

171

176

n.n.b

Totaal

1.094

1.160

1.216

1.250

1.233

1.236

1.230

1.228

n.n.b

Bruto tonnage (GT) (x 1.000)

                 

Handelsvaart

6.075

6.883

6.740

7.045

6.978

6.572

6.411

6.275

n.n.b

Zeesleepvaart

310

290

362

347

360

409

423

444

n.n.b

Waterbouw

450

513

531

533

537

531

542

572

n.n.b

Totaal

6.835

7.686

7.633

7.925

7.875

7.512

7.376

7.291

n.n.b

 

Van de vloot onder buitenlandse vlag in Nederlands eigendom of beheer

Aantallen

                 

Handelsvaart

433

422

408

403

403

432

451

458

n.n.b

Zeesleepvaart

459

456

477

498

519

512

502

499

n.n.b

Waterbouw

63

55

55

52

52

62

62

63

n.n.b

Totaal

955

933

940

953

974

1.006

1.015

1.020

n.n.b

Bruto tonnage (GT) (x 1.000)

                 

Handelsvaart

5.259

5.232

5.072

5.517

5.987

6.500

7.203

7.700

n.n.b

Zeesleepvaart

1.011

1.298

1.640

1.612

1.643

1.740

2.239

1.706

n.n.b

Waterbouw

251

210

264

248

285

312

322

328

n.n.b

Totaal

6.521

6.740

6.976

7.377

7.915

8.552

9.764

9.734

n.n.b

Bron: Inspectie Leefomgeving en Transport, 2018. Cijfers van zeeschepen onder buitenlandse vlag op basis van IHS.

De gegevens over 2018 waren nog niet beschikbaar ten tijde van het drukken van dit jaarverslag. De informatie zal aan de Tweede Kamer worden aangeboden bij de begroting 2020.

Toelichting

Bovenstaande kengetallen geven informatie over de ontwikkeling in aantallen en bruto tonnage (GT) van de vloot in Nederlands eigendom of beheer onder Nederlandse en buitenlandse vlag. De gegevens zijn opgesplitst naar de sectoren handelsvaart, zeesleepvaart en waterbouw. De groei c.q. afname van de vloot onder Nederlandse vlag is niet alleen van overheidsbeleid afhankelijk, maar van meerdere factoren zoals de wereldwijde groei van het ladingaanbod en investeringsklimaat, het zeevaartbeleid (waaronder fiscale klimaat) van andere landen en de individuele prestaties van de ondernemingen. Een toename van de vanuit Nederland beheerde vloot (en dan met name de Nederlandse vlag) is gunstig voor de ontwikkeling van de toegevoegde waarde.

Kengetal: veiligheid scheepvaart
 

Aantal scheepvaartongevallen (inclusief vissersvaartuigen en recreatievaart) op het Nederlandse deel van de Noordzee (Nederlandse en buitenlandse vlag)

   
 

2005

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Zeer ernstige scheepvaartongevallen (ZESO)

1

1

0

4

2

0

0

2

2

n.n.b

Ernstige scheepvaartongevallen

4

9

4

15

13

12

11

8

10

n.n.b

Totaal (ESO)

5

10

4

19

15

12

11

10

12

n.n.b

 

Aantal significante ongevallen met schepen op de Nederlandse binnenwateren1

   

Aantal significante scheepsongevallen

96

164

159

161

136

138

158

164

161

n.n.b

 

Aantal doden en gewonden op schepen op de Nederlandse binnenwateren (ook onder niet Nederlandse vlag)

   

Aantal doden

7

4

8

4

9

4

6

7

8

n.n.b

Aantal gewonden

49

45

63

58

27

44

35

38

33

n.n.b

Bron: RWS, Cijfers van zeeschepen onder buitenlandse vlag op basis van IHS.

Noot 1: Voor de beoordeling van de ontwikkeling van de veiligheid op de Nederlandse binnenwateren wordt gebruik gemaakt van het begrip «significant scheepsongeval». Significante scheepsongevallen zijn scheepsongevallen op de Nederlandse binnenwateren met schepen (ook onder niet Nederlandse vlag) waarbij schade is ontstaan die als ernstig wordt geclassificeerd in de vorm van slachtoffers (doden/gewonden), stremming van de vaarweg of schade aan de vaarweg, schip, lading of milieu.

Toelichting:

Voor deze indicatoren waren de gegevens over 2018 waren nog niet beschikbaar ten tijde van het drukken van dit jaarverslag. De informatie zal aan de Tweede Kamer worden aangeboden bij de begroting 2020.

Beleidsconclusies

Het op artikel 18 uitgevoerde beleid en de resultaten zijn in 2018 conform de verwachtingen zoals vermeld in de begroting. Er zijn geen grote afwijkingen opgetreden en er was geen noodzaak tot bijstelling. Er zijn wel verschillen ontstaan tussen de begroting en de gerealiseerde budgetten op dit artikel. Deze verschillen worden nader verklaard in de financiele toelichting onder het kopje «budgettaire gevolgen van beleid».

Het beleid in 2018 heeft bijgedragen aan de realisatie van een efficiënt, veilig en duurzaam goederenvervoersysteem, met aandacht voor de internationale concurrentiekracht van de mainport en van de Nederlandse maritieme sector. In september 2018 is besloten tot een beleidswijziging m.b.t. zeeschepen van organisaties met ideële doelstellingen. Vanwege veiligheidsoptiek zullen strengere eisen aan deze schepen en de bemanning erop worden gesteld.

De met de Rijksbrede Nederlandse Maritieme Strategie 2015 – 2025 (Kamerstukken II 2014–2015  31 409, nr.70) ingezette koers is ook in 2018 voortgezet, evenals de samenwerking tussen de rijksoverheid en de maritieme sector bij de uitwerking van de maritieme strategie. De basis voor deze samenwerking wordt gevormd door een in februari 2018 vastgesteld werkprogramma (Kamerstukken II 2017–2018 31 409 nr. 184), waarin de prioriteiten op het gebied van zeevaart, zeehavens, binnenvaart en de maritieme maakindustrie voor de komende jaren zijn vastgelegd. Aan het onderdeel vergroening zee- en binnenvaart uit het werkprogramma wordt uitvoering gegeven via de in het regeerakkoord aangekondigde Green Deal Zeevaart, Binnenvaart en Havens.

Ten behoeve van de herziene richtlijn beroepskwalificaties (Richtlijn (EU) 2017/2397) heeft het internationale comité CESNI op 8 november 2018 14 standaarden aangenomen op het gebied van beroepskwalificaties. Deze tijdige vaststelling heeft het mogelijk gemaakt al met de nationale implementatie ervan te starten, vooruitlopend op de formele vaststelling in de EU die uiterlijk op 17 januari 2020 plaatsvindt.

De interesse in Smart Shipping, vergaand geautomatiseerd varen, is in 2018 toegenomen. Hierdoor is er behoefte aan ruimte voor experimenten ontstaan[1]. Dit is door de Minister beantwoord met de Beleidsregel experimenten vergaand geautomatiseerd varen rijksvaarwegen (Staatcourant 2019, nr. 50865). Dit geeft partijen die willen experimenteren duidelijkheid binnen welke kaders dit veilig kan. Tevens is in 2018 het Loket Smart Shipping geopend, om vragen te beantwoorden en experimenteeraanvragen te behandelen.[2]Ook werkte IenW internationaal mee aan kaders voor de binnenvaart en de scoping exercise door de IMO (International Maritime Organization), en zijn er internationale samenwerkingsverbanden aangegaan met vaarwegbeheerders en beleidsdepartementen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van budgettaire gevolgen van beleid artikel 18 Scheepvaart en Havens (x € 1.000)
         

Realisatie

Begroting

Verschil

 
 

2014

2015

2016

2017

2018

2018

2018

 

Verplichtingen

18.793

30.508

21.489

30.825

44.916

4.576

40.340

1

Uitgaven

4.801

10.932

22.733

29.409

39.981

25.396

14.585

 

18.01 Scheepvaart en havens

4.801

10.932

22.733

29.409

39.981

25.396

14.585

 

18.01.01 Opdrachten

1.956

6.278

14.562

18.207

26.913

17.561

9.352

2

– Topsector Logistiek

0

4.909

11.954

16.810

15.482

8.071

7.411

 

– Caribisch Nederland

0

0

0

141

9.774

7.805

1.969

 

– Overige Opdrachten

0

1.369

2.608

1.256

1.657

1.685

– 28

 

18.01.02 Subsidies

543

2.200

5.926

8.505

7.976

5.044

2.932

3

– Topsector Logistiek

0

1.750

5.102

7.775

6.359

4.935

1.424

 

– Overige Subsidies

543

450

824

730

1.617

109

1.508

 

18.01.03 Bijdragen aan agentschappen

1.404

1.283

1.290

1.137

1.430

1.114

316

 

– Waarvan bijdrage aan agentschap RWS

1.404

1.283

1.290

1.137

1.212

1.114

98

 

– Waarvan bijdrage aan RVO

0

0

0

0

218

0

218

 

18.01.04 Bijdragen aan medeoverheden

0

0

0

0

2.158

0

2.158

 

– Bijdragen aan medeoverheden Caribisch Nederland

0

0

0

0

2.158

0

2.158

4

18.01.05 Bijdragen aan internationale organisaties

898

1.171

955

1.560

1.504

1.677

– 173

 

Ontvangsten

465

450

254

794

168

0

168

 

Financiële Toelichting

Onderstaand wordt op het niveau van financieel instrument een toelichting gegeven op de verschillen (de mutaties) tussen de begroting en de realisatie, zie voor de gehanteerde norm de toelichting «normering jaarverslag» zoals opgenomen in de leeswijzer.

  • De hogere realisatie op de verplichtingen van € 40,3 miljoen is ontstaan door:

    • een actualisatie van de programmering Topsector Logistiek (TSL) en de vrijgave van de bijbehorende budgetten, het verplichtingenbudget is hiervoor met € 28,7 miljoen opgehoogd.

    • een vertraging in de aanbesteding, hierdoor kon de geplande gunning voor het project herstelwerkzaamheden pier Bonaire eind 2017 niet meer plaatsvinden. Het project is in 2018 gegund waardoor € 6,8 miljoen is verplicht in 2018.

    • een verstrekking van een bijzondere uitkering van circa € 2,2 miljoen voor de wederopbouw van de havens Saba en Sint Eustatius via het financieel instrument Bijdrage aan medeoverheden.

    • meer dan begrote verplichtingen voor noodhulp Caribisch Nederland, hiervoor heeft IenW in 2018 € 2,6 miljoen meer verplicht dan begroot (zie ook 2e bullit onder 18.01.01).

  • De hogere realisatie van de opdrachten van € 9,3 miljoen heeft betrekking op het volgende.

    • Als gevolg van de actualisatie van de programmering Topsector Logistiek (TSL) en de vrijgave van de bijbehorende budgetten, is het opdrachtenbudget met € 7,4 miljoen opgehoogd.

    • Opdrachten Caribisch Nederland (€ 2 miljoen): voor noodhulp Caribisch Nederland is in 2018 € 2,6 miljoen meer uitgegeven dan begroot (zie ook 2e bullet onder 18.01.01). Door vertraging bij het project herstelwerkzaamheden pier Bonaire is circa € 0,6 miljoen minder uitgegeven.

  • De hogere realisatie van de subsidies van € 2,9 miljoen wordt veroorzaakt door de ophoging van de subsidies TSL (€ 1,4 miljoen) na actualisatie van de programmering TSL en de vrijgave van bijbehorende budgetten. Daarnaast heeft er een hogere realisatie plaatsgevonden op de overige subsidies (€ 1,5 miljoen): voor een mobiele hijskraan op Saba en de subsidieregeling Innovaties Duurzame Binnenvaart (opgehoogd plafond van € 1,3 miljoen).

  • Door het verstrekken van een bijzondere uitkering voor de wederopbouw van de havens Saba en Sint Eustatius is er in 2018 een hogere realisatie van de Bijdrage aan medeoverheden (€ 2,2 miljoen).

18.01 Scheepvaart en havens

Toelichting op de financiële instrumenten

18.01.01 Opdrachten
  • IenW draagt jaarlijks financieel bij aan de ACM voor het uitvoeren van toezicht op het loodswezen. De overige kosten van het toezicht worden via het loodstarief doorberekend aan de scheepvaart.

  • De twee bovenwindse eilanden van Caribisch Nederland, Saba en St. Eustatius en ook het land St. Maarten zijn getroffen door twee orkanen die schade hebben aangericht aan de havens. Noodhulp voor de drie eilanden is direct daarna in gang gezet, gericht op het (weer) bereikbaar maken van de eilanden voor maritiem transport van hulpgoederen. Vanwege de aard en omvang van de noodhulp en het feit dat in een crisissituatie snel geschakeld diende te worden, heeft de inzet geleid tot overschrijding van de eerste ramingen. Een deel van het noodbudget is in 2017 geclaimd bij en gekregen van BZK, voor het restant kon nadat de werkzaamheden waren afgerond in 2018 geen beroep meer worden gedaan op BZK. Hierdoor heeft IenW in 2018 € 2,6 miljoen meer uitgegeven dan begroot.

  • Voor het project herstelwerkzaamheden pier Bonaire is in 2018 circa € 6,6 miljoen uitgegeven.

  • Het wederopbouwbudget voor de havens Saba en St. Eustatius is goedgekeurd en in 2018 is volop gewerkt aan onderzoek en planvorming.

  • De concurrentiepositie van het maritieme cluster vereist de implementatie van verdragen, een gelijk speelveld en vermindering van de administratieve lasten. De inzet richt zich bijvoorbeeld op een Europese maritieme ruimte zonder grenzen, het monitoren van het maritieme cluster en het faciliteren van verbetering van de efficiency van bemanningen. Hiervoor is beleidsinformatie verzameld en onderzoek verricht.

  • Voor de Topsector Logistiek worden opdrachten op basis van het meerjarenprogramma en de jaarplannen 2015, 2016, 2017 en 2018 via het programmasecretariaat van de Topsector Logistiek uitgezet. Het programma is onderverdeeld in meer dan 10 actielijnen. In 2018 werd in totaal voor circa € 15,5 miljoen aan activiteiten in de vorm van opdrachten uitgevoerd.

18.01.02 Subsidies
  • Voor innovaties in de binnenvaart gericht op verduurzaming is in 2018 de subsidieregeling Innovaties Duurzame Binnenvaart verlengd met een doorloop in 2019. Door grote belangstelling vanuit de binnenvaartsector is het (opgehoogde) subsidieplafond van € 1,3 miljoen voor 2018 volledig benut.

  • Aan het openbaar lichaam Saba is in 2018 een subsidie van € 0,14 miljoen verstrekt voor een mobiele hijskraan/havengebouw op SABA.

  • Voor de Topsector Logistiek zijn in 2018 voor € 6,4 miljoen subsidies op basis van het meerjarenprogramma 2015–2020 via de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) uitgezet. Het NWO voert het onderzoeksdeel uit van de Topsector Logistiek.

18.01.03 Bijdragen aan agentschappen

In het kader van het Beleidsondersteuning en Advies (BOA) protocol met RWS zijn afspraken gemaakt over beleidsondersteuning en -advisering, die RWS uitvoert in opdracht van de beleids-DG’s. Door middel van de agentschapsbijdrage wordt capaciteit hiervoor bij RWS gereserveerd.

18.01.05 Bijdragen aan internationale organisaties

Vanuit de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) gelden betaalt Nederland circa € 0,5 miljoen contributie aan de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) en circa € 0,4 miljoen contributie aan de International Maritime Organization (IMO) conform verdragsverplichtingen. Daarnaast zijn bijdragen aan het European Inland Waterway Transport (IWT) platform circa € 0,4 miljoen, de International Association of Marine Aids to Navigation and Lighthouse Authorities (IALA), de Donaucommissie en North Atlantic Ice Patrol verschuldigd.

Extracomptabele Verwijzingen

Extracomptabele verwijzing naar artikel 15 Hoofdvaarwegennet (x € 1.000)
   

2018

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdsdtuk XII aan artikel 15 Hoofdvaarwegennet van het Infrastructuurfonds

764.205

Andere ontvangsten van artikel 15 Hoofdvaarwegennet

81.365

Totale uitgaven op artikel 15 Hoofdvaarwegennet

845.570

waarvan

 

15.01

Verkeersmanagement

8.655

15.02

Beheer onderhoud en vervanging

334.496

15.03

Aanleg

159.164

15.04

Geïntegreerde contractvormen/PPS

28.867

15.06

Netwerkgebonden kosten HVWN

314.388

15.07

Investeringsruimte

0

Extracomptabele verwijzing naar artikel 17.06 Project Mainportontwikkeling Rotterdam (x € 1.000)
   

2018

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 17.06 Project Mainportontwikkeling Rotterdam van het Infrastructuurfonds

20.184

Andere ontvangsten van artikel 17.06 Project Mainportontwikkeling Rotterdam

 

Totale uitgaven op artikel 17.06 Project Mainportontwikkeling Rotterdam

20.184

waarvan

 

17.06

Project Mainportontwikkeling Rotterdam

20.184

Extracomptabele verwijzing naar artikel 18.03 Intermodaal vervoer (x € 1.000)
   

2018

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 18.03 Intermodaal vervoer van het Infrastructuurdfonds

0

Andere ontvangsten van artikel 18.03 Intermodaal vervoer

 

Totale uitgaven op artikel 18.03 Intermodaal vervoer

0

waarvan

 

18.03.01

Intermodaal vervoer

0

Licence