Base description which applies to whole site

4.6 Artikel 18 Scheepvaart en Havens

Het realiseren van een efficiënt, veilig en duurzaam goederenvervoersysteem, waarbinnen de internationale concurrentiekracht van de mainport en van de Nederlandse maritieme sector wordt versterkt.

Doen (Uitvoeren)

De Minister is verantwoordelijk voor het in stand houden van een robuust hoofdnetwerk van vaarwegen. Vanuit de begroting Hoofdstuk XII (artikel 26.01) wordt een bijdrage gedaan aan het Infrastructuurfonds. Via het Infrastructuurfonds (artikel 15, 17 en 20) investeert de Minister door middel van aanleg en benutting in dit netwerk, in binnenhavens en in de maritieme toegang van zeehavens om een goede en betrouwbare bereikbaarheid over water van de economische kerngebieden te realiseren. Aanleg- en benuttingsprojecten worden in het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) vastgelegd. De Minister is verantwoordelijk voor toezicht en nautisch beheer. Rijkswaterstaat (RWS) voert als beheerder het beheer, onderhoud en vervanging uit. De uitgaven aan beheer, onderhoud en vervanging worden verantwoord op het Infrastructuurfonds (artikel 15).

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en deels ook voor de uitvoering van het maritiem beleid. De rol «regisseren» heeft betrekking op de volgende taken:

  • De Minister stelt normen en handhaaft deze om het veilige en duurzame gebruik van netwerken te waarborgen. De Minister ijvert regionaal en internationaal voor gelijke normen, bijvoorbeeld in de Raad Vervoer, Telecommunicatie en Energie van de EU en de Internationale Maritieme Organisatie (IMO), ook omdat een internationaal level playing field goed is voor de Nederlandse concurrentiepositie. Daarin passen een actief Nederlands lidmaatschap van IMO en Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) en een gerichte bijdrage aan de totstandkoming van Europese regelgeving, inclusief een actieve rol in agentschappen als het Europese Maritieme Veiligheidsagentschap (EMSA) en andere organisaties.

  • De in 2015 vastgestelde Maritieme Strategie geeft de leidende principes aan: meerwaarde door samenwerking, ruimte voor ondernemerschap en oog voor de leefomgeving. Vanuit het oogpunt van verbetering van het milieu en van de kwaliteit van de leefomgeving wordt de innovatie en de transitie naar een duurzame scheepvaart bevorderd. IenW zorgt voor «state of the art» regelgeving op het gebied van milieu, veiligheid, marktordening, bemanningszaken en security. Waar nodig wordt hiervoor internationaal samengewerkt.

  • De Minister geeft zoveel mogelijk ruimte voor ondernemerschap, met een maximaal beroep op de eigen verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven voor een permanente verbetering van de veiligheid en duurzaamheid van het transport over water.

  • IenW draagt, binnen het kabinetsbrede bedrijvenbeleid onder coördinatie van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat, als vakdepartement verantwoordelijkheid voor de overheidsinbreng op de Topsector Logistiek en het maritieme cluster binnen de Topsector Water en Maritiem.

  • Voorts zet de Minister in op een intensivering en stroomlijning van de inspanningen van alle overheden, belangenorganisaties en sectorpartijen betrokken bij bovenstaande beleidsopgaven.

Ten slotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de Inspectie Leefomgeving en Transport op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en Toezicht) en door de Autoriteit Consument en Markt.

Hieronder zijn de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor scheepvaart en havens opgenomen. In productartikel 15 Hoofdvaarwegennet van het Infrastructuurfonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

Tabel 42 Indicator: Passeertijd sluizen
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Realisatie 2021

Streefwaarde 2021

Hoofdtransportas

66%

66%

63%

65%

65%

60%

85%

Hoofdvaarweg

80%

80%

75%

77%

78%

80%

75%

Overige vaarweg

91%

88%

87%

85%

87%

89%

70%

Toelichting

Voor elk type vaarweg (Hoofdtransportas, Hoofdvaarweg en Overige vaarwegen) wordt een te realiseren percentage schepen nagestreefd dat binnen de normtijd de sluis passeert (streefwaarde). De «passeertijd sluizen» is een absolute normtijd die voor elke sluis afzonderlijk is bepaald.

Tabel 43 Kengetal: Ontwikkeling van het procentuele marktaandeel (in tonnen) van de Nederlandse havengebieden ten opzichte van de totale Noordwest Europese havenrange (de «Hamburg-Le Havre range»)
 

Basiswaarde 2005

20161

2017

20182

2019

2020

2021

Totaal Nederlandse Zeehavens

44,9

48,3

47,9

50,3

50,4

49,7

nnb

Mainport Rotterdam

34,9

37,7

37,2

36,8

36,6

36,7

nnb

Overige Nederlandse Zeehavens

10

10,6

10,7

13,5

13,8

13

nnb

1

Vanaf 2016 Havenbedrijf Rotterdam op basis van cijfers ESPO. ESPO beschouwt daarin alleen de Nederlandse havens van Rotterdam, Amsterdam en Zeeland. In eerdere jaren zijn ook de havens van Moerdijk en Groningen in het overzicht meegenomen. Deze worden niet meegenomen door ESPO.

2

Marktaandeel overige Nederlandse zeehavens is vanaf 2018 inclusief Gent (B), na de fusie van de havenbedrijven Zeeland Seaports en Gent tot North Sea Port 9 december 2017. Er worden geen uitgesplitste cijfers gepubliceerd.

Toelichting

Dit kengetal geeft informatie over het marktaandeel van de Nederlandse zeehavens ten opzichte van de concurrerende Noordwest Europese havenrange (de zogenaamde «Hamburg-Le Havre range»). Het streven is het marktaandeel van de Nederlandse havengebieden ten opzichte van de totale Noordwest (de «Hamburg-Le Havre range») ten minste te handhaven.

De gegevens over 2021 waren nog niet beschikbaar ten tijde van het opstellen van dit jaarverslag. De informatie zal aan de Tweede Kamer worden aangeboden bij de begroting 2023.

Tabel 44 Kengetal: Ontwikkeling in aantallen en bruto tonnage (GT)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Van de vloot van in Nederland geregistreerde zeeschepen onder Nederlandse vlag

      

Aantallen

      

Handelsvaart

771

761

757

744

748

nnb

Zeesleepvaart

288

291

299

302

303

nnb

Waterbouw

171

176

168

170

169

nnb

Totaal

1.230

1.228

1.224

1.216

1220

 

Bruto tonnage (GT) (x 1.000)

      

Handelsvaart

6.411

6.275

6.229

6.242

6076

nnb

Zeesleepvaart

423

444

532

531

557

nnb

Waterbouw

542

572

545

552

566

nnb

Totaal

7.376

7.291

7.306

7.325

7199

 

Van de vloot onder buitenlandse vlag in Nederlands eigendom of beheer

Aantallen

      

Handelsvaart

451

458

474

507

503

nnb

Zeesleepvaart

502

499

496

496

520

nnb

Waterbouw

62

63

57

69

69

nnb

Totaal

1.015

1.020

1.027

1.072

1092

 

Bruto tonnage (GT) (x 1.000)

      

Handelsvaart

7.203

7.700

8.806

8.675

9045

nnb

Zeesleepvaart

2.239

1.706

1.779

1.721

1581

nnb

Waterbouw

322

328

319

333

340

nnb

Totaal

9.764

9.734

10.184

10.729

10966

 

Toelichting

Bron: Inspectie Leefomgeving en Transport, 2022. Cijfers van zeeschepen onder buitenlandse vlag op basis van IHS.

Bovenstaande kengetallen geven informatie over de ontwikkeling in aantallen en bruto tonnage (GT) van de vloot in Nederlands eigendom of beheer onder Nederlandse en buitenlandse vlag. De gegevens zijn opgesplitst naar de sectoren handelsvaart, zeesleepvaart en waterbouw. De groei c.q. afname van de vloot onder Nederlandse vlag is niet alleen van overheidsbeleid afhankelijk, maar ook van externe factoren zoals de wereldwijde groei van het ladingaanbod en investeringsklimaat, het zeevaartbeleid (waaronder fiscale klimaat) van andere landen en de individuele prestaties van de ondernemingen. Een toename van de vanuit Nederland beheerde vloot (en dan met name de Nederlandse vlag) is gunstig voor de ontwikkeling van de toegevoegde waarde.

De gegevens over 2021 waren nog niet beschikbaar ten tijde van het opstellen van dit jaarverslag. De informatie zal aan de Tweede Kamer worden aangeboden bij de begroting 2023. 

Tabel 45 Scheepvaartongevallen Nederlandse deel van de Noordzee1
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Zeer ernstige scheepsongevallen

2

2

1

5

1

nnb

Ernstige scheepsongevallen

8

12

10

4

6

nnb

Andersoortige scheepsongevallen

49

16

32

31

24

nnb

Totaal aantal ongevallen

59

30

43

40

31

nnb

      

nnb

Aantal doden (van totaal aantal ongevallen)

0

1

0

3

0

nnb

Aantal gewonden (van totaal aantal ongevallen)

3

3

0

4

2

nnb

Tabel 46 Scheepvaartongevallen Nederlandse binnewateren
 

2016

2017

2018

2019

2020

 

(Zeer) ernstige scheepsongevallen

164

161

176

160

175

nnb

Andersoortige ongevallen

1163

961

1173

1117

1068

nnb

Totaal aantal ongevallen

1327

1122

1349

1277

1243

nnb

      

nnb

Aantal doden (van totaal aantal ongevallen)

7

8

2

5

3

nnb

Aantal gewonden (van totaal aantal ongevallen)

38

33

53

71

39

nnb

Toelichting

In 2020 is één zeer ernstig scheepsongeval geregistreerd, en zes ernstige scheepsongevallen. Het zeer ernstige scheepsongeval betrof de kotter UK-171 Spes Salutis, een vissersvaartuig dat omsloeg en gezonken is. Er zijn in 2020 geen dodelijke slachtoffers gevallen bij de (zeer) ernstige scheepsongevallen op de Noordzee.

Op de Nederlandse binnenwateren (inclusief de zeehavens) zijn in 2020 in totaal 1243 ongevallen geregistreerd, waarvan 175 (zeer) ernstige scheepsongevallen. Op de binnenwateren waren in 2020 drie dodelijke slachtoffers te betreuren.

De gegevens over 2021 waren nog niet beschikbaar ten tijde van het opstellen van dit jaarverslag. De informatie zal aan de Tweede Kamer worden aangeboden bij de begroting 2023.

De resultaten van het op artikel 18 gevoerde beleid zijn in 2021 conform de verwachtingen zoals vermeld in de begroting. Er zijn verder geen grote afwijkingen opgetreden en er was geen noodzaak tot bijstelling. Het beleid heeft daarmee in 2021 bijgedragen aan de realisatie van een efficiënt, veilig en duurzaam goederenvervoersysteem, met aandacht voor de internationale concurrentiekracht van de mainport en van de Nederlandse maritieme sector.

De met de Rijksbrede Nederlandse Maritieme Strategie 2015–2025 (Kamerstukken II 2014-2015, 31 409, nr. 70) ingezette koers is ook in 2021 voortgezet, evenals de samenwerking tussen de rijksoverheid en de maritieme sector bij de uitwerking van de Maritieme Strategie. De basis voor deze samenwerking wordt gevormd door een op 22 februari 2018 vastgesteld werkprogramma, waarin de prioriteiten op het gebied van zeevaart, zeehavens, binnenvaart en de maritieme maakindustrie voor de komende jaren zijn vastgelegd (Kamerstukken II 2017-2018, 31 409, nr. 184). Het werkprogramma heeft een doorlooptijd tot en met 2021 en adresseerde voor 2021 onder meer de volgende onderwerpen: verbetering van het scheepsregister, Smart Shipping, structuurversterking binnenvaart, vergroening zeevaart/binnenvaart en beroepskwalificaties binnenvaart. Onderwerpen op het gebied van vergroening van de zee- en binnenvaart zijn inmiddels opgepakt via de op 11 juni 2019 tot stand gekomen Green Deal Zeevaart, Binnenvaart en Havens. Aan de overige onderwerpen genoemde onderwerpen wordt via eigenstandige trajecten buiten het werkprogramma om verdere uitwerking gegeven. Het werkprogramma zelf is hiermee beëindigd.Ter uitvoering van de Havennota 2020 ‒ 2030 is in juni 2021 de rapportage met bouwstenen voor havensamenwerking naar de Tweede Kamer gezonden. Ter uitvoering van de Green Deal voor Zeevaart, Binnenvaart en Havens is per 1 oktober 2021 de energiebelasting op walstroom voor zeeschepen afgeschaft. De afschaffing van de energiebelasting op walstroom zorgt ervoor dat business cases voor walstroom voor zeeschepen financieel aantrekkelijker worden. Daarnaast is er in 2021 in totaal € 214 mln. financiering beschikbaar gekomen om havens te ondersteunen bij de uitrol van walstroom. Een walstroom programma is in gang gezet, enerzijds als bronmaatregel voor stikstofreductie en anderzijds voor klimaatdoelstellingen in zeehavens. Hierbij wordt rekening gehouden met de totstandkoming van nieuwe Europese regelgeving voor vraag naar en aanbod van walstroom uit het EU Fit-for-55 pakket.

De Integrale corridorbenadering uit de Goederenvervoeragenda heeft vorm gekregen in een modal shift aanpak gericht op een verplaatsing in het vrachtvervoer van de weg naar de binnenvaart en het spoor. Hiermee wordt de beschikbare capaciteit van het transportinfrastructuur beter benut en wordt de duurzaamheid en veiligheid van het transport versterkt. Modal shift bevordert zo ook de verdere integratie van verschillende modaliteit in één samenwerkend transportsysteem. De samenwerking borgt ook voor de lange termijn een goede bereikbaarheid van de grotere industriële complexen en stedelijke gebieden. Modal shift versterkt zo de positie van de Nederlandse havens als centrale toegangspoort tot het Europese transportsysteem en versterkt zo ook de bijdrage vanuit het transport en de logistiek aan het Nederlandse verdienvermogen.

Een Label-systeem voor de binnenvaart, één van de belangrijkste acties uit de Green Deal, is in november 2021 van start gegaan. Eind 2021 is de Tijdelijke subsidieregeling duurzame binnenvaartmotoren 2020-2021 (met in totaal €1,5 miljoen aan subsidies) succesvol afgerond. In 2021 zijn voor €1 mln. projecten gesubsidieerd die gericht zijn op de ontwikkeling of de certificering van motoren van minimaal het Stage V niveau. ↵

Ook is in januari 2021 de gecombineerde Tijdelijke subsidieregeling verduurzaming binnenvaartschepen 2021-2025 van start gegaan voor investeringssubsidies waarmee een motorvervanging van minimaal Stage V niveau of de aanschaf en installatie van een SCR-katalysator wordt gestimuleerd. ↵De aanvragen voor motorvervanging heeft in grote mate de aanvragen voor SCR-katalysatoren overtroffen. Het subsidieplafond voor motorvervanging (€4,9 mln) is hierdoor volledig benut terwijl de aanvragen voor SCR-katalysatoren grotendeels zijn uitbleven (€3,9 mln. van de €15,6 mln. is benut). Door een tijdelijke ophoging van €2mln. in 2021 van het subsidieplafond voor motorvervanging zijn alsnog extra aanvragen gehonoreerd.

Ook in 2021 vonden de vergaderingen van de Internationale Maritieme Organisatie online plaats als gevolg van COVID-19. Tijdens de 32e Assembly van december 2021 is Nederland herkozen als één van de veertig leden van de Council. Tijdens deze Assembly is ook een wijziging van het IMO-verdrag overeengekomen waarmee het aantal leden van de Council wordt uitgebreid naar tweeënvijftig voor een meer representatieve en diverse vertegenwoordiging van lidstaten. Tevens is overeengekomen om de zittingstermijn van de Council van twee naar vier jaar te verlengen en een resolutie die oproept tot snelle acceptatie van deze aanpassingen door de staten die partij zijn bij het verdrag. Op het gebied van klimaat is het pakket van kortetermijnmaatregelen (die voor 2030 effect hebben) aangenomen. Dit betreft een combinatie van technische – en operationele maatregelen die in 2023 geïmplementeerd kunnen worden. Schepen moeten hiermee voldoen aan een bepaalde mate van energie-efficiëntie. De richtlijnen die deze maatregelen verder invullen worden verder uitgewerkt en in 2022 vastgesteld. Daarnaast is een werkplan voor de middellange- en lange termijn maatregelen vastgesteld ten einde in 2050 het gewenste reductiepercentage voor broeikasgassen te bereiken. Ook is er een resolutie aangenomen over vrijwillige maatregelen voor het reduceren van de uitstoot van zwart roet in en bij het Arctisch gebied. En is een strategie en werkplan overeengekomen om mariene plastic afval tegen te gaan. Op gebied van veiligheid is een onderzoek afgerond naar de noodzakelijke aanpassing van regelgeving ten behoeve van autonoom varen en is het werkprogramma uitgebreid zodat gewerkt kan worden aan een algemeen veiligheidskader voor autonome schepen, waarvan de afronding is voorzien in 2025 aan de hand van een in april 2022 overeen te komen werkplan.

Naar aanleiding van de op 1 januari 2019 door de MSC Zoe verloren lading ten noorden van de Waddeneilanden zijn onderzoeken voortgezet om de gevolgen te mitigeren en om de kans op dergelijke gebeurtenissen in de toekomst te minimaliseren. Voorts is de Kamer op een aantal momenten geïnformeerd over containerverlies in bredere zin en meer specifiek in twee voortgangsrapportages MSC Zoe. Bij de laatste Kamerbrief (Kamerstukken II 2020-2021, 31 409, nr. 337) ging ook het onderzoeksrapport naar verkeersbegeleiding als bijlage.

In 2020 en 2021 zijn zowel nationaal als internationaal maatregelen ingevoerd en acties ondernomen naar aanleiding van het ongeval met de MSC Zoe, deze zullen in 2022 een vervolg krijgen.

Tabel 47 Budgettaire gevolgen van beleid art.18 Scheepvaart en Havens (bedragen x € 1.000)
     

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 
 

2017

2018

2019

2020

2021

2021

2021

 

Verplichtingen

30.825

44.916

35.641

85.477

42.649

20.187

22.462

1

         

Uitgaven

29.409

39.981

57.139

81.021

32.381

21.087

11.294

 
         

1 Scheepvaart en havens

29.409

39.981

57.139

81.021

32.381

21.087

11.294

 

Opdrachten

18.207

26.913

19.452

20.759

12.728

6.070

6.658

2

- Topsector Logistiek

16.810

15.482

15.778

14.968

6.448

425

6.023

 

- Caribisch Nederland

141

9.774

797

45

61

100

‒ 39

 

- Overige Opdrachten

1.256

1.657

2.877

5.746

6.219

5.545

674

 

Subsidies

8.505

7.976

5.756

7.785

15.990

12.000

3.990

3

- Topsector Logistiek

7.775

6.359

4.189

1.764

0

0

0

 

- Verduurzaming binnenvaart

0

0

0

0

10.444

12.000

‒ 1.556

 

- Stimulering elektrisch varen

0

0

0

5.440

4.000

0

4.000

 

- Overige Subsidies

730

1.617

1.567

581

1.546

0

1.546

 

Bijdragen aan agentschappen

1.137

1.430

1.608

1.667

1.859

1.454

405

 

- Waarvan bijdrage aan agentschap RWS

1.137

1.212

1.498

1.417

1.392

1.454

‒ 62

 

- Waarvan bijdrage aan RVO

0

218

110

250

467

0

467

 

Bijdragen aan medeoverheden

0

2.158

28.701

49.343

35

0

35

 

- Bijdrage gemeente Tilburg

0

0

0

4.750

0

0

0

 

- Bijdrage provincie Noord-Holland

0

0

0

27.638

0

0

0

 

- Bijdragen Caribisch Nederland

0

2.158

28.701

16.714

35

0

35

 

- Overige bijdrage aan medeoverheden

0

0

0

241

0

0

0

 

Bijdragen aan internationale organisaties

1.560

1.504

1.622

1.467

1.525

1.563

‒ 38

 

- Waarvan bijdrage aan CCR/IMO (HGIS)

1.027

1.020

1.123

967

1.025

1.064

‒ 39

 

- Waarvan overige bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

533

484

499

500

500

499

1

 

Bijdr ZBO's/RWT's

0

0

0

0

244

0

244

 
         

Ontvangsten

794

168

427

643

738

0

738

 

Onderstaand wordt op het niveau van financieel instrument en de verplichtingen een toelichting gegeven op de verschillen (de mutaties) tussen de begroting en de realisatie. Zie voor de gehanteerde norm de toelichting ‘normering jaarverslag’ zoals opgenomen in de leeswijzer.

  • De hogere realisatie van het verplichtingenbudget met € 22,5 miljoen is met name het gevolg van vijf overboekingen vanuit het Infrastructuurfonds voor stimulering modal shift van weg naar water (€ 2,8 miljoen), voor opdrachten Topsector Logistiek (€ 6,4 miljoen), voor uitvoering van de Digitale Transport strategie (€ 1,2 miljoen), voor subsidie voor de bouw en het in de vaart brengen van een waterstof-elektrisch binnenvaartschip (€ 4,0 miljoen) en voor de subsidieregeling verduurzaming binnenvaartschepen (€ 4,9 miljoen). Daarnaast is door vertraging van de subsidieregeling duurzame binnenvaartmotoren (€ 1,0 miljoen) en door vertraging van de subsidieregeling verduurzaming binnenvaartschepen (€ 4,0 miljoen) budget meegenomen van 2020 naar 2021. Lagere realisatie van het verplichtingenbudget met € 1,8 miljoen is het gevolg van een een overboeking naar ILT voor KIWA-tarieven en Inspectieview (€ 0,8 miljoen) en een een overboeking naar TNO en MARIN via EZK (€ 1,0 miljoen). Dit laatste betreft een bedrag van € 0,5 miljoen voor TNO en € 0,5 miljoen voor MARIN voor hun inzet ten behoeve van de validatietechnieken zeevaart voortvloeiend uit afspraken in de Green Deal Zeevaart.

  • De hogere realisatie van het opdrachtenbudget met € 6,7 miljoen is met name het gevolg van drie overboekingen vanuit het Infrastructuurfonds voor stimulering modal shift van weg naar water (€ 2,0 miljoen), voor opdrachten Topsector Logistiek (€ 6,0 miljoen) en voor uitvoering van de Digitale Transport strategie (€ 1,2 miljoen). Lagere realisatie van het opdrachtenbudget met € 1,8 miljoen is het gevolg van een een overboeking naar ILT voor KIWA-tarieven en Inspectieview (€ 0,8 miljoen) en een een overboeking naar TNO en MARIN via EZK (€ 1,0 miljoen). Overige kleinere overboekingsmutaties verklaren het resterende verschil (€ 0,7 miljoen).

  • De hogere realisatie van het subsidiebudget betreft met name de overboeking vanuit het Infrastructuurfonds voor subsidie voor de bouw en het in de vaart brengen van een waterstof-elektrisch binnenvaartschip (€ 4,0 miljoen).

1 Scheepvaart en havens 

Opdrachten

  • IenW draagt jaarlijks financieel bij aan de ACM voor het uitvoeren van toezicht op het loodswezen. De overige kosten van het toezicht worden via het loodstarief doorberekend aan de scheepvaart.

  • Voor Caribisch Nederland (de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba) zijn opdrachten uitgevoerd ter assistentie bij het IenW traject betreffende de modernisering van de maritieme BES-regelgeving en een onderzoek naar mogelijke governance-vormen voor het havenbeheer.

  • De concurrentiepositie van het maritieme cluster vereist de implementatie van verdragen, een gelijk speelveld en vermindering van de administratieve lasten. De inzet richt zich bijvoorbeeld op een Europese maritieme ruimte zonder grenzen, het monitoren van de arbeidsmarkt, het faciliteren van verbetering van de efficiency van bemanningen en het wegnemen van knelpunten in de relevante wetgeving. Hiervoor is beleidsinformatie verzameld en onderzoek verricht.

  • Voor de Topsector Logistiek zijn opdrachten uitgevoerd onder regie van het Topteam Logistiek. In 2021 werd in totaal voor € 6,4 miljoen aan activiteiten in de vorm van opdrachten uitgevoerd. In januari 2021 is een nieuw topsectorprogramma gestart. De activiteiten richten zich op het bereiken van een sterk concurerende en emissieloze logistiek en hebben betrekking op de volgende drie toepassingsgebieden: stadslogistiek, supply chains en corridors en knooppunten.

  • De uitvoering van de acties uit de Havennota 2020-2030 en het voormalig Werkprogramma Zeehavens verlopen via het reguliere opdrachtenbudget. In juni 2021 is de rapportage met bouwstenen voor mogelijke vervolgstappen op het gebied van havensamenwerking naar de Tweede Kamer gezonden  (Kamerstukken II 2020-2021, 31 409, nr. 322).

  • De Integrale corridorbenadering uit de Goederenvervoeragenda heeft vorm gekregen in een modal shift aanpak gericht op een verplaatsing in het vrachtvervoer van de weg naar de binnenvaart en het spoor. Door subsidiering van de keuze van verladers voor de binnenvaart en het spoor en de realisatie van bargelijndiensten zijn projecten opgestart die samen goed zijn voor een shift van 640 TEU per dag. Realisatie van de doelstelling in 2025 van een structurele modal shift met 2000 TEU per dag lijkt daarmee haalbaar.

  • Daarnaast is binnen deze beleidsregel onderzoek gedaan naar knelpunten voor een modal shift naar binnenvaart en spoor. Dit onderzoek zal naar verwachting in het voorjaar van 2022 tot conclusies leiden.

  • Binnen de integrale corridorbenadering is in 2021 ook een nieuw programma voor de versterking van het goederenvervoer en de impact daarvan binnen de corridors Oost en Zuidoost gestart. In het kader van de corridorbenadering is vanuit deze beleidsregel verder een MIRT-onderzoek naar een integrale aanpak van het goederenvervoer over corridor Zuid gedaan. Een besluit hierover is voorzien in het BO MIRT in het voorjaar van 2022.

  • Voor de uitvoering van de Digitale Transport Strategie is in samenwerking met de mainports in 2021 een federatieve referentie architectuur voor veilig data delen tussen overheden en bedrijven vastgesteld, die de komende jaren in concrete projecten zal worden gevalideerd. De implementatie van de EU Verordeningen over papierloos transport (eFTI) en maritiem single window loopt volgens planning. In Europees verband worden de IT specificaties in 2022 resp. 2023 opgesteld, waarna de IT realisatie start gericht op een tijdige nationale implementatie van beide verordeningen in 2025.

  • IenW heeft bij regeerakkoord middelen gekregen om cybersecurity verder te ontwikkelen. Het betreft een deel van de zogenaamde VNAC-gelden. Overkoepelende coördinatie voor de besteding van deze middelen ligt bij het ministerie van Justitie en Veiligheid. Net zoals in 2019 en 2020 zijn ook in 2021 VNAC middelen ingezet om onder andere de cyberawareness binnen de maritieme sector te vergroten en het toezicht verder vorm te geven.

Subsidies

  • In 2021 is gestart met de voorbereiding van de Tijdelijke subsidieregeling onderzoek Topsector Logsitiek 2022-2026.

  • In 2021 vond het tweede jaar van de uitvoering van de Tijdelijke subsidieregeling verduurzaming binnenvaartmotoren 2020-2021 plaats en werd het totaal budget van € 1 miljoen volledig uitgegeven benut.

  • In 2021 is gestart met de voorbereiding van de Tijdelijke subsidieregling walstroom havens.  

  • In 2021 is de IenW-subsidieregeling Basisvisie Recreatietoervaart Nederland aan de Stichting Waterrecreatie Nederland voor de periode 2021 t/m 2025 voortgezet. De subsidie is bestemd voor de voorbereiding, uitvoering en monitoring van de Basisvisie Recreatietoervaart Nederland.

  • Ter uitvoering van de Green Deal zeevaart, binnenvaart en havens is aan Havenbedrijf Rotterdam en de Branche Organisatie Zeehavens (BOZ) een incidentele subsidie verleend van € 0,5 mln. voor onderzoek en innovatieve toepassingen van walstroom.

  • Ter uitvoering van de Havennota 2020-2030 in het kader van de aanpak van container congestie is een subsidie verleend aan Havenbedrijf Rotterdam voor doorontwikkeling van de ‘overflow hub’, een logistiek ontkoppelpunt voor de containerbinnenvaart. Ook de Topsector Logistiek en Havenbedrijf Rotterdam dragen bij aan doorontwikkeling van de ‘overflow hub’.

  • In 2021 is Noodsteun verstrekt aan de Nederlandse Zeevarenden Centrale.

Bijdragen aan agentschappen

In het kader van het Beleidsondersteuning en Advies (BOA) protocol met RWS zijn afspraken gemaakt over beleidsondersteuning- en advisering, die RWS uitvoert in opdracht van de beleids-DG's. Door middel van de agentschapsbijdrage wordt capaciteit hiervoor bij RWS gereserveerd.

Bijdragen aan medeoverheden

In het kader van de afspraken gemaakt in het Samenwerkingsconvenant Zeehavens Bonaire teneinde de nautische dienstverlening en maritieme veiligheid op Bonaire te borgen, is middels een bijzondere uitkering aan het Openbaar Lichaam Bonaire bijgedragen aan een loodsenopleiding van een loods op Bonaire.

Bijdragen aan internationale organisaties

Vanuit de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) gelden betaalt Nederland circa € 0,5 miljoen contributie aan de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) en circa € 0,4 miljoen contributie aan de International Maritime Organisation (IMO) conform verdragsverplichtingen. Daarnaast zijn bijdragen aan het European Inland Waterway Transport (IWT) platform circa € 0,4 miljoen, de International Association of Marine Aids to Navigation and Lighthouse Authorities (IALA), de Donaucommissie en North Atlantic Ice Patrol verschuldigd.

Tabel 48 Extracomptabele verwijzing naar artikel 15 Hoofdvaarwegennet van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
   
  

2021

 

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdsdtuk XII aan artikel 15 Hoofdvaarwegennet van het Infrastructuurfonds

1.286.874

 

Andere ontvangsten van artikel 15 Hoofdvaarwegennet

98.417

 

Totale uitgaven op artikel 15 Hoofdvaarwegennet

1.385.291

Waarvan

  

15.01

Verkeersmanagement

11.158

15.02

Beheer onderhoud en vervanging

463.176

15.03

Aanleg

277.289

15.04

Geïntegreerde contractvormen/PPS

250.651

15.06

Netwerkgebonden kosten HVWN

383.017

15.07

Investeringsruimte

0

Tabel 49 Extracomptabele verwijzing naar artikel 17.06 Project Mainportontwikkeling Rotterdam van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
  

2021

 

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 17.06 Project Mainportontwikkeling Rotterdam van het Infrastructuurfonds

1.700

 

Andere ontvangsten van artikel 17.06 Project Mainportontwikkeling Rotterdam

0

 

Totale uitgaven op artikel 17.06 Project Mainportontwikkeling Rotterdam

1.700

Waarvan

  

17.06

Project Mainportontwikkeling Rotterdam

1.700

Tabel 50 Extracomptabele verwijzing naar artikel 20.05 Investeringsruimte toebedeeld naar modaliteit van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
  

2021

 

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikelonderdeel20.05 Investeringsruimte toebedeeld modaliteit

0

 

Andere ontvangsten van artikelonderdeel 20.05 Investeringsruimte toebedeeld modaliteit

0

 

Totale uitgaven op artikelonderdeel 20.05 Investeringsruimte toebedeeld modaliteit

0

Waarvan

  

20.05.03

Investeringsruimte Vaarwegen

0

Licence