Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

2.2 De Beleidsartikelen

Beleidsartikel 11: Waterkwantiteit

Algemene Doelstelling

Het op orde krijgen en houden van een duurzaam watersysteem tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten, waardoor Nederland droge voeten heeft en over voldoende zoetwater beschikt.

(Doen) uitvoeren

Rollen en Verantwoordelijkheden

Vanuit de Begroting hoofdstzuk XII artikel 26.02wordt een bijdrage gedaan aan het Deltafonds. Vanuit het Deltafonds worden maatregelen en voorzieningen op het gebied van waterveiligheid (artikel 1) en zoetwatervoorziening (artikel 2) bekostigd. De rol (doen) uitvoeren heeft betrekking op taken binnen de beleidsdomeinen waterveiligheid, zoetwatervoorziening en waterkwantiteit:

  • Het waarborgen van de bescherming door primaire waterkeringen langs het kust- en IJsselmeergebied en rivierengebied volgens het wettelijk niveau; alsmede het dynamisch handhaven van de kustlijn op het niveau van 2001 (basiskustlijn).

  • Het (doen) uitvoeren van verkenningen en planuitwerkingen ten behoeve van waterveiligheid en zoetwatervoorziening.

  • Het (doen) uitvoeren van aanlegprojecten, zoals het Hoogwaterbeschermingsprogramma, Ruimte voor de Rivier en de Maaswerken (waterveiligheid).

  • Het (doen) uitvoeren van beheer en onderhoud (waterveiligheid, waterkwantiteit).

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving van het integrale waterbeleid, voor het deltaprogramma en het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving. Ook is de Minister verantwoordelijk voor het verbeteren van de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de bestuurlijke organisatie en het instrumentarium ten behoeve van het waterbeleid. Daarnaast regisseert de Minister de afstemming van het waterbeheer rondom de Noordzee en met de buurlanden bovenstrooms gelegen in de stroomgebieden van Rijn, Maas, Schelde en Eems.

De rol «regisseren» heeft op dit artikel ook betrekking op taken binnen de beleidsdomeinen waterkwantiteit, zoetwatervoorziening en innovatie:

  • Het realiseren van een maatschappelijk afgewogen verdeling van water en daarvoor het hoofdwatersysteem zo te beheren dat wateroverlast en -tekort worden voorkomen. Het zorgen voor kaders en instrumentarium voor regionale afwegingen om het regionale watersysteem op orde te brengen en te houden. Deze aanpak is onder andere terug te vinden in het Nationaal Waterplan 2009–2015 (Hoofdstuk 4 «Waterbeleid in thema’s») en het Programma Rijkswateren 2010–2015 (waterkwantiteit).

  • Het zorgen voor het ontwikkelen en implementeren van integraal waterbeleid in een aanpak gericht op de gebieden met grote rijkswateren. Deze aanpak is onder andere terug te vinden in het Nationaal Waterplan 2009–2015 (Hoofdstuk 3 «Samenwerken aan realisatie van het waterbeleid» en Hoofdstuk 5 «Waterbeleid in gebieden»), het Beheer- en ontwikkelplan voor de Rijkswateren 2010–2015 en het Programma Rijkswateren 2010–2015.

  • Het beleid op de topsector Water is gericht op het versterken van de concurrentiekracht van de Nederlandse watersector. Het gaat onder meer om het organiseren en uitvoeren van bilaterale handelsmissies en het ontvangen van buitenlandse delegaties (innovatie).

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en Kengetallen

Hieronder zijn de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor waterkwantiteit opgenomen. In productartikelen 1, 2 en 3 van het Deltafonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

Onderstaande kengetallen geven weer hoe het is gesteld met het aantal kilometers dijken en duinen en het aantal kunstwerken die zorgen voor waterveiligheid in Nederland. De cijfers zijn gebaseerd op de toetsronden uit 2001, 2006 en 2011. Conform de Waterwet wordt periodiek getoetst of de primaire waterkeringen voldoen aan de wettelijke veiligheidsnormen. Deze toetsing wordt door de beheerder uitgevoerd volgens het door de Minister vastgestelde wettelijk toetsinstrumentarium. In 2017 start de volgende toetsronde. Over de resultaten van deze toetsing wordt in 2023 gerapporteerd aan de Eerste en Tweede Kamer. Indien een kering niet aan de norm voldoet, worden maatregelen getroffen. Een van de deltabeslissingen die momenteel door de Deltacommissaris worden voorbereid gaat over de normering. Zie voor meer informatie hierover onder Beleidswijzigingen.

Dijken en duinen (in kilometers)

Dijken en duinen (in kilometers)

Kunstwerken (aangemerkt als primaire waterkering in aantallen)

Kunstwerken (aangemerkt als primaire waterkering in aantallen)

Ongeveer 60 procent van ons land zou regelmatig onder water staan als er geen dijken en duinen zouden zijn. In dit gebied wonen negen mln mensen en wordt 70 procent van ons BNP verdiend. Maatschappelijk gezien is aandacht voor de waterveiligheid dus van cruciaal belang voor de leefbaarheid en de economie van Nederland (Kamerstukken II, 2012–2013, 33 400, nr. 19).

Ten behoeve van een goede verdeling van water wordt peilbeheer op het hoofdwatersysteem toegepast. Hiervoor dienen de streefpeilen van drie belangrijke watersystemen (het IJsselmeer, Amsterdam-Rijnkanaal/ Noordzeekanaal en het Haringvliet) op het afgesproken niveau te worden gehouden. Stuwen en spuien/gemalen zijn nodig om dit peil te beïnvloeden.

   

Realisatie

Streefwaarde

Streefwaarde

Indicator

Eenheid

20121

2013

2014

Beschikbaarheid streefpeilen voor Noordzeekanaal/ Amsterdam-Rijnkanaal, IJsselmeer en Haringvliet

%

n.v.t.

90%

90%

1

Deze indicator wordt gebruikt vanaf 2013. Hierdoor zijn geen oudere realisaties beschikbaar.

Over de voortgang van het integraal waterbeleid ten behoeve van de grote rijkswateren wordt jaarlijks gerapporteerd in Water in Beeld. Meer specifieke resultaatinformatie over het waterkwantiteitsbeleid wordt jaarlijks door de waterschappen gepubliceerd in de Waterschapsspiegel.

Beleidswijzigingen

In 2014 legt de Deltacommissaris voorstellen voor «deltabeslissingen» voor aan het kabinet. De deltabeslissingen omvatten de hoofdkeuzes voor waterveiligheid, ruimtelijke adaptatie en zoetwatervoorziening en zijn daarmee structurerend voor de aanpak van de opgaven in onder andere het IJsselmeergebied en de Rijn-Maasdelta en bepalend voor de uit te voeren maatregelen. Meer informatie over de stand van zaken van de deltabeslissingen is te vinden in het Deltaprogramma 2014.

In het Bestuursakkoord Water is de afspraak opgenomen om eind 2013 de voortgang van het bestuursakkoord te evalueren. De resultaten hiervan zullen in 2014 bekend worden. Hieruit zal onder meer moeten blijken of de uitvoering van maatregelen volgens verwachting verloopt en of beoogde doelmatigheidswinst gehaald gaat worden.

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 11 Waterkwantiteit (x € 1.000)
   

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

44.019

45.281

34.814

29.305

38.467

39.356

39.400

Uitgaven:

36.161

46.966

39.731

38.756

38.522

39.411

39.400

Waarvan juridisch verplicht

   

85%

       

11.01

Algemeen waterbeleid

31.672

39.955

34.564

33.921

33.330

33.721

31.714

11.01.01

Opdrachten

2.115

3.466

2.436

3.716

3.845

4.017

4.229

11.01.02

Subsidies

10.354

14.386

10.712

9.506

8.886

9.105

8.886

 

– Partners voor Water (HGIS)

9.136

13.499

10.500

9.506

8.886

8.886

8.886

 

– Overige subsidies

1.218

887

212

0

0

219

0

11.01.03

Bijdrage aan agentschappen

19.203

20.103

19.416

18.699

18.599

18.599

18.599

 

– waarvan bijdrage aan KNMI

 

713

473

400

400

400

400

 

– waarvan bijdrage aan RWS

19.203

19.390

18.943

18.299

18.199

18.199

18.199

11.01.04

Bijdrage aan medeoverheden

 

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

 

11.02

Waterveiligheid

2.591

3.657

2.860

2.451

2.828

2.826

4.825

11.02.01

Opdrachten

2.591

3.657

2.860

2.451

2.828

2.826

4.825

11.03

Grote oppervlaktewateren

1.898

3.354

2.307

2.384

2.364

2.864

2.861

11.03.01

Opdrachten

1.898

3.354

1.992

2.063

2.037

2.530

2.516

11.03.05

Bijdrage aan internationale organisaties

   

315

321

327

334

345

 

Ontvangsten

75

50

30

       

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing naar artikel 1 Investeren in Veiligheid van het Deltafonds (x € 1.000)
 

2014

2015

2016

2017

2018

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 1 Investeren in Veiligheid van het Deltafonds

686.025

649.225

705.434

540.609

425.763

Andere ontvangsten van artikel 1 Investeren in Veiligheid van het Deltafonds

141.865

220.003

181.110

180.365

171.478

Totale uitgaven op artikel 1 Investeren in Veiligheid van het Deltafonds

827.890

869.228

886.544

720.974

597.241

waarvan

         

1.01

Grote projecten waterveiligheid

673.058

762.726

749.351

530.078

332.884

1.02

Overige aanlegprojecten

147.835

104.389

135.688

190.546

263.407

1.03

Studiekosten

6.997

2.113

1.505

350

950

Extracomptabele verwijzing naar artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds (x € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds

3.863

16.003

46.808

23.869

2.195

Totale uitgaven op artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds

3.863

16.003

46.808

23.869

2.195

waarvan

         

2.02

Ov.waterinvest.zoetwatervoorz.

1.203

15.962

46.808

23.869

2.195

2.03

Studiekosten

2.660

41

0

0

0

Extracomptabele verwijzing naar artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds (x € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds

176.257

205.602

212.041

162.807

152.620

Andere ontvangsten van artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds

         

Totale uitgaven op artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds

176.257

205.602

212.041

162.807

152.620

waarvan

         

3.01

Watermanagement

11.142

11.478

10.713

10.713

10.713

3.02

Beheer, onderhoud en vervanging

165.115

194.124

201.328

152.094

141.907

11.01 Algemeen Waterbeleid

Budgetflexibiliteit

Een deel van het opdrachtenbudget is juridisch verplicht. Dit heeft met name betrekking op de structurele uitwerking van de wettelijke taken op basis van de Waterwet. Het restant heeft vooral betrekking op de uitwerking van de afspraken in het Bestuursakkoord Water (BAW) en de uitvoering van activiteiten in het kader van het Nationaal Waterplan (NWP). De uitgaven voor de subsidies (zie hiervoor de subsidiebijlage), de bijdrage aan medeoverheden voor de tijdelijke subsidieregeling kwijtschelding door waterschappen en de agentschapsbijdragen aan RWS en KNMI zijn volledig juridisch verplicht. De subsidies en de bijdrage aan medeoverheden hebben een beperkte tijdshorizon en de agentschapsbijdragen hebben een structureel karakter.

11.02 Waterveiligheid

Een deel van het opdrachtenbudget is juridisch verplicht. Dit heeft betrekking op de uitfinanciering van diverse kleine verplichtingen die tot en met 2013 zijn aangegaan.

11.03 Grote oppervlaktewateren

De uitgaven voor de opdrachten is deels juridisch verplicht. Dit heeft onder andere betrekking op de structurele financiering van de contributies voor de uitvoering van de Scheldeverdragen en de uitfinanciering van diverse kleine verplichtingen die tot en met 2013 zijn aangegaan.

Het niet juridisch verplichte deel op dit artikel heeft met name betrekking op de onder de financiële instrumenten opgenomen opdrachten op het gebied van algemeen waterbeleid, veiligheid en grote oppervlaktewateren.

11.01 Algemeen waterbeleid

Toelichting op de financiële instrumenten

11.01.01 Opdrachten

Het in mei 2011 getekende Bestuursakkoord Water (Kamerstukken II 2010–2011, 27 625, nr. 204) wordt momenteel uitgevoerd. Daarbij is voor onderdelen beleidsonderzoek noodzakelijk. De opdrachten hiervoor betreffen bijvoorbeeld de monitoring van de doelmatigheidswinst.

Het huidige Nationaal Waterplan loopt tot 2016. Conform het Bestuursakkoord Water is de ambitie dat het nationale waterbeleid onderdeel wordt van de nationale omgevingsvisie conform het ontwerp van de Omgevingswet. De inhoudelijke voorbereiding van het waterdeel van de omgevingsvisie vraagt mogelijk om verkennend beleidsonderzoek, bijvoorbeeld op gebieden als sturing en financiering.

Sinds 2012 is het «waterloket» onderdeel van het Omgevingsloket Online. Vanaf 2013 wordt gewerkt aan een nieuwe uitvoering van het loket. Deze nieuwe versie moet het mogelijk maken om sneller dan met de huidige versie het loket te kunnen aanpassen aan wijzigingen in de regelgeving. Hiermee wordt tevens geanticipeerd op de komst van de Omgevingswet. Naar verwachting is Omgevingsloket 3.0 de eerste helft van 2015 gereed.

Naast activiteiten op het gebied van de programmering van de projecten die in de begroting Deltafonds zijn opgenomen wordt ook gerapporteerd over de uitvoering en wordt informatie geleverd aan de «Balans voor de Leefomgeving» van het PBL. Over de monitoring van de stand van zaken rond het waterbeleid in Nederland wordt jaarlijks gerapporteerd in «Water in beeld». Hierin wordt ingegaan op de uitvoering van de acties uit het Nationaal Waterplan 2009–2015 en het Bestuursakkoord Water, die worden verricht om de delta veilig, sterk en leefbaar te houden.

De activiteiten van het Ministerie op het gebied van watereducatie zijn met name gericht op de doelstellingen van het Bestuursakkoord Water en de Topsector Water ten aanzien van de uitdagingen op het gebied van onderwijs en arbeidsmarkt.

De Helpdesk Water is onderdeel van de dienst Water, Verkeer en Leefomgeving van RWS. De Helpdesk Water zorgt voor beantwoording van vragen van waterprofessionals en publiek op het waterdossier. Met de ontwikkeling van de Omgevingswet wordt ook gekeken naar de mogelijkheden van verdere integratie van de helpdesks op dit terrein.

11.01.02 Subsidies

HGIS Partners voor Water: Het programma Water Mondiaal is een belangrijk instrument bij het realiseren van de mondiale ambities. Door de krachten te bundelen en daarmee de internationale positie van de Nederlandse watersector te verbeteren wordt bijgedragen aan de oplossingen voor de wereldwaterproblematiek. De interdepartementale samenwerking tussen de Ministeries van IenM, BuZa (incl. HGIS) en EZ wordt gecontinueerd. Onderdeel hiervan is het uitvoeringsprogramma Partners voor Water dat loopt tot en met 2015. De uitgaven worden via de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) gefinancierd.

Sinds de verzelfstandiging van het Kadaster in 1994 heeft het Ministerie de waterschappen gecompenseerd voor de kadastrale kosten. De kosteloze informatievoorziening aan waterschappen kwam toen namelijk te vervallen. De compensatie wordt sinds 2011 in drie stappen afgebouwd in het kader van de vereenvoudiging van de administratieve lasten bij doelmatig waterbeheer, waarbij verantwoordelijkheden (ook de financiële) bij de waterschappen neergelegd worden. Tevens wordt hiermee invulling gegeven aan de taakstelling subsidies uit het Regeerakkoord Rutte I. In 2013 vindt voor het laatst een vergoeding plaats voor een derde deel van de kosten.

Ter uitvoering van het bestuursakkoord Water zijn door de stichting Rioned met subsidie van het Ministerie van IenM 15 kenniscoaches waterketen aangesteld. Deze kenniscoaches zijn beschikbaar voor de samenwerkende partijen in de regio’s om proces en inhoud te ondersteunen.

11.01.03 Bijdragen aan agentschappen

Deze bijdrage heeft betrekking op beleidsadvisering, vertegenwoordiging in internationale werkgroepen, opstelling van rapportages en evaluaties en begeleiding van opdrachten aan de markt en aan Deltares. Hiervoor wordt jaarlijks een opdracht aan RWS verstrekt. Tot deze opdracht behoren de bijdragen aan de uitwerking van de deelprogramma’s in het kader van het Deltaprogramma, zoals de deelprogramma’s veiligheid, zoetwater, rivieren en kust.

Aan het KNMI worden diverse onderzoeken en analyses gevraagd omtrent neerslagpatronen, het gedrag van extreme stormen, verbeterde windmodellen, het weer in de toekomst en risico-analyses ten aanzien van het samenvallen van extreme weerssituaties. De resultaten van deze analyses dragen bij aan de onderbouwing van het wettelijke toetsinstrumentarium voor de primaire waterkeringen en het waterveiligheidsbeleid in het algemeen.

11.01.04 Bijdrage aan medeoverheden

Sinds 1 januari 2012 mogen lokale overheden op grond van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 bij het bepalen van het netto-besteedbare inkomen in het kader van de kwijtschelding rekening houden met de netto-kosten van kinderopvang. Ter compensatie van de gederfde inkomsten van de gemeenten en waterschappen heeft het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid € 10 mln beschikbaar gesteld. Voor de waterschappen gaat het om € 2 mln per jaar tot 2018.

11.02 Waterveiligheid
11.02.01 Opdrachten

In 2014 wordt in een samenwerking tussen Rijk en decentrale overheden uitvoering gegeven aan het vervolmaken van de overstromingsrisicobeheerplannen voor de vier stroomgebieden Eems, Rijn, Maas en Schelde. De plannen moeten uiterlijk december 2015 aan de EU-commissie zijn gerapporteerd en aan het publiek ter beschikking zijn gesteld. Voor zowel de risicokaarten als de plannen wordt gezamenlijk opdracht gegeven voor ondersteuning, ontwikkeling en het beheer.

Op basis van de derde ronde toetsing op veiligheid wordt ook in 2014 gewerkt aan het voorbereiden van de programmering van hoogwaterbeschermingsmaatregelen als onderdeel van het Deltaprogramma. Daarnaast wordt de vierde toetsing op waterveiligheid (2017) voorbereid.

Het wettelijk toetsinstrumentarium, te weten de Hydraulische Randvoorwaarden en het Voorschrift Toetsen op Veiligheid, wordt op basis van technische ontwikkelingen en voortschrijdend inzicht geactualiseerd. Hiervoor worden opdrachten gegeven voor onderzoek, kwaliteitsborging en het organiseren van kennisuitwisseling.

Tenslotte vragen de huidige wettelijke normen aandacht. De huidige normen dateren grotendeels uit de jaren zestig van de vorige eeuw. Sindsdien is het aantal mensen en de economische waarde achter de dijken flink toegenomen. Bovendien krijgen we steeds meer nieuwe technische inzichten. Op basis hiervan worden studies uitgevoerd en met de uitkomsten wordt in het kader van het Deltaprogramma bezien in hoeverre de wettelijke normen aangepast moeten worden.

11.03 Grote oppervlaktewateren
11.03.01 Opdrachten

IenM werkt mee aan integrale gebiedsontwikkeling in het Waddengebied, onder andere met het doel om de veiligheid van het Waddengebied voor de lange termijn te kunnen waarborgen. Tevens zijn er activiteiten om Nederlandse beleidsdoelen te realiseren in samenhang met activiteiten in Duitsland en Denemarken en worden werkzaamheden uitgevoerd ter ondersteuning van de deelname door IenM aan het Regiecollege Waddengebied.

In 2014 zal de rijksstructuurvisie Windenergie op Zee worden afgerond. In 2014 zal gestart worden met het opstellen van het nieuwe Nationaal Waterplan, waarin de resultaten van de gebiedsagenda voor de Noordzee een plaats krijgen. Met de buurlanden wordt in 2014 de samenwerking geïntensiveerd ten aanzien van de ruimtelijke inrichting van de gehele Noordzee. Ook wordt samengewerkt bij ontwikkelingen met grensoverschrijdende effecten, waarvoor in Nederland consultatie wordt gehouden. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om windparken in territoriale wateren van de buurlanden. In voorkomende gevallen wordt onderzoek gedaan teneinde de Nederlandse belangen veilig te stellen. Ten slotte wordt een jaarlijkse bijdrage verstrekt voor het Noordzeeloket; een online loket voor informatie over de Noordzee.

De Rijksstructuurvisie Volkerak-Zoommeer (RGV) geeft uitsluitsel over de ontwikkelrichting van het Grevelingen en Volkerak-Zoommeer: wel of geen beperkt getij terug op de Grevelingen (verbetering waterkwaliteit), wel of geen waterberging op de Grevelingen (versterking waterveiligheid Rijn-Maasdelta) en wel of geen zout Volkerak-Zoommeer (aanpak blauwalgenplagen). Hiermee geeft het Rijk invulling aan zijn beleidsverantwoordelijkheden op het gebied van waterveiligheid en zoetwater (Deltaprogramma), waterkwaliteit (KRW) en economie (topsectorenbeleid). Tevens verschaft het Rijk hiermee duidelijkheid aan regionale overheden en private investeerders over de randvoorwaarden van het Rijk voor de ruimtelijk-economische ontwikkeling van het gebied. Besluitvorming over de RGV is voorzien eind 2014, in samenhang met de deltabeslissingen van het kabinet en de resultaten van het programma Gebiedsontwikkeling Grevelingen en Volkerak-Zoommeer van de drie provincies.

Uit de evaluatie van de Watertoets is gebleken dat de watertoets een nuttig instrument is om vroegtijdige betrokkenheid van de waterbeheerder bij ruimtelijke ordeningsprocessen te borgen. Om het functioneren in de praktijk op bepaalde punten te versterken (bijvoorbeeld strategische planvorming), wordt in 2014 een visie en actieprogramma opgesteld en uitgevoerd met als onderdeel praktijkgerichte regionale leergemeenschappen. Daarnaast vindt ook afstemming met het Deltaprogramma en de Omgevingswet plaats.

Beleidsartikel 12: Waterkwaliteit

Algemene Doelstelling

Het op orde krijgen en houden van een duurzaam watersysteem tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten, waardoor Nederland schoon (drink)water heeft.

(Doen) uitvoeren

Rollen en Verantwoordelijkheden

Maatregelen op het gebied van waterkwaliteit worden verantwoord op dit artikel. De rol «(doen) uitvoeren» heeft betrekking op taken binnen het volgende onderdeel:

  • Het (doen) uitvoeren van aanlegprojecten, zoals het Verbeterprogramma Waterkwaliteit Rijkswateren.

  • Het (doen) uitvoeren van beheer en onderhoud.

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving van het integrale waterbeleid en het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving. Ook is de Minister verantwoordelijk voor het verbeteren van de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de bestuurlijke organisatie en het instrumentarium ten behoeve van het waterbeleid. Daarnaast regisseert de Minister de afstemming van het waterbeheer rondom de Noordzee en met de buurlanden bovenstrooms gelegen in de stroomgebieden van Rijn, Maas, Schelde en Eems.

De rol «regisseren» heeft in dit artikel betrekking op taken binnen de volgende onderdelen:

  • Het bereiken van een goede ecologische en chemische kwaliteit van de oppervlaktewateren in de stroomgebieden van de Rijn, Maas, Schelde, Eems en het bereiken van een goede chemische en kwantitatieve toestand van de grondwateren in de vier stroomgebieden, conform de voorschriften zoals opgenomen in de Kaderrichtlijn Water (KRW), om in 3 planperiodes uiterlijk in 2027 aan de Europese verplichtingen te voldoen.13

  • Beleidsontwikkeling ten behoeve van het nemen van de nodige maatregelen om een goede milieutoestand te bereiken en te behouden in het Nederlandse deel van de Noordzee, in samenwerking en samenhang met de andere Noordzeelanden, conform de vereisten zoals opgenomen in de Kaderrichtlijn Mariene Strategie.14

  • Ten aanzien van de KRW en Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) geldt dat de coördinerende verantwoordelijkheid ligt bij de Minister van IenM, tezamen met de Minister van EZ voor zover het aangelegenheden betreft die mede tot zijn verantwoordelijkheid behoren.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en Kengetallen

Hieronder zijn de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor waterkwaliteit opgenomen. In productartikel 3 van het Deltafonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

KRW-maatregelen per fase per einde van het jaar (rijkswateren)

KRW-maatregelen per fase per einde van het jaar (rijkswateren)

De indicator hierboven geeft informatie over de stand van zaken van de KRW-maatregelen ter verbetering van de waterkwaliteit. Het geeft een meerjarig inzicht in de voortgang van de maatregelen van de betreffende projecten. De beleidsinspanningen van de Minister van IenM richten zich op de Begroting hoofdstuk XII op de regie en realisatie van deze projecten. In het figuur is te zien dat de programma’s voortvarend worden aangepakt en de voortgang van maatregelen in voorbereiding via realisatie naar gereedheid volgens plan verloopt. Zo is te zien dat in 2012 zes maatregelen van voorbereiding naar realisatie zijn gegaan.

Over de ecologische en chemische kwaliteit van de oppervlaktewateren in de stroomgebieden van de Rijn, Maas, Schelde, Eems en het bereiken van een goede chemische en kwantitatieve toestand van de grondwateren in de vier stroomgebieden wordt de Tweede Kamer jaarlijks geïnformeerd via «Water in Beeld» (laatste publicatie: Kamerstukken II, 27 625, nr. 290). Ook heeft IenM het PBL gevraagd om de tussenresultaten in het Milieucompendium te presenteren.

Beleidswijzigingen

In de brief d.d. 20 juni 2013 inzake waterkwaliteit (Kamerstukken II, 2012/13, 27 625, nr. 292) is aangegeven wat de ambities van IenM zijn op dit gebied. In deze brief en het daarop volgende AO van 27 juni 2013 is aangegeven dat in de huidige begroting de gereserveerde middelen voor het Kierbesluit vanuit de Begroting hoofdstuk XII worden overgeheveld naar het Deltafonds, dit gezien de samenhang tussen veiligheid, zoetwater en ecologische waterkwaliteit.

IenM is voornemens om na wijziging van de Waterwet de budgetten voor investeringen in «waterkwaliteit» volledig over te hevelen naar het Deltafonds. In bovengenoemde brief is reeds aangekondigd dat in deze begroting wordt aangegeven hoe hier in de begrotingsperiode mee om wordt gegaan. Vanuit de IenM-begroting (Infrastructuurfonds, artikel 18) is € 100 mln vrijgemaakt voor de KRW-opgave voor de periode tot en met 2018. In de volgende begroting (ontwerpbegroting 2015) zal de KRW-opgave meer structureel worden gedekt.

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 12 Waterkwaliteit (x € 1.000)
   

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

4.383

81.960

83.393

43.711

44.863

41.677

41.091

Uitgaven:

5.937

79.196

85.558

47.634

46.405

41.677

41.091

Waarvan juridisch verplicht

   

97%

       

12.01

Waterkwaliteit

5.937

79.196

85.558

47.634

46.405

41.677

41.091

12.01.01

Opdrachten

2.638

4.275

3.815

3.578

4.197

4.193

4.190

12.01.02

Subsidies

77

171

36

       

12.01.03

Bijdrage aan agentschappen

0

65.893

78.944

41.630

39.446

36.264

35.681

 

– waarvan bijdrage aan RWS

 

65.893

78.944

41.630

39.446

36.264

35.681

 

*Verbeterprogramma Waterkwaliteit Rijkswateren

 

52.823

67.968

33.687

37.882

33.000

34.917

 

*Natuurcompensatie Perkpolder

 

7.325

7.372

3.238

0

0

0

 

*Verruiming vaargeul Westerschelde

 

1.260

451

497

1.011

277

764

 

*Natuurlijker Markermeer/IJmeer

 

4.485

3.153

4.208

553

2.987

0

12.01.04

Bijdrage aan medeoverheden

0

7.432

1.453

1.226

1.542

   

12.01.05

Bijdrage aan internationale organisaties

3.222

1.425

1.310

1.200

1.220

1.220

1.220

 

Ontvangsten

             

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing naar artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds (x € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds

176.257

205.602

212.041

162.807

152.620

Andere ontvangsten van artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds

         

Totale uitgaven op artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds

176.257

205.602

212.041

162.807

152.620

waarvan

         

3.01

Watermanagement

11.142

11.478

10.713

10.713

10.713

3.02

Beheer, onderhoud en vervanging

165.115

194.124

201.328

152.094

141.907

12.01 Waterkwaliteit

Budgetflexibiliteit

Een deel van het opdrachtenbudget is juridisch verplicht. Dit heeft betrekking op de uitfinanciering van diverse kleine verplichtingen die tot en met 2013 zijn aangegaan. De uitgaven voor de subsidies, de bijdrage aan medeoverheden, de agentschapsbijdrage aan RWS en de bijdragen aan internationale organisaties zijn volledig juridisch verplicht. De subsidies (zie hiervoor de subsidiebijlage) hebben een beperkte tijdshorizon en de bijdrage aan medeoverheden bestaat uit het synergieprogramma KRW en loopt door tot en met 2015. De agentschapsbijdrage aan RWS is bestemd voor de uitvoering van maatregelen op het gebied van waterkwaliteit die niet verbonden zijn aan waterkwantiteit en waterveiligheid en heeft een structureel karakter.

De bijdragen aan internationale organisaties bestaan uit de structurele jaarlijkse contributies voor de internationale riviercommissies en de OSPAR-commissie, die in internationale verdragen zijn opgericht, en de bijdragen aan de UNESCO, die door middel van twee Memoranda of Understanding, tot en met 2015 wordt ondersteund.

Het niet-juridisch verplichte deel op dit artikel heeft met name betrekking op de uitvoering van activiteiten in het kader van de KRW, de KRM en de ondersteuning van de internationale riviercommissies en OSPAR in de voorbereiding en de uitvoering van hun werkzaamheden.

12.01 Waterkwaliteit

Toelichting op de financiële instrumenten

12.01.01 Opdrachten

De stroomgebiedbeheerplannen onder de KRW (beschikbaar op http://www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/wetgeving-beleid/kaderrichtlijn-water/sgbp/ .) kennen een 6-jaarlijkse cyclus. Doel is om in 2027 de doelstelling van schoon water en een gezond watersysteem voor duurzaam gebruik bereikt te hebben. Ieder jaar wordt in Water in Beeld de voortgang van de uitvoering van de maatregelen gerapporteerd. De eerste generatie stroomgebiedbeheerplannen is in 2009 afgerond. De volgende versie van de stroomgebiedbeheerplannen moet in 2015 klaar zijn, de ontwerp-plannen gaan eind december 2014 de inspraak in. Proces en producten zijn beschreven in het Werkprogramma Stroomgebiedbeheerplannen 2015 (vastgesteld in december 2012). De middelen voor de daadwerkelijke uitvoering van de KRW-maatregelen staan onder 12.01.03.

De Europese Kaderrichtlijn Mariene strategie (KRM) kent, net als de KRW, een 6-jarige plancyclus. Nu wordt tot aan 2016 gewerkt in de eerste plancyclus. In 2013 en 2014 worden op basis van de Mariene Strategie Deel I (Initiële Beoordeling, de Goede Milieu Toestand en bijbehorende milieudoelen voor 2020 en indicatoren) de volgende stappen in de implementatie voorbereid, samen met het Ministerie van EZ voor zover het aangelegenheden betreft die mede onder de verantwoordelijkheid van dat Ministerie vallen. Een maatschappelijke kosten-baten analyse (MKBA) maakt hier onderdeel van uit. In 2014 vindt besluitvorming plaats over Mariene Strategie Deel II, het KRM-monitoringsprogramma. In 2015 volgt Mariene Strategie Deel III, het programma van maatregelen voor onderwerpen waar aanvullend beleid nodig is om aan de richtlijn te voldoen. Daarnaast vindt een beleidsverkenning plaats naar de betekenis van kunstmatige harde substraten (zoals wrakken) en beleidsontwikkeling op het gebied van onderwatergeluid. Uitbestedingen zijn er voor het opstellen van een concept-monitoringprogramma (vaststelling 2014), de uitwerking daartoe van indicatoren en kennisontwikkeling op het gebied van zwerfvuil en onderwatergeluid. Hierbij wordt maximaal ingezet op internationale afstemming en samenwerking (Noordzeeregio, OSPAR, EU-programmering) en op samenwerking met kennisinstituten en belanghebbenden.

12.01.02 Subsidies

Er wordt een subsidie verstrekt aan de Stichting Kennis voor Klimaat voor het thema zoetwatervoorziening.

12.01.03 Bijdragen aan agentschappen

Maatregelen in het hoofdwatersysteem op het gebied van waterkwaliteit die niet verbonden zijn aan waterkwantiteit en waterveiligheid, worden als servicepakket waterkwaliteit van RWS verantwoord op dit artikel.

  • Verbeterprogramma waterkwaliteit Rijkswateren:

    In 2010 is gestart met de realisatie van het Verbeterprogramma Water kwaliteit Rijkswateren (eerste planperiode KRW). Het Verbeterprogramma bevat een maatregelenpakket, dat opgenomen is in het Beheerplan Rijkswateren (BPRW2009). Het maatregelenpakket voor de eerste planperiode, zal met uitzondering van het deel dat door de taakstelling van Regeerakkoord Rutte tot na 2015 is getemporiseerd, in 2015 grotendeels gereed zijn. In 2013 is gestart met de voorbereidingen voor het samenstellen van het maatregelenpakket dat na 2015 zal worden uitgevoerd. Daar worden dan in elk geval de getemporiseerde maatregelen, de resultaten van het Innovatieprogramma KRW, de toestand van de waterkwaliteit en de financiële situatie op dat moment bij betrokken.

  • Natuurcompensatie Perkpolder:

    Project «Natuurcompensatie Perkpolder» maakt onderdeel uit van het wettelijk verplichte natuurcompensatieprogramma voor de tweede verdieping van de Westerschelde. Dit project is inmiddels betrokken bij de gebiedsontwikkeling Perkpolder. De gebiedsontwikkeling combineert de natuurdoelstelling met functies als wonen en recreatie en innovatieve concepten voor de lange termijn waterveiligheid. De realisatie vindt plaats in de jaren 2013–2015.

  • Verruiming vaargeul Westerschelde:

    De derde verruiming van de vaargeul van de Westerschelde (zowel op Vlaams als Nederlands grondgebied) is uitgevoerd en gefinancierd door het Vlaams Gewest. Dit geldt ook voor het onderhoud van de verruimde vaargeul. Nederland financiert maximaal € 30 mln op Nederlands grondgebied voor wrakkenberging, kabels- en leidingbescherming, vaargeulwandverdediging, onderzoek en monitoring.

  • Natuurlijker Markermeer / IJmeer:

    Door de afsluiting van het Markermeer en IJmeer van het IJsselmeer door de Houtribdijk kan het water niet vrij meer stromen. Bij harde wind wordt veel slib van de bodem losgemaakt, wat het water vertroebelt. Hierdoor is sprake van een voortdurende verslechtering van de ecologische situatie, waarbij de Natura2000 instandhoudingsdoelstelling voor het gebied in gevaar komt. Het programma Natuurlijker Markermeer/ IJmeer heeft tot doel om mogelijke maatregelen ter verbetering van de waterkwaliteit te onderzoeken en in de praktijk te toetsen. Hieruit volgt een pilot om te experimenteren met de maatregelen in het klein. De resultaten zullen in 2015 leiden tot een advies aan het Kabinet over welke mogelijke maatregelen in de toekomst nodig zijn voor het op peil brengen en houden van de waterkwaliteit van het Markermeer en IJmeer.

12.01.04 Bijdragen aan medeoverheden

Het Synergieprogramma KRW is gericht op synergie tussen ruimtelijke maatregelen ten behoeve van de doelstellingen van de KRW en andere rijksdoelen. Het programma omvat circa 120 projecten, waaronder ruim 80 projecten in het landelijk gebied. Ingevolge het Bestuursakkoord natuur zijn deze laatste projecten gedecentraliseerd. De provincies zijn nu verantwoordelijk voor de verdere uitvoering van die projecten. Gemeenten en waterschappen zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de circa 40 synergieprojecten in het stedelijk gebied. Het Synergieprogramma KRW loopt door tot en met 2016.

12.01.05 Bijdragen aan internationale organisaties

Nederland is partij in de verdragen waarin de internationale riviercommissies voor de Rijn, Maas en Schelde zijn opgericht. In deze commissies bespreekt Nederland watervraagstukken, op het gebied van kwaliteit, droogte en overstroming. De contributie voor deze commissies wordt jaarlijks vastgesteld.

Voor de internationale samenwerking en afstemming over vraagstukken op gebied van mariene milieu, ecologie en biodiversiteit in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan, inclusief de Noordzee, bestaat het OSPAR-verdrag. Ook voor OSPAR is jaarlijks contributie verschuldigd.

Door middel van twee Memoranda of Understanding (MOU’s) wordt UNESCO ondersteund. Het gaat hier om ondersteuning van het grondwaterinstituut «IGRAC» en om capacity building door UNESCO-IHE. De activiteiten versterken de langjarige samenwerking in de Deltalanden uit het Nationaal Waterplan.

Beleidsartikel 13: Ruimtelijke Ontwikkeling

Algemene Doelstelling

Een ruimtelijk beleid voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland, waarin sprake is van regionaal maatwerk, waarin de gebruiker voorop staat, waarin investeringen scherp geprioriteerd worden en waarin ruimtelijke ontwikkelingen, milieu en mobiliteit met elkaar zijn verbonden.

Regisseren

Rollen en Verantwoordelijkheden

Het Rijksbeleid voor ruimtelijke ontwikkeling is beschreven in de in 2012 vastgestelde Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR; Kamerstukken II, 2011/12, 32 660, nr. 50). Dit ruimtelijk beleid kent een selectieve beleidsinzet op 13 nationale belangen. Bij deze 13 nationale belangen is het Rijk verantwoordelijk voor de uitvoering. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijk ordening. In dit kader werkt het Rijk aan meer eenvoudige regelgeving. Daarbij verwacht het Rijk dat medeoverheden zich eveneens inzetten voor meer eenvoud en verdere integratie op het gebied van ruimtelijke regelgeving. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. Om dit doel te bereiken is goede samenwerking met en inzet door medeoverheden van groot belang. De uitvoering van de SVIR is in 2012 gestart.

Door een goede afstemming met de andere overheden en met maatschappelijke partners kan de rijksrol zo efficiënt mogelijk worden ingevuld. De Minister van IenM is vanuit deze rol verantwoordelijk voor:

  • Het opstellen, onderhouden en coördineren van nationale en EU kaders en wet- en regelgeving op ruimtelijk gebied en ten aanzien van interbestuurlijke geo-informatie en de daarbij behorende informatievoorziening. Het vertalen en implementeren van relevante Europese beleidskaders. Het Rijk start in 2014 in samenwerking met medeoverheden, bedrijfsleven en wetenschap met de realisatie van de uitvoeringsagenda voor de nationale geo-informatiestructuur, GIDEON 2.

  • Vanuit de ruimtelijke invalshoek bijdragen aan (de nieuwe) bestuurlijke structuren en inrichting.

  • De duurzame kwaliteit van de ruimtelijke inrichting en doelmatig gebruik van het bodem- en watersysteem.

  • Het ontwikkelen van nationale ruimtelijke visies, zoals de Structuurvisie Ondergrond en een Visie op de ruimtelijke kansen voor duurzame energie-opwekking, -opslag en -transport in 2050.

  • Verdere ontwikkeling van kennis op het ruimtelijke vlak en het faciliteren van de toepassing daarvan door de andere overheden.

  • De structurele verankering van het ruimtelijk ontwerp in de beleidsprocessen en projecten van de ruimtelijke ontwikkeling.

  • Via de gebiedsagenda’s in kaart brengen van de inhoudelijke samenhang tussen (nationale) ruimtelijke projecten, verstedelijking, infrastructuur en (openbaar) vervoer op een zodanige wijze dat het afgestemde investeringsbeslissingen tussen Rijk en regio in het Bestuurllijk Overleg-MIRT ondersteunt.

  • De stelselherziening van het omgevingsrecht.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en Kengetallen

De monitor Infrastructuur en Ruimte zal primair de realisatie van de nationale belangen onderzoeken, afgezet tegen de gestelde ambities. Na de in 2012 uitgevoerde nulmeting zal het PBL in 2014 de eerste Monitor Infrastructuur en Ruimte uitbrengen. Daarin zal op verzoek van de Tweede Kamer behalve aan de 13 nationale belangen ook aandacht worden besteed aan enkele van de «losgelaten» doelen van de Nota Ruimte. Op basis hiervan wordt verantwoording afgelegd aan de Tweede Kamer en kunnen eventuele aanpassingen in het beleid worden gedaan. In 2014 zal daarnaast gestart worden met de evaluatie van de SVIR, die de Tweede Kamer in 2015 zal worden aangeboden.

De Monitor SVIR geeft de ontwikkelingen weer ten aanzien van alle dertien nationale belangen uit het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid. De monitor wordt uitgevoerd door het PBL. De nulmeting van deze monitor is beschikbaar. In 2014 zal de eerste vervolgmeting verschijnen. De gegevens van de monitor zijn te raadplegen via

http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/onderwerpen/nl0041-Monitor-Infrastructuur-en-Ruimte.html?i=40

Met betrekking tot artikel 13 zijn de volgende kengetallen van belang (Kamerstukken II, 2011/12, 32 660, nr. A/50):

Nationaal belang SVIR

Doel SVIR

Voorlopige kengetallen Monitor Infrastructuur en Ruimte

Nulmeting 2012

Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren

Versterken concurrentiekracht stedelijke regio’s

Internationale concurrentie Nederlandse regio’s

Bereikbaarheid

Nabijheid wonen-werken

0,4% toename bereikbare banen tussen 2000 en 2010 (recentere gegevens zijn niet beschikbaar)

Vestigingsklimaat

Fysiek vestigingsklimaat

Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie

Realisering netwerk SEV-III

Toename netlengte hoogspanningslijnen met spanning 220 kV en hoger

Realisatiecijfers worden verwacht in 2014

Transitie duurzame energie

Verbruik hernieuwbare energie

4,2% (2011)

Doelstelling windenergie

Opgesteld vermogen windenergie op land en op zee

2237 MW in 2010

Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen

Buisleidingen in gereserveerde stroken

Toename rode ontwikkelingen buisleiding-stroken

Realisatiecijfers worden verwacht in 2014

Efficiënt gebruik van de ondergrond

Winning opper-vlaktedelfstoffen verbinden met andere functies

Nog uit te werken op basis van structuurvisie ondergrond

Realisatiecijfers worden verwacht in 2014 wanneer structuurvisie beschikbaar is

Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten

Ladder voor duurzame verstedelijking

Ladder voor duurzame verstedelijking

Evaluatie gereed in 2014

Bron: De kengetallen zijn afkomstig uit de Monitor Infrastructuur en Ruimte (www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/ Monitor Infrastructuur en Ruimte). De nulmeting heeft in 2012 plaatsgevonden. De eerste vervolgmeting zal in 2014 beschikbaar komen.

Kengetallen Geo-informatie
   

Basiswaarde

Oude streefwaarde

Realisatie 2012

 

Nieuwe streefwaarde

Te behalen in jaar

 

1

Gebruik Nationaal GeoRegister

Index: 100

>100

75

 

Gebruik relevante overheidsbestanden 100%

2014

 

2

Implementatie Inspire

Inspire-monitor indicatoren

Beter dan 2012

99%

 

Volledig Inspire Compliant

2016

 

3

Basisregistraties

             
 

BAG gebruik

100%

>50%

85%

 

>90%

2014

 
 

BRT gebruik

100%

>75%

100%

 

100%

n.v.t.

 
 

BGT opbouw registratie

100%

>70%

>60%

 

100%

2016

1

 

BRK gebruik

100%

100%

100%

 

100%

n.v.t.

 
 

BRO opbouw registratie

100%

>50%

<25%

2

>90%

2015

 

Afkortingen

BAG: Basisregistratie Adressen en Gebouwen

BRT: Basisregistratie Topografie

BGT: Basisregistratie Grootschalige Topografie

BRK: Basisregistratie Kadaster

BRO: Basisregistratie Ondergrond

Toelichting

  • Voor de opbouw van de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) wordt een jaar langer de tijd genomen dan aanvankelijk gedacht. Het overleg met de partners vordert minder snel dan verwacht. De kwaliteit van de registratie staat voorop.

  • De opzet van de Basisregistratie Ondergrond (BRO) is inhoudelijk zeer complex. De betrokken partners zitten wel op de goede koers om de registratie te realiseren.

Voor het Meerjarenprogramma Bodem wordt verwezen naar de bijlage bij Kamerstukken II, 2012/13, 30 015, nr. 47 «Bodembeleid in beweging» (februari 2013). In dit Kamerstuk wordt gerapporteerd over de uitvoering van het convenant Bodemontwikkelingsbeleid en aanpak spoedlocaties uit 2009.

Beleidswijzigingen

Met het kabinet Rutte I is de koers ingeslagen naar een andere ruimtelijke ordening. Vertrouwen in medeoverheden is de basis voor het bepalen van verantwoordelijkheden, regelgeving en rijksbetrokkenheid. Door hun regionale kennis en onderlinge samenwerkingsverbanden zijn gemeenten en provincies in staat om de opgaven integraal, doeltreffend en met kwaliteit aan te pakken.

Het Rijk vindt, zoals uiteengezet in de SVIR, de 9 stedelijke regio’s van de mainports, brainport, greenports en de valleys van nationale betekenis. De opgaven in deze gebieden worden opnieuw bekeken en vervolgens wordt de vernieuwde rijksrol bepaald. Om gebiedsontwikkelingen van de grond te krijgen zoekt het Rijk, in samenwerking met marktpartijen en andere overheden, naar nieuwe vormen van samenwerking en financiering.

De Minister van IenM zet zich (samen met de relevante Ministeries) in voor de stelselherziening van het omgevingsrecht. In 2013 heeft formele toetsing van de Omgevingswet plaatsgevonden en is advies aan de Raad van State gevraagd. Vanaf 2014 wordt het stelsel van de Omgevingswet verder uitgewerkt in de uitvoeringsregelgeving.

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 13 Ruimtelijke Ontwikkeling (x € 1.000)
   

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

93.527

133.364

136.319

246.678

252.429

190.302

190.085

Uitgaven:

117.259

131.855

105.979

196.861

192.272

192.802

190.085

Waarvan juridisch verplicht

   

78%

       

13.01

Ruimtelijk instrumentarium

23 767

17 237

10 756

10 690

8 560

9 183

9 179

13.01.01

Opdrachten

8 852

8.566

7.770

5.284

6.494

7.983

7.979

13.01.02

Subsidies

14 915

5.996

1.386

3.406

866

   

13.01.03

Bijdrage aan agentschappen

 

1.948

1.200

1.200

1.200

1.200

1.200

 

– waarvan bijdrage aan RWS

 

1.948

1.200

1.200

1.200

1.200

1.200

13.01.04

Bijdrage aan medeoverheden

 

727

400

800

     

13.02

Geo-informatie

28 967

36 773

39 131

36 247

35 410

30 565

23 285

13.02.01

Opdrachten

4 715

2.621

2.590

2.553

2.540

2.418

2.417

13.02.02

Subsidies

 

5.400

         

13.02.05

Bijdrage aan ZBO en RWT

             

13.02.06

Basisregistratie Grootschalige Topografie

24.252

28.752

36.541

33.694

32.870

28.147

20.868

13.03

Gebiedsontwikkeling

14.565

25.482

11.083

8.800

5.888

5.932

11.198

13.03.01

Opdrachten

1.245

2.101

217

1.299

1.278

1.322

1.788

13.03.02

Subsidies

211

101

60

60

60

60

60

13.03.03

Bijdrage aan agentschappen

 

86

         
 

– waarvan bijdrage aan RWS

 

86

         

13.03.04

Bijdrage aan medeoverheden

13.109

23.194

10.806

7.441

4.550

4.550

9.350

 

– Projecten BIRK

8.609

13.025

5.278

5.572

0

0

6.800

 

– Projecten Nota Ruimte

4.500

10.169

5.528

1.869

2.000

2.000

0

 

– Projecten Bestaand Rotterdams Gebied

       

2.550

2.550

2.550

13.04

Ruimtegebruik bodem

49.960

44.765

33.321

130.362

142.414

147.122

146.423

13.04.01

Opdrachten

2.772

4.185

3.856

3.258

1.721

1.723

1.723

13.04.02

Subsidies

22.887

20.597

16.538

16.538

12.000

12.000

10.000

 

– Bedrijvenregeling

7.355

6.400

6.400

10.000

10.000

10.000

10.000

 

– Overige subsidies

15.532

14.197

10.138

6.538

2.000

2.000

 

13.04.03

Bijdrage aan agentschappen

 

7.372

7.066

6.546

4.382

4.244

4.244

 

– waarvan bijdrage aan RWS

 

7.372

7.066

6.546

4.382

4.244

4.244

13.04.04

Bijdrage aan medeoverheden

12.300

3.911

4.261

104.020

124.311

129.155

130.456

 

– Meerjarenprogramma Bodem

 

2.267

1.981

103.220

124.111

129.155

130.456

 

– Programma Gebiedsgericht instrumentarium

12.300

1.644

2.280

800

200

   

13.04.07

Bekostiging

12.001

8.700

1.600

       
 

– Uitvoering klimaatadaptie

 

8.700

1.600

       

13.05

Eenvoudig Beter

 

7.598

11.688

10.762

     

13.05.01

Opdrachten

 

6.501

11.376

10.687

     

13.05.03

Bijdrage aan agentschappen

 

1.097

312

75

     
 

– waarvan bijdrage aan RWS

 

1.097

312

75

     
 

Ontvangsten

5 770

4.159

934

934

934

934

934

13.01 Ruimtelijk instrumentarium

Budgetflexibiliteit

Van het opdrachtenbudget is een deel juridisch verplicht door lopende opdrachten ten behoeve van de uitvoering van het ruimtelijk beleid. Meer specifiek betreft het ondermeer opdrachten in de sfeer van de uitvoering Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (WABO), het architectuurbeleid en het Deltaprogramma Nieuwbouw. De uitgaven voor de subsidies (zie hiervoor de subsidiebijlage) en de agentschapsbijdrage aan RWS voor de maatregelen op het gebied van het Deltaprogramma Nieuwbouw zijn tevens juridisch verplicht. De subsidies en de bijdrage aan medeoverheden hebben een beperkte tijdshorizon en de agentschapsbijdrage heeft een structureel karakter.

13.02 GEO-informatie

Het opdrachtenbudget en het subsidiebudget (zie hiervoor de subsidiebijlage) zijn volledig juridisch verplicht. Het opdrachtenbudget betreft voornamelijk de opdrachtverlening aan de Stichting Geonovum in het kader van de uitvoering van wettelijke taken in relatie tot de basisregistraties. Op grond van dezelfde reden is het budget voor bijdragen aan ZBO’s nagenoeg volledig juridisch verplicht als opdracht aan het Kadaster.

13.03 Gebiedsontwikkeling

Van het opdrachtenbudget is een deel juridisch verplicht op grond van lopende vanwege de uitvoering van het gebiedsbeleid. De uitgaven voor de subsidies (zie hiervoor de subsidiebijlage), de agentschapsbijdrage aan RWS voor de maatregelen op het gebied op het terrein van het gebiedenbeleid en de bijdrage aan andere overheden voor de uitvoering van Budget Investeringen Ruimtelijke Kwaliteit (BIRK), Nota Ruimte en Nieuwe Sleutel Projecten (NSP) projecten zijn juridisch verplicht.

13.04 Ruimtegebruik bodem

Van het opdrachtenbudget is een deel juridisch verplicht op grond van lopende verplichtingen vanwege de uitvoering van het bodembeleid. De uitgaven voor de subsidies (zie hiervoor de subsidiebijlage), de agentschapsbijdrage aan RWS voor de Uitvoeringsorganisatie Bodem en Ondergrond (Bodem+) en de bekostiging van de Stichting Kennis voor Klimaat zijn juridisch verplicht.

Het niet juridisch verplichte deel op dit artikel heeft met name betrekking op mogelijke knelpunten in de uitvoering van de Wet bodembescherming, investeringen op Caribisch Nederland en op de budgetten die nodig zijn voor de uitvoering van het lopende ruimtelijke beleid, de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en het Deltaprogramma.

13.01 Ruimtelijk instrumentarium

Toelichting op de financiële instrumenten

13.01.01 Opdrachten

Uitvoering SVIR

De financiële middelen worden met name ingezet ten behoeve van het houden van zicht op de realisatie van de SVIR en het zorgdragen voor kennis. Hiertoe behoren bijdragen aan de uitvoering van de Monitor Infrastructuur en Ruimte door het PBL, evaluaties over de realisatie van doelen, het uitvoeren van beleidsverkenningen en tot slot financiële bijdragen aan kennisinstituten, hoogleraren en het op peil houden van de vakkennis. De actieve ondersteuning van provincies en gemeenten in krimpregio’s, door middel van kennis en experimenten, wordt voortgezet. De Handreiking Ladder voor Duurzame Verstedelijking is opgesteld en beschikbaar gesteld via internet. De uitkomsten van de evaluatie van de Ladder voor Duurzaamheid worden in 2014 aan de Tweede Kamer aangeboden. In 2014 zal het BARRO (Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening) worden uitgebreid met twee in de SVIR aangekondigde onderwerpen. Het betreft nieuwe hoofdstukken voor de grondreservering van de parallelle Kaagbaan te Schiphol en voor de vrijwaring van buisleidingenstroken.

De pilots rond decentralisatie van kennis in samenwerking met Interprovinciaal Overleg (IPO) en provincies worden in 2013 afgerond. Na evaluatie van de pilots zullen in 2014, in samenwerking met de andere overheden, eventuele vervolgacties worden bepaald en ingevuld.

Ontwerp en geo-analyse

Architectuur en ruimtelijk ontwerp zijn van belang voor «een goed systeem van ruimtelijke ordening», één van de dertien nationale belangen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Goed ontwerp en goede ontwerpers dragen bij aan de samenhang, duurzaamheid en het verdienvermogen van de samenleving en leveren zo meerwaarde op maatschappelijk, economisch en cultureel terrein. De financiële middelen voor architectuur en ruimtelijk ontwerp worden gebruikt om de positie van het ontwerp en de ontwerpers te versterken. Dit is enerzijds gericht op de eigen rol en verantwoordelijkheid van het Rijk en anderzijds op het versterken van lokale en regionale ontwerpkwaliteit en -kracht. De Actieagenda Architectuur en Ruimtelijke Ontwerp (AAARO) 2013–2016 is opgesteld. Een sterke positie van ontwerp(ers) ondersteunt de lokale en regionale innovatiekracht, de snelheid van processen, een breed draagvlak en hoge toekomstwaarde van ruimtelijke initiatieven.

Het budget voor de actieagenda wordt grotendeels als meerjarige subsidie uitgekeerd aan een aantal Lead Partners (Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, Architectuur Lokaal, etcetera) om zo goed mogelijk aan te sluiten op ontwikkelingen en concrete activiteiten in de praktijk. Naast het programmabudget voor de actieagenda zijn er tevens financiële middelen voor de ontwikkeling en het beheer van geo-analyse en voor de digitale verplichtingen die aan ruimtelijke plannen worden gesteld.

Digitalisering ruimtelijk instrumentarium

Een van de kerntaken voor de komende jaren is de digitalisering van het omgevingsrecht inclusief de ruimtelijk juridische instrumenten. De doorontwikkeling van Omgevingsloket Online (OlO), Ruimtelijkeplannen.nl en de Landelijke Voorziening Wkpb (Wet kenbaarheid publieksrechtelijke beperkingen) vormen onderdeel van de digitalisering van het omgevingsrecht. Het Omgevingsloket online is de digitale voorziening waarin aanvragen om omgevingsvergunning en meldingen kunnen worden gedaan. Ruimtelijkeplannen.nl is de site voor de landelijke digitale registratie voor alle ruimtelijke plannen in Nederland. De Wkpb heeft tot doel de toegankelijkheid van belastende overheidsbesluiten (publiekrechtelijke beperkingen) te verbeteren. De komende jaren wordt het omgevingsloket toekomstvast gemaakt en Ruimtelijkeplannen.nl aangepast, mede voor de uitvoering van de omgevingswet.

In 2014 wordt het huidige OLO doorontwikkeld naar OLO3.0 dat de basis moet gaan vormen voor het digitale systeem dat voor de uitvoering van de nieuwe Omgevingswet nodig zal zijn.

Deelprogramma Nieuwbouw en Herstructurering

Het deelprogramma Nieuwbouw en Herstructurering van het Deltaprogramma verkent hoe ruimtelijke maatregelen kunnen bijdragen aan het beperken van de gevolgen van overstroming, een hevige regenbui, langdurige droogte en extreme hitte. De voorstellen vanuit het deelprogramma vormen een onderdeel van de in 2014 te nemen Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie en de Deltabeslissing Waterveiligheid van het Deltaprogramma. De Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie bestaat uit een beleidskader voor ruimtelijke ontwikkelingen en herstructurering (waterrobuust bouwen in relatie tot waterveiligheid) en een aanpak voor klimaatbestendige steden. Het deelprogramma geeft bij de deltabeslissing Waterveiligheid concrete invulling aan meerlaagsveiligheid. Meer informatie over het deelprogramma Nieuwbouw en Herstructurering staat in het Deltaprogramma 2014.

VerDuS

Verbinden van Duurzame Steden (VerDuS) is een onderzoeksprogramma van NWO waarin het Rijk en private partijen nauw samenwerken aan onderzoek naar actuele vraagstukken en innovaties op het gebied van de bereikbaarheid, leefbaarheid en ruimtelijke ordening van stedelijke gebieden in delta’s. Inzet van middelen is bedoeld voor het ontwikkelen, delen en toepassen van kennis voor het realiseren van duurzame gebiedsontwikkeling in het stedelijke deltagebied. In 2014 zal deze samenwerking op het gebied van kennisontwikkeling in EU-verband worden voortgezet.

13.01.02 Subsidies

Klimaatbuffers

Het programma klimaatbuffers ondersteunt de realisatie van 20 natuurprojecten, die de effecten van klimaatverandering tegengaan. Dit gebeurt vooral door het tegengaan van wateroverlast en – schaarste en het verbeteren van de waterveiligheid en -kwaliteit. Ook wordt bijgedragen aan kennisverwerving en verspreiding. Een coalitie van natuurorganisaties krijgt hiertoe subsidies. De verplichtingen hiervoor zijn in het verleden reeds aangegaan. De projecten binnen het programma zijn deels (1/3) afgerond en in 2014 deels ook nog in uitvoering.

Actieagenda Architectuur en Ruimtelijke Ontwerp (AAARO)

Het budget voor de Actieagenda Architectuur en Ruimtelijke Ontwerp (AAARO) wordt grotendeels als meerjarige subsidie uitgekeerd aan een aantal Lead Partners (Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, Architectuur Lokaal, etc.) om zo goed mogelijk aan te sluiten op ontwikkelingen en concrete activiteiten in de praktijk.

13.01.03 Bijdragen aan agentschappen

Dit betreft de bijdrage aan het agentschap RWS ten behoeve van het beheer van het OLO2 systeem, dat nodig is ter ondersteuning van de uitvoering van het huidige omgevingsloket.

13.01.04 Bijdragen medeoverheden

Afronding voorbeeldprojecten landschap

Het Innovatieprogramma Mooi Nederland stimuleert vanaf begin 2009 verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. In dit kader kregen 58 Voorbeeldprojecten medefinanciering uit de Innovatieregeling Mooi Nederland. Uiterlijk 2019 zal het laatste project zijn gerealiseerd. Naar aanleiding van de motie Wiegman is geld van het innovatieprogramma ook beschikbaar gesteld voor «Voorbeeldgebieden Investeren in het landschap». Deze pilot- projecten worden medio 2015 afgerond.

13.02 Geo informatie
13.02.01 Opdrachten

De structurele middelen zijn bestemd voor de exploitatie, beheer en onderhoud van de voorzieningen voor de Europese verplichtingen, waaronder de implementatie van de Europese richtlijn Inspire, gericht op ontsluiting en harmonisatie van ruimtelijke gegevens. Verder zijn hier opgenomen de opdrachten aan onder meer Geonovum, SAGEO en Geofort in het licht van de beleidsuitvoering portefeuille geo-informatie.

13.02.02 Subsidies basisregistraties

De Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) wordt gevuld en daarmee opgebouwd door bronhouders. Dit zijn gemeenten, provincies, waterschappen, Prorail, RWS en een aantal departementen. Tot 2016 vindt de transitie plaats van de oude Grootschalige Basiskaart Nederland (GBKN) naar de nieuwe BGT. Gezamenlijke werkzaamheden worden gecoördineerd en uitgevoerd door de stichtingen Landelijk Samenwerkingsverband GBKN en het Samenwerkingsverband BGT. Vergoedingen voor de transitiekosten (opbouw en dubbele exploitatie) worden in de vorm van subsidies verstrekt.

13.02.06 Bijdragen aan ZBO/RWT

Betreft een structurele bijdrage aan het Kadaster. De investeringen zijn bestemd voor de ontwikkeling en realisatie van de landelijke voorziening van de basisregistratie grootschalige topografie en voor de gezamenlijke ontsluiting van geo-informatie in Nederland. Dit omvat tevens de brede verspreiding van aansluitingen op en gebruik van het gezamenlijke loket PDOK (Publieke Dienstverlening op de Kaart) en het Nationaal GeoRegister (NGR) in relatie tot Europese richtlijn Inspire. De middelen voor exploitatie, beheer en toezicht betreffen de basisregistraties (grootschalige) topografie, kadaster, adressen en gebouwen en basisregistratie Kadaster. Daarnaast gaat het om een bijdrage in de kosten van PDOK en om de beheerkosten van Ruimtelijkeplannen.nl. Deze laatste kosten werden tot en met 2012 gedekt vanuit een apart budget, maar vallen met ingang van 2013 onder het artikel Geo-informatie. Voor al deze onderwerpen tezamen verstrekt IenM één gebundelde opdracht aan het Kadaster.

13.03 Gebiedsontwikkeling
13.03.01 Opdrachten

In het kader van de gebiedsontwikkeling is het MIRT het overzichtsprogramma van de projecten/programma’s in het ruimtelijk fysieke domein. De nadruk ligt op projecten en programma’s waaraan het Rijk financieel bijdraagt. Ook projecten en programma’s waaraan het Rijk niet financieel bijdraagt, maar die wel van rijksbelang zijn, worden in het MIRT besproken. Het streven is een brede afstemming van alle (samenhangende) projecten van verschillende overheidslagen en in verschillende beleidssectoren, om te komen tot een efficiënte inzet van overheidsmiddelen. In het MIRT wordt ook de samenhang met decentrale belangen en regionale opgaven besproken. Dit doet het Rijk met de regio voor alle ruimtelijke en mobiliteitsonderwerpen in de bestuurlijke overleggen MIRT, aan de hand van de gezamenlijke gebiedsagenda’s van Rijk en regio.

13.03.02 Subsidies

Er wordt jaarlijks een subsidie verstrekt aan het Regiecollege Waddengebied (RCW).

13.03.04 Bijdragen aan medeoverheden

Projecten Nota ruimte

Het budget is een extra impuls voor de versterking van de economische concurrentiepositie, krachtige steden en platteland, borging belangrijke ruimtelijke waarden en borging van veiligheid. Beoogd wordt alle projecten te decentraliseren. De financiële reeks betreft alleen uitgaven voor bestaande afspraken.

Projecten BIRK

Het Budget Investeringen Ruimtelijke Kwaliteit (BIRK) is ingezet ter versterking van de ruimtelijke kwaliteit in stedelijke centra of stedelijke gebieden. De projecten zijn volop in uitvoering. De financiële bijdrage van een groot aantal projecten is in 2011 al overgemaakt naar het gemeentefonds, waarmee de projecten gedecentraliseerd zijn.

Nieuwe Sleutel Projecten (NSP)

Het budget is ingezet ter ontwikkeling en versterking van 6 centra in nationale stedelijke netwerken door (her)ontwikkeling van Hogesnelheidslijn (HSL) stations en omgeving. In 2014 heeft dit nog betrekking op de NSP projecten Breda en Arnhem.

Bestaand Rotterdams Gebied (BRG)

De financiële middelen voor BRG zijn bijdragen tot en met 2021 om de doelstellingen zoals verwoord in de uitwerkingsovereenkomst van het deelproject Bestaand Rotterdams Gebied van 2 september 2005 te kunnen bereiken.

13.04 Ruimtegebruik bodem
13.04.01 Opdrachten

Het beleidsonderbouwend onderzoek betreft onder meer onderzoek ten behoeve van de Structuurvisie Ondergrond, de fundamentele herziening van de Wet bodembescherming, de Visitatiecommissie Waterketen en een Visie op de ruimtelijke kansen voor duurzame energie-opwekking, -opslag en -transport in 2050. Ten behoeve van de Structuurvisie Ondergrond en de bijbehorende besluitvorming wordt publieksconsultatie en eventueel aanvullend onderzoek uitgevoerd. Na vaststelling van de structuurvisie volgt begeleiding van de uitvoering.

13.04.02 Subsidies

Bedrijvenregeling

Op grond van de Wet bodembescherming en het Besluit financiële bepalingen bodemsanering, worden subsidies in het kader van de bedrijvenregeling vastgelegd.

NS bodem

Dit betreft de subsidie aan de Stichting Bodemsanering NS op basis van het convenant Bodemsanering NS- percelen (d.d. 21 december 1995) en loopt tot 2016.

Programma Commissie MER

Het Kabinet heeft in 2013 een wetsvoorstel tarieven Commissie MER aangeboden aan de Kamer. Dit wetsvoorstel voorziet in een wettelijke basis om de vergoeding te regelen voor de adviezen van de Commissie voor de milieueffectrapportage aan het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag zal over enkele jaren kostendekkende tarieven moeten betalen. Om de continuïteit van de, bij wet ingestelde, Commissie MER niet in gevaar te brengen zal door het Rijk de komende 4 jaar een overbruggingsbudget van jaarlijks € 2 mln beschikbaar worden gesteld.

Incidentele subsidies

Dit betreft de subsidie aan de Stichting Kennisontwikkeling Kennisoverdracht Bodem ten behoeve van het programma 2010–2014 en de subsidie aan Staatsbosbeheer ten behoeve van bodemsanering.

13.04.03 Bijdragen aan agentschappen

Uitvoeringsorganisatie bodem en ondergrond: Inzet van projectmiddelen en menskracht door Bodem+. Concreet gaat het hierbij om het verrichten van uitvoerende wettelijke taken, ondersteuning van de beleidsontwikkeling, het organiseren van een kennis en expertise-netwerk en daarmee de overheden faciliteren ten aanzien van de thema’s Bodem en Ondergrond door RWS.

13.04.04 Bijdragen aan medeoverheden

Meerjarenprogramma bodem

De bijdragen voor de sanering van vervuilde bodem worden verleend aan het bevoegde gezag voor het uitvoeren van een bij wet toegekende taak. De budgetten tot en met 2014 zijn grotendeels toegekend via Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing en de Decentralisatie-uitkering (DUB) bij het Ministerie van BZK. In de periode tot en met 2014 is ook beperkt budget voorzien voor eventuele knelpunten.

Programma drink- en afvalwatervoorziening op Caribisch Nederland

In de periode tot en met 2016 is budget voorzien voor een eventuele financiële bijdrage aan het oplossen van knelpunten zoals de drinkwater- en afvalwatervoorziening op Saba.

13.04.07 Bekostiging

Kennis voor klimaat: Het onderzoeksbudget is aan de Stichting Kennis voor Klimaat toegekend ten behoeve van het Nationaal Onderzoeksprogramma Kennis voor Klimaat.

13.04.08 Garanties

MKB krediet

Het betreft de mogelijkheid voor een ondernemer in het midden- en kleinbedrijf, met onvoldoende middelen of te weinig zekerheden voor krediet bij een bank, om een borgstelling voor een gedeelte van het benodigde budget voor bodemsanering te krijgen. IenM sluit aan bij de garantieregeling van EZ.

13.05 Eenvoudig Beter
13.05.01 Opdrachten

Binnen de interdepartementale programmadirectie Eenvoudig Beter wordt gewerkt aan de integrale Omgevingswet (Ow) en de implementatie van de Crisis- en Herstelwet (Chw). De financiële middelen worden ingezet voor het nader uitwerken van de Omgevingswet in de uitvoeringsregelgeving, voor de consultatie en toetsing van de AMvB’s onder de Omgevingswet, voor het omgevingsmanagement en voor de implementatie van de Ow en de Chw.

13.05.03 Bijdragen aan agentschappen

Dit betreft de agentschapbijdrage voor de capaciteitsinzet RWS voor de implementatie van de Omgevingswet (Ow) en de Crisis- en herstelwet (Chw).

Beleidsartikel 14: Wegen en Verkeersveiligheid

Algemene Doelstelling

Om weggebruikers zo snel, verkeersveilig, betrouwbaar en duurzaam mogelijk van A naar B te laten reizen ontwikkelt, beheert en benut IenM het hoofdwegennet. Daartoe zet IenM in op een hoofdwegennet dat bijdraagt aan de economische en ruimtelijke ontwikkeling van Nederland en voldoet aan milieunormen. Daarnaast wordt ingezet op een afname van het aantal verkeersslachtoffers op alle Nederlandse wegen. Om deze doelen te bereiken werkt IenM samen met decentrale overheden, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.

(Doen) Uitvoeren

Rollen en Verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor een robuust mobiliteitssysteem van sterke verbindingen, sterke modaliteiten, voorspelbare reistijden en goede bereikbaarheid (zie ook artikelen 15 Openbaar vervoer en 16 Spoor). Voor het hoofdwegennet betekent dit dat de Minister zorgt voor:

  • De besluitvorming over en uitvoering van infrastructuur in relatie tot gebiedsontwikkeling. Aanlegprojecten worden in het MIRT vastgelegd. De bijdragen zijn gerelateerd aan het Infrastructuurfonds (artikel 12 Hoofdwegen);

  • De financiering (via het Infrastructuurfonds) van het programma Beter Benutten;

  • De uitvoering van het beheer, onderhoud, verkeersmanagement en het oplossen van veiligheidsknelpunten door RWS als beheerder van het hoofdwegennet. Deze activiteiten zijn terug te vinden op het Infrastructuurfonds (artikel 12 Hoofdwegen);

  • Het bevorderen van de bereikbaarheid en veiligheid en beperken van de kosten door verbetering van de reisinformatie en het verkeersmanagement: via inzet op de laatste technologieën en samenwerking tussen bedrijfsleven en wegbeheerders verbetert de reisinformatie voor de reiziger, die zich daardoor zowel beter kan voorbereiden op de reis, als de reis kan aanpassen;

  • Het vormgeven (in saneringsplannen) en uitvoeren van de aanpak van hoge geluidbelastingen langs rijkswegen door middel van het meerjarenprogramma Geluid (MJPG);

  • Het oplossen van de knelpunten voor luchtkwaliteit langs het hoofdwegennet door middel van maatregelen (zowel generiek en locatie specifiek) in het kader van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en deels ook voor de uitvoering van het beleid inzake wegen en verkeersveiligheid, waaronder het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving. Via wet- en regelgeving, aansturing van RWS in het beheer van het wegennet en afspraken met het bedrijfsleven en andere maatschappelijke organisaties, zorgt IenM voor veilige infrastructuur en optimaal gebruik daarvan. Daarbij wordt ingespeeld op ontwikkelingen bij gebruikers, voertuigen en infrastructuur. Deze regierol wordt concreet ingevuld door:

  • Regelgeving en afspraken over voorzieningen- en kwaliteitsniveaus bij infrastructuur in het kader van veiligheid, betrouwbaarheid, snelheden, doorstroming en duurzaamheid;

  • Een slim gebruik van de huidige en toekomstige infrastructuur. Met het programma Beter Benutten wordt -naast investeringen in de infrastructuur- gewerkt aan het terugdringen van de files met 20 procent op specifieke corridors in de drukste gebieden van het land, ten opzichte van een situatie zonder het programma Beter Benutten (zie ook artikelen 15 Openbaar vervoer en 16 Spoor). Samen met de regio’s worden de afgesproken gebiedspakketten in het kader van Beter Benutten uitgevoerd om zo op basis van maatwerk de beoogde effecten te realiseren. Daarbij is nadrukkelijk ook samenwerking met het bedrijfsleven;

  • De inzet van het Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2008–2020 en de Beleidsimpuls Verkeersveiligheid. Ze richten zich op verbetering van het infrastructuur, voertuigen en het gedrag van weggebruikers ter vermindering van het aantal verkeersdoden en ernstig verkeersgewonden.

    Samen met decentrale overheden en maatschappelijke partners is met name aandacht voor de groeiende risicogroepen onder de verkeersdeelnemers: ouderen, fietsers, notoire overtreders en beginnende bestuurders;

  • Samen met (internationale) overheden en marktpartijen te werken aan de marktcondities ten behoeve van veiligheid, bereikbaarheid en economie in het wegvervoer. Denk daarbij aan regelgeving over opleidingseisen, cabotage en maten- en gewichten van het vrachtverkeer in Europa;

  • In samenwerking met sociale partners, de transportsector en maatschappelijke organisaties wordt ingezet op verbeterde duurzaamheid van mobiliteit.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie artikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en Kengetallen

Hieronder zijn de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor Wegen en verkeersveiligheid opgenomen. In productartikel 12 van het Infrastructuurfonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

Aanleg

Indicator: acceptabele reistijd
 

Basiswaarde 2001

2007

2008

2009

2010

2011

2012

Streefwaarde 2020

Percentage trajecten waar de streefwaarde wordt gehaald1

86%

80%

80%

84%

83%

88%

92%

100%

Bron: RWS/DVS, 2012

1

De reistijd op een traject is acceptabel als de streefwaarde voor de reistijd wordt gehaald. De streefwaarde voor trajecten van het hoofdwegennet tussen steden is een reistijd in de spits van maximaal 1,5x de reistijd buiten de spits (referentiesnelheid 100 kilometer/uur). Op trajecten rond de vijf grote steden en trajecten op niet-autosnelwegen van het hoofdwegennet is de streefwaarde maximaal 2,0. Er zijn 188 trajecten (alle autosnelwegen binnen het hoofdwegennet). Hiervan zijn 82 trajecten onbemeten. Aangenomen is dat deze onbemeten trajecten voldoen aan de gewenste reistijd in de spits omdat dit de minst drukke trajecten zijn.

Beter Benutten

Over de voortgang van de uitvoering van de gebiedsprogramma’s Beter Benutten wordt de Tweede Kamer geïnformeerd in het kader van het MIRT-proces (bron: brief Tweede Kamer, kenmerk IENM/BSK-2011/157830, Kamerstukken II, 2011/12, 33 000 A, nr. 21).

Beheer en onderhoud

Verwezen wordt naar het Infrastructuurfonds artikel 12.01 (verkeerssignalering op banen en verkeerscentrales) en 12.02.04 (km rijbaanlengte, km2 asfalt, km2 groen areaal).

Verkeersmanagement

Verwezen wordt naar het Infrastructuurfonds artikel 12.01 (Indicator van op alle bemeten wegvlakken ingewonnen betrouwbare reis en route-informatie en tijdige levering aan de serviceproviders).

Geluid en luchtkwaliteit

Indicator: lokale luchtkwaliteit NO2 en geluidsknelpunten langs hoofdwegen
 

Basiswaarde peildatum

Waarde 2006

Waarde 2007

Waarde 2008

Waarde 2009

Waarde 2010

Waarde 2011

Waarde 2012

Streefwaarde peildatum

Lokale luchtkwaliteit NO2

               

0 knelpunten langs rijkswegen 2015

Geluidsknelpunten langs hoofdwegen

12.000

12.000

12.000

12.000

12.000

7.500

7.500

7.000

0 knelpunten langs rijkswegen 2023

Bron: RWS/DVS

Voor lokale luchtkwaliteit geldt dat uiterlijk per 1 januari 2015 op alle locaties langs rijkswegen de grenswaarde voor NO2 gehaald moet worden. Tussenliggende waarden zijn niet vastgesteld. Voor PM10 wordt op alle locaties langs rijkswegen aan de grenswaarde voldaan die geldt vanaf 11 juni 2011.

Het Meerjarenprogramma geluidsanering (MJPG) is in 2011 van start gegaan. Het MJPG is gericht op het realiseren van geluidreducerende maatregelen bij woningen met een geluidbelasting van meer dan 65 dB als gevolg van een rijksweg en bij woningen langs die infrastructuur die in het kader van de saneringsoperatie onder de Wet Geluidhinder tijdig zijn gemeld. Daarnaast zijn woningen die als gevolg van verkeersgroei onder de Wet geluidhinder een toename van meer dan 5 dB hebben ondergaan onderdeel van de saneringsoperatie.

Voor 10 procent van de woningen zal de aanpak bestaan uit gevelisolatie en zal de belasting boven de 65 dB blijven. Door koppeling aan groot onderhoud kan de realisatie in bepaalde situaties later dan 2023 plaatsvinden. Uit onderzoek blijkt dat het aantal knelpunten langs hoofdwegen afgenomen is. Dit is enerzijds het effect van recent gerealiseerde maatregelen zoals geluidsschermen en stille wegdekken in infrastructuurprojecten en een aantal saneringsprojecten. Anderzijds is dit het effect van verbeterde en geactualiseerde databestanden.

Regelgeving en afspraken

Verwezen wordt naar het Infrastructuurfonds artikel 12.02.04 (beschikbaarheid, verhouding verstoring wegwerkzaamheden-totale verstoringen, tijdsduur percentage van het jaar dat de weg veilig beschikbaar is).

Verkeersveiligheid

Indicator: Ontwikkeling aantal verkeersslachtoffers
 

Basiswaarde 2002

2008

2009

2010

2011

2012

Doelstelling 20201

aantal verkeersdoden

1.066

750

720

640

661

650

500

ernstig verkeersgewonden

16.100

17.600

18.600

19.200

20.100

PM

10.600

Bron: RWS/DVS, 2012

1

In tegenstelling tot voorgaande jaren is gekozen om geen tussentijdse doelstelling op te nemen omdat deze slechts is gebaseerd op lineaire interpolatie.

De opgaven ernstig verkeersgewonden wordt november 2013 verwacht.

Marktcondities

Verwezen wordt naar de «Kerncijfers verkeersveiligheid» (indicator Vrachtauto betrokken bij verkeersdoden en Vrachtauto betrokken bij ziekenhuisgewonden) zoals deze door RWS vanaf 2013 op internet worden gepubliceerd.

Duurzaamheid

Verwezen wordt naar artikel 19 Klimaat ETS doelstelling 2020 CO2 verkeer en vervoer.

Beleidswijzigingen

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is een actualisatie van het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. Daarmee is de SVIR «Kapstok» voor uitwerkingen van beleid met ruimtelijke consequenties. In de op te stellen Bereikbaarheidsagenda (2e helft 2013) wordt nader geconcretiseerd welke instrumenten (uitvoering en regie) IenM zal inzetten om deze beleidsdoelen te realiseren.

De Monitor Infrastructuur en Ruimte zal zicht houden op de effecten van het SVIR-beleid en zal eens per twee jaar worden opgesteld. In 2012 is de eerste nulmeting aan de Tweede Kamer gezonden. In 2014 is de eerste vervolgmeting beschikbaar (Kamerstukken II, 2011/12, 32 660, nr. 51).

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 14 Wegen en verkeersveiligheid (x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

35.312

37.471

28.575

31.148

32.515

32.718

27.681

Uitgaven

41.282

37.077

33.119

32.098

33.265

33.215

28.181

Waarvan juridisch verplicht

   

65%

       

14.01

Netwerk

18.894

17.025

14.029

14.859

15.436

15.394

10.368

14.01.01

Opdrachten

11.791

13.422

11.364

10.708

12.851

12.834

7.808

14.01.02

Subsidies

3.957

1.280

105

1.591

25

0

0

14.01.03

Bijdrage aan agentschappen

3.146

2.323

2.560

2.560

2.560

2.560

2.560

 

– waarvan bijdrage aan RWS

3.146

2.323

2.560

2.560

2.560

2.560

2.560

14.02

Veiligheid

22.388

20.052

19.090

17.239

17.829

17.821

17.813

14.02.01

Opdrachten

6.455

5.983

5.506

6.313

6.903

6.920

6.912

14.02.02

Subsidies

15.211

13.399

13.208

10.538

10.538

10.513

10.513

14.02.03

Bijdrage aan agentschappen

722

670

376

388

388

388

388

 

– waarvan bijdrage aan RWS

722

670

376

388

388

388

388

 

Ontvangsten

3.299

6.911

6.782

6.782

6.782

6.782

6.782

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing naar artikel 12 Hoofdwegennet van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
 

2014

2015

2016

2017

2018

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 12 Hoofdwegennet van het Infrastructuurfonds

2.666.245

1.825.950

1.616.956

2.229.831

2.218.412

Andere ontvangsten van artikel 12 Hoofdwegennet van het Infrastructuurfonds

133.839

302.892

139.647

62.084

22.918

Totale uitgaven op artikel 12 Hoofdwegennet van het Infrastructuurfonds

2.800.084

2.128.842

1.756.603

2.291.915

2.241.330

waarvan

       

12.01

Verkeersmanagement

19.189

20.674

20.258

20.257

20.257

12.02

Beheer, onderhoud en vervanging

624.755

566.080

455.869

492.944

483.143

12.03

Aanleg

1.201.347

634.053

479.310

978.381

1.135.101

12.04

GIV/PPS

590.390

556.301

458.852

460.816

258.875

12.06

Netwerkgebonden kosten HWN

407.135

389.777

384.270

379.333

376.890

12.07

Investeringsruimte

– 42.732

– 38.043

– 41.956

– 39.817

– 32.936

Belastinguitgaven (x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Belastingen op personenauto's en motorrijwielen

             

Teruggaaf taxi's

61

63

66

68

71

74

76

Stimulans Euro-6 dieselpersonenauto's

1

1

0

0

0

0

0

Motorrijtuigbelasting

             

Nihiltarief OV-bussen op LPG

0

0

0

0

0

0

0

Vrijstelling taxi's

52

54

55

57

58

60

62

Vrijstelling wegenbouw

0

0

0

0

0

0

0

Nihiltarief MRB zeer zuinige auto's

190

250

6

11

0

0

0

Belasting op zware motorrijtuigen (eurovignet)

             

Teruggaaf internationaal gecombineerd vervoer

0

0

0

0

0

0

0

Bron: Bijlage 5 van de Miljoenennota 2014

14.01 Netwerk

Budgetflexibiliteit

De uitgaven voor subsidies (zie hiervoor de subsidiebijlage) en de agentschapsbijdrage aan RWS zijn volledig juridisch verplicht. Voor subsidies betreft het hier voornamelijk de uitfinanciering van verplichtingen die tot en met 2013 zijn aangegaan. De budgetten voor subsidies worden per jaar gepubliceerd en hebben daarmee een tijdshorizon en de agentschapbijdrage heeft een structureel karakter. Van het opdrachtenbudget is een deel juridisch verplicht op grond van lopende verplichtingen.

14.02 Veiligheid

De uitgaven voor subsidies (zie hiervoor de subsidiebijlage) en agentschapsbijdrage aan RWS zijn volledig juridisch verplicht. Voor subsidies betreft het hier voornamelijk de uitfinanciering van verplichtingen die tot en met 2013 zijn aangegaan. De verplichtingen betreffen subsidies aan het CBR, VVN, SWOV, Team Alert en incidentele doelgroepen. De budgetten voor subsidies worden per jaar gepubliceerd en hebben daarmee een tijdshorizon en de agentschapbijdrage heeft een structureel karakter. Van het opdrachtenbudget is een deel juridisch verplicht als gevolg van lopende opdrachten.

Het niet juridisch verplichte deel van dit artikel wordt aangewend voor met name opdrachten voor het uitvoeren van onderzoeken en het uitvoeren van verkeersveiligheidscampagnes.

14.01 Netwerk

Toelichting op de financiële instrumenten

14.01.01 Opdrachten

De opdrachten betreffen diverse onderzoeken op het gebied van duurzame mobiliteit geluid en wegmaatregelen. Daarnaast vinden uitgaven plaats voor de inrichting van het European Register of Road Transport Undertakings (ERRU) en het kennisplatform tunnelveiligheid. Opdrachten aan de Landsadvocaat worden gegeven ten behoeve van het bijstaan van de Minister in bezwaar- en beroepsprocedures. Het verduurzamen van de mobiliteit draagt fors bij aan de Nederlandse klimaatdoelstelling. Hiertoe worden in 2014 uitgaven gedaan gericht op een ambitieus Europees bronbeleid, het bevorderen van innovatieve duurzame technologieën en het komen tot bewuster en efficiënter mobiliteitsgedrag. Deze onderwerpen zijn ook onderdeel van het SER Energieakkoord, waarover het kabinet begin juli 2013 een overeenstemming op hoofdlijnen bereikte.

De opdrachten voor Beter Benutten betreffen kosten op het gebied van diverse onderzoeken, communicatie, monitoring en evaluatie en ITS (Intelligent Transport Systems).

14.01.02 Subsidies

Uitgaven hebben betrekking op in voorgaande jaren verstrekte stimuleringssubsidies voor C02 reductie.

14.01.03 Bijdrage aan agentschappen

Dit betreft de bijdrage aan RWS voor de capaciteitsinzet in het kader van Beleidsondersteuning en advies.

14.02 Veiligheid
14.02.01 Opdrachten

Het verbeteren van de positie van kwetsbare verkeersdeelnemers gebeurt onder meer door onderzoeken op het gebied van fietsveiligheid. Opdrachten in verband met de invoering van het trekkerrijbewijs (RDW), vergoedingen commissie rijgeschiktheid van de Gezondheidsraad, Onderzoek cat. III medicijnen. Het stimuleren van de verkoop van veilige voertuigen gebeurt door deelname aan Euro NCAP (New Car Assessment Programme). Euro NCAP beoordeelt realistisch en onafhankelijk de veiligheidsprestaties van Europa’s best verkochte auto’s. Om gedragsbeïnvloeding te bereiken wordt ondermeer het Meerjarenprogramma Campagnes Verkeersveiligheid uitgevoerd.

14.02.02 Subsidies

Er worden subsidies verstrekt aan maatschappelijke organisaties Veilig verkeer Nederland (VVN), ANBO, Fietsersbond, Team Alert en de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV). Uitvoering wordt gegeven aan het meerjarenprogramma Blijf Veilig Mobiel. Het meerjarenprogramma Blijf Veilig Mobiel heeft tot doel om een bijdrage te leveren aan de verkeersveilige mobiliteit van senioren bij gelijkblijvende of toenemende mobiliteit. Het programma biedt een stimulans voor het aanbod van activiteiten voor senioren, waarmee zij hun verkeersveilig gedrag kunnen vergroten.

Daarnaast ontvangt het CBR een vergoeding voor de onderzoeken naar de rijvaardigheid alsmede de geestelijke en lichamelijke geschiktheid die zij uitvoeren en waarvan de kosten ingevolge de Regeling maatregelen Rijvaardigheid en Geschiktheid (RMRG) voor rekening van het Rijk komen.

14.02.03 Bijdrage aan agentschappen

Dit betreft de bijdrage aan RWS voor de capaciteitsinzet in het kader van Beleidsondersteuning en advies.

Beleidsartikel 15: Openbaar vervoer

Algemene Doelstelling

Reizigers veilig, betrouwbaar en snel vervoeren gericht op gemak en eenvoud door een optimaal openbaar vervoer netwerk. De verantwoordelijkheid van de Minister inzake spoor wordt toegelicht in artikel 16 Spoor.

Regisseren

Rollen en Verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en deels ook de uitvoering van het beleid inzake regionaal openbaar vervoer (onder andere regionaal openbaar vervoer, taxi, waddenveren). Ook het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving valt onder de ministeriële verantwoordelijkheid. De rol «regisseren» heeft specifiek betrekking op de volgende onderdelen:

  • Het stellen van regels en de kaders (wetgeving) voor het openbaar vervoer (overheden, marktpartijen en reizigers). De regels en kaders hebben betrekking op het openbaar vervoer per bus, tram en metro, het CVV (Regiotaxi) en het openbaar vervoer over water;

  • Het faciliteren (waar nodig) van de decentrale overheden om ervoor te zorgen dat zij optimaal hun rol kunnen vervullen (denk daarbij aan het stimuleren van fietsgebruik, het landelijk fietsdiefstalregister en de nationale database voor reisinformatie voor het openbaar vervoer);

  • Het monitoren van sociale veiligheid door het Ministerie. De uitvoering vindt plaats door decentrale overheden en OV-bedrijven voor het stad- en streekvervoer;

  • Het ontwikkelen van beleid voor toegankelijkheid in de OV-keten. Dit gebeurt door initiatieven bij elkaar te brengen, maar ook door maatregelen te testen waarbij organisaties zijn betrokken van reizigers met functiebeperkingen. Bij deze acties wordt samengewerkt met de vervoersbranche en de decentrale overheden;

  • Het financieren van grote regionale en lokale projecten, vanuit artikel 14 op het Infrastructuurfonds: Regionaal, lokale infrastructuur. Via artikel 25 Brede doeluitkering (op de Begroting hoofdstuk XII) wordt het realiseren van maatwerkoplossingen voor verkeers- en vervoersvraagstukken gefinancierd;

  • Het verlenen van concessies voor de Waddenveren (met uitzondering van Texel). De decentrale overheden verlenen concessies aan het regionaal openbaar vervoer (onder andere bus, tram, metro, gedecentraliseerde treindiensten, boot en CVV). Marktpartijen verrichten het vervoer en zijn concessienemers;

  • Het opstellen van wet- en regelgeving voor het taxivervoer over de vakbekwaamheid, tarieven en de toegang tot de markt ter verbetering van de kwaliteit van het taxivervoer. De meeste busregelgeving wordt in EU en internationaal verband voorbereid en vastgelegd in internationale verdragen, welke worden ingepast in nationale regelgeving;

  • Het beschikbaar stellen van brongegevens voor reisinformatie aan afnemers en waar nodig optreden als regisseur;

  • De implementatie van de OV-Chipkaart en de invulling van de permanente structuur voor de governance daarvan.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en Kengetallen

Het kengetal reizigerskilometers regionaal openbaar vervoer is niet meer opgenomen, aangezien de gegevens niet langer verzameld worden en dus niet meer beschikbaar zijn. Om deze gegevens weer beschikbaar te krijgen wordt door IenM nagegaan of gebruik gemaakt kan gaan worden van geanonimiseerde OV-Chipkaartdata. Hierover wordt overleg met de OV-sector gevoerd.

Kengetal Klanttevredenheid regionaal openbaar vervoer
 

2007

2008

2009

2010

2011

2012

Algemeen oordeel

7,0

7,2

7,2

7,2

7,2

7,4

Informatie en veiligheid

7,3

7,5

7,5

7,5

7,5

7,6

Rijcomfort

7,0

7,2

7,2

7,2

7,3

7,4

Tijd en doorstroming

6,0

6,2

6,5

6,5

6,6

6,8

Prijs

6,3

6,5

6,3

6,3

5,9

6,2

Bron: OV-Klantenbarometer 2012 (KpVV 2013)

Toelichting

De OV-Klantenbarometer heeft betrekking op al het openbaar vervoer dat wordt aangestuurd door de twaalf provincies en de zeven stadsregio’s.15

Beleidskader Sociale Veiligheid Openbaar Vervoer (SVOV): Waardering veiligheidsgevoel/incidenten

Kengetal Sociale veiligheid in het stads- en streekvervoer
 

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

Waardering veiligheidsgevoel in het voertuig als rapportcijfer

               

– Reizigers (1)

7,6

7,8

7,8

7,9

7,9

7,9

7,9

7,9

– Personeel (2)

6,5

6,3

nb

6,3

nb

6,5

nb

6,9

Onveiligheidsincidenten in en rond het OV in %

               

– Reizigers (3)

25

25

23

23

24

23

nb

15

– Personeel (4)

56

65

nb

69

nb

64

nb

60

Bron: OV-Klantenbarometer 2012 (KpVV 2013) en KpVV – Reizigersmonitor, 2010

Toelichting

  • Dit cijfer betreft het veiligheidsgevoel van de reizigers zowel in als rond het voertuig.

  • Dit cijfer betreft het veiligheidsgevoel van het personeel zowel in als rond het voertuig.

  • Dit is gebaseerd op de OV-Klantenbarometer van Kennisplatform Verkeer en Vervoer (KpVV). Het percentage in 2012 is niet vergelijkbaar met voorgaande jaren omdat een andere vraagstelling heeft plaatsgevonden. Voor een toelichting wordt verwezen naar de uitgave Sociale Veiligheid van OV-reizigers in het stads- en streekvervoer16.

  • Dit is het percentage van het personeel dat één of meerdere keren slachtoffer is geweest van een incident. Bij (2) en (4); Voor personeel wordt tweejaarlijks gemeten.

Beleidswijzigingen

In maart 2013 is het manifest «Samen op Reis» afgerond. Hierin hebben vervoersbedrijven en (concessieverlenende) overheden met Rover (Reizigersvereniging OV) en IenM geparticipeerd. In het manifest wordt een vijftiental concrete acties en pilots benoemd om het OV te laten groeien. Deze richten zich op het optimaliseren van netwerken met speciale aandacht voor het eerste en laatste deel van de (keten-)reis, het verbeteren van reisinformatie, het verbeteren van overstappunten, vergroten van de sociale veiligheid en een gezamenlijk productaanbod.

Verder wordt ingezet op het verbeteren van de toegankelijkheid van het OV voor personen met een handicap of beperkte mobiliteit door het ontwikkelen van concrete diensten en producten, aanvullend op wat de sector al doet.

Beide bovengenoemde zaken sluiten aan bij de focus die het beleid legt op het aantrekkelijk maken van openbaar vervoer als reisalternatief en gerichte aandacht voor de concrete uitwerking ervan.

Budgettaire gevolgen van beleid

art 15 Openbaar vervoer (x € 1.000)
   

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

9.633

10.624

5.734

7.223

7.627

7.210

7.589

Uitgaven

9.282

12.578

7.531

7.223

7.627

7.210

7.589

Waarvan juridisch verplicht

   

33%

       

15.01

Openbaar vervoer

9.282

12.578

7.531

7.223

7.627

7.210

7.589

15.01.01

Opdrachten

5.265

10.007

5.252

4.895

5.572

5.155

5.534

15.01.02

Subsidies

3.031

1.576

1.284

1.333

1.060

1.060

1.060

15.01.03

Bijdrage aan agentschappen

986

995

995

995

995

995

995

 

– waarvan bijdrage aan RWS

986

995

995

995

995

995

995

 

Ontvangsten

             

Verwijzing naar het Infrastructuurfonds

Extracomptabele verwijzingen

In productartikel 14 Regionaal, lokale infrastructuur van het Infrastructuurfonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

Extracomptabele verwijzing naar artikel 14 Regionaal, lokale infrastructuur van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
 

2014

2015

2016

2017

2018

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 14 Regionaal, lokale infrastructuur van het Infrastructuurfonds

241.969

120.026

340.370

441.051

342.438

Andere ontvangsten van artikel 14 Regionaal, lokale infrastructuur van het Infrastructuurfonds

         

Totale uitgaven op artikel 14 Regionaal, lokale infrastructuur van het Infrastructuurfonds

241.969

120.026

340.370

441.051

342.438

waarvan

       

14.01

Grote regionaal/lokale projecten

81.566

64.920

123.828

274.627

203.174

14.02

Regionale mobiliteitsfondsen

12.992

     

14.03

RSP-ZZL: pakket bereikbaarheid

147.411

55.106

216.542

166.424

139.264

Belastinguitgaven (x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Omzetbelasting verlaagd tarief

             

Vervoer van personen (w.o. openbaar vervoer)

840

960

999

1.041

1.084

1.129

1.175

Bron: Bijlage 5 van de Miljoenennota 2014

Budgetflexibiliteit

De uitgaven voor subsidies (zie hiervoor de subsidiebijlage) en de agentschapsbijdrage aan RWS zijn volledig juridisch verplicht. De subsidies hebben een tijdshorizon en de agentschapbijdrage heeft een structureel karakter. Van het opdrachtenbudget is een deel juridisch verplicht op grond van lopende verplichtingen. Meer specifiek betreft het onder andere de bijdrage aan de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en de screening van de taxibranche.

Het niet juridisch verplichte deel van dit artikel wordt aangewend voor de uitvoering van taken inzake de implementatie van de OV-Chipcard, de implementatie van de Boord Computer Taxi en de ontwikkeling en bouw van de Nationale Databank Openbaar Vervoergegevens, maar ook onderzoeken op het gebied van decentraal/regionaal vervoer en uitgaven ter stimulering van de marktwerking in het openbaar vervoer.

15.01.01 Opdrachten

Toelichting op de financiële instrumenten

Opdrachten betreffen voornamelijk (lopende) opdrachten voor de implementatie van de OV-Chipkaart, de implementatie van de Boord Computer Taxi en de ontwikkeling en bouw van de Nationale Databank Openbaar Vervoergegevens. Daarnaast worden uit deze middelen bijgedragen aan het OV-Loket, de concessie Waddenveren, het stimuleren van de toegankelijkheid van het openbaar vervoer (OV-Chipkaart) en het fietsbeleid.

15.01.02 Subsidies

Subsidies worden verstrekt aan de Fietsersbond, Rover, de Geschillencommissie taxi en voor de (monitoring van) sociale veiligheid in het openbaar vervoer.

15.01.03 Bijdrage aan agentschappen

RWS ontvangt een jaarlijkse agentschapbijdrage voor de beleidsondersteunde en adviserende taken voor het openbaar vervoer.

Beleidsartikel 16: Spoor

Algemene Doelstelling

De kwaliteit van het spoorproduct verbeteren zodat de reiziger en de verlader de trein in toenemende mate als een aantrekkelijke vervoersoptie beschouwen.

(Doen) Uitvoeren

Rollen en Verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor aanleg en beheer van de spoorweginfrastructuur. Om hier invulling aan te geven wordt ProRail als uitvoerder ingeschakeld. De rol «uitvoeren» heeft betrekking op:

  • Verkenningen en planuitwerkingen;

  • Aanleg van projecten;

  • Beheer waaronder: inframanagement, verkeersleiding en capaciteitsmanagement.

De Minister is ook verantwoordelijk voor het aanbod van reizigersvervoer op het hoofdrailnet. Invulling gebeurt door een concessie te verlenen aan vervoerder NS.

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en deels ook de uitvoering van het spoorbeleid, waaronder het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving. De verantwoordelijkheid van IenM heeft betrekking op de volgende onderdelen:

  • Het uitwerken van de «Lange Termijn Spooragenda». Onderdeel hiervan vormt het vormgeven van het nieuwe sturingsarrangement waarmee IenM in de toekomst haar regierol op het spoor gaat invullen. Dit zal ondermeer zijn weerslag krijgen in de nieuwe beheer- en vervoerconcessie vanaf 2015. Het zorg dragen voor de vormgeving van en implementatie van de internationale regelgeving en het opstellen van regels en kaders voor het vervoer per spoor. Daarbij gaat het onder andere om de capaciteitsverdeling op het spoor. Marktpartijen verrichten het vervoer;

  • Het realiseren van een betrouwbare, duurzame en veilige spoorweginfrastructuur door eisen te stellen aan het hoofdspoorwegnet en de rollen, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van betrokkenen helder te omschrijven in de spoorwegwetgeving;

  • Het aansturen van het beheer van en vervoer over spoor via concessies. Tot 1 januari 2015 heeft ProRail de beheerconcessie voor het beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur. Per 1 januari 2015 wordt een nieuwe beheerconcessie verleend. Het vervoer op het hoofdrailnet is vastgelegd in de vervoerconcessie die is verleend aan de Nederlandse Spoorwegen, die tot 1 januari 2015 loopt. Per 1 januari 2015 wordt tot de verlening van een nieuwe concessie overgegaan. Met ingang van 2015 wordt ook de Hogesnelheidslijn (HSL) onder de hoofdrailnet-concessie gebracht;

  • Het zorgen voor veilige aanleg, beheer en gebruik van lokale spoorwegen (met name tram en metro), het eenduidig regelen van de verantwoordelijkheden en het opheffen van technische belemmeringen door de wet lokaal spoor (in werking vanaf 1 januari 2014).

  • Het opstellen van kaders voor het goederenvervoer per spoor, knooppunten met andere modaliteiten en achterlandverbindingen. Samen met overheden en infrastructuurbeheerders werkt het Ministerie aan de drie Europese spoorgoederencorridors (naar Frankrijk, Italië en Polen/Tsjechië) die in ons land beginnen, waarbij de regelgeving zoveel mogelijk wordt afgestemd op de Nederlandse situatie. De corridors naar Frankrijk en naar Italië worden eind 2013 operationeel, de corridor naar Polen/Tsjechië in 2015;

  • De railmap European Railway Traffic Management System (ERTMS), een algemene veiligheidsaanpak, het plan van aanpak voor snelheidsverhoging op het spoor en daaropvolgend de uitvoering ervan.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en Kengetallen

Hieronder zijn de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor Spoor opgenomen. In productartikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

Punctualiteit reizigers Hoofdrailnet (HRN)

Indicator: Punctualiteit reizigers hoofdrailnet (HRN)
 

Basiswaarde 2003

2007

2008

2009

2010

Grenswaarde Vervoerplan 20111

Realisatie 2011

Grenswaarde 2012

Realisatie 2012

Indicator: 3 minuten punctualiteit HRN2

83,1%

87,0%

86,8%

86,6%

86,5%

is voor 2011 niet meer bepaald

89,6%

n.v.t.

88,5%

Indicator: 5 minuten punctualiteit HRN1

   

93%

92,8%

92,5%

93%2

94,7%

93%

94,2%

Reizigerspunctualiteit

         

90%

91,5%

90%

91,5%

Klantoordeel op tijd rijden (% dat een 7 of hoger geeft)

         

52%

51%

53%

48,9%

Bron: NS, vervoerplan 2013

1

Met het oog op de internationale vergelijkbaarheid is vanaf het Vervoerplan 2011 de indicator gewijzigd van 3 minuten punctualiteit in 5 minuten punctualiteit.

2

Afhankelijk van de uitvoering van de 2e fase van het Herstelplan (2007–2012).

Spoorveiligheid (naar risicodrager)

Hieronder staan de indicatoren voor spoorwegveiligheid. Dit betreft de ontwikkeling van de verschillende veiligheidsdoelstellingen voor de diverse risicodragers conform de Europese systematiek zoals die ook wordt toegepast in de Derde Kadernota Railveiligheid. Risicodragers zijn actoren met verschillende rollen die binnen het spoorsysteem veiligheidsrisico’s lopen. Voor de ontwikkelingen in 2014 geldt het beleid van de Derde Kadernota Railveiligheid dat de veiligheid op alle fronten continue moet verbeteren.

     

Beoordelingsjaar 2011

 

2010

Nr.

Risico-drager

Omschrijving indicator

Behaalde waarde op de indicator

NRV

voortschrijdend gewogen gemiddelde 2011

voortschrijdend gewogen gemiddelde 2010

1.1

Reiziger

FWSI *) onder reizigers / jaar / mld reizigertreinkm’s

0

3,43

3,04

3.42

1.2

Reiziger

FWSI onder reizigers / jaar / mld reizigerkm’s

0

0,03

0,02

0.03

2

Personeel

FWSI onder spoorpersoneel / jaar / mld treinkm’s

0,67

1,27

1,15

1.22

3.1

Overweg-gebruiker

FWSI onder overweggebruikers / jaar / mld treinkm's

76,51

106,92

85,79

105.84

3.2

Overweg-gebruiker

FWSI onder overweggebruikers / jaar / ((treinkm’s*aantal overwegen)/ lijnkm’s)

87,36

117,02

94,79

115.32

4

Anderen

FWSI onder onbevoegden op het spoor / jaar / mld treinkm’s

26,27

2,38

8,72

2,38

5

Onbevoegden

FWSI onder «anderen (derden)» / jaar / mld treinkm»

6,74

4,09

4,22

4,09

6

Overall

Totaal FWSI / jaar / mld treinkm’s

110,47

120,9

98,85

119,8

Bron: Zie het rapport Railveiligheidsindicatoren 2011, Kamerstuk 29 893 nr.135.

Toelichting gebruikte termen in de tabel:

FSWI = het aantal doden en zwaargewonden

NRV = National Reference Value, de in Europees kader vastgestelde referentiewaarde per lidstaat voor de betreffende indicator

Aantal treinbewegingen per week

Kengetal aantal treinbewegingen per week
 

2009

2010

2011

2012

Betuweroute

220

400

450

460

Oldenzaal grens

80

70

60

60

Zevenaar grens

340

380

480

490

Venlo grens

230

250

230

220

Maastricht grens

30

30

20

20

Roosendaal grens

120

120

120

110

Bron: Keyrail, ProRail op basis van jaarcijfers en 52 weken.

De treinbewegingen in bovenstaande tabel zijn afgerond op tientallen en inclusief losse locomotieven. Het aantal hiervan verschilt per jaar, maar is ongeveer vijf procent van de treinbewegingen op het A15-trace van de Betuweroute. In 2013 neemt naar verwachting het aantal treinen verder toe.

Sociale veiligheid Nederlandse Spoorwegen

Kengetal sociale veiligheid NS
 

2007

2008

2009

2010

2011

Grenswaarde 2012

Realisatie 2012

Grenswaarde 2013

Klantoordeel sociale veiligheid1

76,1%

77,5%

78,0%

78,3%

79,1%

78,5%

78,3%

78,5%

Bron: Vervoerplan 2013

1

Het klantoordeel sociale veiligheid is het percentage klanten dat hun veiligheidsbeleving in de trein respectievelijk op het station overdag en in de avond waardeert met een cijfer 7 of hoger.

Beleidswijzigingen

Het beleid wordt verwoord in de Lange Termijn Spooragenda. Deze is ambitieus, omdat het spoor van essentieel belang is voor de bereikbaarheid van Nederland en daarmee voor de economie. Met de Lange Termijn Spooragenda worden de aandachtspunten uit het heden en de toekomstige ontwikkelingen voor de periode tot 2028 met elkaar verbonden. De inzet is om de kwaliteit van het spoor als vervoerproduct te verbeteren zodat de trein voor de reiziger en de verlader in toenemende mate een aantrekkelijke vervoersoptie is. De ambities zijn ingegeven door de wensen van de reiziger en de verlader en zijn gericht op verbeteringen voor de reizigers en de verladers in termen van betrouwbaarheid, reistijd, gemak en informatieverbetering. Daarbij ligt de focus op de gehele keten van deur-tot-deur. Ook wordt ingezet op het substantieel verhogen van het veiligheidsniveau van het spoor en het verder verduurzamen van het vervoer per trein.

De uitwerking van de Lange Termijn Spooragenda zal leiden tot een afgewogen portfolio van programma’s en projecten voor het spoor tot 2028 en een sturingsinstrumentarium waarmee op de realisatie van de geformuleerde ambities en doelen kan worden gestuurd.

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 16 Spoor (x € 1.000)
   

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

31.688

8.812

5.348

4.824

4.918

5.318

5.068

Uitgaven

54.882

40.888

24.424

13.900

4.918

5.318

5.068

Waarvan juridisch verplicht

   

88%

       

16.01

Spoor

54.882

40.888

24.424

13.900

4.918

5.318

5.068

16.01.01

Opdrachten

8.768

6.315

2.888

2.454

2.548

2.948

2.698

16.01.02

Subsidies

46.062

34.359

21.365

11.346

2.270

2.270

2.270

 

– Subsidies Bijzondere Spoordiensten

36.768

25.152

12.189

2.170

2.170

2.170

2.170

 

– Subsidie bodemsanering NS percelen

9.076

9.076

9.076

9.076

     
 

– Overige subsidies

218

131

100

100

100

100

100

16.01.03

Bijdrage aan agentschappen

0

137

74

       
 

– waarvan bijdrage aan KNMI

 

74

74

       
 

– waarvan bijdrage aan RWS

 

63

         

16.01.05

Bijdragen aan internationale organisaties

52

77

97

100

100

100

100

 

Ontvangsten

92

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing naar artikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
 

2014

2015

2016

2017

2018

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds

2.332.690

2.330.000

2.262.458

2.347.839

2.296.758

Andere ontvangsten van artikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds

65.249

236.789

180.483

193.076

194.509

Totale uitgaven op artikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds

2.397.939

2.566.789

2.442.941

2.540.915

2.491.267

waarvan

         

13.02

Beheer, onderhoud en vervanging

1.264.028

1.239.246

1.147.798

1.244.635

1.319.480

13.03

Aanleg

980.114

1.146.896

1.118.264

1.135.420

1.020.157

13.04

GIV/PPS

145.588

163.596

148.580

148.790

149.422

13.07

Rente en aflossing

16.597

16.597

16.597

16.597

16.597

13.08

Investeringsruimte

– 8.388

454

11.702

– 4.527

– 14.389

Extracomptabele verwijzing naar artikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
 

2014

2015

2016

2017

2018

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 17 van het Infrastructuurfonds

6.273

6.273

     

17.02

Betuweroute

6.114

6.114

     

17.03

Hoge snelheidslijn HSL

159

159

     

Budgetflexibiliteit

De uitgaven voor subsidies (zie hiervoor de subsidiebijlage) en agentschapsbijdragen aan RWS en het KNMI (in het kader van winterweer) en de bijdrage aan internationale organisaties zijn volledig juridisch verplicht. Van het opdrachtenbudget is een deel juridisch verplicht op grond van lopende verplichtingen. Meer specifiek betreft het onder andere de bijdrage aan de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en de bijdrage aan het Platform Transportveiligheid. De subsidies hebben een tijdshorizon.

Het niet juridisch verplichte deel van dit artikel heeft met name betrekking op het uitvoeren activiteiten ter ondersteuning van het beheer van en vervoer over het spoor via concessies, het programma Hoogfrequent Spoor en de uitvoering van de Lange Termijn Spooragenda.

16.01 Spoor

Toelichting op de financiële instrumenten

16.01.01 Opdrachten

Dit betreft voornamelijk (lopende) opdrachten voor de pilot ERTMS op het traject Amsterdam-Utrecht, activiteiten ter ondersteuning van de Railmap ERTMS, adviezen ter ondersteuning van het programma Overwegen, de nieuwe beheer- en vervoerconcessie, het vervolg van de exploitatie Betuweroute. Daarnaast maakt de jaarlijkse vergoeding aan de Autoriteit Consument en Markt (ACM) onderdeel uit van deze middelen, welke een vergoeding is voor haar werk op het gebied van spoor (onder andere de Vervoerkamer). De Vervoerkamer reguleert vooral de relatie tussen de beheerders en de gebruikers van het spoor.

16.01.02 Subsidies
  • Subsidies bijzondere spoordiensten: betreffen subsidies voor lijnen die na de gunning van het hoofdrailnet in 2005 aan het hoofdrailnet zijn toegevoegd. Met de Nederlandse Spoorwegen (NS) is in 2009 afgesproken dat deze subsidies per 2015 naar nul gaan omdat de exploitatie van het HRN in zijn geheel behoorlijk winstgevend is.

  • Subsidie bodemsanering NS-percelen: sinds 1996 dragen het Ministerie van IenM (en haar voorganger) en de Nederlandse Spoorwegen jaarlijks geld aan de Stichting Bodemsanering Nederlandse Spoorwegen (SBNS) voor de landelijke aanpak van bodemverontreiniging in NS-percelen.

  • Overige subsidies: dit betreft voornamelijk lopende maatregelen in het kader van het actieplan Groei op het Spoor, een jaarlijkse bijdrage voor de Complete Lijn Uitschakeling (waarbij bijvoorbeeld bij een incident een tracé als geheel wordt uitgeschakeld) en de inzet van de 25kV Spanningtester (CLU+) op de Betuweroute en HSL in het kader van de daartoe gesloten overeenkomst met de betrokken Veiligheidsregio’s, alsmede een subsidie voor Rover.

16.01.05 Bijdragen aan internationale organisaties

Dit betreft een bijdrage aan de Organisation pour les Transports Internationaux Ferroviaires (OTIF). Deze internationale organisatie richt zich vooral op het creëren van een uniform rechtssysteem voor het vervoer van passagiers en vracht per rails.

Beleidsartikel 17: Luchtvaart

Algemene Doelstelling

Het versterken van de internationale concurrentiekracht van de mainports van de Nederlandse luchtvaartsector en het realiseren van een efficiënt, veilig en duurzaam luchtvaartbestel voor goederen, passagiers en omwonenden.

Regisseren

Rollen en Verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving van de kaders en voor het binnen deze kaders (doen) realiseren van de gewenste ontwikkeling van de Nederlandse luchtvaart. De rol «regisseren» heeft ook betrekking op de volgende taken:

  • Voor een veilig en duurzaam gebruik van netwerken stelt de Minister normen (en handhaaft deze). Om de concurrentiekracht van de luchtvaart te versterken streeft de Minister naar een internationaal level playing field. Daarin passen een actief Nederlands lidmaatschap van de International Civil Aviation Organization (ICAO) en een gerichte bijdrage in de totstandkoming van Europese regelgeving inclusief een actieve rol in agentschappen als de European Aviation Safety Agency (EASA) en anderen;

  • Voor het in stand houden en versterken van het luchtvaartnetwerk van verbindingen van Nederland met de rest van de wereld zijn internationale overeenkomsten cruciaal (multilateraal en bilateraal). De Minister sluit hiertoe overeenkomsten met de vanuit de Nederlandse luchtvaartpolitiek belangrijke landen;

  • Daarnaast wordt mede vanuit het oogpunt van verbetering van het milieu en van de kwaliteit van de leefomgeving in de luchthavengebieden de innovatie en de transitie naar een duurzame luchtvaart bevorderd. IenM zorgt voor de regelgeving op het gebied van marktordening, passagiersrechten, veiligheid, milieu en security, houdt toezicht en handhaaft de regelgeving om de publieke belangen te waarborgen. Veel van deze regelgeving komt in internationaal of Europees kader tot stand. In deze kaders levert Nederland een actieve bijdrage gericht op de Nederlandse belangen;

  • De Minister richt zich nationaal en internationaal op het veiligstellen en efficiënter gebruiken van de capaciteit in het luchtruim en op verbetering van de prestaties van de Luchtverkeersleiding, intensievere samenwerking tussen civiele en militaire luchtverkeersleidingsorganisaties (co-locatie) en betere samenwerking van internationale luchtverkeersleidingsorganisaties binnen het Functional Airspace Block Europe Central (FABEC);

  • De Minister geeft zoveel mogelijk ruimte voor ondernemerschap, met een maximaal beroep op de eigen verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven voor duurzaamheid met betrekking tot mainportbeleid en voor een permanente verbetering van de veiligheid middels introductie van veiligheidsmanagement;

  • Voorts geeft IenM invulling aan de wettelijke verplichtingen, zoals het nemen van omzettingsregelingen (aanpassing aan nieuwe wetgeving) en luchthavenbesluiten voor de regionale luchthavens van nationale betekenis en het vrijwaren van de veiligheidssloopzone van Schiphol. Voorts zet de Minister in op een intensivering en stroomlijning van de inspanningen van alle overheden, belangenorganisaties en sectorpartijen betrokken bij bovenstaande beleidsopgaven.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en Kengetallen

Indicator: creëren luchthavencapaciteit Schiphol
 

Basiswaarde 2009

Gerealiseerd 2012

Streefwaarde 2020

Gerealiseerd aantal vliegtuigbewegingen t.o.v. plafond 510.000

390.000

423.000

510.000

 

76%

83%

100%

Bron streefwaarde: Luchtvaartnota, april 2009

Bron realisatie: jaarcijfers Schiphol Group, januari 2013

Voor de luchthaven Schiphol is tot 2020 een plafond aan het aantal vliegtuigbewegingen afgesproken. Met het oog op de netwerkkwaliteit moet binnen dit plafond ruimte blijven voor de ontwikkeling van mainportgebonden verkeer. In het convenant «Behoud en versterking mainportfunctie en netwerkkwaliteit luchthaven Schiphol» is tussen Schiphol en het Rijk overeengekomen dat op het moment dat 95 procent van het plafond van 510.000 vliegtuigbewegingen op Schiphol gerealiseerd wordt de afspraken uit het convenant in werking treden. Het Rijk heeft hierbij verantwoordelijkheid voor het creëren van capaciteit op de luchthavens Eindhoven en Lelystad. In 2012 is afgesproken de inspanning er op te richten al bij 90 procent van de 510.000 vliegtuigbewegingen regionale luchthavencapaciteit te kunnen inzetten ter ontlasting van Schiphol (Kamerstukken II, 2011/12, 29 665, nr. 181). De marktontwikkeling op Schiphol wordt daarom nauwlettend door het Ministerie gevolgd.

Indicator: Creëren extra luchthavencapaciteit Eindhoven en Lelystad (tbv 70.000 extra luchthavencapaciteit)
 

Basiswaarde 2009

Gerealiseerd 2012

Streefwaarde 2015

Streefwaarde 2020

Eindhoven

0

0

10.000

25.000

Lelystad

0

0

25.000

45.000

Bron streefwaarde: kabinetsstandpunten bij Aldersadviezen Lelystad en Eindhoven

De ontwikkeling van Eindhoven en Lelystad (met in totaal 70.000 extra vliegtuigbewegingen per jaar) vindt plaats in een zodanig tempo en uitvoering dat Schiphol meer ruimte krijgt voor écht mainportverkeer en de concurrentiepositie van Schiphol wordt versterkt, conform het Convenant «Behoud en versterking mainportfunctie en netwerkkwaliteit luchthaven Schiphol». Op basis van het Aldersadvies Eindhoven heeft het kabinet in 2010 besloten tot uitvoering van de afspraken over het accommoderen van 25.000 extra vliegtuigbewegingen in 2020. De feitelijke toevoeging van capaciteit vindt plaats op het moment dat deze is vastgelegd in het luchthavenbesluit.

Voor de ontwikkeling van Lelystad is aan de heer Alders gevraagd de mogelijkheden te onderzoeken voor een scenario van de ontwikkeling van totaal 35.000 – 45.000 vliegtuigbewegingen. Op basis van het Aldersadvies (2012) heeft het kabinet besloten de gecontroleerde ontwikkeling van Lelystad Airport in twee tranches uit te voeren. Gestart wordt vanaf 2015 met een eerste tranche naar 25.000 vliegtuigbewegingen, de gebruiksruimte van de tweede tranche kan pas worden gebruikt na evaluatie van de effecten op de uitvoering van de businesscase, de invulling van de werkgelegenheidsambitie, de effecten op de duurzame landbouw en het vermijden van geluidhinder en de verstoring van natuur.

Indicator: Luchthavengelden, ATC-heffingen en overheidsheffingen (aeronautical kosten)

Ranglijst kostenniveau (van hoog naar laag)

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Streefwaarde 2014 e.v.

London Heathrow (LHR)

1

1

 

Parijs (CDG)

2

3

 

Frankfurt (FRA)

3

2

 

Gatwick

6

6

 

Schiphol

7

8

< LHR, FRA, CDG

Zürich

4

4

 

München

5

5

 

Brussel

8

9

 

Madrid

9

7

Bron: SEO, Benchmark Luchthavengelden en Overheidsheffingen 2012

Het streven is om de huidige positie van Schiphol onder die van Londen Heathrow, Frankfurt en Parijs Charles de Gaulle te houden. Instrumenten voor het bewaken van het level playing field zijn het toezien op de randvoorwaarden en regulering van de doorrekening van de aeronautical kosten door de luchthaven Schiphol. Daarnaast heeft de overhseid een betrokkenheid bij de hoogte van de overheidsheffingen (geluidhinderkosten, belastingen en securitykosten). De resultaten van de benchmark zijn aan de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II, 2012/13, 31 936, nr. 135).

Kengetallen

Kengetal: Geluidsbelasting rond Schiphol

Periode

TVG

Gedurende het gehele etmaal (Lden)

63.46 dB(A)

Gedurende de periode van 23.00 tot 7.00 uur (Lnight)

54.44 dB(A)

Bron: Luchthavenverkeerbesluit 2004

In het Luchthavenverkeerbesluit, (Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB), 18 september 2008), zijn voor de luchthaven Schiphol de grenzen gesteld aan de totale hoeveelheid geluid (Totaal Volume Geluid, TVG) dat het vliegverkeer in een jaar mag produceren. De geluidsbelasting van het vliegverkeer moet worden begrensd met op handhavingpunten vastgestelde grenswaarden (aan de baankoppen en bij aanpalende bebouwde kom). IenM heeft geen directe invloed op de daadwerkelijk gerealiseerde geluidsbelasting, dat is de verantwoordelijkheid van de sector. Bij dreigende overschrijding wordt door de ILT handhavend opgetreden. De Handhavingsrapportage Schiphol 2012 van de Inspectie is aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II, 2012/13, 29 665, nr. 186).

Op Schiphol wordt jaarlijks aan de TRG-grenswaarde voldaan. Het totale risicogewicht (TRG) is het resultaat van de vermenigvuldiging van het maximale startgewicht met de ongevalkans per vliegbeweging. In het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol is vastgesteld dat het streven is dat het TRG van het luchthavenluchtverkeer bij Schiphol per gebruiksjaar niet meer dan 9,724 ton bedraagt.

Kengetal: Aantal bestemmingen waarnaar (> 2 x per jaar) met vnl. geregelde vluchten wordt gevlogen per luchthaven

Luchthaven

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

Amsterdam

250

258

246

253

263

271

266

Frankfurt

285

288

291

284

283

288

301

London Heathrow

188

181

177

171

165

174

176

Parijs Charles de Gaulle

249

260

273

272

271

268

256

Brussel

131

158

190

183

188

200

190

Bron: Amsterdam Airport Schiphol (AAS), op basis van APGdat (DIIO), januari 2013

Kengetal: Aantal vliegtuigbewegingen, aantal passagiers en vrachttonnage per luchthaven
 

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

Vliegbewegingen (x 1.000)

             

Amsterdam

423

436

428

391

386

420

423

Frankfurt

482

485

480

458

458

481

476

London Heathrow

471

476

473

460

449

476

471

Parijs Charles de Gaulle

533

544

551

518

492

507

491

Brussel

232

241

236

212

205

214

206

Passagiers (in mln)

             

Amsterdam

46

48

47

44

45

50

51

Frankfurt

53

54

53

51

53

56

57

London Heathrow

67

68

67

66

66

69

70

Parijs Charles de Gaulle

57

60

61

58

58

61

61

Brussel

17

18

19

17

17

19

19

Vracht (x 1.000 ton)

             

Amsterdam

1.527

1.610

1.568

1.286

1.512

1.524

1.483

Frankfurt

2.031

2.074

2.021

1.808

2.199

2.133

1.986

London Heathrow

1.306

1.314

1.401

1.278

1.473

1.484

1.465

Parijs Charles de Gaulle

1.884

2.053

2.039

1.819

2.177

2.088

1.950

Brussel

706

762

659

449

476

475

459

Bron: Amsterdam Airport Schiphol (AAS), januari 2013

Inzet van het beleid is het optimaliseren van de netwerkkwaliteit in combinatie met een concurrerende en duurzame luchtvaart. De netwerkkwaliteit wordt mede bepaald door overheidstarieven en -maatregelen, maar is voor een groot deel niet direct beïnvloedbaar. Bovenstaande kengetallen geven de netwerkkwaliteit van Schiphol weer in vergelijking met andere grote Noordwest Europese luchthavens.

Kengetal: Gemiddelde vertraging per vlucht toe te rekenen aan Air Traffic Management in het Europese luchtruim (in minuten)
 

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

Taakstelling vanaf 2000 met herijking voor 2002–2006

2,44

2,08

1,72

1,4

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

Gerealiseerd

1,8

1,2

1,2

1,3

1,4

1,6

1,9

1,2

2,8

1,1

0,63

Bron: Eurocontrol /CFMU, Performance Review Report, januari 2013

Het Rijk heeft geen directe invloed op het aantal minuten vertraging in het Europese luchtruim. Dit kengetal is een internationaal gemiddelde en wordt bepaald door operationele factoren, zoals capaciteitsplanning en human resource management. Dit kengetal geeft wel een beeld van de efficiëntie van het luchtvaartbestel.

Kengetal: Gemiddelde ATFM1– vertraging per vlucht in het NL luchtruim en op Schiphol (in minuten)
 

2011

2012

Gemiddelde ATFM-vertraging per vlucht

1,0

1,0

Gerealiseerd

0,9

0,78

Bron: Eurocontrol /CFMU, Performance Review Report, jaar 2012

1

ATFM staat voor «Air traffic flow management»

Dit kengetal heeft betrekking op de gemiddelde en-route vertraging per controlled flight in het Nederlandse luchtruim en de gemiddelde vertraging op Schiphol tezamen.

Beleidswijzigingen

De komende jaren wordt verder uitwerking gegeven aan de Luchtvaartnota, de Luchtruimvisie en Beleidsagenda Luchtvaartveiligheid 2011–2015. De bij deze nota’s behorende uitvoeringsagenda’s zijn hierbij leidend.

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 17 Luchtvaart (x € 1.000)
   

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

22.947

30.505

20.183

20.749

15.298

10.869

11.063

Uitgaven

36.354

29.362

34.291

23.706

20.828

16.642

11.986

Waarvan juridisch verplicht

   

83%

       

17.01

Luchtvaart

36.354

29.362

34.291

23.706

20.828

16.642

11.986

17.01.01

Opdrachten

31.797

25.147

21.750

9.475

14.401

13.289

8.756

 

– Opdrachten GIS

13.384

14.642

15.530

5.001

8.923

7.672

3.021

 

– Overige opdrachten

18.413

10.505

6.220

4.474

5.478

5.617

5.735

17.01.02

Subsidies

3.210

2.971

1.290

1.153

2.299

2.125

2.002

17.01.03

Bijdrage aan agentschappen

48

64

10 071

11 898

2 948

48

48

 

– waarvan bijdrage aan RWS

48

48

10.048

11.898

2.948

48

48

 

– bestemd voor Caribisch Nederland

   

10.000

11.850

2.900

   
 

– waarvan bijdrage aan KNMI

 

16

23

       

17.01.05

Bijdrage aan internationale organisaties

1.299

1.180

1.180

1.180

1.180

1.180

1.180

 

Ontvangsten

49.113

45.339

44.851

28.111

6.628

25

25

Belastinguitgaven (x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Accijnzen

             

Vrijstelling accijns luchtvaartuigen

1.839

1.905

1.937

1.968

2.010

2.048

2.087

Bron: Bijlage 5 van de Miljoenennota 2014

Budgetflexibiliteit

Het grootste deel van de uitgaven is juridisch verplicht. Het betreft de uitfinanciering van aangegane verplichtingen voor opdrachten en subsidies voor onder meer het project geluidsisolatie Schiphol en voor de uitvoering van toezichtstaken door de Autoriteit Consument & Markt (ACM). Voor een overzicht van de subsidies wordt verwezen naar de bijlage Subsidies. De subsidies hebben een tijdshorizon. De bijdrage aan de agentschappen betreft de financiering van de uitvoering van de masterplannen luchthavens Caribisch Nederland door RWS voor 2014, de capaciteitsinzet van RWS en KNMI. Op basis van de opdrachtbrief aan RWS voor Caribisch Nederland, het Beleidsondersteuning en -advies (BOA)- traject en het offertetraject KNMI is het budget voor 2014, ultimo 2013 juridisch verplicht.

De bijdrage aan internationale organisaties betreft de jaarlijkse contributie aan de ICAO, aan het hiertoe opgezette samenwerkingsverband binnen ABIS en aan de European Civil Aviation Conference (ECAC) en dit bedrag is daarmee geheel juridisch verplicht.

De resterende niet juridisch verplichte ruimte is belegd met de activiteiten uit de uitvoeringsagenda bij de Luchtvaartnota (Kamerstukken II, 2010/11, 31 936, nr. 47) en de Beleidsagenda Luchtvaartveiligheid 2011–2015 (Kamerstukken II, 2010/11, 24 804, nr. 80).

17.01.01 Opdrachten

Toelichting op de financiële instrumenten

Opdrachten Geluidsisolatie Schiphol (GIS)

Doel van het project Geluidsisolatie Schiphol fase 3 (GIS-3) is het verminderen van de geluidshinder voor omwonenden van Schiphol door middel van geluidsisolatie. De derde fase van het geluidsisolatieprogramma is in 2012 afgerond. De beleidsdoorlichting GIS wordt in 2013 aan de Tweede Kamer aangeboden. De geplande uitgaven voor 2014 en verder hebben betrekking op aankopen in de geluidssloopzones, klachtenafhandeling en de behandeling en uitbetaling van schadeclaims.

Overige opdrachten

1. Uitvoering Luchtvaartnota en de Alderstafels

Het Nederlandse mainportbeleid is gericht op een selectieve ontwikkeling van de mainport Schiphol, in samenhang met de ontwikkeling van de regionale luchthavens van nationale betekenis. In overleg met stakeholders worden kaders ontwikkeld om in Nederland een ontwikkeling van de luchtvaart mogelijk te maken die enerzijds bijdraagt aan de economische potentie en welvaartsgroei van ons land en anderzijds tegemoet komt aan de wens van leefbaarheid en duurzaamheid. In de Luchtvaartnota is het beleidsveld in samenhang geschetst voor zowel de korte als langere termijn. In de (uitvoeringsagenda bij de) Actualisatiebrief Luchtvaartnota (Kamerstukken II, 2010/11, 31 936, nr. 27) is een specificatie van beleidselementen opgenomen. Naast versterking van het nationale luchthavennetwerk dient de ontwikkeling van die regionale luchthavens ook ter versterking van de economische ontwikkeling van die regio’s. Conform het Aldersakkoord uit 2008 wordt voor 70.000 vliegtuigbewegingen ruimte gezocht op de regionale luchthavens, in het bijzonder Eindhoven en Lelystad. De Alderstafels Eindhoven en Lelystad zijn ingesteld met het doel om samen met de regio mogelijkheden hiervan te bezien. In 2011 is het Aldersadvies Eindhoven door het kabinet en de Tweede Kamer overgenomen. Voorjaar 2012 heeft de Alderstafel Lelystad haar advies uitgebracht. Het kabinet heeft besloten tot uitvoering van het advies waarbij de gecontroleerde ontwikkeling van Lelystad Airport in twee tranches centraal staat (zie ook de indicator «Creëren extra luchthavencapaciteit Eindhoven en Lelystad»).

2. Evalueren Normen- en handhavingsstelsel

De evaluatie van het nieuwe normen- en handhavingsstelsel heeft begin 2013 plaatsgevonden; hierbij is onder andere ingegaan op de bescherming voor de omgeving, de operationele uitvoerbaarheid van het nieuwe stelsel, de handhaafbaarheid en de begrijpelijkheid. Op grond van de evaluatie wordt in de tweede helft van 2013 een kabinetsreactie verwacht en besloten of het vigerende stelsel met handhavingpunten door het nieuwe stelsel wordt vervangen. Op grond van dat besluit zullen in 2014 de noodzakelijke wettelijke procedures worden doorlopen.

3. Beleidsonderzoek vliegveiligheid

Voor de uitvoering van de acties uit het uitvoeringsprogramma, onderdeel van de in 2011 vastgestelde Beleidsagenda Luchtvaartveiligheid 2011–2015 zijn middelen nodig voor beleidsonderzoek, voor de periodieke evaluatie van de effectiviteit van het gevoerde beleid (meldingsbereidheid voorvallen in de burgerluchtvaart, protocol preventie overmatig gebruik alcohol, drugs en medicijnen, meerjarig veiligheidsonderzoek Nederlandse luchtvaartsysteem) en voor de uitbouw en implementatie van veiligheidsmanagement in de luchtvaart(beleids-)keten.

4. Verminderen risico op vogelaanvaringen

In 2012 zijn de activiteiten om het risico op vogelaanvaringen rondom Schiphol te verminderen geïntensiveerd en onderling beter afgestemd. Hiertoe zijn door IenM meerjarige afspraken gemaakt met de regio, de sector en de milieuorganisaties. Deze meerjarige afspraken (tot 2017) zijn vastgelegd in een bestuurlijke overeenkomst, en omvatten de voorbereiding en uitwerking van maatregelen om de vogelaanvaringsproblematiek rondom Schiphol te verminderen door: ontwikkelen en toepassen van detectieapparatuur, extra maatregelen in het kader van het populatiebeheer en een aanscherping van de ruimtelijke beperkingen ten aanzien van de foerageer,- rust- en broedgebieden. In 2014 wordt gestart met een monitoring van de effectiviteit van deze maatregelen en worden indien noodzakelijk de maatregelen bijgesteld of geïntensiveerd.

5. Nadere uitwerking luchtruimvisie en civiel-militaire samenwerking

Onderzoek in het kader van de luchtruimvisie betreft het ontwikkelen van een set van afwegingen voor het niveau en de omvang van dienstverlening voor alle (inter)nationale luchthavens en regionale vliegvelden in Nederland. Als onderzoekstappen in de ontwikkeling van een conceptuele schets kunnen worden onderscheiden: concretiseren van behoeftestelling en vormgeving eerste concept, opzet kwalitatief toetsingskader (bepalende Air Traffic Management (ATM)-systeem elementen, criteria voor wijze van ATM-dienstverlening), detaillering van kwantitatief toetsingskader, nadere vormgeving toetsingskader (incl. vastlegging van de belangrijkste veronderstellingen, ontwerpkeuzen en gebruiksmogelijkheden van het toetsingskader). Daarnaast worden middelen ingezet voor de toezichthoudende taken van de ACM, technische assistentie op het gebied van luchtvaartveiligheid voor het Caribische gebied en Oost-Afrika in de vorm van kennisoverdracht en training.

6. Luchthavens Caribisch Nederland

Dit betreft voornamelijk de voorbereidingskosten voor het uitvoeren van de masterplannen Bonaire, Saba en St. Eustatius. Als gevolg van de staatkundige hervorming van 10-10-2010, moeten de drie luchthavens op de eilanden Bonaire, Saba en St. Eustatius voldoen aan de minimale internationale regelgeving voor de vliegveiligheid (ICAO) die Nederland onderschrijft. Gebleken is dat de luchthavens op deze eilanden daar niet aan voldoen. Voor iedere luchthaven op de eilanden is een masterplan opgesteld. Deze masterplannen geven een overzicht van de huidige faciliteiten en infrastructuur en de tekortkomingen ten aanzien van de internationale regelgeving. Met uitvoering van de masterplannen worden de tekortkomingen weggewerkt. De voorbereidingskosten voor het uitvoeren van de masterplannen hebben betrekking op het sluiten van contracten met diverse partijen. Zo moeten bestekken gemaakt worden en vergunning en aanbestedingsprocedures worden doorlopen.

17.01.02 Subsidies

1. CROS en overige commissies regionaal overleg

IenM draagt financieel bij aan de activiteiten van de Commissie Regionaal Overleg luchthaven Schiphol (CROS). Dit onafhankelijke overleg- en adviesorgaan verenigt bewoners, regionale en lokale overheden en luchtvaartpartijen. Met als doel om hinder van Schiphol zoveel mogelijk te beperken en een optimaal gebruik van de luchthaven te bevorderen. De jaarlijkse bijdrage bedraagt maximaal € 0,262 mln. De luchthavens Eelde, Lelystad, Maastricht en Rotterdam kennen in 2014 eveneens commissies regionaal overleg, de bijdrage in 2014 bedraagt € 0,140 mln.

2. Versneld onderploegen graanresten ten behoeve van reduceren risico vogelaanvaringen

Het Ministerie van IenM heeft in april 2012 het Convenant Reduceren risico vogelaanvaringen Schiphol afgesloten. Met dit convenant is een vergoedingsregeling in het leven geroepen voor het versneld onderploegen van de graanresten na de oogst in een deel van de Haarlemmermeerpolder. De betreffende boeren ontvangen hiervoor een vergoeding per hectare versneld ondergewerkte graanakker. De vergoeding is gebaseerd op de inkomstenderving vanwege het onderploegen van het stro, extra kosten die de boeren moeten maken en een medewerkingvergoeding. De deelnemende boeren verplichten zich al hun geteelde graan binnen het werkingsgebied versneld onder te werken. De totale vergoeding zal in 2013 maximaal € 1,7 mln bedragen. Dit is budgettair bij eerste suppletoire wet geregeld.

3. KDC

De Stichting Knowledge & Development Center (KDC) levert kennis om innovatieve oplossingen te vinden voor de duurzame ontwikkeling van de Mainport Schiphol. In het KDC werken de partners KLM, Schiphol en Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) samen met universiteiten en kennisinstellingen om de Schiphol operatie te innoveren. IenM draagt financieel bij aan het KDC, hiervoor is voor 2014 een bedrag van € 0,9 mln begroot.

4. Luchthaven Twente

Het Rijk heeft in de Luchtvaartnota aangegeven voorstander te zijn van de ontwikkeling van de luchthaven Twente, mits daarvoor een marktpartij gevonden kan worden. Inmiddels is een marktpartij gevonden. Onder voorwaarden wordt een bijdrage verstrekt om voor de eerste vijf jaar na start van de daadwerkelijke verlening van luchtverkeersleiding de tekorten op de exploitatie van luchtverkeersdienstverlening af te dekken. De Tweede Kamer is hierover in mei 2013 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II, 2012/13, 31 936 nr. 141). De bijdrage voor de Luchthaven Twente bedraagt maximaal € 4,6 mln (netto contante waarde 2014). De bedragen zullen jaarlijks verstrekt worden.

17.01.03 Bijdrage aan agentschappen

RWS

Dit betreft voornamelijk de bijdrage die aan RWS ter beschikking wordt gesteld voor de uitvoering van de masterplannen luchthavens Caribisch Nederland gericht op het wegwerken van de tekortkomingen ten aanzien van de internationale regelgeving.

Koninklijk Meteorologisch Instituut (KNMI)

Dit betreft de bijdrage voor deelname aan de Impact and Science Group (ISG), een expertgroep van het Committee on Aviation Environmental Protection (CAEP) van ICAO.

17.01.05 Bijdrage aan internationale organisaties

Voor de jaarlijkse contributie aan de ICAO, aan het hiertoe opgezette samenwerkingsverband binnen ABIS17 en aan de European Civil Aviation Conference (ECAC) is in 2014 een bedrag begroot van € 1,2 mln, waarvan € 1 mln via de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS).

Beleidsartikel 18: Scheepvaart en Havens

Algemene Doelstelling

Het realiseren van een efficiënt, veilig en duurzaam goederenvervoersysteem, waarbinnen de internationale concurrentiekracht van de mainport en van de Nederlandse maritieme sector wordt versterkt.

(Doen) uitvoeren

Rollen en Verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor het in stand houden van een robuust hoofdnetwerk van vaarwegen.

Vanuit de Begroting hoofdstuk XII (artikel 26.01) wordt een bijdrage gedaan aan het Infrastructuurfonds. Via het Infrastructuurfonds (artikel 15, 17 en 18) investeert de Minister door middel van aanleg en benutting in dit netwerk, in binnenhavens en in de maritieme toegang van zeehavens om een goede en betrouwbare bereikbaarheid over water van de economische kerngebieden te realiseren. Aanleg- en benuttingsprojecten worden in het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) vastgelegd. De Minister is verantwoordelijk voor toezicht en nautisch beheer.

RWS voert als beheerder het beheer en onderhoud uit. De uitgaven aan beheer en onderhoud worden verantwoord op het Infrastructuurfonds (artikel 15).

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en deels ook voor de uitvoering, waaronder het toezicht op de uitvoering, van de wet- en regelgeving (zowel de Autoriteit Consument & Markt (ACM) als de ILT) van het maritiem beleid. De rol «regisseren» heeft ook betrekking op de volgende taken:

  • De Minister stelt normen en handhaaft deze om het veilige en duurzame gebruik van netwerken te waarborgen. De Minister ijvert internationaal (bijvoorbeeld in internationale gremia als de Europese Raad van transportministers) en regionaal voor deze normen, ook omdat een internationaal level playing field goed is voor de Nederlandse concurrentiepositie. Daarin passen een actief Nederlands lidmaatschap van International Maritime Organisation (IMO) en Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) en een gerichte bijdrage aan de totstandkoming van Europese regelgeving inclusief een actieve rol in agentschappen als (European Maritime Safety Agency (EMSA) en andere organisaties;

  • Daarnaast wordt mede uit het oogpunt van verbetering van het milieu en van de kwaliteit van de leefomgeving de innovatie en de transitie naar een duurzame scheepvaart bevorderd;

  • IenM zorgt voor »state of the art» regelgeving op het gebied van marktordening, passagiersrechten, bemanningszaken en security;

  • Met de programma’s Beter Benutten en Impuls Dynamisch Verkeersmanagement Vaarwegen stimuleert de Minister een slim, efficiënt en veilig gebruik van de vaarwegen. Samen met de inspanningen van de vervoerders en verladers kan daarmee de capaciteit van de vaarwegen beter worden benut;

  • De Minister geeft zoveel mogelijk ruimte voor ondernemerschap, met een maximaal beroep op de eigen verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven voor een permanente verbetering van de veiligheid en duurzaamheid met betrekking tot maritiem beleid;

  • Voorts zet de Minister in op een intensivering en stroomlijning van de inspanningen van alle overheden, belangenorganisaties en sectorpartijen betrokken bij bovenstaande beleidsopgaven.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en Kengetallen

Hieronder zijn de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor scheepvaart en havens opgenomen. In productartikel 15 Hoofdvaarwegennet van het Infrastructuurfonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

Indicator: Passeertijd sluizen1
 

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Streefwaarde 2010

Realisatie 2011

Streefwaarde 2012

Realisatie 2012

Streefwaarde 2013

Hoofdtransportas

75%

68%

80%

67%

85%

68%

85%

Hoofdvaarweg

85%

81%

75%

79%

75%

78%

75%

Overige vaarweg

90%

88%

70%

92%

70%

93%

70%

Bron: RWS/Dienst Verkeer en Scheepvaart (DVS), 2013

1

De «passeertijd sluizen» is een absolute normtijd die voor elke sluis afzonderlijk is bepaald. Elk type vaarweg correspondeert met een te realiseren percentage passages. Dit normpercentage biedt inzicht in het percentage schepen dat is gepasseerd binnen de normtijd.

De gerealiseerde passeertijden op de hoofdtransportassen voldoen nog niet aan de streefwaarden (68 procent in plaats van 85 procent). Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door een combinatie van storingen, benodigde onderhoudswerkzaamheden en capaciteitsproblemen op de Zeeuwse achterlandverbindingen. Voor de sluizen op die corridor lopen dan ook MIRT-studies, gericht op het verbeteren van de toekomstige capaciteit. De passeertijden voor de hoofd- en overige vaarwegen scoren overall gezien wel ruim voldoende.

Kengetallen

Kengetal: Ontwikkeling van het procentuele marktaandeel (in tonnen) van de Nederlandse havengebieden ten opzichte van de totale Noordwest Europese havenrange (de «Hamburg-Le Havre range»)
 

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

Totaal Nederlandse Zeehavens

45,9

44,4

44,9

44,9

44,2

44,5

45,0

46,9

47,8

47,2

47,9

Mainport Rotterdam

35,6

34,5

34,6

34,9

33,8

34,2

34,4

36,0

37,0

36,3

37,0

Overige Nederlandse Zeehavens

10,3

9,9

10,3

10,0

10,4

10,4

10,6

10,9

10,8

10,9

10,9

Bron: 2002–2010 Nationale Havenraad, 2011/12 IenM

Dit kengetal geeft informatie over het marktaandeel van de Nederlandse zeehavens ten opzichte van de concurrerende Noordwest Europese havenrange (de zogenaamde Hamburg-Le Havre range). Het streven is het marktaandeel van de Nederlandse havengebieden ten opzichte van de totale Noordwest Europese havenrange (de «Hamburg-Le Havre range») ten minste te handhaven. Met uitzondering van een lichte daling van het marktaandeel in 2011, is het marktaandeel sinds 2008 aanzienlijk gestegen. Met name Mainport Rotterdam heeft de laatste jaren marktaandeel gewonnen ten opzichte van de voornaamste concurrenten.

Kengetal: Ontwikkeling in aantallen en bruto tonnage (GT)1
 

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

van de vloot van in Nederland geregistreerde zeeschepen onder Nederlandse vlag2

Aantallen

               

Handelsvaart

570

574

566

640

688

725

770

800

Zeesleepvaart

164

174

212

222

222

249

263

247

Waterbouw

151

148

139

118

121

120

127

169

Totaal

885

896

917

980

1.031

1.094

1.160

1.216

Bruto tonnage

               

Handelsvaart

4.932

5.031

5.114

5.980

6.313

6.075

6.886

6.740

Zeesleepvaart

178

181

243

264

237

310

307

362

Waterbouw

498

509

477

375

441

450

494

531

Totaal

5.608

5.721

5.834

6.619

6.991

6.835

7.687

7.633

van de vloot onder buitenlandse vlag in Nederlands eigendom of beheer3

Aantallen

               

Handelsvaart

375

434

462

395

410

433

422

408

Zeesleepvaart

329

284

332

358

406

459

456

477

Waterbouw

37

39

45

52

66

63

55

55

Totaal

741

757

839

805

882

955

933

940

Bruto tonnage

               

Handelsvaart

4.692

5.566

6.278

4.542

5.057

5.259

5.232

5.072

Zeesleepvaart

2.704

2.782

1.903

1.423

1.217

1.011

1.298

1.640

Waterbouw

99

102

122

184

225

251

210

264

Totaal

7.495

8.450

8.303

6.149

6.499

6.521

6.740

6.976

1

Schepen, 100 GT en pontons, 1000 GT

2

Bron: Inspectie Leefomgeving en Transport, 2013

3

Bron: cijfers 2005 Ecorys (december 2008); cijfers van 2006–2009 Policy Research Corporation (april 2010); cijfers 2010–2012 Inspectie Leefomgeving en Transport (mei 2013). Alle cijfers op basis van Lloyd’s Register Fairplay.

Bovenstaande kengetallen geven informatie over de ontwikkeling in aantallen en bruto tonnage (GT) van de vloot in Nederlands eigendom of beheer onder Nederlandse of buitenlandse vlag. De gegevens zijn opgesplitst naar de sectoren handelsvaart, zeesleepvaart en waterbouw. De groei c.q. afname van de vloot onder Nederlandse vlag is niet alleen van overheidsbeleid afhankelijk, maar van meerdere factoren zoals de wereldwijde groei van het ladingaanbod en investeringsklimaat, het zeevaartbeleid (waaronder fiscale klimaat) van andere landen en de individuele prestaties van de ondernemingen. Een toename van de vanuit Nederland beheerde vloot (en dan met name de Nederlandse vlag) is gunstig voor de ontwikkeling van de toegevoegde waarde.

Kengetal veiligheid scheepvaart

Aantal scheepvaartongevallen (inclusief visservaartuigen en recreatievaart) op het Nederlandse deel van de Noordzee (Nederlandse en buitenlandse vlag)

 

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

Zeer ernstige scheepvaartongevallen

1

1

1

0

0

1

1

0

4

Ernstige scheepvaartongevallen

7

4

2

6

3

7

9

4

1

Totaal

8

5

3

6

3

8

10

4

1

Aantal significante ongevallen2 met schepen op de Nederlandse binnenwateren

 

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

Aantal significante scheepsongevallen

117

96

123

150

127

121

164

159

161

Aantal doden en gewonden op schepen op de Nederlandse binnenwateren (ook onder niet Nederlandse vlag)

 

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

Aantal doden

4

7

3

4

4

4

4

8

4

Aantal gewonden

29

49

54

30

51

56

45

63

58

Bron: RWS, 2013

1

Voor 2012 zijn nog geen gevalideerde gegevens beschikbaar.

2

Voor de beoordeling van de ontwikkeling van de veiligheid op de Nederlandse binnenwateren wordt gebruik gemaakt van het begrip «significant scheepsongeval». Significante scheepsongevallen zijn scheepsongevallen op de Nederlandse binnenwateren met schepen (ook onder niet Nederlandse vlag) waarbij schade is ontstaan die als ernstig wordt geclassificeerd in de vorm van slachtoffers (doden/gewonden), stremming van de vaarweg of schade aan de vaarweg, schip, lading of milieu.

Toelichting: Er zijn in 2012 uitzonderlijk veel dodelijke slachtoffers gevallen. Bij het zinken van het koopvaardijschip Baltic Ace als gevolg van een aanvaring vielen 11 dodelijke slachtoffers, daarnaast zijn 2 dodelijke slachtoffers gevallen nadat ze over boord zijn geslagen van een koopvaardijschip. Het is nog te vroeg om hier conclusies over de ontwikkeling van de veiligheid op de Noordzee aan te verbinden.

Beleidswijzigingen

Het maritieme beleid zoals weergegeven in de diverse maritieme beleidsbrieven en met het Parlement besproken, wordt gecontinueerd.

De bezuinigingen op het infrastructuurfonds hebben geleid tot temporisering van de uitvoering van meerdere vaarwegprojecten. De gevolgen daarvan zijn aan de Tweede Kamer gemeld in Kamerstukken II, 33 400 A, nr. 48 en 33 400 A, nr. 52.

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 18 Scheepvaart en Havens (x € 1.000)
   

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

6.357

5.451

4.963

4.752

4.929

4.923

4.922

Uitgaven

6.212

7.513

5.303

4.752

4.929

4.923

4.922

Waarvan juridisch verplicht

   

71%

       

18.01

Scheepvaart en havens

6.212

7.513

5.303

4.752

4.929

4.923

4.922

18.01.01

Opdrachten

778

3.126

2.302

2.091

2.268

2.262

2.261

18.01.02

Subsidies

2.705

1.726

340

       

18.01.03

Bijdrage aan agentschappen

1.840

1.705

1.705

1.705

1.705

1.705

1.705

 

– waarvan bijdrage aan RWS

1.840

1.705

1.705

1.705

1.705

1.705

1.705

18.01.05

Bijdragen aan internationale organisaties

889

956

956

956

956

956

956

 

Ontvangsten

0

97

         

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing naar artikel 15 Hoofdvaarwegennet van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
 

2014

2015

2016

2017

2018

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 15 Hoofdvaarwegennet van het Infrastructuurfonds

863.050

770.276

730.988

651.695

640.546

Andere ontvangsten van artikel 15 Hoofdvaarwegennet van het Infrastructuurfonds

32.113

6.676

7.530

14.510

 

Totale uitgaven op artikel 15 Hoofdvaarwegennet van het Infrastructuurfonds

895.163

776.952

738.518

666.205

640.546

waarvan

         

15.01

Verkeersmanagement

13.819

12.263

13.122

13.122

13.122

15.02

Beheer, onderhoud en vervanging

402.465

413.012

324.217

256.929

218.659

15.03

Aanleg

251.537

134.210

184.817

178.691

192.047

15.06

Netwerkgebonden kosten HVWN

238.793

227.191

225.146

223.351

221.780

15.07

Investeringsruimte

– 11.451

– 9.724

– 8.784

– 5.888

– 5.062

Extracomptabele verwijzing naar artikelonderdeel 17.06 PMR van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
 

2014

2015

2016

2017

2018

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 17.06 (PMR) van het Infrastructuurfonds

18.095

17.562

16.104

15.126

2.665

Extracomptabele verwijzing naar artikelonderdeel 18.03 Intermodaal Vervoer van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
 

2014

2015

2016

2017

2018

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 18.03 (Intermodaal Vervoer) van het Infrastructuurfonds

5.965

3.057

     
Belastinguitgaven (x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verlaging lastendruk op ondernemingen

             

Willekeurige afschrijving zeeschepen

4

4

4

4

4

4

4

Keuzeregime winst uit zeescheepvaart (tonnagebelasting)

82

84

85

87

88

90

92

Verlaging lastendruk op arbeid

             

Afdrachtvermindering zeevaart

106

106

108

109

111

112

113

Accijnzen

             

Vrijstelling communautaire wateren

832

798

812

825

842

858

874

Bron: Bijlage 5 van de Miljoenennota 2014

18.01 Scheepvaart en havens

Budgetflexibiliteit

De uitgaven voor subsidies (zie hiervoor het subsidieoverzicht), de bijdrage aan agentschappen (voor 14,1 fte capaciteitsinzet RWS) en de bijdrage aan internationale organisaties (jaarlijkse contributie aan CCR, IMO, IALA en Donaukommission) zijn volledig juridisch verplicht. De subsidies hebben een tijdshorizon en de bijdragen aan agentschappen en internationale organisaties hebben een structureel karakter.

Van het opdrachtenbudget is een deel juridisch verplicht. Het betreft de uitfinanciering van aangegane verplichtingen voor onder meer de uitvoering van toezichtstaken door de ACM, de uitvoering van inningstaken betreffende het VBS tarief door de Belastingdienst/douane en de monitoring van maritieme indicatoren en kengetallen.

Het niet juridisch verplichte deel van dit artikel wordt aangewend voor beleidsonderzoek gericht op onder meer zeevaart, havens en Caribisch Nederland en overgangsbepalingen Reglement onderzoek Schepen op de Rijn (Rosr).

18.01.01 Opdrachten

Toelichting op de financiële instrumenten

  • Het Ministerie draagt financieel bij aan de ACM voor het uitvoeren van toezicht op het loodswezen.

  • Voor beleidswerk gericht op havens (onder andere havensamenwerking) en Caribisch Nederland (de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba) is het benodigde budget gereserveerd.

  • Ontwikkeling van een «web based toolkit» helpt vervoerende en verladende bedrijven bij het opstellen en beoordelen van de in de EU verplichte security plannen.

  • Als vlaggen-, kust- en havenstaat zet Nederland in IMO- en EU-verband in op verbetering van het stelsel van regelgeving (bij voorkeur door optimaliseren bestaande regelgeving). En onderbouwt dit met gedegen onderzoeken naar de effecten.

  • De concurrentiepositie van het maritieme cluster vereist de implementatie van verdragen, een gelijk speelveld en vermindering van de administratieve lasten. De inzet richt zich bijvoorbeeld op een Europese maritieme ruimte zonder grenzen, de bevordering van de aanwas in het maritieme onderwijs, het monitoren van de arbeidsmarkt en het faciliteren van verbetering van de efficiency van bemanningen. Hiervoor wordt beleidsinformatie verzameld en onderzoek verricht.

18.01.02 Subsidies

Een grotere instroom in het nautisch onderwijs is voor een voldoende aanbod van zeevarenden gewenst. IenM betaalt mee aan kennismakingstages voor potentiële studenten. Dit heeft een positief effect op de wervingskracht van het nautische onderwijs.

18.01.03 Bijdrage aan agentschappen Scheepvaart en havens

In het kader van het BeleidsOndersteuning en Advies (BOA) protocol met RWS zijn afspraken gemaakt over beleidsondersteuning en -advisering, die RWS uitvoert in opdracht van de beleids-DG’s. Door middel van de agentschapsbijdrage wordt capaciteit hiervoor bij RWS gereserveerd. In totaal doet de directie maritiem een beroep op 14,1 fte van RWS voor deze taken, voornamelijk voor taken op het terrein van de binnenvaart.

18.01.05 Bijdrage aan internationale organisatie en medeoverheden Scheepvaart en havens

Vanuit de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) gelden betaalt Nederland circa € 0,5 mln contributie aan de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) en circa € 0,4 mln contributie aan de International Maritime Organisation (IMO) conform verdragsverplichtingen.

Beleidsartikel 19: Klimaat

Algemene Doelstelling

Klimaatverandering door menselijk handelen tegen gaan. Door uitstoot van CO2 en overige broeikasgassen stijgt de temperatuur op aarde. Hierdoor verandert het klimaat en stijgt de zeespiegel. Nederland heeft internationale afspraken gemaakt om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Beperking van CO2-uitstoot biedt bovendien economische kansen, waaronder lagere energiekosten.

Het internationale IenM-beleid vindt niet alleen haar grondslag in dit artikel. Specifieke rollen en verantwoordelijkheden van de Minister op de verschillende beleidsterreinen van IenM zijn bij de betreffende artikelen vermeld.

Regisseren

Rollen en Verantwoordelijkheden

De Minister van IenM regisseert de inhoudelijke lijn voor de nationale inbreng in de ontwikkeling van het Europese en het mondiale klimaatbeleid. Meer specifiek is de Minister van IenM verantwoordelijk voor:

  • Het door Nederland nakomen van de in UNFCCC18 en EU-verband gemaakte afspraken over het reduceren van emissies van CO2 en overige broeikasgassen en voor het emissiehandelssysteem waaronder het toewijzen en het doen veilen van CO2-emissierechten.

  • De regie op de internationale aspecten van het IenM-beleid, inclusief het politieke optreden en de vertegenwoordiging in de betreffende internationale gremia. Daartoe horen onder andere de Europese Transport- en Milieuraad en relevante VN-bijeenkomsten.

  • De opdracht aan de NEa voor het handelssysteem in CO2-emissierechten. Ook de registratie van biobrandstoffen en de rapportage hierover ter controle van de duurzaamheid en de CO2-prestatie zijn hier onderdeel van.

  • De coördinatie van de Nederlandse inzet in internationaal kader bij de vaststelling van normen en plafonds, de vertaling daarvan naar Nederlandse wet- en regelgeving en de verdeling van doelstellingen over sectoren en milieuthema’s. De doelen en normen hebben betrekking op het reduceren van CO2-emissies, op brandstofkwaliteit, op productie en inzet van duurzame biobrandstoffen, op de mondiale uitfasering van ozonlaagafbrekende stoffen en van gefluorideerde broeikasgassen en op de handel in CO2-emissierechten (Emissions Trading System/ETS).

Stimuleren

Om de milieudoelen op het gebied van klimaat te behalen, is het belangrijk deze op een proactieve wijze met maatschappelijke partners te delen. Daarom stimuleert de Minister van IenM:

  • Het aangaan en organiseren van allianties met en tussen bedrijven, branches, overheden en kennisorganisaties om de doelen uit de Klimaatbrief en de Lokale Klimaatagenda tot succesvolle uitvoering te brengen. Green Deals en financiële incentives dragen hieraan bij.

  • Via de Lokale Klimaatagenda, initiatieven voor reductie van CO2-emissies. Ondernemers, burgers en andere overheden brengt zij beter in positie om maatregelen te nemen die goed zijn voor klimaat en economie.

  • De aanschaf van milieuvriendelijke producten of bedrijfsmiddelen, zoals de productie van groen gas en van energie op daken en in kassen, wordt onder andere door middel van financiële stimulering (MIA19/Vamil20 en Groen Beleggen) aantrekkelijk gemaakt.

  • Zuinigere voertuigen. Dit gebeurt onder andere door de voorlopers in de sector te stimuleren en voor ontwikkeling van diverse alternatieve voertuigen en brandstoffen een kansrijke omgeving te creëren.

  • De jaardoelstelling voor hernieuwbare energie in de vervoersector door middel van een verplichting voor degenen die biobrandstoffen op de markt brengen en het verbreden van de toepassing van hernieuwbare energie naar de luchtvaart en binnenvaart.

Financieren

De Minister van IenM is verantwoordelijk voor de uitvoering van het Clean Development Mechanism (CDM), één van de zogenoemde flexibele mechanismen van het Kyoto Protocol. De flexibele instrumenten bieden de mogelijkheid om emissiereducties (CER’s) ten behoeve van de nationale reductiedoelstelling in een ander land te behalen. Hoofddoelstelling van CDM is om zoveel mogelijk CER’s aan te kopen als nodig om de Nederlandse verplichtingen onder het Kyoto Protocol na te kunnen komen.

Tenslotte is de Minister van IenM verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en Kengetallen

Verwachte realisatie non ETS doelstelling 2020 (kengetal)
 

Verantwoordelijk Ministerie

Nieuwe raming (Mton)

Verwachtte realisatie (Mton)

CO2 industrie en energie

EZ

8,5

10,7

CO2 verkeer en vervoer

IenM

33,8

35,5

CO2 gebouwde omgeving

BZK

25,1

22,5

CO2 land- en tuinbouw

EZ

6,6

5,75

Overige CO2 broeikasgasssen landbouw

EZ

15,8

16

Resterende overige broeikasgassen

IenM

9,7

8,8

Totaal

99,5

99,25

Bron: Actualisatie van de Referentie Raming Energie en Emissies (actualisatie 2012, ECN/PBL, tabel 3.1 op blz. 25).

Toelichting: de doelstelling voor de totale niet-ETS in 2020 is 105 Mton CO2-eq. Inclusief het extra beleid van huidige kabinet zijn de verwachte emissies in 2020 minder dan 100 Mton. Hiermee ligt Nederland goed op koers voor de 2020 doelstelling.

In de kabinetsaanpak Klimaatbeleid op weg naar 2020 heeft het kabinet afgesproken dat indien in een sector tegenvallers optreden die samenhangen met (de uitvoering van) het beleid van het Ministerie, de verantwoordelijke bewindspersoon in beginsel compenserende maatregelen neemt. Wanneer is aangetoond dat (alle) binnen de sector mogelijke compenserende maatregelen veel duurder zijn dan de oorspronkelijke maatregelen, zal het kabinet zoeken naar alternatieve kosteneffectieve maatregelen – binnen de beschikbare middelen – in andere sectoren. Vervolgens zal het kabinet een besluit nemen en de Tweede Kamer hierover informeren. Is er een tegenvaller die niets van doen heeft met tegenvallende beleidseffecten, dan volstaat de reserveruimte (het verschil tussen de doelstelling en de raming) om deze tegenvaller op te vangen.

Op dit moment is het beeld dat overschrijdingen met name veroorzaakt zijn door een betere monitoring (beter «meten») en nieuwe aannames over autonome ontwikkelingen zoals de economie en de demografie. Van beleidsveroorzaakte tegenvallers is niet of nauwelijks sprake.

Ontwikkeling verplichting aandeel hernieuwbare energie in het vervoer (indicator in procenten)

Verplichtingen

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Oud

2

3,25

3,75

4

4,25

4,5

5

5,5

6,25

7

7,75

8,5

9,25

10

Nieuw

         

4,5

5

5,5

           

Realisatie

2

3,26

3,75

4,01

4,31

4,54

               

Bron: Brief aan Tweede Kamer, kenmerk IenM/BSK-2012/16016, d.d. 9 maart 2012 (Kamerstukken II 2011–2012, 32 813, nr. 17) en de NEa rapportage hernieuwbare energie 2012.

Toelichting: Voor de jaren 2015 tot en met 2019 waren formeel nog geen verplichtingen vastgelegd, maar lineaire interpolatie tussen 2015 en 2020 leidt in de oude situatie tot een groei van 0,75 procent per jaar. Op dit moment is nog volop discussie in het kader van ILUC (Indirect Land Use Change) en Tweede Kamer over het groeipad; in september 2013 bij het AO Duurzaamheid komt daarover meer duidelijkheid. Ter voorbereiding op dit AO zal in augustus 2013 een brief aan de Tweede Kamer worden gezonden met de NEa rapportage 2012 over hernieuwbare energie als bijlage.

Beleidswijzigingen

Met het uitbrengen van de Roadmap Klimaat is de basis gelegd voor een ambitieus en vernieuwend klimaatmitigatie en adaptatiebeleid gericht op een klimaatneutrale en klimaatbestendige economie voor 2050 met een tussendoel voor 2030. Het onder auspiciën van de SER gesloten Nationaal Energieakkoord voor duurzame groei geeft een belangrijke impuls voor uitwerking van de Roadmap. Het kabinet zal de Tweede Kamer over de Roadmap nader informeren.

In Europa zet de Minister van IenM in op het vaststellen van een ambitieuze Europese klimaatdoelstelling voor 2030 en een bijbehorend robuust pakket van maatregelen waarmee de 2030 broeikasgasdoelstelling gerealiseerd zou kunnen worden. Als hoeksteen van dit beleid ziet Nederland een versterkt emissiehandelssysteem (ETS) dat zorgt voor (nog) minder CO2 uitstoot en dat tegelijkertijd investeringen in koolstofarme technologieën bevordert. Daarvoor moet het emissieplafond na 2020 worden aangescherpt. Een hogere jaarlijkse reductiefactor van het ETS-plafond sluit immers het meest aan bij het langere termijn pad, op weg naar 2050. In 2014 start het proces om te komen tot verdere versterking van het emissiehandelssysteem. Mogelijkerwijs komt de Europese Commissie in 2014 met wetgevingsvoorstellen.

IenM zet zijn werk aan de ontwikkeling van een nieuwe effectief mondiaal klimaatarrangement voort. Tijdens de klimaattop in Doha is afgesproken dat de onderhandelingstekst hierover eind december 2014 gereed moet zijn, zodat de nieuwe overeenkomst in 2015 kan worden afgerond en vanaf 2020 in werking kan treden. In de onderhandelingen richting de klimaatconferentie in Warschau, eind 2013 en in de «Cartagena Dialoog» brengt Nederland ideeën in voor een effectief nieuw klimaatarrangement. Het bedrijfsleven en andere niet-statelijke actoren worden betrokken bij de invulling van het nieuwe arrangement.

De Routekaart Duurzame Mobiliteit schetst het perspectief om in 2050 voor de sectoren verkeer en vervoer tot een reductie van 60 procent CO2-emissie ten opzichte van 1990 te komen. Tegen de achtergrond dat het harde tussendoel voor 2020, namelijk beperking van de CO2-uitstoot van de transportsector (exclusief zeescheepvaart en luchtvaart) tot 35,5 Mton, met lopend beleid wordt gehaald, geeft dit ruimte om samen met de sector in 2014 een ambitieus werkprogramma voor uitvoering van de routekaart te presenteren.

In 2020 moet de sector verkeer en vervoer 10 procent van het energieverbruik uit hernieuwbare bronnen inzetten. Biobrandstoffen maken daar deel van uit. De inzet is om het aandeel conventionele biobrandstoffen tot 5 procent te maximeren (verwacht wordt dat deze limiet in 2015 kan worden geïmplementeerd in de Nederlandse wet- en regelgeving) ten faveure van inzet van geavanceerde duurzame biobrandstoffen. Om de fraudegevoeligheid van die brandstoffen te beheersen, wordt in 2014 op basis van het in 2013 bij de Tweede Kamer ingediende wetsvoorstel voor inrichting van het biobrandstoffenregister, de bouw van dit register aanbesteed zodat dit vanaf 2015 operationeel is.

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 19 Klimaat (x € 1.000)
   

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

6.983

32.374

50.581

50.103

48.249

48.550

48.065

Uitgaven

136.953

96.635

59.422

54.127

49.691

48.550

48.065

Waarvan juridisch verplicht

   

82%

       

19.01

Klimaat

15.169

15.198

19.969

20.576

14.780

14.512

14.177

19.01.01

Opdrachten

1.590

2.169

5.759

5.101

4.950

5.752

5.559

19.01.02

Subsidies

5.926

3.973

3.185

5.300

19.01.03

Bijdrage aan agentschappen

7.653

9.056

11.025

10.175

9.830

8.760

8.618

 

– Waarvan bijdrage aan NEa

 

5.187

7.894

7.073

6.977

6.882

6.740

 

– Waarvan bijdrage aan KNMI

 

261

218

218

218

218

218

 

– Waarvan bijdrage aan RWS

 

3.608

2.913

2.884

2.635

1.660

1.660

19.02

Internationaal beleid, coordinatie en samenwerking

121.784

81.437

39.453

33.551

34.911

34.038

33.888

19.02.01

Opdrachten

118.653

75.038

9.181

7.110

7.978

7.475

7.471

 

– Uitvoering CDM

48.951

31.686

2.806

       
 

– RIVM

30.385

28.609

         
 

– AgNL

37.816

9.887

         
 

– Overige opdrachten

1.501

4.856

6.375

7.110

7.978

7.475

7.471

19.02.03

Bijdrage aan agentschappen

3.258

26.737

23.611

24.308

23.939

23.793

 

– Waarvan bijdrage aan RWS

 

3.258

188

100

100

100

100

 

– Waarvan bijdrage aan RIVM

   

25.527

23.509

24.206

23.837

23.691

 

– Waarvan bijdrage aan AgNL

   

1.022

2

2

2

2

19.02.05

Bijdrage aan internationale organisaties

3.131

3.141

3.535

2.830

2.625

2.624

2.624

 

Ontvangsten

26.243

121.639

200.000

200.000

200.000

200.000

200.000

Extracomptabele verwijzingen

Belastinguitgaven (x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verlaging lastendruk op ondernemingen

             

VAMIL

33

24

30

30

30

30

30

Milieu-investeringsaftrek (MIA)

76

101

101

101

101

101

101

Verlaging lastendruk op arbeid

             

Verlaging fiscale bijtelling IB (zeer) zuinige auto's

323

407

467

409

367

328

289

Energiebelasting

             

Teruggaaf kerkgebouwen

7

8

8

8

9

9

9

Teruggaaf non-profit

28

34

35

36

38

39

41

Vrijstellingen grootverbruik in de energiebelasting

8

7

7

7

7

7

7

Bron: Bijlage 5 van de Miljoenennota 2014

19.01 Klimaat

Budgetflexibiliteit

De uitgaven voor subsidies (zie hiervoor de subsidiebijlage) en agentschapsbijdragen zijn volledig juridisch verplicht. De subsidies hebben een tijdshorizon en de agentschapbijdragen hebben een structureel karakter. Van het opdrachtenbudget is een deel juridisch verplicht door lopende opdrachten. Meer specifiek betreft het opdrachten in de sfeer van klimaat en duurzame mobiliteit.

19.02 Internationaal beleid, coördinatie en samenwerking

De uitfinanciering van de in voorgaande jaren aangegane verplichtingen in het kader van de uitvoering van het Clean Development Mechanism en de opdrachten 2014 aan AgentschapNL (AgNL) en RIVM zijn juridisch verplicht. Deze bijdragen hebben een structureel karakter. De bijdrage aan internationale organisaties is grotendeels juridisch verplicht. Het betreft hier uitgaven op grond van internationale verdragen of andere internationale afspraken. Deels zijn deze structureel van aard.

Het niet juridisch verplichte deel van dit artikel wordt aangewend voor opdrachten die worden verstrekt voor wetenschappelijk internationaal klimaatonderzoek, onderzoekprogramma’s en bijdragen aan (intern)nationale organisaties die een bijdrage leveren aan de internationale beleidsdoelstellingen op het gebied van milieu.

19.01 Klimaat

Toelichting op de financiële instrumenten

19.01.01 Opdrachten

Het Ministerie van IenM geeft uitvoerings- en onderzoeksopdrachten in het kader van de beleidsterreinen klimaat, duurzame mobiliteit en industrie.

19.01.02 Subsidies

In het verleden heeft het Ministerie van IenM subsidies aan bedrijven, onderzoeksinstellingen en andere overheden verstrekt, waarvan in de jaren tot en met 2015 nog de laatste betalingen moeten plaatsvinden. Het betreft subsidies in het kader van Lokale Klimaatinitiatieven, milieutechnologie en duurzame mobiliteit.

19.01.03 Bijdrage aan agentschappen

NEa

Jaarlijks verstrekt het Ministerie van IenM een opdracht aan de NEa voor de uitvoering van alle werkzaamheden in het kader van emissiehandel, alsmede het register voor biobrandstoffen.

Koninklijk Meteorologisch Instituut (KNMI)

Het KNMI verricht diverse werkzaamheden in het kader van klimaatonderzoek en het IPCC (Intergovernmental Panel on Climate Change ).

RWS

Betreft hier werkzaamheden die door RWS worden uitgevoerd. Het gaat met name om de uitvoering van Infomil (centraal punt voor bundeling en verspreiding van milieu wet- en regelgeving) alsmede het leveren van technische expertise bij de reductie van overige broeikasgassen.

19.02 Internationaal beleid, coördinatie en samenwerking
19.02.01 Opdrachten

Uitvoering CDM

De uitgaven voor het Clean Development Mechanism betreffen de betalingen aan financiële instellingen voor de uitvoering van het Clean Development Mechanism. Deze instellingen doen in opdracht van het Ministerie van IenM aankopen voor de levering van emissierechten (CER’s), waarmee Nederland een deel van de verplichtingen onder het Kyoto Procol kan nakomen.

RIVM en AgNL

Zie toelichting bij 19.02.03 Bijdrage aan agentschappen. Vanaf 2014 worden betreffende middelen hieronder geschaard.

Overige opdrachten

Het Ministerie van IenM verstrekt aan nationale en internationale wetenschappelijke instellingen onderzoeksopdrachten onder andere op het gebied van de klimaatverandering, duurzame productie en consumptie en de inzet van biobrandstoffen. Ook worden de middelen aangewend voor het in Europees verband uitwerken van de EU-roadmap-2050. Tevens worden middelen aangewend voor activiteiten in het kader van internationale diplomatie waaronder het uitvoeren van bedrijfslevensmissies en het ondersteunen en faciliteren van de delegaties bij internationale bijeenkomsten.

Daarnaast wordt de deelname van Nederlandse organisaties aan de transnationale en interregionale programma’s van INTERREG bevorderd. INTERREG is een Europese subsidieregeling, waarbinnen partijen uit meerdere landen samenwerken op het terrein van innovatie, duurzaamheid, bereikbaarheid en regionale gebiedsontwikkeling. Met de beschikbare middelen worden onder andere voorlichtings- en contactbijeenkomsten voor (potentiële) projectindieners gefinancierd, studies uitgevoerd en betalingen op subsidieregelingen uit voorgaande jaren verricht.

Tenslotte worden middelen ingezet voor de financiering van de MKBA’s. Jaarlijks worden thema’s geselecteerd en geanalyseerd op maatschappelijke kosten-baten, kosteneffectiviteit of herdefiniëring van de rol van het Rijk, mede in het licht van de ambitie van de Regering tot minder regels en een andere rol van de overheid en worden opdrachten verstrekt die gericht zijn op het leveren van economische adviezen op het terrein van milieu.

19.02.03 Bijdrage aan agentschappen

RWS

Dit betreft de agentschapsbijdrage voor de RWS voor de capaciteitsinzet in het kader van de uitvoering van Infomil (centraal punt voor bundeling en verspreiding van milieuwet- en regelgeving).

RIVM en AgNL

IenM heeft een deel van de beleidsuitvoering uitbesteed aan externe uitvoeringsorganisaties, zoals het AgNL (uitvoering van subsidieregelingen en ander beleidsondersteunende werkzaamheden) en het RIVM (uitvoering van wettelijke taken en beleidsonderbouwend onderzoek).

19.02.05 Bijdrage aan internationale organisaties

Het Ministerie van IenM is op grond van internationale verdragen of andere internationale afspraken gehouden om financiële bijdragen toe te kennen aan internationale organisaties. Het betreft onder andere het Verdrag van Aarhus, het Verdrag van Wenen ter bescherming van de ozonlaag, het Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan en het Montreal Protocol betreffende stoffen die de ozonlaag aantasten. Daarnaast is IenM gebonden om een aantal contributieverplichtingen na te komen. Het betreffen onder andere de UNEP12-contributie, de contributie International Transaction Log UNFCCC en een contributie wegens het lidmaatschap International Transport Forum ITF.

Naast deze financiële bijdragen heeft de Minister van IenM de discretionaire bevoegdheid om financiële bijdragen toe te kennen voor activiteiten die bijdragen aan de realisatie van de beleidsprioriteiten.

19.09 Ontvangsten

De opgenomen ontvangsten betreffen de geraamde opbrengsten van de verkoop van CO2-emissierechten, als onderdeel van het Europese Emissions Trading System (EU ETS).

Beleidsartikel 20: Lucht en geluid

Algemene Doelstelling

Bevorderen van een solide en gezonde leefomgeving door de luchtkwaliteit te verbeteren en door geluidhinder te voorkomen of te beperken.

Regisseren

Rollen en Verantwoordelijkheden

Om qua luchtkwaliteit een solide en gezonde leefomgeving te bereiken, regisseert de Minister van IenM de inhoudelijke lijn voor de nationale inbreng in de ontwikkeling van het Europese luchtkwaliteits- en geluidbeleid. Meer specifiek is de Minister van IenM verantwoordelijk voor:

  • De coördinatie van de Nederlandse inzet in internationaal kader bij de vaststelling van grenswaarden en plafonds voor emissies van luchtverontreinigende stoffen, de vertaling daarvan naar Nederlandse wet- en regelgeving en de verdeling van doelstellingen over sectoren en milieuthema’s. De doelen, grenswaarden en normen hebben betrekking op verbetering van de luchtkwaliteit, op bronbeleid voor geluid- en industriële emissies en op bronbeleid om schadelijke luchtemissies door de verkeersector (auto’s, lucht- en scheepvaart) tegen te gaan.

  • De ondersteuning van gemeenten en provincies bij het opstellen van algemene regels en bij de vergunningverlening ter vermindering van luchtemissies bij de industrie en bij een juiste toepassing van de geluidregelgeving.

  • De reductie van administratieve lasten voor het bedrijfsleven door vereenvoudiging van de monitoring- en rapportagestructuur voor emissies.

  • Met de implementatie van de vernieuwde geluidregelgeving (wet SWUNG21) wordt een optimale gezondheidsbescherming van burgers en flexibiliteit voor de beheerders van rijkswegen en hoofdspoorwegen beoogd. Swung-2 zal de aanpak van geluidhinder op gemeentelijk en provinciaal niveau beter uitvoerbaar maken. Hinder door trillingen (vooral bij spoorprojecten van belang) zal door wettelijke normstelling worden tegengegaan. Aan lagere overheden worden subsidiemiddelen ter beschikking gesteld om deze regelgeving te kunnen voldoen en geluidsgevoelige locaties langs infrastructuur aan te pakken.

Stimuleren

Om de milieudoelen op het gebied van luchtkwaliteit en geluid te behalen, is het belangrijk deze op een proactieve wijze met maatschappelijke partners te delen. Daarom stimuleert de Minister van IenM:

  • Het aangaan en organiseren van allianties met en tussen bedrijven, branches, overheden en kennisorganisaties om de doelen uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) en SWUNG (geluid) tot succesvolle uitvoering te brengen.

  • Schonere en stillere voertuigen. Dit gebeurt door samen met de verkeerssector een strategie te ontwikkelen, een internationale normering van voertuigen tot stand te brengen, een stabiel beleid gericht op de klimaatdoelen van 2050 te voeren, de voorlopers in de sector te subsidiëren en voor ontwikkeling van diverse alternatieve voertuigen en brandstoffen een kansrijke omgeving te creëren.

  • Mede-overheden tot uitvoering van maatregelpakketten in het NSL om daarmee de Europese normen voor luchtkwaliteit (fijn stof in 2011 en NO2 in 2015) te halen. Dit is belangrijk voor de gezondheid van burgers en hiermee schept de Minister tevens ruimte voor nieuwe infrastructuur, woningbouw en bedrijvigheid. De Minister werkt aan een follow-up van het NSL om voorbereid te zijn op de implicaties van nieuwe Europese normen voor luchtkwaliteit in 2020.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en Kengetallen

Algemeen:

Jaarlijks ontvangt de Tweede Kamer een monitoringsrapportage over de voortgang van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De monitoring dient om de voortgang van de uitvoering van het NSL te volgen en biedt een basis om het programma waar nodig bij te sturen. De monitoring betreft de ontwikkeling in de luchtkwaliteit en de uitvoering van projecten en maatregelen. Voor de meest recente monitor zie de bijlage bij Kamerstukken II 2012/13, 30 175 nr. 154.

Tegengaan geluidhinder (kengetal sanering verkeerslawaai).
 

t.g.v. Rijksinfrastructuur

 

t.g.v. andere infrastructuur

 

Totaal

aantal woningen

Rijkswegen (incl. betreffend deel A-lijst)

Spoorwegen

A-lijst

Overig

 

Totaal

109.800

70.650

77.355

335.800

593.605

Uitgevoerd 1980–1990 (schatting)

40.000

7.450

40.000

87.450

Uitgevoerd 1990 t/m 31-12-2011

58.302

16.238

48.650

36.721

159.911

Uitvoering 2012

113

272

3.000

1.012

4.397

Geplande uitvoering gereed 2013

115

1.315

3.000

1.560

5.990

Geplande uitvoering gereed 2014

690

3.000

810

4.500

Gepland restant per 31-12-2014

11.270

44.685

19.705

255.697

331.357

Gepland restant per 31-12-2020

nnb

nnb

nnb

Bron: Bureau Sanering Verkeerslawaai, april 2013

Toelichting bij tabel:

  • Geplande uitvoering Rijksinfrastructuur 2014 is exclusief resultaten Meerjarenprogramma Geluidssanering (spoor) en Programma Lucht- en Geluidmaatregelen (wegen).

  • Uitvoering en geplande uitvoering van de A-lijst betreft een aanname op basis van beschikbare budgetten; voortgangsgegevens zijn niet centraal beschikbaar

  • Geplande uitvoering «Overig» is gebaseerd op subsidieplanning Bureau Sanering Verkeerslawaai.

Emissies luchtverontreinigende stoffen 1990, 2000, 2005 en 2010, doelstellingen en prognoses 2020 en 2030 in kton/jr. (kengetal)
 

1990

2000

2005

2010

2010

2010

2011

20141

2020

2020

2030

         

Gotenburg Protocol

NEC-Richtlijn

Realisatie

Raming

Raming

Reductie percentage voor Nederland t.o.v. 2005 (als plafond in kton)

Raming

SO2

192

73

64

34

50

50

34

36

35

28% (46)

32

NOx

566

394

337

274

266

260

259

236

180

45% (185)

160

NH3

355

161

141

122

128

128

119

115

109

13% (122)

110

NM

VOS2

477

233

169

145

191

185

144

148

149

8% (155)

158

PM2.5

44

24

19

15

14

14

12

37% (12)

11

Bron: informatie over gerealiseerde emissies is afkomstig uit: Emissions of transboundary air pollutants in the Netherlands 1990–2011. Informative Inventory Report 2013 (pagina 20, tabel 2.1). De geraamde emissies komen uit de Referentieraming energie en emissies: actualisatie 2012. Energie en emissies in de jaren 2012, 2020 en 2030 (pagina 66–67, tabel B4.6). De ramingen gaan uit van uitvoering van vastgesteld en voorgenomen beleid.

1

Inschatting op basis van verwachte ontwikkelingen in de emissies tussen 2011 en 2020.

2

NMVOS – Vluchtige organische stoffen, exclusief methaan

Toelichting bij tabel:

Voor wat betreft de emissieplafonds geldt dat begin mei 2012 in Genève de nieuwe doelstellingen voor luchtverontreinigende stoffen zijn vastgesteld. Het betreft aanpassing van het zogenaamde Gothenburg protocol. Enigszins complicerend is dat er, in tegenstelling tot het bestaande protocol alsook de National Emission Ceiling (NEC) richtlijn, geen emissieplafonds zijn opgenomen, maar reductiepercentages. Het referentiejaar voor die reducties is 2005 en de doelstellingen betreffen reductiepercentages die in 2020 dienen te zijn gerealiseerd. Naast voorgaande verandering geldt dat aan de bestaande stoffenlijst (NOx, SO2, NH3 en VOS) ook fijn stof (PM2.5) is toegevoegd.

Emissies luchtverontreinigende stoffen en broeikasgas door verkeer en vervoer1 in kton/jr (kengetal)
 

1990

2000

2005

2010

2011

20143

2020

2030

 

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Raming

Raming

Raming

NOx

327

239

198

164

159

139

97

79

SO2

18

9

6

1,2

0,4

0,4

0,3

0,3

PM2,5

19

13

10

7

7

5

3

3

NH3

1

2,6

2,6

2,5

2,6

2,5

2,5

2,4

NMVOS2

190

77

45

32

31

29

28

26

CO2 (Mton)

30

37

39

38

38

374

355

345

Bron: Informatie over gerealiseerde emissies is afkomstig uit: Emissions of transboundary air pollutants in the Netherlands 1990–2011. Informative Inventory Report 2013 (pagina 20, tabel 2.1).

De geraamde emissies komen uit de Referentieraming energie en emissies: actualisatie 2012.

Energie en emissies in de jaren 2012, 2020 en 2030 (pagina 66–67, tabel B4.6).

De Ramingen gaan uit van uitvoering van vastgesteld en voorgenomen beleid.

Toelichting bij tabel:

1 Betreft mobiele bronnen totaal, dus transportmiddelen en mobiele werktuigen, exclusief zeevaart.

2 NMVOS – Vluchtige organische stoffen, exclusief methaan

3 Inschatting op basis van verwachte ontwikkelingen in de emissies tussen 2011 en 2020.

4 Raming van broeikasgassen en luchtverontreinigende stoffen 2011–2015, PBL, Den Haag 2011 in samenwerking met ECN

5 Referentieraming energieën emissies: actualisatie 2012, PBL, Den Haag 2012 in samenwerking met ECN.

Ontwikkeling CO2 emissie nieuwe personenauto’s in gr. CO2 per kilometer (kengetal)
 

2005

2009

2010

2011

2012

2015

2020

EU

164.4

145.7

140.3

n.v.t.

n.v.t.

130

95

Nederland

169.9

146.9

135.8

126.2

118,5

   

Bron: European Environment Agency; zie pagina 19 van publicatie Monitoring CO2 emissions for new passenger cars in the EU: summary of data for 2012, EEA 30 april 2013.

Toelichting bij tabel:

  • Nadat vrijwillige afspraken over CO2-reductie met de Europese autofabrikanten niet tot gewenste resultaten leidde, heeft de Europese Commissie in december 2007 een voorstel gedaan voor verplichte reductiedoelstellingen. Dat voorstel is in 2009 aangenomen en bevatte naast een verplichte norm van gemiddeld 130 g CO2/km in 2015, een verplichte norm van gemiddeld 95 g CO2/km in 2020, waarvan de technische en economische haalbaarheid nog moest worden bevestigd. Op 11 juli 2012 heeft de Europese Commissie bevestigd dat een CO2-norm van gemiddeld 95 g/km in 2020 inderdaad technisch en economisch haalbaar is. Deze norm is in 2009 op voorstel van Nederland aangenomen en zal er straks toe leiden dat de gemiddelde automobilist op jaarbasis zo’n € 340,– aan brandstofkosten bespaart.

  • Alleen voor 2015 en 2020 zijn er EU-normen (voor fabrikanten). De CO2-uitstoot van nieuwe voertuigen in Nederland wordt jaarlijks gemonitord.

Beleidswijzigingen

De Europese Commissie komt in het najaar van 2013 met een voorstel voor herziening (aanscherping) van de Thematische Strategie Luchtverontreiniging en de Richtlijn Nationale Emissieplafonds (NEC). Op basis daarvan zullen de onderhandelingen over nieuw Europees luchtbeleid gaan plaatsvinden. Het Nederlandse standpunt zal worden bepaald aan de hand van de concrete voorstellen en de in 2013 uitgevoerde impact assessments en nationale kosten baten analyse. De Tweede Kamer wordt hierover in het laatste kwartaal van 2013 schriftelijk geïnformeerd. In het najaar wordt officieel duidelijk of de Europese Commissie in 2014 de wijziging van de regelgeving wil afronden of dat ze pas in 2014 gaat beginnen. Dit heeft te maken met de verkiezingen van het Europees Parlement in 2014.

In 2014 wordt een kabinetsbesluit tot verlengen van het NSL bij de Tweede Kamer ingediend.

Met de Ontwerpwetgeving SWUNG-2 wordt een start gemaakt. In 2013 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van het onderzoek normering trillingen. Rond de zomer 2014 ontvangt de Tweede Kamer een brief over de mogelijkheden voor en effecten van eventuele normering voor trillingen.

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 20 Lucht en Geluid (x € 1.000)
   

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

42.048

86.767

32.060

35.939

36.602

33.089

33.074

Uitgaven

58.562

88.379

49.383

43.526

36.602

33.089

33.074

Waarvan juridisch verplicht

   

95%

       

20.01

Luchtkwaliteit en tegengaan geluidshinder

58.562

88.379

49.383

43.526

36.602

33.089

33.074

20.01.01

Opdrachten

6.607

6.071

5.269

5.508

4.799

4.808

5.031

20.01.02

Subsidies

1.954

22.905

20.150

3.800

     

20.01.03

Bijdrage aan agentschappen

 

1.205

1.292

1.047

847

835

597

 

– waarvan bijdrage aan RWS

 

1.205

1.292

1.047

847

835

597

20.01.04

Bijdrage aan medeoverheden

48.411

57.041

21.531

32.030

29.815

26.305

26.305

 

– NSL

28.600

40.111

1.288

3.340

     
 

– Wegverkeerlawaai

19.533

15.118

19.764

28.690

29.815

26.305

26.305

 

– Overige bijdrage medeoverheden

278

1.812

479

       

20.01.07

Bekostiging

1.590

1.157

1.141

1.141

1.141

1.141

1.141

 

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

De uitgaven voor subsidies (zie hiervoor de subsidiebijlage), alsmede de bijdragen aan medeoverheden in het kader van met name de wettelijke taken inzake de sanering van het wegverkeerslawaai en het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) zijn juridisch verplicht. De subsidies hebben een tijdshorizon. Van het opdrachtenbudget is een deel juridisch verplicht door lopende opdrachten in de sfeer van de uitvoering van met name de geluidsanering en van de steekproefcontroleprogramma’s.

Het niet juridisch verplichte deel van dit artikel wordt aangewend voor diverse (onderzoeks)opdrachten op de beleidsterreinen geluid en luchtkwaliteit.

20.01 Luchtkwaliteit en tegengaan geluidhinder

Toelichting op de financiële instrumenten

20.01.01 Opdrachten

Het Ministerie van IenM geeft uitvoerings- en onderzoeksopdrachten in het kader van de beleidsterreinen verkeersemissies, geluidhinder en luchtkwaliteit. Op het gebied van verkeersemissies worden opdrachten verstrekt voor de uitvoering van steekproefcontroleprogramma's door de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO) inzake voertuigemissies en voor het Expertisecentrum Milieuzones. Ten aanzien van het beleidsterrein geluidhinder gaat het met name om de opdrachtverlening aan het Bureau Sanering Verkeerslawaai (BSV), dat namens het Ministerie van IenM zorg draagt voor de uitvoering van de geluidsanering voor gemeentelijke en provinciale infrastructuur. Daarnaast is opdracht verstrekt aan het RIVM voor het Kenniscentrum Geluid.

20.01.02 Subsidies

Het Ministerie van IenM verstrekt subsidies in de aanschafkosten van nieuwe voertuigen, uitgerust met schone motoren, welke voldoen aan normen voor Euro-6 (taxi's en bestelauto's) respectievelijk Euro-VI (vrachtwagens en bussen).

20.01.03 Bijdrage aan agentschappen

RWS

De voornaamste werkzaamheden van RWS zijn de uitvoering van Infomil (centraal punt voor bundeling en verspreiding van milieu wet- en regelgeving) en de monitoring van duurzame mobiliteit.

20.01.04 Bijdrage aan medeoverheden

De uitgaven inzake het NSL betreffen de betalingen aan de provincies en gemeenten voor de uitvoering van het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. De uitvoering van het NSL en daarmee de betaling van het aandeel van het Rijk daarin, geschiedt in diverse tranches, conform de daarover met de medeoverheden gemaakte afspraken.

Bij het onderdeel wegverkeerslawaai gaat het om de bijdragen aan provincies en gemeenten voor het uitvoeren van saneringsmaatregelen met betrekking tot geluidhinder door het verkeer.

20.01.07 Bekostiging

Jaarlijks bekostigt het Ministerie van IenM een deel van het milieuonderzoeksprogramma van ECN te Petten. Over de invulling van dit programma worden afspraken gemaakt met ECN, mede om te borgen dat het onderzoek en de resultaten dienstbaar zijn in het kader van de beleidsontwikkeling en -onderbouwing door IenM.

Beleidsartikel 21: Duurzaamheid

Algemene Doelstelling

Bevorderen van de transitie naar een duurzame economie door het stimuleren van een verstandig gebruik van grondstoffen en versterking van de veerkracht van het natuurlijk kapitaal.

Regisseren

Rollen en Verantwoordelijkheden

Duurzaamheid moet expliciet onderdeel uit gaan maken van afwegingen en besluiten van organisaties en individuen in Nederland. Om dit te bereiken worden belemmeringen weggenomen, instrumenten ontwikkeld en samenwerkingsverbanden georganiseerd met de benodigde maatschappelijke partners. De Minister is hierbij verantwoordelijk voor:

  • Een transitie naar een circulaire economie, onder andere door uitvoering van het programma «Van Afval naar Grondstof»;

  • In samenwerking met EZ stellen van grenzen aan de uitputting en aantasting van natuurlijke hulpbronnen. Dit gebeurt via generieke en brongerichte maatregelen ter versterking van de veerkracht van het natuurlijk kapitaal;

  • Het ontwikkelen van instrumenten om de waarde van biodiversiteit en natuurlijk kapitaal tot uitdrukking te brengen in het economisch verkeer;

  • Het borgen van verduurzaming via wetgeving op nationaal en op internationaal niveau, bijvoorbeeld om ongewenste emissies van stoffen te kunnen voorkomen;

  • Het met behulp van de minimumstandaarden in het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP) verder realiseren van hoogwaardige afvalverwerking;

  • Het coördineren van beleid in Europees en in mondiaal verband om het internationale level playing field voor duurzaamheid te versterken;

  • Het beter benutten van duurzame functiecombinaties (infra, groen, et cetera) bij het opdrachtgeverschap voor aanleg en beheer van eigen gebieden. Ecosysteemdiensten (zoals watervasthoudend en zelfreinigend vermogen van de bodem, waterzuivering en natuurlijke plaagregulatie) vormen hiervoor een goede basis.

Stimuleren

Zowel producenten als consumenten moeten concrete stappen kunnen zetten naar een meer circulaire economie. Om dit te bereiken steunt IenM duurzame initiatieven in de samenleving. Daarom stimuleert de Minister in samenwerking met andere departementen verduurzaming door:

  • Het stimuleren van ketenpartijen om duurzaamheidscriteria te hanteren. Door het bieden van meer transparantie en vergelijkingsmogelijkheden kan duurzaamheid een integraal onderdeel uitmaken van ieders afwegingen en besluiten;

  • Samenwerking met andere organisaties die begrippen als «duurzaam consumeren» en «maatschappelijk verantwoord ondernemen» concreet en hanteerbaar maken voor (kleine) bedrijven en burgers;

  • De verduurzaming van productketens waarbij bedrijven worden gestimuleerd om efficiënter om te gaan met grondstoffen, kringlopen verder te sluiten en meer waarde uit afval te halen. Hiertoe worden partijen gefaciliteerd via bijvoorbeeld Green Deals en ketenprojecten;

  • Het stimuleren van duurzaam gebruik van het bodem- en watersysteem door concrete projecten op het gebied van groene functiecombinaties mogelijk te maken. Hiervoor wordt kennis en informatie over het duurzaam gebruik ter beschikking gesteld door ondermeer het ontwikkelen van de «Digitale Atlas van het Natuurlijk Kapitaal», worden beslissingsondersteunende instrumenten aangeboden aan bedrijven en overheden en worden voorbeeldprojecten ondersteund.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en Toezicht).

Indicatoren en Kengetallen

Duurzame ontwikkeling kan op meerdere manieren inzichtelijk worden gemaakt. Wat betreft duurzaamheid in de Nederlandse samenleving zijn kengetallen te vinden in de Monitor Duurzaam Nederland (MDN) 2011 van het CPB, PBL, SCP en CBS, en in de CBS rapportage Green growth in the Netherlands 2011. Volgens planning zullen in 2014 aan de MDN ook indicatoren worden toegevoegd die meer gericht zijn op groene groei. Onderstaande grafiek laat kengetallen zien met betrekking tot de hoogwaardigheid van afvalverwerking.

Ontwikkeling in aanbod en toepassing van afval

Ontwikkeling in aanbod en toepassing van afval

Bron:LAP en RWS Leefomgeving.

Toelichting bij de grafiek:

In maart 2010 is het gewijzigde Landelijk Afvalbeheerplan (LAP) 2009–2021 van kracht geworden. In dat plan zijn kwantitatieve en kwalitatieve doelen geformuleerd. De figuur laat verschillende prognoses uit het verleden zien van het afvalaanbod. Ook is het werkelijk afvalaanbod weergegeven. Het verschil tussen de drie afvalaanbodlijnen en de lijn «Werkelijke afvalhoeveelheid» geeft aan hoeveel preventie is bereikt. Verder is in de grafiek te zien hoeveel afval nuttig is toegepast (recycling + inzet van afval als brandstof), is verbrand als vorm van verwijdering en is gestort. Er zijn in het LAP, en dus bij dit kengetal, alleen (tussen)doelen voor de jaren 2015 en 2021 geformuleerd. Dat komt met name vanwege de verschillende looptijden tussen het treffen van maatregelen en het effect daarvan.

Beleidswijzigingen

De Minister van IenM geeft onder andere via de prioriteit «Van Afval Naar Grondstof» invulling aan de Groene Groei strategie van het kabinet. De beweging van afval naar grondstof wordt benut om een meer circulaire economie te realiseren. Dit vergt het duurzaam omgaan met natuurlijke bronnen (sustainable sourcing), het efficiënt omgaan met onze grondstoffen (resource efficiency), het slim ontwerpen van producten (eco-design en substitutie van niet duurzame materialen), voorwerpen langer en meerdere keren gebruiken (hergebruik en reparatie) en het optimaal benutten van reststromen. Hierbij hoort ook dat de functies van ecosystemen optimaal worden benut.

Budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 21 Duurzaamheid (x € 1.000)
   

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

5.188

13.891

12.707

13.541

16.155

16.056

15.935

Uitgaven

98.342

10.534

13.530

14.759

17.815

16.056

15.935

Waarvan juridisch verplicht

   

84%

       

21.01

Afval en duurzaamheidsagenda

92.070

5.152

21.01.01

Opdrachten

2.219

1.452

         
 

– uitvoering AgNL

380

0

         
 

– overige opdrachten

1.839

1.452

         

21.01.02

Subsidies

89.851

1.059

         
 

– Afvalfonds

89.851

1.059

         

21.01.03

Bijdrage aan agentschappen

 

2.641

         
 

– waarvan bijdragen aan RWS

 

2.641

         

21.02

Preventie en milieugebruiksruimte

3.088

2.014

         

21.02.01

Opdrachten

3.088

1.644

         

21.02.03

Bijdrage aan agentschappen

 

370

         
 

– waarvan bijdragen aan RWS

 

370

         

21.03

Ecosystemen en landbouw

3.184

3.368

         

21.03.01

Opdrachten

756

1.719

         

21.03.02

Subsidies

2.378

959

         

21.03.03

Bijdrage aan agentschappen

0

690

         
 

– waarvan bijdragen aan RWS

0

690

         

21.03.04

Bijdragen aan Internationale organisaties en medeoverheden

50

0

         

21.04

Duurzaamheidsinstrumentarium

   

1.365

1.365

1.365

1.365

1.365

21.04.01

Opdrachten

   

1.171

1.171

1.171

1.171

1.171

21.04.03

Bijdrage aan agentschappen

   

194

194

194

194

194

 

– waarvan bijdragen aan RWS

   

194

194

194

194

194

21.05

Duurzame Productketens

   

8.598

9.850

11.728

9.975

9.866

21.05.01

Opdrachten

   

5.478

6.730

8.608

6.855

6.746

21.05.02

Subsidies

   

520

520

520

520

520

21.05.03

Bijdrage aan agentschappen

   

2.600

2.600

2.600

2.600

2.600

 

-waarvan bijdragen aan RWS

   

2.600

2.600

2.600

2.600

2.600

21.06

Natuurlijk kapitaal

   

3.567

3.544

4.722

4.716

4.704

21.06.01

Opdrachten

   

2.339

2.316

3.494

3.488

3.476

21.06.02

Subsidies

   

359

359

359

359

359

21.06.03

Bijdrage aan agentschappen

   

869

869

869

869

869

 

– waarvan bijdragen aan RWS

   

869

869

869

869

869

21.06.04

Bijdragen aan medeoverheden

 

0

0

0

0

0

Ontvangsten

815

0

0

0

0

0

0

Extracomptabele verwijzingen

Belastinguitgaven (x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verlaging lastendruk op inkomsten uit vermogen

             

Vrijstelling groen beleggen forfaitair rendement

58

60

61

62

63

64

66

Heffingskorting groen beleggen

37

38

39

40

41

41

42

Bron: Bijlage 5 van de Miljoenennota 2014

21.04 Duurzaamheidsinstrumentarium

Budgetflexibiliteit

De opdrachten hebben veelal betrekking op de uitvoering van wettelijke taken onder andere door RWS in het kader van de uitvoering van het afvalbeleid. Deze opdrachten worden eind 2013 vastgelegd voor het uitvoeringsjaar 2014.

Het niet juridisch verplichte deel van dit artikel wordt aangewend voor diverse (onderzoeks)opdrachten op het beleidsterrein duurzaamheid.

21.05 Duurzame productketens

De opdrachten hebben veelal betrekking op de uitvoering van wettelijke taken door onder andere RWS in het kader van de uitvoering van het beleid voor duurzame productketens. Een deel van het budget zal in de loop van het jaar 2014 worden verplicht (circa € 1 mln). De opdracht aan RWS wordt eind 2013 vastgelegd voor het uitvoeringsjaar 2014. Het budget voor de subsidies is in 2013 verplicht voor de Stichting Milieu Centraal.

Het niet juridisch verplichte deel van dit artikel wordt aangewend voor diverse (onderzoeks)opdrachten op het beleidsterrein duurzame productketens.

21.06 Natuurlijk kapitaal

De opdrachten hebben veelal betrekking op de uitvoering van wettelijke taken onder andere door het RIVM en RWS op het gebied van biomassa, ecosystemen en landbouw en worden eind 2013 juridisch verplicht. Subsidies hebben betrekking op de uitvoering van het jaarlijks toe te zeggen milieuonderzoeksprogramma van het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN).

Het niet juridisch verplichte deel van dit artikel wordt aangewend voor diverse (onderzoeks)opdrachten op het beleidsterrein natuurlijk kapitaal.

21.04 Duurzaamheidsinstrumentarium

Toelichting op de financiële instrumenten

Ontwikkelen van duurzaamheidsinstrumentarium en het verbeteren van het economisch functioneren van de huidige verdienmodellen, zodat alle (maatschappelijke) kosten een rol gaan spelen bij de afwegingen van consumenten.

21.04.01 Opdrachten

In dit kader worden opdrachten verstrekt voor de ontwikkeling en implementatie van duurzaamheidsinstrumentarium, zoals groene business cases, afwegingskaders op het gebied van verduurzaming en financiële instrumenten.

21.04.03 Bijdragen aan agentschappen

Dit betreft de bijdrage aan RWS, Unit Leefomgeving voor de capaciteitsinzet in het kader van de uitvoering van het duurzaamheidsbeleid.

21.05 Duurzame Productketens

Productketens worden verkend op hun impact van de winning, verwerking en het (her)gebruik van grondstoffen om te komen tot een circulaire economie gericht op het maximaliseren van de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen en het minimaliseren van waardevernietiging.

21.05.01 Opdrachten

De opdrachten hebben betrekking op uitvoering van wettelijke taken op het gebied van het afvalbeleid (onder andere de uitvoering van het Landelijk afvalbeheerplan). Daarnaast worden hier opdrachten geboekt voor projecten ter verduurzaming van ketens in het kader van de circulaire economie. Dit betreft met name de ketens: voedsel, textiel en elektronica, alsmede sectoren met een grote milieudruk zoals landbouw.

21.05.02 Subsidies

In 2014 zal de financiële afwikkeling plaatsvinden van het Afvalfonds. Daarnaast is een budget geraamd voor subsidieverlening in het kader van voorlichting aan burgers over duurzame handelingsperspectieven en ondersteuning van bedrijven bij verduurzaming van productieprocessen.

21.05.03 Bijdragen aan agentschappen

Dit betreft de bijdrage aan RWS voor de capaciteitsinzet in het kader van de uitvoering van het beleid op het gebied van afval, grondstoffen en productketens.

21.06 Natuurlijk kapitaal

Ecosystemen zijn van groot belang voor het voortbestaan van de mens, onder andere door de levering van voedsel, water en een schone leefomgeving. In stand houden en verbeteren van de vitaliteit van het «natuurlijk kapitaal» maakt het mogelijk om goederen, diensten of ecosysteemfuncties duurzaam te kunnen benutten.

21.06.01 Opdrachten

Het betreft hier opdrachten voor de ontwikkeling van criteria voor duurzaamheid van onder andere biomassa en voor de waardering van ecosystemen. Verder betreft het opdrachten op het gebied van de landbouw (onder andere het College voor de Toelating van Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden en certificering).

21.06.02 Subsidies

Subsidies hebben betrekking op het honoreren van incidentele aanvragen die voor de ontwikkeling van het beleid van het duurzaam gebruik van ecosystemen bevorderlijk kunnen zijn. Per aanvraag zal een beoordeling op relevantie plaatsvinden.

21.06.03 Bijdragen aan agentschappen

Dit betreft de bijdrage aan RWS voor de capaciteitsinzet in het kader van de uitvoering van het beleid op het gebied van natuurlijk kapitaal.

21.06.04 Bijdrage aan medeoverheden

Dit betreft eerder aangegane verplichtingen in het kader van het beleid voor gebruik van ecosystemen in het landelijk gebied (Investeringsbudget Landelijk Gebied, ILG).

Conversietabel vergelijking met begroting 2013

De indeling van artikel Duurzaamheid is aangepast volgens onderstaand tabel. Deze nieuwe indeling is gekozen om het artikel te doen aansluiten op ontwikkelingen in het werkveld.

Wordt

 

Was

         

art. ond.

naam art. onderdeel

art. onderdeel

2014

2015

2016

2017

2018

Artikel 21

Duurzaamheid

 

13.530

14.759

17.815

16.056

15.935

21.04

Duurzaamheidsinstrumentarium

 

1.365

1.365

1.365

1.365

1.365

21.04.01

Opdrachten

21.01.01

1.171

1.171

1.171

1.171

1.171

21.04.03

Bijdrage aan agentschappen

 

194

194

194

194

194

21.05

Duurzame Productketens

 

8.598

9.850

11.728

9.975

9.866

21.05.01

Opdrachten

21.01.01

2.675

5.647

7.512

5.761

5.653

   

21.03.01

2.803

1.083

1.096

1.094

1.093

21.05.02

Subsidies

21.01.02

520

520

520

520

520

21.05.03

Bijdrage aan agentschappen

21.01.03

2.600

2.600

2.600

2.600

2.600

21.06

Natuurlijk kapitaal

 

3.567

3.544

4.722

4.716

4.704

21.06.01

Opdrachten

21.02.01

1.734

1.721

2.904

2.898

2.886

   

21.03.01

605

595

590

590

590

21.06.02

Subsidies

21.03.01

359

359

359

359

359

   

21.03.02

0

0

0

0

0

21.06.03

Bijdrage aan agentschappen

21.02.03

0

0

0

0

0

   

21.03.03

869

869

869

869

869

21.06.04

Bijdragen aan medeoverheden

21.03.04

0

0

0

0

0

Beleidsartikel 22: Externe veiligheid en risico's

Algemene Doelstelling

Mens en milieu beschermen tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte milieu- en gezondheidsrisico’s.

Regisseren

Rollen en Verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor de integrale kaderstelling rond activiteiten die risico’s kunnen veroorzaken voor het milieu en de gezondheid van de mens. Deze regisserende rol komt naar voren in:

  • De normstelling en regels waaraan bedrijven en overheden zich bij de uitoefening van hun activiteiten moeten houden. Dit beschermingsniveau wordt bij voorkeur op Europees of internationaal niveau vastgelegd en zonder «nationale kop» geïmplementeerd, waardoor een level playing field bereikt wordt. De veiligheid van mens en milieu bij handelingen met genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s), bij de ontwikkeling en implementatie van regelgeving op het gebied van chemische stoffen (REACH), bij risicovolle bedrijven en bij het transport van gevaarlijke stoffen (water, rail en weg) zijn voorbeelden waarbij dit in de vorm van wet- en regelgeving gebeurt. Voor deze dossiers geldt dat Nederland een actieve bijdrage levert aan de Europese processen die leiden tot verdere verbetering van deze Europese regels.

  • Waar Europese regels (deels) ontbreken of lidstaatspecifieke implementatie vereisen, of waar specifieke omstandigheden in Nederland het stellen van regels voor de veiligheid van de omgeving noodzakelijk maakt, wordt in dialoog met stakeholders gezocht naar een optimum tussen de te bereiken doelen (en dus baten in termen van milieu en gezondheidswinst) en de lasten die deze regels veroorzaken. Dit is onder meer aan de orde bij de regelgeving rond buisleidingen en het wetsvoorstel «Basisnet» waarmee een balans wordt gezocht tussen de belangen van vervoer, ruimte en veiligheid.

  • De reductie van administratieve lasten voor bedrijven door de vereenvoudiging van de bestaande wet- en regelgeving. Het Activiteitenbesluit is hiervan het belangrijkste voorbeeld. Dit besluit is er onder meer op gericht de vergunningplicht te vervangen door algemene regels. Reductie van de regeldruk wordt ook nagestreefd door een betere kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Deze taken worden voortaan door de 28 Regionale Uitvoeringdiensten (RUD’s) uitgevoerd. Deze zullen allen uiterlijk per 1 januari 2014 operationeel zijn.

  • Het verlenen van vergunningen met als doel bescherming van mens en milieu voor activiteiten met GGO’s. Het verlenen van vergunningen voor defensie-inrichtingen waarvoor een strikt geheimhoudingsregime geldt. Hetzelfde geldt voor een beperkt aantal bedrijven (vooralsnog twee) met een verhoogd risico voor de externe veiligheid op de eilanden van Caribisch Nederland.

Stimuleren

Het is primair de verantwoordelijkheid van bedrijven die risico’s voor mens en milieu veroorzaken om deze risico’s te identificeren en te voorkomen of te beperken. Dit geldt ook voor overheden die – bijvoorbeeld in de ruimtelijke ordening – keuzen maken die invloed hebben op veiligheid en risico’s. De Minister stimuleert:

  • Het in beeld (doen) brengen van bestaande of nieuwe risicosituaties en het vermijden of beperken hiervan. Dit geschiedt door inventarisaties van deze risico’s en het stimuleren van de aanpak daarvan, zoals bijvoorbeeld gebeurt bij asbest in scholen en met betrekking tot de kwaliteit van het binnenklimaat in woningen, door het in beeld brengen van de risico’s van nieuwe technologieën zoals het gebruik van nanomaterialen, het volgen van nieuwe wetenschappelijke inzichten op het gebied van hormoonverstoring en gecombineerde blootstelling aan stoffen en door het ontwikkelen van beleid ten aanzien van onzekere risico’s zoals bij elektromagnetische velden. De eigen verantwoordelijkheid van bedrijven en andere overheden is daarbij een belangrijk anker, onder andere door openheid te geven ten aanzien van feitelijke risico’s. Het ontwikkelen van de Risicokaart (in overleg met het Ministerie van Veiligheid en Justitie) en de Atlas Leefomgeving zijn hiervan voorbeelden. Op basis van deze informatie kunnen burgers nagaan hoe het is gesteld met de kwaliteit van hun directe leefomgeving. Het landelijk asbestvolgsysteem moet in 2014 alle ketenpartijen van de nodige informatie voorzien en door die ketenpartijen worden gefinancierd.

  • Het nemen van maatregelen ter bescherming van mens en maatschappij tegen moedwillige verstoring van onderdelen van de vitale infrastructuur door te bevorderen dat de risico’s op moedwillige verstoring (bijvoorbeeld terroristische aanslagen) worden geïdentificeerd en waar mogelijk beperkt. Het betreft hier onder andere chemische bedrijven en buisleidingen.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en Kengetallen

Veiligheid en veiligheidsbeleving zijn niet eenvoudig objectief te meten. Het streven is gericht op het voorkomen van onveiligheid: vermeden onveilige situaties laten zich niet tellen. Bovendien geeft het Rijk hier veelal instrumenten aan anderen om hun eigen verantwoordelijkheid te nemen zodat de daadwerkelijke implementatie lokaal plaatsvindt.

Op dit terrein worden daarom de volgende kwantitatieve kengetallen gehanteerd:

  • In het kader van de Europese stoffenregelgeving (REACH) worden stoffen beoordeeld en waar nodig van maatregelen voorzien (autorisatie, restrictie). Nederland levert een bijdrage aan dat proces, waarbij de Nederlandse inzet bepaald wordt door de ontwikkelde beleidsprioriteringscriteria en de mate waarin de betreffende stof voor Nederland zorgen oplevert, of hier geproduceerd of gebruikt wordt. Onderstaande tabel geeft aan wat naar verwachting de Nederlandse inbreng in 2014 zijn bij deze producten van het Europese systeem, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen door Nederland ingebrachte dossiers en dossiers door andere lidstaten ingebracht die Nederland actief becommentarieert. Het in de begroting van 2013 toegezegde te ontwikkelen kengetal wordt ontwikkeld door het RIVM.

Tabel resultaten EU REACH in 2014
   

2014

2014

   

Door NL ingebracht (+ met NL-reactie)

Totaal in EU ingebracht

1

Beoordelingen ontwerpbesluiten ECHA ten aanzien van registratiedossiers en testvoorstellen van Europese bedrijven.

120

320

2

Door Nederland uitgevoerde of becommentarieerde stofevaluaties.

3 (+20)

50

3

Door Nederland uitgevoerde of becommentarieerde analyses van opties voor risicobeheersing (RMO).

5–10 (+15)

n.v.t.

4

Door Nederland ingebrachte of becommentarieerde Annex XV (REACH) dossiers ten aanzien van zeer ernstige zorgstoffen.

3–5 (15–30)

30

5

Door Nederland ingebrachte of becommentarieerde restrictiedossiers.

1–2 (3–5)

8

6

Nederlandse voorstellen voor geharmoniseerde classificatie en labeling van zeer ernstige zorgstoffen.

6–10 (30–50)

70

7

Behandelde vragen door de REACH helpdesk.

300–400

n.v.t.

  • Het aantal (opgeloste) kwetsbare objecten binnen veiligheidszones met betrekking tot externe veiligheid (transport, inrichtingen en buisleidingen). Dit kengetal vergt nog nadere uitwerking. Bij het basisnet is door de genomen maatregelen het aantal knelpunten in 2014 gereduceerd tot 42 woningen, waarvoor een milde saneringsregeling zal gaan gelden.

  • GGO’s: aantal verleende vergunningen per jaar, met het percentage daarvan dat onder de grens van verwaarloosbaar risico gerealiseerd werd. Voor 2014 worden ongeveer 700 vergunningen verwacht.

  • Defensie-inrichtingen: aantal verleende vergunningen. Voor 2014 worden 50 vergunningen verwacht.

Beleidswijzigingen

Naar verwachting worden in 2014 het wetsvoorstel Basisnet en het Besluit transportroutes externe veiligheid van kracht. Monitoring van het Basisnet zal dan prioriteit hebben. De VN-verdragen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen worden tweejaarlijks herzien. Door toenemende betrokkenheid van de Europese Commissie zal de beleidsdiscussie nu ook in Brussel gaan plaatsvinden.

Het (Europese) beleid ten aanzien van nieuwe risico’s, bijvoorbeeld op het vlak van nanotechnologie en synthetische biologie is nog in ontwikkeling.

Voor het beheersen van die risico’s is de inzet om zoveel mogelijk aan te sluiten bij bestaande wetgeving, zoals bijvoorbeeld de REACH-wetgeving en de GGO-regelgeving. Bij de beperking van de risico’s van stoffen ligt de focus de komende jaren op de implementatie van Europese regelgeving. Om het lokaal bestuur een instrument te bieden in het beheersen van emissies van zeer zorgwekkende stoffen, wordt onder meer het Activiteitenbesluit aangepast. Nieuw Europees beleid is te verwachten voor hormoonverstorende stoffen en risico’s van gecombineerde blootstelling aan chemische stoffen (opeenstapeling van negatieve effecten voor mens en milieu).

De komende jaren zal nadrukkelijk gewerkt worden aan maatregelen die zowel de «safety-» als de «security-»aspecten van risicovolle activiteiten in samenhang adresseren. De snelle technologische ontwikkelingen op het gebied van synthetische biologie en gentherapie maken het noodzakelijk een beleidsvisie en waar nodig (beleids)instrumenten voor de toepassing van deze technieken te ontwikkelen. Nieuwe Europese regelgeving op het vlak van genetische modificatie zal de komende jaren veel inzet vergen. Voor het dossier vuurwerk zal de regelgeving worden aangepast om de bevoegdheid voor handhaving van vuurwerkevenementen bij gedeputeerde staten te leggen en om de invoerdatum van het keurmerk voor producteisen aan vuurwerk meer in lijn te brengen met de implementatie van Europese regelgeving in andere lidstaten van de EU. De Nederlandse inzet zal daarbij gericht zijn op regelgeving die zowel de veiligheid garandeert als ook innovatie bevordert. Voor bestaande regelgeving op dit vlak en op het vlak van de externe veiligheid (risicomethodiek en rekenmethodieken) wordt gewerkt aan vereenvoudiging en reductie van de administratieve lasten, mede in het kader van de Omgevingswet. De bredere professionalisering van de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) door overheden door het vaststellen van kwaliteitscriteria, het bundelen van de VTH-taken in 28 RUD’s en de 6 BRZO22-RUD’s zal in 2014 verder worden voortgezet. Een belangrijke actie in dit kader is het evalueren van het VTH-stelsel. Hiermee wordt in 2014 een aanvang gemaakt.

Op het gebied van milieu en gezondheid ligt de komende jaren de focus op signalering van milieu- en gezondheidsrisico’s, versterken van de kennisinfrastructuur en zorgen voor instrumentatie voor het verdisconteren van milieu en gezondheidsoverwegingen en het voorkomen en verminderen van de grootste milieu- en gezondheidsrisico’s die veel aandacht blijven vergen, zoals asbest.

Budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 22 Externe veiligheid en risico's (x € 1.000)
   

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

24.444

32.613

25.803

44.827

47.711

53.534

69.709

Uitgaven

33.199

30.892

28.134

44.132

50.477

52.689

69.709

Waarvan juridisch verplicht

   

92%

       

22.01

Veiligheid chemische stoffen

8.276

13.529

11.908

9.496

8.829

8.270

9.717

22.01.01

Opdrachten

7.789

7.488

8.627

6.175

7.417

7.388

8.835

22.01.02

Subsidies

39

4.862

2.369

2.369

570

   

22.01.03

Bijdrage aan agentschappen

 

779

532

532

462

462

462

 

– waarvan bijdrage aan RWS

 

779

532

532

462

462

462

22.01.05

Bijdragen aan internationale organisaties

448

400

380

420

380

420

420

22.02

Veiligheid GGO's

2.163

2.458

3.216

3.010

5.102

3.900

3.100

22.02.01

Opdrachten

2.111

2.358

3.116

2.910

5.002

3.800

3.000

22.02.05

Bijdragen aan internationale organisaties

52

100

100

100

100

100

100

22.03

Externe veiligheid inrichtingen en transport

22.760

14.905

13.010

31.626

36.546

40.519

56.892

22.03.01

Opdrachten

14.389

8.204

7.688

7.312

8.888

11.705

13.573

22.03.02

Subsidies

3.322

3.225

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

22.03.03

Bijdrage aan agentschappen

484

2.438

2.022

2.244

2.158

2.244

2.158

 

– waarvan bijdrage aan RWS

484

2.438

2.022

2.244

2.158

2.244

2.158

22.03.04

Bijdragen aan medeoverheden

4.565

938

300

19.000

22.500

23.500

38.091

 

– Bijdragen asbestsanering

1.535

575

   

4.500

7.000

21.591

 

– Bijdragen programma EV

2.948

363

300

19.000

18.000

16.500

16.500

 

– Overige bijdragen

82

           

22.03.05

Bijdragen aan internationale organisaties

 

100

 

70

 

70

70

 

Ontvangsten

 

15.787

2.369

2.369

500

   

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing naar artikelonderdeel 18.06 Externe veiligheid van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
 

2014

2015

2016

2017

2018

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 18.06 (Externe Veiligheid) van het Infrastructuurfonds

2.526

2.000

2.009

2.000

1.000

22.01 Veiligheid chemische stoffen

Budgetflexibiliteit

De uitgaven voor subsidies (zie hiervoor de subsidiebijlage), de agentschapbijdragen en de bijdragen aan internationale organisaties zijn volledig juridisch verplicht. De subsidies hebben een tijdshorizon. Van het opdrachtenbudget is een deel juridisch verplicht door lopende opdrachten. Meer specifiek betreft het opdrachten in de sfeer van wettelijke taken inzake het (inter)nationale stoffenbeleid alsmede de vergunningverlening daaromtrent en het (interdepartementale) meerjaren programma Gezondheidsrisico’s straling zendmasten (elektromagnetische velden).

Het niet juridisch verplichte deel van dit artikelonderdeel heeft met name betrekking op het uitvoeren van de programma’s Atlas Leefomgeving en Nationale Aanpak Milieu & Gezondheid.

22.02 Veiligheid GGO’s

De bijdragen aan internationale organisaties zijn volledig juridisch verplicht. Van het opdrachtenbudget is een deel juridisch verplicht door lopende opdrachten. Meer specifiek betreft het opdrachten in de sfeer van risicobeoordelingen, risicobeheersing, monitoring en vergunningverlening van Genetisch Gemodificeerde Organismen (GGO).

Het niet juridisch verplichte deel van dit artikelonderdeel wordt aangewend voor uitgaven in het kader van de modernisering van het GGO-beleid als onderdeel van de prioriteit modernisering milieuregels.

22.03 Externe veiligheid inrichtingen en transport

De uitgaven voor subsidies (zie hiervoor de subsidiebijlage), de agentschapbijdragen en de bijdragen aan internationale organisaties zijn volledig juridisch verplicht. De subsidies hebben, met uitzondering van de TNS-regeling (mesothelioom slachtoffers) een tijdshorizon. Van het opdrachtenbudget is een deel juridisch verplicht door lopende opdrachten. Meer specifiek betreft het opdrachten in de sfeer van wettelijk taken inzake externe veiligheid, de vergunningverlening (veiligheid inrichtingen) en basisnetten.

Het niet juridisch verplichte deel van dit artikelonderdeel wordt aangewend voor uitgaven in het kader van de modernisering van milieuregels.

22.01 Veiligheid chemische stoffen

Toelichting op de financiële instrumenten

22.01.01 Opdrachten

In dit kader worden opdrachten verstrekt aan het RIVM en de Gezondheidsraad voor de uitvoering van wettelijke taken op het gebied van asbest, chemische stoffen en externe veiligheid. Daarnaast worden hier opdrachten verstrekt voor het meerjarig onderzoeksprogramma elektromagnetische velden (EMV), het Platform EMV en de uitvoering van EU-regelgeving ten aanzien van kankerverwekkende stoffen in relatie tot andere overheden (vergunningverlening). Voorts worden opdrachten verstrekt voor de uitvoering van taken op de gebieden «veiligheid en gezondheid» (asbest) en «nieuwe risico’s en security» (nanotechnologie en synthetische biologie) en voor de ontwikkeling en implementatie van de Atlas Leefomgeving.

22.01.02 Subsidies

De subsidies hebben betrekking op de bijdrage van de Europese Commissie (EC) voor de coördinatie van het EU-project NANoREG uit het zevende kaderprogramma voor onderzoek van de EC.

22.01.03 Bijdrage aan agentschappen

RWS

Dit betreft de bijdrage aan RWS voor de capaciteitsinzet in het kader van de uitvoering van Infomil (centraal punt voor bundeling en verspreiding van milieu wet- en regelgeving) op het beleidsonderwerp «asbest».

22.01.05 Bijdragen aan internationale organisaties

Nederland geeft in het kader van «stoffenbeleid mondiaal» uitvoering aan de jaarlijkse verplichtingen die samenhangen met de internationale strategie chemie en diverse verdragsverplichtingen (Verdrag van Stockholm, Verdrag van Rotterdam).

22.02 Veiligheid GGO’s
22.02.01 Opdrachten

Ter uitvoering van de wettelijke taak wordt jaarlijks een opdracht verstrekt aan de Commissie Genetische Modificatie (COGEM) voor het maken van beoordelingen inzake risico’s verbonden aan werkzaamheden met genetisch gemodificeerde organismen en het adviseren over maatregelen risicobeheersing en monitoring die bij de uitvoering van werkzaamheden met GGO's kunnen worden toegepast. Ook jaarlijks wordt aan het Bureau Genetisch Gemodificeerde Organismen (Bureau GGO) bij het RIVM een opdracht verstrekt ten behoeve van de vergunningverlening voor werkzaamheden met genetisch gemodificeerde organismen die beoordeeld moeten worden op de risico's voor mens en milieu. Daarnaast worden in dit kader van vergunningverlening opdrachten verstrekt voor onderzoek en beleidsontwikkeling toetsingscriteria nieuwe GGO’s.

22.02.05 Bijdrage aan internationale organisaties

Nederland geeft in het kader van het «Biosafety Protocol» uitvoering aan de jaarlijkse verplichtingen die samenhangen met de ratificatie en implementatie van het supplementair protocol aansprakelijkheid en verhaal van GGO’s.

22.03 Externe veiligheid inrichtingen en transport
22.03.01 Opdrachten

Het betreft hier voornamelijk opdrachten voor wettelijke taken zoals vergunningverlening (defensie-inrichtingen, BRZO bedrijven en olieterminals in Caribisch Nederland), de monitoring van basisnetten (weg, water, spoor), aanpassing regelgeving vervoer gevaarlijke stoffen als gevolg van wijzigingen internationale verdragen, modellenbeheer buisleidingen (Bevb), uitbreiding en onderhouden Activiteitenbesluit voor het realiseren vermindering regeldruk bedrijven en de ontwikkeling en het beheer van standaarden voor vergunningverlening, toezicht en handhaving. Daarnaast worden opdrachten verstrekt voor onderzoek en implementatie van risicoreductie maatregelen.

22.03.02 Subsidies

Subsidies hebben betrekking op het honoreren van incidentele aanvragen in het kader van de Regeling tegemoetkoming niet-loondienst gerelateerde slachtoffers van mesiothelioom (TNS). Deze regeling is bedoeld voor iedereen die de ziekte van maligne mesothelioom heeft als gevolg van contact met asbest buiten de werksituatie.

22.03.03 Bijdragen aan agentschappen

RWS

Dit betreft grotendeels de bijdrage aan RWS voor de capaciteitsinzet in het kader van de uitvoering van Infomil (centraal punt voor bundeling en verspreiding van milieu wet- en regelgeving) op de beleidsonderwerpen «kennisoverdracht externe veiligheid» en «vergunningverlening (activiteitenbesluit)».

Daarnaast vinden hier uitgaven plaats voor werkzaamheden van de Dienst Verkeer en Scheepvaart van RWS in het kader van basisnet, vervoer gevaarlijke stoffen en de vergunningverlening olieterminals Caribisch Nederland.

22.03.04 Bijdragen aan medeoverheden

De bijdragen aan medeoverheden zijn bedoeld voor het versterken van het externe veiligheidbeleid en de uitvoering daar van bij provincies en gemeenten en de sanering van risicovolle situaties waaronder saneringen die voortvloeien uit onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).

22.03.05 Bijdragen aan internationale organisaties

Bijdragen aan internationale organisaties voor activiteiten op het vlak van Externe Veiligheid ten aanzien van industriële activiteiten en transport.

Beleidsartikel 23: Meteorologie, seismologie en aardobservatie

Algemene Doelstelling

Het KNMI garandeert als onafhankelijke autoriteit aan Nederland de best beschikbare informatie op het gebied van meteorologie en seismologie als bijdrage aan de veiligheid, bereikbaarheid en leefbaarheid van Nederland, inclusief de openbare lichamen Saba, Sint Eustatius en Bonaire.

Financieren

Rollen en Verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor het faciliteren van een internationaal systeem van organisaties waarin Nederland vertegenwoordigd wordt door het KNMI. Dit doet zij door haar rol van financier in de vorm van bijdragen en contributies. Met name te noemen zijn EUMETSAT23, ECMWF24 en WMO25.

(Doen) uitvoeren

De Minister is verantwoordelijk voor de uitvoering van de wettelijke taken van het agentschap KNMI zoals vastgelegd in de Wet op het KNMI (2002). De rol «(doen) uitvoeren» heeft betrekking op de volgende taken:

  • Het beschikbaar maken, houden en stellen van een algemeen weerbericht voor de Nederlandse samenleving;

  • Het beschikbaar maken, houden en stellen van KNMI-gegevens;

  • Het beschikbaar maken, houden en stellen van luchtvaartmeteorologische inlichtingen;

  • Het verrichten van meteorologisch en seismologisch onderzoek;

  • Het adviseren van de Minister op het terrein van de meteorologie en andere geofysische terreinen;

  • Het onderhouden van de nationale infrastructuur voor de meteorologie en andere geofysische terreinen;

  • Het voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba beschikbaar maken, houden en stellen van luchtvaartmeteorologische inlichtingen;

  • Andere door de Minister aangewezen taken ten aanzien van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba op het terrein van de meteorologie en andere geofysische terreinen.

De Minister van Buitenlandse Zaken is verantwoordelijk voor het Kernstopverdrag en de Minister van Economische Zaken is verantwoordelijk voor het kader van de Mijnbouwwet.

Indicatoren en Kengetallen

 

Realisatie

Streefwaarde/norm

Indicatoren

2010

2011

2012

 

Algemene weersverwachtingen en adviezen

       

– afwijking min.temperatuur (°C)

– 0,24

– 0,06

– 0,17

ABS1 (<0,5)

– afwijking max.temperatuur (°C)

– 0,21

– 0,33

– 0,37

ABS (<0,5)

– gemiddelde afwijking windsnelheid (m/s)

0,04

– 0,03

– 0,06

ABS (<1,0)

Maritieme verwachtingen

       

– tijdigheid marifoonbericht (%)

99,3

99

98,6

> 99

Gereviewde publicaties

120

97

103

> 80

Kengetallen

       

Aantal uitgegeven weeralarmen

4

0

1

 

Percentage tijdige beschikbaarheid van de meteorologische producten (Bron: EUMETSAT)

>98,5

>98,5

>98,5

>98,5

Bron: KNMI, 2013

1

ABS: absolute waarde

Toelichting

De indicatoren ten aanzien van algemene weers- en maritieme verwachtingen geven een indruk van de tijdigheid van de berichtgeving door het KNMI en de gemiddelde afwijking van verwachte waardes voor temperatuur en windsnelheid ten opzichte van de uiteindelijk waargenomen waardes. Het aantal gereviewde publicaties is een maatstaf voor de kwantiteit en de kwaliteit van het onderzoek van het KNMI. Het aantal zogenoemde gereviewde publicaties in vooraanstaande wetenschappelijke tijdschriften wordt bepaald.

Het aantal weeralarmen is afhankelijk van de weersomstandigheden; hierdoor is geen norm aan te geven. Bovendien is het afgeven van een weeralarm geen doel op zich. Wel is belangrijk dat het instrument weeralarm effectief wordt ingezet om de samenleving tijdig te waarschuwen voor maatschappij-ontwrichtend weer. In het jaarverslag zal worden ingegaan op het aantal opgetreden weeralarmsituaties en de mate waarin het KNMI gegrond heeft gewaarschuwd, dan wel gegrond niet heeft gewaarschuwd.

Het kengetal tijdige beschikbaarheid van de meteorologische producten geeft een beeld van de tijdige beschikbaarheid van de gegevens van de METEOSAT- en METOP-satellieten voor de meteorologische producten van het KNMI. Indien de streefwaarden niet worden gehaald, heeft dat een negatieve impact op de kwaliteit van de weersverwachting op de dagen van gebrekkige beschikbaarheid van de waarnemingen, een en anders afhankelijk van de dan optredende weerssituatie.

Beleidswijzigingen

De Wet op het KNMI zal worden ingetrokken op grond van de evaluatie van de Wet op het KNMI. Daarvoor in de plaats zal een «wet op de meteorologie en seismologie» komen die regelt wat de zorgplichten (publieke taken) van de Minister zijn op het gebied van weer, klimaat en aardbevingen. Tevens zal een Ministeriële regeling worden opgesteld waarin wordt vastgelegd hoe deze publieke taken worden uitgevoerd door het KNMI. De verantwoordelijkheid voor publieke taken op het gebied van weer, klimaat en aardbevingen (zorgplicht) en de wijze waarop hier invulling aan gegeven wordt (uitvoering) worden op deze manier ontkoppeld. Dit maakt het voor de toekomst makkelijker om in te spelen op zich in de toekomst voordoende ontwikkelingen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 23 Metereologie, seismologie en aardobservatie (x € 1.000)
   

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

41.949

43.514

33.190

40.168

40.732

45.764

35.870

Uitgaven

42.928

42.778

33.926

39.432

41.468

45.028

36.606

Waarvan juridisch verplicht

   

100%

       

23.01

Meteorologie en seismologie

31.199

26.688

23.198

22.399

22.020

21.589

21.173

23.01.03

Bijdrage aan het agentschap KNMI

             
 

– Meteorologie

28.805

24.363

21.922

21.169

20.822

20.434

20.045

 

– Seismologie

1.405

1.589

540

494

462

419

392

23.01.04

Bijdrage aan internationale organisatie

             
 

– Contributie WMO (HGIS)

989

736

736

736

736

736

736

23.02

Aardobservatie

11.729

16.090

10.728

17.033

19.448

23.439

15.433

23.02.03

Bijdrage aan het agentschap KNMI

             
 

– Aardobservatie

11.729

16.090

10.728

17.033

19.448

23.439

15.433

23.01 Meteorologie en seismologie

Toelichting op de financiële instrumenten

23.01.03 Bijdrage aan het agentschap KNMI

Meteorologie

  • Reguliere uitgifte van een algemeen weerbericht en van waarschuwingen voor gevaarlijk weer (code geel, code oranje en weeralarm);

  • Ter beschikkingstelling van de meteorologische basisdata van het nationale meteorologische meetnet en de nationale meteorologische modelinfrastructuur, op basis van een open databeleid;

  • Ter beschikkingstelling van data, informatie en kennis over het huidige klimaat;

  • Het leveren van projecties over het toekomstige klimaat (klimaatscenario’s);

  • Verrichten van strategisch en toegepast onderzoek en het geven van beleidsadviezen op het gebied van de meteorologie;

  • Internationale vertegenwoordigingen op het gebied van de meteorologie (met name WMO, EUMETSAT en ECMWF);

  • Beantwoorden van vragen vanuit de maatschappij over weer en klimaat.

Seismologie

  • Continue monitoring van natuurlijke en geïnduceerde seismiciteit in Nederland;

  • Verrichten van strategisch en toegepast onderzoek en het geven van beleidsadviezen op het gebied van de seismologie;

  • Beantwoorden van vragen vanuit de maatschappij op het gebied van aardbevingen en tsunami’s;

  • Verrichten van waarnemingen en onderzoek ten behoeve van het Nationaal Data Centre (NDC) voor de CBTBO.

23.01.04 Bijdragen aan internationale organisatie: contributie WMO

De beschikbare middelen worden gebruikt om de Nederlandse contributie aan de World Meteorological Organization (WMO) te voldoen. Deelname aan de activiteiten van het WMO wordt gefinancierd uit HGIS.

23.02 Aardobservatie
23.02.03 Bijdrage aan het agentschap KNMI: aardobservatie

Het verzorgen van de waarnemingen vanuit polaire en geostationaire weersatellieten in Europees verband (EUMETSAT).

Beleidsartikel 24: Handhaving en Toezicht

Algemene Doelstelling

Het stimuleren en bewaken van veilige vervoers- en watersystemen en een duurzame leefomgeving.

Financieren

Rollen en Verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van wet- en regelgeving in het transport en de leefomgeving. De Minister van EZ is belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van kernenergie, de verantwoordelijkheid voor de Kernenergiewet en de aansturing van de Kernfysische Dienst. De Minister van BZK heeft een medeverantwoordelijkheid inzake wonen en bouwen. De Minister heeft een nationale coördinatie- c.q. verantwoordingsverplichting richting de EU ten aanzien van internationale milieuregelgeving.

Bij de totstandkoming van wet- en regelgeving beoogt de wetgever een door haar gewenst niveau van veiligheid en duurzaamheid te bewerkstelligen. Daarbij worden de rechtsbeginselen van rechtvaardigheid, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid gehanteerd, met een oog voor de nalevingseisen die van de ondertoezichtstaanden worden gevraagd (administratieve lasten). Zij streeft samenwerking met andere overheidspartners na.

(Doen) uitvoeren

De Minister is verantwoordelijk voor de uitvoering van de wettelijke taken van het agentschap ILT. De Minister van EZ is verantwoordelijk voor de uitvoering van de wettelijke taken op het gebied van nucleaire zaken, de Minister van BZK is mede verantwoordelijk op het terrein van wonen en bouwen.

De rol uitvoeren heeft betrekking op:

  • Vergunningverlening;

  • toezicht door middel van objectinspecties, administratie controles, audits, convenanten en digitale inspecties;

  • incidentafhandeling en onderzoek.

Een uitgebreidere toelichting op de producten is te vinden in de agentschapsparagraaf van de inspectie. Een gedetailleerde beschrijving van het uitvoeringsprogramma van de inspectie is te vinden in het Meerjarenplan 2014–2018 dat eind 2013 aan de Tweede Kamer wordt gezonden.

Indicatoren en Kengetallen

 

Vergunningen

Adm. Contr.

Audits

Convenanten

Digitale insp

Objectinsp.

opsporing

Risicovolle bedrijven

20

549

187

3

0

702

0

Rail- en wegvervoer

1.272

1.105

480

72

5.250

21.050

25

Scheepvaart

7.400

142

0

14

0

2.852

0

Luchtvaart

6.500

0

274

21

0

953

0

Risicovolle stoffen en producten

3.007

1.373

32

6

0

3.415

97

Water, bodem en bouwen

219

4.055

12

7

0

9.865

175

Transport gevaarlijke stoffen

261

75

32

0

0

7.050

20

Deze tabel geeft inzicht in het aantal te verstrekken vergunningen, het aantal uit te voeren administratieve controles, (digitale en object) inspecties, audits, het aantal af te sluiten convenanten en het aantal opsporingen in het begrotingsjaar.

Beleidswijzigingen

De vergunningverlenende taken inzake de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA) zijn vanaf 2013 ondergebracht bij de ILT.

Budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 24 Handhaving en toezicht (x € 1.000)
   

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

153.565

135.735

129.559

126.746

124.170

121.147

118.868

uitgaven

153.565

135.735

129.559

126.746

124.170

121.147

118.868

Waarvan juridisch verplicht

   

100%

       

24.01 Handhaving en toezicht

             

24.01.03

Bijdrage aan het agentschap ILT

             
 

Risicovolle bedrijven

23.024

14.177

12.952

12.702

12.455

12.143

11.366

 

Rail en wegvervoer

32.643

29.616

28.433

27.837

27.260

26.586

26.213

 

Scheepvaart

19.886

18.161

17.435

17.070

16.717

16.304

16.074

 

Luchtvaart

18.356

15.928

15.259

14.950

14.619

14.239

14.030

 

Risicovolle stoffen en producten

39.759

39.642

38.026

37.116

36.419

35.607

35.157

 

Water, bodem, bouwen

19.897

18.211

17.454

17.071

16.700

16.268

16.028

Toelichting op de financiële instrumenten

De inspectie levert voor de bijdragen aan het agentschap in de hieronder weergegeven zes domeinen de volgende producten. In het meerjarenplan 2014–2018 dat eind 2013 aan de Tweede Kamer wordt gezonden, staat per domein uitgebreid beschreven welke taken worden uitgevoerd en de bijbehorende kengetallen ten aanzien van naleving, vergunningverlening en toezicht.

Bijdrage aan het agentschap: risicovolle bedrijven

Het toezicht richt zicht op bedrijven en organisaties die verantwoordelijk zijn voor risicobronnen bij (externe) veiligheid, zoals geformuleerd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen en/of inzake luchtemissies, energie en klimaat in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en andere milieu- en veiligheidsregelgeving.

Veiligheid mens en omgeving

De inspectie oefent toezicht uit op geclassificeerde inrichtingen van het Ministerie van Defensie en enkele andere inrichtingen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet milieubeheer, het Bouwbesluit en de vergunningen die daaraan verbonden zijn. Daarnaast houdt zij toezicht op externe veiligheid rondom buisleidingen en de veiligheid rondom genetisch gemodificeerde organismen.

Nationale en Europese verplichtingen

De inspectie ziet toe op toepassing van nationale normen en wettelijke regels die veelal door de EU zijn vastgesteld. Toezicht richt zich met name op bedrijven op het gebied van luchtemissies, energie, klimaat en externe veiligheid. Het gaat om ruim 8.000 bedrijven, waaronder raffinaderijen, de chemische industrie, elektriciteitsproducenten, afvalverbrandingsorganisaties, LPG-tankstations, ammoniakkoelinstallaties en intensieve veehouderijen. Daarnaast wordt de ILT vanaf 2014 de toezichthouder van tankterminals op de BES-eilanden.

Bijdrage aan het agentschap: rail en wegvervoer

De inspectie richt het toezicht op railvervoer op:

  • infrastructuur en materieel;

  • bedrijven en keuringsinstanties;

  • operaties (machinisten, conducteurs, baanwerkers, rangeerders);

  • veiligheidsmanagement, cultuur en arbeidsomstandigheden.

De inspectie richt het toezicht bij het wegvervoer op:

  • bedrijven;

  • vrachtwagens, bussen en taxis;

  • chauffeurs.

Rail

De inspectie houdt toezicht op de naleving van de spoorwegwet. De railsector wordt gekenmerkt door drie grote bedrijven: Prorail (infrastructuur), NS (personenvervoer) en DB Schenker (goederenvervoer). De markt voor het goederenvervoer is internationaal georiënteerd en geheel geliberaliseerd. De sector kent een hoog veiligheidsgehalte, maar het hoofdspoor blijft een kwetsbaar systeem. Daarnaast is de inspectie toezichthouder voor interlokale tramlijnen, lightrail en metrosystemen. In de Wet Lokaal Spoor worden de laatstgenoemde lijnen en systemen uitgebreid met de stedelijke tramlijnen, waarin het toezicht op het totaal komt te liggen bij de lokale overheid, met de ILT als aangewezen toezichthouder.

Taxi

In de taximarkt is het veiligheidsbesef over het algemeen laag vanwege de lage toetredingsdrempel en de grote concurrentie, vooral in de grote vier steden. Vooral de naleving van de rij- en rusttijden laat te wensen over evenals het overschrijden van de maximumtarieven. Daarnaast speelt ook het illegaal taxivervoer een belangrijke rol. Dit blijft in de komende jaren aandacht vragen. De voornaamste ontwikkeling binnen het taxivervoer betreft de invoering van de Boordcomputer Taxi.

Bus

De inspectie houdt toezicht op de naleving van de arbeidstijdenwetgeving (ATB-V) en de Wet Personenvervoer 2000. In het nationale busvervoer met zijn relatief veilige status sluit de inspectie convenanten af met goed presterende bedrijven.

Goederenvervoer over de weg

De inspectie houdt toezicht op de naleving van arbeidstijdenwetgeving (inclusief fraude met de digitale tachograaf) en wetgeving met betrekking tot maten en gewichten en overbelading. Het goederenvervoer over de weg is grensoverschrijdend. In Europees verband is de fraude met de digitale tachograaf herkend als belangrijk probleem, waar in het toezicht extra aandacht aan wordt gegeven. Daarnaast spelen problemen rond inleen van (buitenlandse) arbeidskrachten en ontduiken van sociale wetgeving een belangrijke rol. De omvang van de problematiek rond cabotage wordt onderzocht.

Door de enorme omvang van de sector is het noodzakelijk gericht en selectief toezicht te houden. Veel ondernemers zoeken de grenzen van de regelgeving op vanwege de hoge concurrentiedruk.

Bijdrage aan het agentschap: scheepvaart

Binnenvaart

De taken van de inspectie op het terrein van de binnenvaart zijn vastgelegd in regelgeving die in belangrijke mate van Europese origine is. De Inspectie is primair verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de Binnenvaartwet en van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. De handhaving van de Scheepvaartverkeerswet is primair een taak van de politie en RWS. Gelet op de naleving blijft in de binnenvaart aandacht nodig voor ten minste stabiliteit/stuwage, ladinginformatie en documenten en vaartijden/bemanningssterkte. Gelet op risico’s die met deze vorm van vervoer gemoeid zijn, krijgt het vervoer van gevaarlijke stoffen meer aandacht.

Koopvaardij en Visserij

Voor de koopvaardij is een complex van wet- en regelgeving van kracht, dat is geënt op overwegend mondiaal geldende regimes. Het algemene beeld is dat het veiligheidsbewustzijn in de koopvaardij op een behoorlijk niveau is en de naleving op de meeste onderdelen relatief hoog is (tussen de 80 en 95 procent). Desondanks is Nederland in de ranglijst van Paris Memorandum of Understanding gedaald naar de vijftiende plaats.

Wet- en regelgeving voor de visserij is van (inter)nationale origine. Gelet op het aantal ongevallen is de visserij relatief onveiliger dan de andere scheepvaartsectoren. De meeste ongevallen in de visserij zijn het gevolg van menselijk handelen. Voor de naleving zijn met name de bemanningsaspecten in de visserij een aandachtspunt bij handhavende inspecties.

Bijdrage aan het agentschap: luchtvaart

De inspectie houdt toezicht op de naleving van veiligheids- en milieuwetten en regels voor de luchtvaart. De luchtvaartsector is een hightech industrie waarin de zorg voor veiligheid vanaf haar ontstaan een van de belangrijkste oorzaken is geweest voor uitgebreide en zeer gedetailleerde internationale regelgeving. De Europese regelgeving en de Europese vormen van samenwerking nemen een steeds prominentere plaats in. Het toezicht richt zich op de hele keten: luchtvervoerders, luchtvaartuigen, technische bedrijven, grondafhandelingsbedrijven, luchtverkeersleiding, bemanning, onderhoudstechnici, keurings- en examineringsinstanties, opleidingsinstellingen, meteodiensten, het luchtruim, luchthavens en luchtvaartvertoningen. Naast toezicht op veiligheid is de inspectie wettelijk ook betrokken bij de handhaving van milieuvoorschriften met name op het gebied van geluid.

Bijdrage aan het agentschap: risicovolle stoffen en producten

De inspectie houdt toezicht op:

  • Wet- en regelgeving gericht op grensoverschrijdend afvaltransport, preventie van afval, duurzaam produceren, nuttige toepassing en recycling van afvalstoffen en veilige inzameling en verwerking van (gevaarlijke)afvalstromen. Ondertoezichtstaanden zijn producenten, importeurs, ontdoeners, inzamelaars (inclusief tussenhandelaars), transporteurs, verwerkers en exporteurs van afval;

  • gebruikers, producenten en importeurs van milieugevaarlijke stoffen, preparaten en producten en voorwerpen voor professioneel gebruik;

  • het voorkomen van misbruik (in verband met security), onjuiste handelingen en gebruik van explosiegevaarlijke stoffen en ziet toe op de productveiligheid van vuurwerk.

In het geval van afvalstoffen, (milieu)gevaarlijke stoffen en explosiegevaarlijke stoffen is sprake van een ketenbenadering. De inspectie neemt voor enkele onderwerpen in dit domein de rol van ketenregisseur op zich. Voor REACH, biociden, en de Wet explosieven civiel gebruik is wettelijk bepaald dat de inspectie deze rol heeft.

Afval

Volgens het Besluit Inzameling Afvalstoffen dienen inzamelaars van scheepsafvalstoffen, klein gevaarlijk afval en afgewerkte olie vergund te zijn. De inspectie verleent inzamelvergunningen en ziet toe op de naleving.

Bij grensoverschrijdend transport van afval is de inspectie de bevoegde autoriteit in Nederland om vergunningen te verlenen zoals voorgeschreven in de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA). Met controles en handhaving wordt illegale import, export en doorvoer van afval voorkomen; dit behelst ook het retour zenden van illegale afvaltransporten. De inspectie werkt hierbij samen met buitenlandse autoriteiten, politie en douane.

De inspectie voert in 2014 objectinspecties en administratiecontroles uit naar de naleving van de productbesluiten en de Ecodesign verordeningen. In 2014 treedt een aantal nieuwe Ecodesign verordeningen in werking. Specifiek in 2014 controleert de ILT de prestatiegaranties in verband met het afschaffen van de statiegeldregeling zoals afgesproken in de «Raamovereenkomst verpakkingen».

In 2014 wordt de in inspectie naar inzamelaars van gevaarlijk afval (BIA) geïntensiveerd.

Risicovolle stoffen

Het toezicht op de naleving van wet- en regelgeving rondom (milieu) gevaarlijk stoffen is verdeeld over Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten. De inspectie is onder andere verantwoordelijk voor het toezicht op:

  • de sanering van asbestwegen, het verwijderen van asbest uit objecten en het verbod op het verhandelen en bewerken van asbesthoudende producten

  • de industriële en professionele toepassingen van biociden

  • de productie, import en handel van stoffen en mengsels voor industriële en professionele gebruikers (REACH)

  • de kwaliteit, het gebruik van en de handel in ozonlaagafbrekende stoffen en gefluoreerde broeikasgassen

  • de samenstelling van brandstoffen.

Wat betreft REACH en Biociden investeert de inspectie in de samenwerking met onder andere de Inspectie SZW, NVWA, SodM, douane en provincies. Internationaal wordt geparticipeerd in het Europees REACH Forum.

De inspectie voert administratiecontroles uit naar ozonlaagafbrekende stoffen die, ondanks een verbod in de EU verordening, nog steeds op de markt gebracht, verkocht en uitgestoten worden en op het gebruik van deze stoffen en gefluoreerde broeikasgassen, naar de naleving van de REACH en biociden regelgeving.

Asbest: de sanering van de binnen de saneringsregeling vallende asbestwegen wordt afgerond. Er blijft aandacht voor meldingen van asbestwegen die buiten de regeling vallen.

Explosiegevaarlijke stoffen

De inspectie houdt toezicht op de naleving van de Wet explosieven voor civiel gebruik en het Vuurwerkbesluit bij onder andere producenten, transporteurs en importeurs. Zowel bij vuurwerk als bij explosieven is steeds meer sprake van een ketenbenadering.

Bij vuurwerk richt de inspectie zich enerzijds op het vergroten van de veiligheid van consumentenvuurwerk en anderzijds op het terugdringen van ondeugdelijk en illegaal vuurwerk. Het laatste betreft onder andere het aanpakken van de georganiseerde handel in en het tegengaan van de invoer van dit soort vuurwerk.

Transport van gevaarlijke stoffen

Het toezicht op het vervoer van gevaarlijke stoffen is belegd bij de vervoersdomeinen Rail- en Wegvervoer, Scheepvaart en Luchtvaart en richt zich op de grootste risico’s van het vervoer van gevaarlijke stoffen. De inzet is hierbij vooral multimodaal vervoer. Ook hier ligt de nadruk op systeemtoezicht en het afsluiten van convenanten met de best presterende bedrijven. Daarnaast wordt de inspectiecapaciteit zoveel mogelijk ingezet op de logistieke knooppunten.

Bijdrage aan het agentschap: water, bodem en bouwen

Het toezicht op water en bodem richt zich op:

  • Waterkeringbeheerders: toezicht op uitvoering van de waterwet in relatie tot de primaire waterkeringen;

  • RWS en door RWS gecontracteerde aannemers (toezicht en vergunningverlening op de eigen werken van RWS);

  • Drinkwaterbedrijven, bedrijven met eigen drinkwaterwinning en bedrijven/instellingen met collectieve drinkwaterinstallaties op grond van de Drinkwaterwet;

  • Erkende bodemintermediairs, certificerende instellingen en andere bedrijven die werken met grond, bagger en bouwstoffen, op grond van het Besluit bodemkwaliteit; Provincies en gemeenten (bestuurlijk toezicht op de uitvoering van de Wet milieubeheer en de Wet bodembescherming).

Het toezicht voor bouwen, wonen en ruimte is gericht op correcte labels en conforme producten voor bouwproducten, pleziervaartuigen en voertuigbanden. De verplichting geldt voor fabrikanten, importeurs en distributeurs. Ook het toezicht op het zichtbaar aanwezig zijn van energielabels in voor publiek toegankelijke overheidsgebouwen hoort hierbij.

Verder wordt toezicht gehouden ter voorkoming van de verkoop van verkeersproducten (denk aan auto’s, bromfietsen, trekhaken, aanhangwagens) die niet zijn toegelaten of die niet overeenkomen met de toelating. Voorts houdt de ILT toezicht op de wijze waarop provincies met hun provinciale verordening de rijksbelangen borgen. Tot slot worden beleidsmonitoringsonderzoeken op het gebied van ruimte en bouwen uitgevoerd.

Beleidsartikel 25: Brede Doeluitkering

Algemene Doelstelling

Het realiseren van maatwerkoplossingen voor verkeers- en vervoersvraagstukken.

Financieren

Rollen en Verantwoordelijkheden

De Minister is systeemverantwoordelijk voor de bijdrage aan de Brede Doeluitkering (BDU), welke het mogelijk maakt dat er op decentraal niveau maatwerkoplossingen kunnen worden gemaakt voor verkeers- en vervoervraagstukken. De beleidsinhoudelijke beslissingen worden voornamelijk door de mede overheden genomen. Dit artikel hangt samen met artikel 14 Wegen en verkeersveiligheid en artikel 15 Openbaar vervoer (Hoofdstuk XII) waarin het bredere beleidsveld wordt geschetst.

Budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 25 Brede doeluitkering (x € 1.000)
   

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

2.042.458

1.819.735

1.779.634

1.804.276

1.806.041

1.792.602

1.792.229

Uitgaven:

2.113.821

2.048.323

1.819.189

1.779.230

1.804.487

1.806.127

1.792.451

Waarvan juridisch verplicht

   

100%

       

25.01

Brede doeluitkering

2.113.821

2.048.323

1.819.189

1.779.230

1.804.487

1.806.127

1.792.451

25.01 Brede Doeluitkering

Toelichting op de financiële instrumenten

Het betreft het verstrekken van een beschikking voor de Brede Doeluitkering aan de regionale en lokale overheden. Deze wordt jaarlijks berekend op basis van in de regelgeving BDU Verkeer en Vervoer opgenomen methodiek. Uitbetaling vindt plaats in vijf termijnen, waarvan de tweede termijn een dubbele is.

Het is het voornemen om bij de afschaffing van de WGR26 plus regio’s tegelijk een deel van de BDU te decentraliseren. Het wetsvoorstel waarmee dat wordt geregeld is in mei 2013 bij de Tweede Kamer ingediend. Bij aanvaarding van het wetsvoorstel zal een deel van de BDU met ingang van 2015 kunnen overgaan naar het provinciefonds.

Beleidsartikel: 26: Bijdragen aan investeringsfondsen

Algemene Doelstelling

Op dit artikel worden de bijdragen aan het Infrastructuurfonds en het Deltafonds verantwoord.

Financieren

Rollen en Verantwoordelijkheden

De rollen en verantwoordelijkheden voor zaken die op het Infrastructuurfonds en Deltafonds worden verantwoord zijn terug te vinden in de verschillende beleidsartikelen op Begroting hoofdstuk XII.

Voor de indicatoren en kengetallen wordt verwezen naar de betreffende beleidsartikelen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 26 Bijdrage investeringsfondsen (x € 1.000)
   

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

7.163.030

6.694.103

7.452.327

6.426.753

6.470.184

6.928.973

6.457.333

Uitgaven:

7.163.030

6.694.103

7.452.327

6.426.753

6.470.184

6.928.973

6.457.333

Waarvan juridisch verplicht

   

100%

       

26.01

Bijdrage aan het Infrastructuurfonds

7.163.030

5.734.912

6.363.354

5.342.183

5.293.820

5.992.468

5.657.539

26.02

Bijdrage aan het Deltafonds

 

959.191

1.088.973

1.084.570

1.176.364

936.505

799.794

26.01 Bijdrage aan Infrastructuurfonds

Toelichting op de financiële instrumenten

Het betreft hier de bijdrage vanuit de Begroting hoofdstuk XII aan het Infrastructuurfonds, ten behoeve van uitgaven die op het fonds worden verantwoord.

Opbouw art.ond. 26.01 Bijdrage aan het IF (x € 1.000)
   

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

12

Hoofdwegen

2.666.245

1.825.951

1.616.957

2.229.832

2.218.412

2.884.917

3.141.057

12.01

Verkeersmanagement

19.189

20.674

20.258

20.257

20.257

20.259

20.257

12.02

Beheer, onderhoud en vervanging

624.755

566.080

455.869

492.944

483.143

489.516

489.403

12.03

Aanleg

1.067.508

331.162

339.664

916.298

1.112.183

1.770.131

2.009.267

12.04

GIV/PPS

590.390

556.301

458.852

460.816

258.875

259.639

260.541

12.06

Netwerkgebonden kosten HWN

407.135

389.777

384.270

379.333

376.890

376.640

376.568

12.07

Investeringsruimte

– 42.732

– 38.043

– 41.956

– 39.817

– 32.936

– 31.268

– 14.979

                 

13

Spoorwegen

2.332.690

2.330.000

2.262.458

2.347.839

2.296.758

1.952.505

1.864.798

13.02

Beheer, onderhoud en vervanging

1.264.028

1.239.246

1.147.798

1.244.635

1.319.480

1.145.680

1.291.516

13.03

Aanleg

957.002

1.074.092

1.045.762

1.057.920

947.657

751.973

516.259

13.04

GIV/PPS

103.451

– 387

40.597

33.214

27.413

26.169

30.680

13.07

Rente en aflossing

16.597

16.597

16.597

16.597

16.597

16.597

16.597

13.08

Investeringsruimte

– 8.388

452

11.704

– 4.527

– 14.389

12.086

9.746

                 

14

Regionaal, lokale infrastructuur

241.969

120.026

340.370

441.051

342.438

230.891

243.562

14.01

Grote regionaal/lokale projecten

81.566

64.920

123.828

274.627

203.174

111.980

203.096

14.02

Regionale mobiliteitsfondsen

12.992

0

0

0

0

0

0

14.03

RSP-ZZL: pakket bereikbaarheid

147.411

55.106

216.542

166.424

139.264

118.911

40.466

                 

15

Vaarwegen

863.050

770.276

730.988

651.695

640.547

630.388

511.001

15.01

Verkeersmanagement

13.819

12.263

13.122

13.122

13.122

13.122

13.122

15.02

Beheer, onderhoud en vervanging

402.465

413.012

324.217

256.929

218.659

216.384

224.685

15.03

Aanleg

219.424

127.534

177.287

164.181

192.048

184.556

56.469

15.06

Netwerkgebonden kosten HVWN

238.793

227.191

225.146

223.351

221.780

221.623

221.578

15.07

Investeringsruimte

– 11.451

– 9.724

– 8.784

– 5.888

– 5.062

– 5.297

– 4.853

                 

17

Megaprojecten

24.368

23.835

16.104

15.126

2.665

2.006

1.914

17.02

Betuweroute

6.114

6.114

0

0

0

0

0

17.03

Hoge snelheidslijn HSL

159

159

0

0

0

0

0

17.06

PMR

18.095

17.562

16.104

15.126

2.665

2.006

1.914

                 

18

Overige uitgaven

235.032

272.095

326.943

306.926

156.719

154.211

153.990

18.01

Saldo afgesloten rekeningen

0

0

0

0

0

0

0

18.02

Beter Benutten

0

50.000

125.000

125.000

0

0

0

18.03

Intermodaal vervoer

5.965

3.057

0

0

0

0

0

18.06

Externe veiligheid

2.526

2.000

2.009

2.000

1.000

1.000

898

18.07

Mobiliteitsonafh. Kennis en expertise

42

42

42

42

42

42

42

18.08

Netwerkoverstijgende kosten

226.499

216.996

199.892

179.884

155.677

153.169

153.050

18.11

Investeringsruimte

0

0

0

0

0

0

0

18.12

Reservering beheer, onderhoud en vervanging

0

0

0

0

0

0

0

18.13

Tol gefinancierde uitgaven

0

0

0

0

0

0

0

Totaal

6.363.354

5.342.183

5.293.820

5.992.468

5.657.539

5.854.917

5.916.322

   

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

2028

12

Hoofdwegen

2.331.691

2.672.002

2.487.667

2.431.671

2.238.102

2.112.909

2.048.722

2.154.676

12.01

Verkeersmanagement

20.301

20.275

20.261

20.247

20.220

20.221

20.218

20.303

12.02

Beheer, onderhoud en vervanging

407.863

407.777

407.731

421.610

453.339

453.339

453.331

458.030

12.03

Aanleg

1.242.548

1.643.928

1.453.075

1.307.280

1.146.138

1.024.108

575.569

82.229

12.04

GIV/PPS

255.107

233.669

238.877

303.735

234.828

232.496

172.017

171.267

12.06

Netwerkgebonden kosten HWN

377.439

377.847

378.072

378.924

379.359

379.348

379.387

378.023

12.07

Investeringsruimte

28.432

– 11.494

– 10.350

– 124

4.218

3.396

448.199

1.044.824

                   

13

Spoorwegen

1.595.922

1.491.572

1.680.128

1.784.657

1.777.273

1.806.188

1.830.825

1.903.394

13.02

Beheer, onderhoud en vervanging

1.188.875

1.184.382

1.179.647

1.234.730

1.226.341

1.237.905

1.239.094

1.198.353

13.03

Aanleg

325.202

227.212

417.929

399.700

383.906

429.202

382.753

91.370

13.04

GIV/PPS

27.417

26.608

25.753

27.031

66.622

67.090

65.240

51.571

13.07

Rente en aflossing

16.597

16.597

16.597

16.597

16.597

16.597

16.597

16.597

13.08

Investeringsruimte

37.831

36.773

40.202

106.599

83.807

55.394

127.141

545.503

                   

14

Regionaal, lokale infrastructuur

102.757

141.218

121.259

10.365

44.199

74.780

99.443

132.427

14.01

Grote regionaal/lokale projecten

102.757

141.218

121.259

10.365

44.199

74.780

99.443

132.427

14.02

Regionale mobiliteitsfondsen

0

0

0

0

0

0

0

0

14.03

RSP-ZZL: pakket bereikbaarheid

0

0

0

0

0

0

0

0

                   

15

Vaarwegen

756.949

676.297

686.616

656.883

806.010

847.536

862.488

646.753

15.01

Verkeersmanagement

13.133

13.133

13.133

13.133

13.133

13.133

13.133

13.133

15.02

Beheer, onderhoud en vervanging

242.618

247.356

247.155

267.144

238.085

238.070

235.964

230.329

15.03

Aanleg

285.973

196.473

206.852

90.785

298.518

360.314

320.335

45.851

15.06

Netwerkgebonden kosten HVWN

223.836

224.078

224.211

224.716

224.974

224.967

224.991

224.183

15.07

Investeringsruimte

– 8.611

– 4.743

– 4.735

61.105

31.300

11.052

68.065

133.257

                   

17

Megaprojecten

12.137

61

78

68

100

99

102

2

17.02

Betuweroute

0

0

0

0

0

0

0

0

17.06

PMR

12.137

61

78

68

100

99

102

2

                   

18

Overige uitgaven

509.478

587.032

593.523

586.242

586.941

613.397

613.461

611.271

18.01

Saldo afgesloten rekeningen

0

0

0

0

0

0

0

0

18.02

Beter Benutten

0

0

0

0

0

0

0

0

18.03

Intermodaal vervoer

0

0

0

0

0

0

0

0

18.06

Externe veiligheid

0

0

0

0

0

0

0

0

18.07

Mobiliteitsonafh. Kennis en expertise

0

0

0

0

0

0

0

0

18.08

Netwerkoverstijgende kosten

153.749

154.303

154.664

147.383

148.082

148.063

148.127

145.937

18.11

Investeringsruimte

0

0

0

0

0

0

0

0

18.12

Reservering beheer, onderhoud en vervanging

355.729

432.729

438.859

438.859

438.859

465.334

465.334

465.334

18.13

Tol gefinancierde uitgaven

0

0

0

0

0

0

0

0

Totaal

5.308.934

5.568.182

5.569.271

5.469.886

5.452.625

5.454.909

5.455.040

5.448.523

26.02 Bijdrage aan Deltafonds

Het betreft hier de bijdrage vanuit de Begroting hoofdstuk XII aan het Deltafonds, ten behoeve van uitgaven die op het fonds worden verantwoord.

Opbouw artikelonderdeel 26.02 Bijdrage aan het Deltafonds (x € 1.000)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

1

Investeren in waterveiligheid

686.025

649.225

705.434

540.609

425.763

291.520

316.747

1.01

Grote projecten waterveiligheid

537.369

551.765

597.862

372.050

218.591

53.352

179.610

1.02

Overige aanlegproj. Waterveiligheid

141.659

95.347

106.067

168.209

206.222

235.922

135.889

1.03

Studiekosten waterveiligheid

6.997

2.113

1.505

350

950

2.246

1.248

                 

2

Investeringen in Zoetwatervoorziening

3.863

16.003

46.808

23.869

2.195

2.063

2.062

2.01

Aanleg waterkwantiteit

0

0

0

0

0

0

0

2.02

Overige invest. Zoetwatervoorziening

1.203

15.962

46.808

23.869

2.195

2.063

2.062

2.03

Studiekosten Zoetwatervoorziening

2.660

41

0

0

0

0

0

                 

3

Beheer, onderhoud en vervanging

176.257

205.602

212.041

162.807

152.620

144.211

140.368

3.01

Watermanagement

11.142

11.478

10.713

10.713

10.713

10.713

10.713

3.02

Beheer, onderhoud en vervanging

165.115

194.124

201.328

152.094

141.907

133.498

129.655

                 

5

Netgebonden kosten en overige

222.828

213.740

212.081

209.220

219.216

259.610

297.381

5.01

Apparaat

185.269

176.510

171.389

169.000

175.670

175.532

174.183

5.02

Overige uitgaven

52.019

51.923

50.992

50.219

50.217

50.219

50.219

5.03

Investeringsruimte

– 14.460

– 14.693

– 10.300

– 9.999

– 6.671

33.859

72.979

Totaal

1.088.973

1.084.570

1.176.364

936.505

799.794

697.404

756.558

   

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

2028

1

Investeren in waterveiligheid

713.894

424.555

357.791

265.628

263.628

288.732

283.665

260.341

1.01

Grote projecten waterveiligheid

230.546

89.309

0

0

0

0

0

0

1.02

Overige aanlegproj. Waterveiligheid

483.348

335.246

357.791

265.628

263.628

288.732

283.665

260.341

1.03

Studiekosten waterveiligheid

0

0

0

0

0

0

0

0

                   

2

Investeringen in Zoetwatervoorziening

2.183

2.183

2.183

2.183

2.183

2.183

2.183

2.183

2.01

Aanleg waterkwantiteit

0

0

0

0

0

0

0

0

2.02

Overige invest. Zoetwatervoorziening

2.183

2.183

2.183

2.183

2.183

2.183

2.183

2.183

2.03

Studiekosten Zoetwatervoorziening

0

0

0

0

0

0

0

0

                   

3

Beheer, onderhoud en vervanging

135.232

200.940

242.811

276.496

315.019

242.966

247.042

245.606

3.01

Watermanagement

10.723

10.723

10.723

10.723

10.723

10.723

10.898

10.548

3.02

Beheer, onderhoud en vervanging

124.509

190.217

232.088

265.773

304.296

232.243

236.144

235.058

                   

5

Netgebonden kosten en overige

268.726

234.188

258.663

409.132

371.835

416.574

417.412

449.083

5.01

Apparaat

176.356

176.356

176.356

176.356

176.356

176.356

176.356

176.356

5.02

Overige uitgaven

48.375

48.375

48.375

48.375

48.375

48.375

49.114

47.636

5.03

Investeringsruimte

43.995

9.457

33.932

184.401

147.104

191.843

191.942

225.091

Totaal

1.120.035

861.866

861.448

953.439

952.665

950.455

950.302

957.213

15

Alle resultaten zoals opgenomen in de OV-Klantenbarometer 2012 zijn te vinden op www.kpvv.nl/klb .

17

De ABIS-groep vertegenwoordigt de burgerlijke luchtvaartautoriteiten van Oostenrijk, België, Nederland, Luxemburg, Ierland, Zwitserland en Portugal binnen de permanente organen van ICAO.

18

United Nations Framework Convention on Climate Change.

19

Milieu-investeringsaftrek.

20

Willekeurige afschrijving milieu-investeringen; voorheen: «vervroegde».

21

SWUNG: Samen Werken aan de Uitvoering van Nieuw Geluidbeleid

22

BRZO: Besluit Risico's Zware Ongevallen.

23

European Organisation for the Exploitation of Meteorological Satellites; www.eumetsat.int .

24

European Centre for Medium-Range Weather Forecasts; www.ecmwf.int .

25

World Metereological Organization; www.wmo.ch .

Licence