Base description which applies to whole site

2.1 Beleidsagenda

Inleiding

Een leefbaar, bereikbaar en veilig Nederland met een sterk concurrerende internationale positie: daar staat IenM voor. Daarvoor werkt het Ministerie aan oplossingen voor grote uitdagingen waar Nederland voor staat op het gebied van klimaatverandering, waterveiligheid, milieu, ruimtelijke inrichting en bereikbaarheid. In deze beleidsagenda vindt u een schets op hoofdlijnen van het beleid en de beoogde resultaten in 2014.

Op het gebied van waterveiligheid en zoetwater staat 2014 vooral in het teken van de Deltabeslissingen. Deze beslissingen, bijvoorbeeld over de veiligheidsnormen van onze dijken en onze zoetwaterstrategie, zullen bepalend zijn voor het waterbeleid in de komende jaren.

Prioriteit heeft ook het beperken van de gevolgen van de klimaatverandering en de energietransitie die daarvoor nodig is. Richtinggevend daarvoor is de Klimaatagenda. De Staatssecretaris zal deze begin oktober 2013 aan de Tweede Kamer zenden.

IenM zal zich ook in 2014 blijven hard maken voor een schoon en duurzaam Nederland. Dit vergt duurzaam omgaan met natuurlijke bronnen, efficiënt omgaan met onze grondstoffen, slim ontwerpen van producten, langer gebruik en hergebruik van voorwerpen en het optimaal benutten van reststromen. Kortom, er is een transitie nodig naar een circulaire economie waarin het ontstaan van afval en emissies wordt voorkomen. Het programma Van Afval Naar Grondstof is een belangrijke prioriteit in 2014 om deze transitie te stimuleren.

Hoewel de investeringen in de bereikbaarheid over de weg hun vruchten afwerpen en de filedruk afneemt, blijven er uitdagingen liggen. Zo wordt er onverminderd vaart gezet achter enkele belangrijke wegprojecten zoals de Blankenburgverbinding, A13/A16 en de Ring Utrecht. Naast uitbreiding van infrastructuur ligt de nadruk steeds meer op innovatieve oplossingen om de bereikbaarheid te verbeteren, bijvoorbeeld om de infrastructuur beter te laten benutten.

Voor bereikbaarheid over het spoor ligt de nadruk in 2014 op de uitvoering van de Lange Termijn Spoor Agenda. Deze agenda beoogt de kwaliteit en aantrekkelijkheid van het spoorvervoer te verbeteren. Op gebied van de Luchtvaart blijft selectieve groei op Schiphol het uitgangspunt, in combinatie met het creëren van capaciteit op regionale luchthavens van nationale betekenis voor niet-Schipholgebonden vliegverkeer. Dat is van belang voor de hub-funtie van Schiphol en daarmee voor onze internationale concurrentiepositie. Het Luchthavenbesluit Lelystad vormt hierbij een belangrijke component. In 2014 zal ook de wetgeving voor het nieuwe normen- en handhavingsstelsel worden afgerond.

Tot slot zal in 2014 de aandacht uitgaan naar de behandeling in het parlement van de Omgevingswet waarmee het kabinet een belangrijke slag maakt in vermindering van de regeldruk in het ruimtelijk domein.

Samenvattend zijn de prioriteiten voor 2014:

  • 1. Deltabeslissingen

  • 2. Roadmap Klimaat

  • 3. Van Afval naar Grondstof (circulaire economie)

  • 4. Wegverbindingen (o.a. aanleg nieuwe wegen en beter benutten)

  • 5. Lange Termijn Spooragenda

  • 6. Omgevingswet

  • 7. Selectieve groei Schiphol + Nieuw normen- en handhavingsstelsel

Integrale oplossingen, maatwerk en samenwerking

De vraagstukken op het gebied van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid hangen nauw samen en daarom werkt IenM aan integrale oplossingen waarbij de kracht van de combinatie centraal staat. Zo staan onze milieu-doelen niet los van het streven naar betere bereikbaarheid en waterveiligheid gaat samen met de ruimtelijke inrichting en het verbeteren van de leefbaarheid. Bovendien maken nieuwe technologische ontwikkelingen gecombineerd met het huidige economische tij het mogelijk en noodzakelijk dat er gebruik wordt gemaakt van slimme en creatieve oplossingen.

Daarnaast wordt maatwerk steeds belangrijker. Decennialang betekende de groei van bevolking en economie vooral een kwantitatieve verstedelijkingsopgave en investeringen in het landelijke infrastructuurnetwerk. Nederland kent steeds meer een regionaal gedifferentieerd beeld van groei, stagnatie en krimp. Dat leidt tot een even gedifferentieerd patroon van kwantitatieve en kwalitatieve (ruimtelijke) bereikbaarheid- en leefbaarheidsopgaven.

Deze integrale manier van werken waarbij maatwerk en slimme oplossingen de boventoon voeren, staat centraal in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)1. Hierin staan de ambities voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. De horizon van de SVIR is 2040; deze beleidsagenda schetst de concrete stappen die IenM in 2014 zet. Ook op het niveau van programma’s en projecten wordt steeds meer de integraliteit gezocht. In het MIRT is daarom sinds vorig jaar ook het programma Beter Benutten opgenomen.

Goede samenwerking tussen het Rijk en decentrale overheden is hierbij van steeds groter belang. Met de definitieve vaststelling van de SVIR is de decentralisatie en deregulering in de ruimtelijke ordening doorgezet. Uitgangspunten zijn een duidelijke verdeling van verantwoordelijkheden, selectieve betrokkenheid van het Rijk en eenvoudige regels. De basis hiervan is het vertrouwen dat provincies, gemeenten en waterschappen met hun regionale kennis en onderlinge samenwerkingsverbanden in staat zijn de opgaven integraal en doeltreffend aan te pakken. We leven in een netwerksamenleving die meer vraagt om een overheid als verbindende factor dan een overheid die overal boven staat. De beslissingsbevoegdheid wordt zo dicht mogelijk bij de burger gelegd, om optimaal ruimte te bieden aan lokaal maatwerk en maatschappelijk initiatief.

Een schone leefomgeving en een gezond klimaat zijn belangrijk voor een gezonde economie. Vitaal natuurlijk kapitaal is immers een essentiële productiefactor en vertegenwoordigt een grote economische waarde. Dit vraagt in alle fasen van het beleidsproces om intensieve samenwerking met alle betrokken partijen ter versterking van de wisselwerking tussen milieu en economie. In dat licht heeft het kabinet de doelstellingen voor een sterke, duurzame economie uiteengezet in de brief Groene Groei van 28 maart 20132. Het kabinet wil het concurrentievermogen van Nederland versterken en tegelijkertijd de belasting van het milieu terugdringen. Dit moet leiden tot een kleinere behoefte aan fossiele brandstoffen en ruwe grondstoffen. Om onze welvaart ook voor toekomstige generaties te behouden, moeten we voortdurend vooruit kijken naar kansen om te groeien, te innoveren en te concurreren én naar mogelijkheden om dat op een duurzame manier te doen.

Financieel Kader

De doelstellingen van IenM moeten worden gerealiseerd met minder middelen. De budgetten voor investeringen, subsidies en apparaat krimpen. Dat geldt niet alleen voor de beleidsambities, maar ook voor de uitvoerings-, handhavings- en toezichtstaken van IenM. Meer dan ooit betekent dit dat middelen daar moeten worden ingezet waar deze het grootste rendement opleveren. Dit betekent dat prioriteiten scherp moeten worden gesteld, dat slimme oplossingen nodig zijn en dat goede samenwerking met medeoverheden en bedrijfsleven gevraagd is bij alle taakvelden van IenM.

Bij brief van 13 februari 20133 hebben de Minister en Staatssecretaris van IenM de Tweede Kamer geïnformeerd over de wijze waarop de bezuinigingen op het Infrastructuurfonds (IF) op grond van het Begrotingsakkoord en de aanvulling op het Regeerakkoord – totaal € 6,4 mld in de jaren 2014–2028 – worden ingevuld. In de voorliggende begroting is de apparaattaakstelling Rutte II verdeeld naar de verschillende onderdelen van het Ministerie. Daarnaast zijn in deze begroting de maatregelen uit het Sociaal akkoord van maart 2013 en besluitvorming van het kabinet in augustus 2013 verwerkt. Dit betekent dat de effecten van het niet-uitkeren van de prijsbijstelling tranche 2013 zijn verwerkt. De bijdrage van IenM aan de bezuiniging op de collectieve sector uit het maatregelpakket van € 6 miljard (€ 18,3 miljoen vanaf 2014) is in deze begroting opgenomen op artikel 99 Nominaal en onvoorzien. Bij Voorjaarsnota 2014 zal deze korting op de beleidsartikelen van Hoofdstuk XII en de productartikelen van de fondsen worden verwerkt.

Een nadere analyse van de onderhoudskosten (op basis van Life Cycle Cost-berekeningen) heeft duidelijk gemaakt dat recent gerealiseerde en toekomstige projecten de onderhoudskosten zullen laten stijgen. Dit wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt door de toename van de infrastructuur door de aanleg en verbreding van wegen. Daarnaast zijn er op sommige trajecten hogere kosten per eenheid areaal. Dit geldt in het bijzonder voor nieuw aangelegde tunnels. Om deze onderhoudsuitgaven in de toekomst te kunnen bekostigen wordt in deze begroting een reservering getroffen van in totaal circa € 800 miljoen4. Deze wordt ten dele gedekt ten laste van de investeringsruimte wegen. Een en ander wordt nader toegelicht in de begroting van het Infrastructuurfonds. De resterende investeringsruimte van het Infrastructuurfonds in de periode tot en met 2028 bedraagt nu circa € 2,6 mld.

Bij brief van 26 april 20135 heeft de Minister van IenM de Tweede Kamer geïnformeerd over de uitwerking van de bezuinigingen van het Begrotingsakkoord op het Deltafonds. Er wordt tot en met 2028 in totaal een bedrag van € 605 mln op het Deltafonds bezuinigd. Op het Deltafonds (DF) resteert na verwerking van het niet-uitkeren van de prijsbijstelling een totale investeringsruimte van meer dan € 1 miljard tot en met 2028. Circa € 0,8 miljard daarvan kan door dit kabinet worden bestemd voor nieuwe projecten. Daarnaast resteert er een beleidsruimte van circa € 275 mln. Besluitvorming hierover vindt in principe plaats door een volgend kabinet.

In juni 2012 heeft de Minister van IenM het «IBO Beheer en Onderhoud Hoofdvaarwegennet, Hoofdwegennet en Hoofdwatersysteem» aangeboden aan de Tweede Kamer. In verband met de demissionaire status van het kabinet was dit stuk toen niet voorzien van een kabinetsreactie. De kabinetsreactie op dit IBO vindt u in de begrotingen op het Infrastructuurfonds 2014 en het Deltafonds, waarin bijlagen over Beheer en Onderhoud zijn opgenomen.

Ruimte en bereikbaarheid

Omgevingswet

Het kabinet werkt aan eenvoudiger regels door onder meer de vereenvoudiging van het omgevingsrecht. Het kabinet wil 15 bestaande wetten (bijvoorbeeld de Waterwet, de Crisis- en herstelwet en de Wet ruimtelijke ordening) geheel of grotendeels laten opgaan in de Omgevingswet. Van nog eens 8 wetten zijn de gebiedsgerichte onderdelen bij elkaar gebracht. Zeker 10 andere wetten zullen bij volgende wetswijzigingen integreren in de Omgevingswet.

De Omgevingswet komt niet alleen voort uit de behoefte aan een eenvoudiger en doelmatiger omgevingsrecht. Ook de groeiende samenhang tussen verschillende projecten en activiteiten, de transitie naar een duurzame economie (bijvoorbeeld bij locaties voor windparken) en de groeiende verschillen tussen regio’s (bij sommigen groei, bij andere krimp) vormen de aanleiding voor herziening van het omgevingsrecht. Het kabinet zal het wetsvoorstel voor de Omgevingswet naar verwachting begin 2014 voor behandeling aan de Tweede Kamer aanbieden.

In 2014 wordt de bundeling en vereenvoudiging van de uitvoeringsregelgeving (AMvB’s) van de Omgevingswet voortgezet. Daarnaast zullen in 2014 de 7e en 8e tranches Crisis- en herstelwet in werking treden.

MIRT en Gebiedsagenda's

Het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) heeft zich als investeringsprogramma van het Rijk in het ruimtelijk domein ontwikkeld tot een staande structuur van overleg en besluitvorming over concrete projecten en programma's. De gebiedsagenda's vormen daarbij de samenwerkingsagenda van het Rijk en de decentrale overheden. Ze vormen een gemeenschappelijke basis voor de Bestuurlijke Overleggen (BO’s) MIRT die jaarlijks met de verschillende regio's plaatsvinden. Momenteel vindt de actualisatie van de gebiedsagenda's plaats. Deze actualisatie zal in het najaar van 2013 grotendeels worden afgerond.

In 2014 wordt samen met de regio’s de uitwerking ter hand genomen. Centraal staat daarbij het bedenken van zogenaamde adaptieve maatregelen: maatregelen die, ook qua fasering, zo veel mogelijk meebewegen met de maatschappelijke wensen en ontwikkelingen.

De ambities zoals vastgelegd in de SVIR moeten onder gewijzigde omstandigheden worden bereikt. De economische crisis en de hierdoor noodzakelijke bezuinigingen dwingen samen met zich wijzigende trends tot een nieuwe manier van werken. Onder de vlag van «vernieuwing van het MIRT» wordt daarom gewerkt aan een bredere definitie van de opgaven waarbij ook andere oplossingen dan aanleg van infrastructuur mogelijk zijn en nieuwe partijen in beeld komen. Aan het begin van het proces worden besluitvormingsmomenten over projecten gecreëerd, zodat partijen vroegtijdig afspraken kunnen maken over strategische keuzes en dilemma's. In 2014 wordt een eerste beeld gegeven van de vernieuwing van het MIRT en wordt een eerste set afspraken gemaakt met nieuwe partijen. Ook zullen enkele breder opgezette MIRT-onderzoeken worden afgerond, waarin bereikbaarheid, economie en leefomgeving in samenhang worden beschouwd. Deze onderzoeken hebben mogelijk een ander type uitkomst, waarbij niet alleen wordt gekeken naar de aanleg van nieuwe infrastructuur.

De vernieuwing van het MIRT komt onder andere tot uitdrukking in een bereikbaarheidsagenda die in goede samenspraak met decentrale overheden wordt opgesteld. De investeringsruimte van het Rijk is beperkt en de bereikbaarheidsopgaven veranderen van karakter. Deze betreffen steeds vaker uitdagingen in hoogstedelijke gebieden waar de ruimte voor grootschalige uitbreiding van infrastructuur ontbreekt. Dit betekent dat IenM de beschikbare middelen daar moet investeren waar deze het grootste rendement opleveren, maar ook dat andere, slimme manieren moeten worden gevonden om de bereikbaarheid te vergroten, zowel voor personen- als voor goederenvervoer. De resultaten van het programma Beter Benutten tonen aan dat andere oplossingen mogelijk zijn. De concrete maatregelen die naar aanleiding van deze bredere, meer innovatieve benadering kunnen worden genomen, landen uiteindelijk in de uitvoeringsparagraaf van de Gebiedsagenda’s. De Minister en Staatssecretaris van IenM zullen de stand van zaken van de vernieuwing van het MIRT-proces na de BO’s MIRT in het najaar van 2013 aan de Tweede Kamer aanbieden.

Structuurvisie Ondergrond

Naast de bovengrondse opgaven, die via de SVIR worden opgepakt, werkt IenM ook aan de ruimtelijke opgaven van de ondergrond. Zo zal in 2014 de Structuurvisie Ondergrond (STRONG) worden vastgesteld, die een duurzaam en efficiënt gebruik van de ondergrond als doel heeft. De belangrijkste thema’s die binnen STRONG aan de orde zijn, zijn mijnbouw en energievoorziening, beheer grondwatervoorraden, stedelijke ondergrond, landelijke ondergrond, en Noordzee, Waddenzee en kuststrook.

Beter Benutten

Het huidige programma Beter Benutten beoogt de files met 20% te verminderen op specifieke, drukke trajecten. De overheid en het bedrijfsleven maken hiervoor gezamenlijke afspraken. Er wordt samengewerkt aan de uitvoering van regionale maatwerkpakketten met onder meer gedragsbeïnvloeding, aanleg van spitsstroken en voorzieningen om aansluitingen te verbeteren tussen hoofd- en onderliggende wegen, tussen weg en OV en binnen het OV.

Na 2014 wordt het programma Beter Benutten voortgezet. Samen met medeoverheden en private partijen wordt de invulling van dit programma nu uitgewerkt.

Wegen

Wegenprojecten

In het licht van de omvangrijke bezuinigingen op het IF zijn in overleg met de betreffende regio's duidelijke keuzes gemaakt. Economisch rendement en de bijdrage van projecten aan de doelen van de SVIR zijn daarbij de afwegingscriteria geweest. Daarnaast is rekening gehouden met de opgaven uit de gebiedsagenda's, de samenhang met andere projecten, de financiële bijdragen van mede-overheden en de politiek-bestuurlijke context. De projecten die in het Regeerakkoord zijn benoemd en enkele andere projecten die de robuustheid van het wegennet verbeteren worden onverminderd doorgezet. Dit betreft de projecten Blankenburgverbinding, Ring Utrecht (A27), A13-A16 en ViA15. Voor het overige wordt slechts een beperkt aantal projecten geschrapt. Het grootste deel van het investeringsprogramma wordt doorgezet, de doorlooptijd van verkenning naar realisatie zal echter langer zijn.

Met betrekking tot het project Blankenburgverbinding zal de Minister van IenM in het najaar van 2013 een rijksstructuurvisie inclusief voorkeursbeslissing vaststellen. In 2014 vinden de onderzoeken plaats ter voorbereiding van het Ontwerp-Tracébesluit (OTB) dat voor 2015 gepland staat. Voor het project Ring Utrecht wordt eind 2013 een Voorkeursvariant vastgesteld. Begin 2014 volgt een MKBA, waarna de onderzoeken voor het OTB worden gestart. Het OTB zelf is voor 2016 gepland.

Verkeersveiligheid

Het aantal verkeersdoden is in 2012 gedaald tot 650. Vergeleken met 2006 is het aantal verkeersdoden afgenomen met bijna 20 procent. Om de doelstelling van maximaal 500 verkeersdoden in 2020 te realiseren voert het Kabinet, samen met de decentrale overheden en maatschappelijke partners het Strategisch Plan Verkeersveiligheid uit. Bijzondere aandacht wordt in de komende jaren gegeven aan fietsers en ouderen. In de Beleidsimpuls Verkeersveiligheid zijn 23 aanvullende maatregelen genomen om de verkeersveiligheid van deze kwetsbare groep verkeersdeelnemers te verbeteren. Onder andere zullen de gemeenten nog in 2013 lokale fietsknelpunten in kaart brengen en een aanpak opstellen die zich richt op het oplossen ervan. Verder heeft het kabinet diverse onderzoeken uitgezet die naar verwachting in 2014 kunnen leiden tot nieuwe maatregelen om de fietsveiligheid te vergroten. Tot slot zal het wetsvoorstel voor het rijbewijs voor tractoren (T-rijbewijs) in 2014 worden afgerond.

Innovatie

Binnen haar innovatieprogramma werkt Rijkswaterstaat samen met bedrijven, onderzoeksinstituten en andere overheden op succesvolle wijze aan duurzame en efficiënte oplossingen. Met name op het gebied van duurzamer asfalt, stille voegovergangen en energie-zuinige verlichting zijn recentelijk successen behaald. De nieuwe innovatie-agenda van Rijkswaterstaat geeft hier de komende jaren een extra impuls aan.

Verkeersmanagement

Het aangekondigde actieprogramma «Beter geïnformeerd op weg» (kst 31 305 nr. 202) zet de koers uit voor investeringen in reisinformatie en verkeersmanagement. Het programma bestaat uit een routekaart en uitvoeringsagenda (2013–2023). Deze worden in samenwerking tussen bedrijfsleven en overheden ontwikkeld en komen in het najaar van 2013 beschikbaar. Prioriteit voor 2014 wordt het uitvoeren van enkele boegbeeldprojecten van de uitvoeringsagenda.

Spoor

De Lange Termijn Spooragenda (LTSA)6 bestaat uit een visie, ambitie en set van doelen om de regie en de sturing van het Ministerie op het spoor te verstevigen. Op basis hiervan werkt IenM met ProRail en vervoerders aan voorstellen om het spoor aantrekkelijker te maken voor personen- en goederenvervoer. Deze zullen in 2014 in de nieuwe vervoer- en nieuwe beheerconcessie worden verwerkt. De LTSA zal met alle betrokken partijen worden uitgewerkt in onder meer een zogenoemd verbeterd operationeel concept voor het spoor in 2013 dat de basis vormt voor de meerjarige verbeteraanpak waarmee in 2014 wordt gestart. Tevens worden de projecten en programma´s zodanig herijkt dat ze optimaal bijdragen aan de doelen van de LTSA. Afhankelijk van de uitkomsten en de mate waarin de doelen worden gerealiseerd kan dit leiden tot aanpassingen in de portfolio van projecten en programma’s in 2014.

Aanleg en beheer, onderhoud en vervanging

Bij de invulling van de bezuinigingen zijn realisatieprojecten en beheer en onderhoud ongemoeid gelaten. Het programma hoogfrequent spoor (PHS) en het Openbaar Vervoer op de corridor Schiphol-Amsterdam-Almere-Lelystad (OV SAAL) zijn mede door de bezuinigingen aangepast aan geactualiseerde inzichten in de groei van het goederen- en personenvervoer. Tevens zullen de maatregelen over een langere periode, tot 2028 in plaats van 2020, worden gerealiseerd. Het jaar 2014 staat voor PHS en OV SAAL in het teken van de realisatie van het Doorstroomstation Utrecht en de korte termijn maatregelen OV SAAL. Daarnaast vormt de besluitvorming naar aanleiding van de MER Meteren-Boxtel, inclusief de inpassing in Vught, een belangrijke mijlpaal.

Veiligheid

Met het oog op de gefaseerde invoering van het Europees spoorbeveligingssysteem (ERTMS) vanaf 2016 is in 2013 de Railmap ERTMS 1.07 gerealiseerd. Hiermee is de verkenningsfase gestart die in 2014 zal uitmonden in een voorkeursbeslissing van de Staatssecretaris van IenM. Ook wordt in 2014 de ERTMS pilot op het baanvak Amsterdam-Utrecht afgerond.

Daarnaast is een Landelijk Verbeterprogramma Overwegen (LVO) gestart om het aantal incidenten bij spoorwegovergangen nog verder te verminderen. In samenwerking tussen Rijk en decentrale overheden wordt gezocht naar zowel maatwerkoplossingen per overweg als naar generieke maatregelen gericht op het spoorsysteem, het wegennet en op beïnvloeding van gedrag. De eerste verkenningen starten in 2014.

HSL Zuid / Fyra V250

Begin juni 2013 heeft de NS/HSA definitief besloten om te stoppen met het V250 Fyra-materieel en hun concessieverplichtingen niet met dit materieel in te vullen. In de tweede helft van 2013 doet NS/HSA samen met NMBS een alternatief voorstel om de reiziger verbindingen tussen Nederland en België te bieden. Over dit voorstel, met name de vraag of hiermee een volwaardig alternatief voor de reiziger wordt geboden, neemt het kabinet in het najaar van 2013 een standpunt in. Aan de hand hiervan wordt bezien welke consequenties hier eventueel uit voortvloeien voor 2014 en verder.

OV-chipkaart

In 2014 zal het gebruik van de OV-chipkaart verder toenemen. Het Nationaal Openbaar Vervoer Beraad (NOVB), het samenwerkingsplatform van overheden, OV-bedrijven en consumentenorganisaties, zal in 2014 onder meer toezien op de uitvoering van maatregelen naar aanleiding van het besluit enkelvoudig in- en uitchecken. De Staatssecretaris van IenM biedt het wetsontwerp rondom de OV-chipkaart naar verwachting eind 2013 aan de Tweede Kamer aan. De governance van het bedrijf TLS en het onderzoek naar de wenselijkheid om regels te stellen met betrekking tot producten en tarieven worden hierin meegenomen.

Luchtvaart

Voor de internationale concurrentiepositie van Nederland is de hub-functie van de mainport Schiphol van groot belang. Schiphol krijgt daarom de ruimte om te groeien binnen de kaders van de Luchtvaartnota8. Het gaat dan om selectieve ontwikkeling die is gericht op het mainportgebonden verkeer. Op de regionale luchthavens van nationale betekenis wordt capaciteit gecreëerd voor vliegverkeer dat niet per se aan Schiphol is gebonden. Hiervoor wordt vooral ruimte gezocht op de luchthavens Eindhoven en Lelystad. Voor Eindhoven zijn de voorbereidingen voor vaststelling van het Luchthavenbesluit in volle gang. Ook voor Lelystad zijn de voorbereidingen intussen van start gegaan. Dat zal in 2014 leiden tot het in procedure brengen van dit Luchthavenbesluit. Voor de luchthavens van nationale betekenis stelt de regering luchthavenbesluiten vast. Voor de civiele luchthavens worden Commissies Regionaal Overleg (CRO’s) opgericht, waarbinnen overleg plaats vindt tussen de luchtvaartsector en de directe omgeving over het gebruik van de luchthaven. Op deze manier wordt zoveel mogelijk recht gedaan aan de belangen van alle betrokkenen.

Het advies van de Commissie Shared Vision heeft er voor gezorgd dat over belangrijke discussiepunten met betrekking tot de investeringsplannen en tariefontwikkeling van Schiphol duidelijkheid is gekomen. Op basis van dit advies wordt de herziening van de tariefregulering verder ter hand genomen met de ontwikkeling van voorstellen voor aanpassing van wet- en regelgeving. Daarbij wordt ook het publieke belang van netwerkkwaliteit wettelijk verankerd.

Naar aanleiding van het experiment met het nieuwe normen- en handhavingsstelsel op Schiphol worden in 2014 aanpassing van wet- en regelgeving afgerond. Aan de hand van de Beleidsagenda Luchtruimvisie9 werken Rijk en luchtverkeersdienstverleners aan het realiseren van een goede luchtzijdige bereikbaarheid van de Nederlandse luchthavens. In het kader van veiligheid in de luchtvaart wordt de Beleidsagenda Luchtvaartveiligheid (2011–2015)10 verder uitgevoerd: nationale regels worden vervangen door Europese regels en het risico van vogelaanvaringen wordt verder beperkt. Ook wordt het herziene State Safety Program vastgesteld.

Internationaal wordt onder andere ingezet op mondiale maatregelen om de uitstoot van CO2 terug te dringen en om het level playing field voor de luchtvaart te borgen. Verder zal Nederland in internationaal verband bijdragen aan effectieve en proportionele passagiersrechten.

Maritiem beleid

In het kader van het project Mainportontwikkeling Rotterdam zullen vanaf 2014 de eerste terminals op de Tweede Maasvlakte in gebruik worden genomen en wordt verder gewerkt aan de realisatie van 750 ha natuur- en recreatiegebied. Ook worden diverse leefbaarheidsprojecten in Rotterdam opgeleverd. In de totstandkoming van infrastructurele projecten rond de mainport worden verdere stappen gezet, in het bijzonder met het oog op de Nieuwe Westelijke Oeververbinding.

IenM wil het gebruik van goederenvervoer over water bevorderen. Daarover worden in het programma Beter Benutten afspraken gemaakt met mede-overheden en het bedrijfsleven. Een verhoging van de betrouwbaarheid en de beladingsgraad en het terugdringen van wacht- en verblijftijden in zeehavens moeten ervoor zorgen dat de positie van de binnenvaart in de logistieke keten wordt versterkt. Door modernisering van regelgeving en voorschriften wordt de veiligheid van de binnenvaart vergroot en wordt de regeldruk voor het bedrijfsleven verminderd. Om de milieuprestaties van de binnenvaart te verhogen wordt de introductie van LNG (liquefied natural gas) als scheepsbrandstof bevorderd. IenM zal in de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) in 2014 voorstellen op tafel leggen om varen op LNG structureel mogelijk te maken. Daarbij wordt aangesloten bij mondiale regelgeving voor LNG als brandstof voor zeeschepen, die binnenkort binnen de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) wordt afgerond.

Topsector Logistiek

Overheid, bedrijfsleven en wetenschap werken binnen de topsector logistiek samen met als doel Nederland in 2020 op dit gebied een internationale toppositie te laten bekleden. In dit verband worden in 2014 onder andere de acties Neutraal Logistiek Informatie Platform (NLIP), het kernnet en synchromodaal transport verder doorgevoerd. Bij synchromodaal transport geeft de opdrachtgever voor vervoer de beslissing over de te gebruiken modaliteit in handen van de logistieke dienstverlener. Dit geeft de dienstverlener de ruimte om transportzendingen te bundelen en daarmee duurzamer te vervoeren. Het Rijk faciliteert het logistieke bedrijfsleven bij de buitenlandpromotie met economische diplomatie. De acties van de topsector logistiek dragen, mede in het licht van de op te stellen bereikbaarheidsagenda, bij aan de beleidsdoelen bereikbaarheid, leefbaarheid, veiligheid en versterking van de concurrentiekracht. Het beleid voor de topsector logistiek is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de Ministeries van IenM en EZ.

Leefomgeving en milieu

IenM zal zich ook in 2014 blijven inzetten voor een schoon, duurzaam en klimaatbestendig Nederland.

Een concurrerende en circulaire economie gaan daarbij hand in hand. Dat vertaalt zich in onderstaande doelstellingen waarvoor oplossingen moeten worden gevonden op zowel nationaal als internationaal niveau. Tevens zal uitvoering worden gegeven aan de Modernisering Milieubeleid 5.0 (MMB), waarvoor in het najaar van 2013 een voorstel naar de Tweede Kamer wordt gestuurd.

Groene groei

Het kabinet heeft zijn ambities voor een sterke, duurzame economie uiteengezet in de brief Groene Groei van 28 maart 201311. Het kabinetsbeleid steunt op vier pijlers: slimme inzet van marktprikkels, herziening van wet- en regelgeving, innovatie en de overheid als netwerkpartner. Een internationale aanpak, waarbij Nederland gezamenlijk optrekt met andere lidstaten binnen de EU, is essentieel om de gestelde doelen te bereiken en om het internationale gelijke speelveld te borgen. De Minister en Staatssecretaris van IenM hebben binnen het kabinet het voortouw op de specifieke domeinen Mobiliteit, Van Afval Naar Grondstof, Klimaat en Water. Veiligheid en leefomgevingskwaliteit blijven uiteraard belangrijke aandachtspunten. In 2014 staat daarbij de modernisering van het milieubeleid centraal.

Klimaat en energie

Het uitgangspunt van het kabinet is dat de risico’s van gevaarlijke klimaatverandering als gevolg van menselijk handelen tot een acceptabel niveau moeten worden beperkt. Mondiaal, in de EU en nationaal worden afspraken voorbereid voor effectief klimaatbeleid na 2020. Daarbij wordt uitgegaan van de samenhangende visie en beleid op terrein van zowel aanpassen aan onvermijdbare veranderingen (adaptatie) en zoveel mogelijk voorkomen van klimaatverandering (mitigatie). Dit ambitieuze en breed gedragen klimaatbeleid wordt uitgewerkt in de Klimaatagenda die begin oktober aan de Tweede Kamer wordt aangeboden. Hierbij is ook het onder auspiciën van de SER gesloten Energieakkoord voor Duurzame Groei, dat een krachtige impuls wil geven aan de economie en het mogelijk wil maken om grote stappen te zetten richting een energievoorziening die in 2050 volledig klimaatneutraal is, van groot belang.

Duurzame mobiliteit

De Europese Commissie schetst een perspectief voor de sector verkeer en vervoer om in 2050 60 procent minder CO2 uit te stoten ten opzichte van 1990. Dit ziet IenM als een stip op de horizon. De komende jaren worden samen met de sector voorbereidingen getroffen om de uitdagende doelen voor de sector vanaf 2020 te kunnen halen.

De inzet is in de eerste plaats gericht op het nastreven van steeds scherpere CO2-emissienormen in Europees verband. Daarnaast moet nationaal beleid de introductie van alternatieve energiebronnen (zoals elektrisch en waterstof) in mobiliteit en transport ondersteunen, onder meer door tijdig te zorgen voor de benodigde tank- en oplaadinfrastructuur. Verder zet de overheid met de partners in op het ontwikkelen van een duurzame brandstoffenmix voor de verschillende modaliteiten. Via Green Deals en het Topsectoren- en innovatiebeleid wil het kabinet kansen op groene groei voor het Nederlandse bedrijfsleven verzilveren. Van belang is ook om een gedragsverandering te realiseren om te komen tot meer duurzame vormen van mobiliteit. Daarbij zet het kabinet onder andere in op programma’s om (in regionaal verband) het zakelijk en woon-werkverkeer te beperken en de beladingsgraad en efficiency van het goederenvervoer te verhogen. Eveneens zal het kabinet de komende tijd het voortouw nemen bij beleidsmaatregelen en in overleg met de partners, uitvoering en verdere uitwerking geven aan de afspraken uit het SER-Energieakkoord.

Ruimte voor duurzame energie

De energietransitie die Nederland doormaakt vereist een goede ruimtelijke inpassing. Voor 2020 en 2050 zijn forse doelen ten aanzien van duurzame energie gesteld. Het Ministerie van Economische Zaken is het coördinerende departement voor het behalen van die doelen,

IenM levert een bijdrage aan deze doelstellingen, onder andere met het project Ruimte voor duurzame energie. Doel is hierbij een zo optimaal mogelijke ruimtelijke inpassing van de opwekking, de opslag en het transport van duurzame energie. Vanuit dit perspectief wordt inbreng geleverd voor de MIRT-processen, de evaluatie van de Structuurvisie Elektriciteitsvoorziening (SEV 3) en de Structuurvisie Ondergrond (STRONG). Centraal staat samenwerking met gemeenten en provincies met het oog op het verwerken van de doelstellingen voor duurzame energie in hun regionale structuurvisies. De Structuurvisie Wind op Land wordt nog in 2013 vastgesteld. Op basis hiervan zijn afspraken gemaakt met de provincies. Dit zal vanaf 2014 ook gebeuren voor andere vormen van duurzame energie.

Van Afval Naar Grondstof

De groei van de wereldbevolking en de toenemende welvaart leiden tot een toename van het materiaalgebruik. Om in deze behoefte te voorzien is optimale en duurzame inzet van de beschikbare hulpbronnen noodzakelijk, ook om op de langere termijn onze voorzieningszekerheid veilig te stellen. De uitdaging is om te groeien door te vergroenen. Hiervoor moet een transitie plaatsvinden naar een circulaire economie waarin het ontstaan van afval en emissies wordt voorkomen. Met het programma Van Afval Naar Grondstof werkt IenM in 2014 aan versnelling van deze transitie. Samen met andere departementen, maatschappelijke organisaties en bedrijven worden kansrijke ontwikkelingen die bijdragen aan een circulaire economie in beeld gebracht en gestimuleerd. Ook de uitvoering van het bestaande beleid rond afval en ketens richt zich op deze transitie.

In 2014 presenteren de Staatssecretaris van IenM en betrokken partijen een ketenaanpak kunststof gericht op het verhogen van de waarde van gerecycled kunststof en het verminderen van de bijdrage van kunststofafval aan de plastic soep in de wereldzeeën. In samenwerking met gemeenten wordt gewerkt aan verhoging van de recycling van huishoudelijk afval. In samenwerking tussen overheid, kennisinstellingen en bedrijven worden nieuwe technologieën en circulaire systemen ontwikkeld voor onder meer metalen en kunststoffen.

Bij de herziening van het Europese afvalbeleid is de Nederlandse inzet gericht op het aansporen van achterblijvende lidstaten om stappen te zetten naar een meer circulaire economie.

Veiligheid Leefomgeving

De samenleving ervaart het huidige beleid inzake externe veiligheid als complex en ondoorzichtig, terwijl het gaat over de belangrijke vraag hoe veilig de directe woon- en leefomgeving van de burger eigenlijk is. Het externe-veiligheidsbeleid krijgt een plek in de nieuwe Omgevingswet en zal daartoe in 2014 worden gemoderniseerd zodat het past bij de uitgangspunten van de Omgevingswet. Doel is om het beleid transparanter, eenvoudiger en robuuster te maken. Het zogenoemde groepsrisico zal daarbij worden ingebed in het besluitvormingsproces over ruimtelijke ordening.

De modernisering en verbetering van vergunningverlening, toezicht en handhaving is al in gang gezet. De 28 Regionale Uitvoeringsdiensten (RUD’s) zijn in 2013 van start gegaan als uitvoerder van de milieutaken op dit gebied voor gemeenten en provincies. Zes van de RUD’s zijn zogenoemde «BRZO-RUD’s» die zich specifiek richten op de meest risicovolle bedrijven (die vallen onder het Besluit Risico's Zware Ongevallen, BRZO). Het functioneren van de RUD’s wordt nauwlettend gevolgd en geëvalueerd. Eind 2014 zal het evaluatierapport aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

Op het gebied van nanotechnologie spant Nederland zich in 2014 in om nanomaterialen op zodanige wijze op Europees niveau te reguleren dat er meer informatie beschikbaar komt over productie en eventuele risico’s, onder meer via de Europese verordening ten aanzien van stoffen (REACH). Daarnaast zal in Europees verband discussie worden gevoerd over de wijze waarop bij de beoordeling van stoffen rekening kan worden gehouden met gecombineerde blootstelling aan verschillende stoffen. Nationaal ligt de focus van het stoffenbeleid op de verdere implementatie van Europese regelgeving.

Het landelijk asbestvolgsysteem zal in 2014 alle betrokken ketenpartijen van de nodige informatie voorzien. Een deel van de informatie uit dit systeem zal ook zichtbaar worden gemaakt op de Atlas Leefomgeving.

Waterbeleid

Nederland staat de komende jaren voor grote wateropgaven, die we op een duurzame manier willen oplossen. Op de korte en langere termijn zijn omvangrijke investeringen vereist voor de veiligheid tegen overstromingen, voor een goede zoetwatervoorziening en voor het verbeteren van de waterkwaliteit conform de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW).

Het kabinet zet in op de zorg voor waterbeheer en waterkwaliteit als essentiële overheidstaak. In 2014 volgt een voorstel van de Deltacommissaris voor de deltabeslissingen op het terrein van waterveiligheid en zoetwatervoorziening. In de jaren 2014–2017 zal het grootste deel van de huidige uitvoeringsprogramma’s voor waterveiligheid worden afgerond en zal het nieuwe Hoogwaterbeschermingsprogramma starten met de eerste verkenningen. Daarnaast zal met de decentrale overheden worden gewerkt aan de implementatie van de huidige KRW-maatregelen en aan de actualisatie van de stroomgebiedbeheersplannen.

Waterveiligheid

Doel van het waterveiligheidsbeleid is een duurzame beheersing van overstromingsrisico’s op een maatschappelijk aanvaardbaar niveau. Het beleid wordt op dit moment gemoderniseerd. Nieuwe technische inzichten maken het mogelijk maatwerk te leveren. Hierbij worden zowel de kans op een overstroming als de eventuele gevolgen daarvan in de overweging betrokken. Hiervoor wordt vanaf 2014 een toetsinstrumentarium ontwikkeld. Drie principes zijn leidend bij de nieuwe benadering. Dit is ten eerste de basisveiligheid: de kans om te overlijden als gevolg van een overstroming wordt voor iedereen achter een dijk 1 op 100.000, ofwel: 0,001%. Ten tweede investeren we extra in gebieden met een risico op veel slachtoffers en grote economische schade, gebieden dus waar de maatschappelijke ontwrichting na een overstroming het grootst zou zijn. Ten derde wordt uitval van vitale infrastructuur en kwetsbare functies zoveel mogelijk voorkomen. Hieronder vallen onder meer nutsvoorzieningen en ziekenhuizen. De veiligheid wordt daarbij opgebouwd uit drie lagen («meerlaagsveiligheid»): preventie, duurzame ruimtelijke inrichting en goede rampenbeheersing. Voor de actualisatie van het waterveiligheidsbeleid zal de Deltacommissaris in 2014 op basis van de voorstellen uit de gebiedsgerichte deelprogramma’s een voorstel formuleren voor de deltabeslissingen waterveiligheid en ruimtelijke adaptatie. Hij zal die onderbouwen met slachtofferrisico’s en een maatschappelijke kosten batenanalyse. Daarbij worden ook de mogelijkheden voor meerlaagsveiligheid meegenomen. Het voorstel van de Deltacommissaris zal zo snel mogelijk worden gevolgd door een kabinetsbesluit. De Deltabeslissingen zullen richtinggevend zijn voor het waterveiligheidsbeleid in de komende decennia.

Het programma Ruimte voor de Rivier wordt voortgezet. Met dit programma brengen we het veiligheidsniveau langs de Rijntakken en het benedenstroomse deel van de Maas op peil en en versterken we de ruimtelijke kwaliteit. In 2014 worden de laatste aanbestedingen afgerond. In de periode tot 2017 zal het grootste deel van het programma zijn opgeleverd. Het programma Maaswerken, ten behoeve van vergroting van de waterveiligheid in het Maasdal in combinatie met natuurontwikkeling en grindwinning, wordt eveneens voortgezet. De ruim 50 projecten onder dit programma zijn in uitvoering of reeds opgeleverd. Enkele projecten zullen in 2014 worden afgerond; het grootste deel in de jaren 2015–2017. In het kader van het tweede Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP-2) zullen nog in 2013 alle resterende voorkeursalternatieven worden vastgesteld en de verwachting is dat eind 2014 het overgrote deel van de projecten zal zijn beschikt. In 2014 beginnen de eerste verkenningen in het kader van het nieuwe Hoogwaterbeschermingsprogramma.

Zoet water

In 2014 is daarnaast een advies van de Deltacommissaris voor de deltabeslissing zoetwater voorzien. Bij de vertaling daarvan in een uitvoeringsprogramma komen zowel de strategische keuzes over de doelen en het voorzieningenniveau aan de orde, als de concrete planvorming van maatregelen die tot 2028 zullen worden genomen. Hierbij zal afstemming en synergie worden gezocht met andere trajecten zoals de Kaderrichtlijn Water, het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer, het MIRT en de komende generatie waterbeheerprogramma’s.

Waterkwaliteit

IenM streeft een goede kwalitatieve toestand van het water na. Schoon water en gezonde ecosystemen staan aan de basis van duurzaam watergebruik. Daarbij wordt gestreefd naar een kosteneffectieve aanpak door goede afstemming met andere overheden en andere beleidsopgaven. IenM voert daartoe in 2014 en 2015 de inrichtingsmaatregelen in het hoofdwatersysteem uit, conform de stroomgebiedbeheerplannen van 200912. Hiermee wordt voldaan aan Europese verplichtingen (de Kaderrichtlijn Water). In 2014 wordt de besluitvorming met betrekking tot waterkwaliteit voorbereid en worden ontwerpplannen opgesteld. In 2015 zullen de doelen voor de waterkwaliteit en de benodigde maatregelen bestuurlijk worden vastgesteld in de tweede generatie stroomgebiedbeheersplannen. Hierbij vindt afstemming plaats met decentrale overheden en maatschappelijke organisaties. Vooral de agrarische sector krijgt een belangrijke verantwoordelijkheid door samen met de overheden invulling te geven aan het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer.

Topsector Water

Binnen de Topsector Water werken bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheden samen aan de verdubbeling van de toegevoegde waarde van de watersector in 2020. Daarmee draagt de watersector bij aan de concurrentiekracht van Nederland.

In de zomer van 2013 zijn de innovatiecontracten binnen de «gouden driehoek» van bedrijfsleven kennisinstellingen en overheden geactualiseerd. Hierbij wordt, samen met EZ, nadrukkelijk de samenwerking gezocht met andere sectoren zoals landbouw, energie en ICT. IenM stimuleert innovaties in het Hoogwaterbeschermingsprogramma en het Deltaprogramma.

De verdubbeling van de toegevoegde waarde zal voor een belangrijk deel in het buitenland moeten worden gerealiseerd. Economische diplomatie en ontwikkelingssamenwerking maken om die reden deel uit van de aanpak. De Minister van IenM zal in dit verband ook in het komende jaar diverse internationale activiteiten ondernemen. Daarnaast is Partners voor Water een belangrijk instrument bij het realiseren van de mondiale ambities. Door de krachten te bundelen en daarmee de internationale economische positie van de Nederlandse watersector te verbeteren, draagt dit programma tevens bij aan de oplossingen voor de wereldproblematiek op dit gebied. Het programma loopt tot en met 2015. In de internationale aanpak vervult de sector zelf een actieve rol.

Planning beleidsdoorlichtingen

In onderstaande tabel is de meerjarenplanning van de beleidsdoorlichtingen opgenomen.

 

realisatie

planning

Artikel

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

11 Waterkwantiteit

   

X

       

12 Waterkwaliteit

     

X

     

13 Ruimtelijke ontwikkeling (SVIR)

   

X

       

14 Wegen en verkeersveiligheid (Leefomgeving)

X

           

14 Wegen en verkeersveiligheid

         

X

 

15 Openbaar vervoer

   

X

       

16 Spoor

           

X

17 Luchtvaart GIS

 

X

         

17 Luchtvaart overig

         

X

 

18 Scheepvaart en havens (Zeehavens)

X

           

18 Scheepvaart en havens

         

X

 

19 Klimaat

           

X

20 Lucht

         

X

 

20 Geluid

     

X

     

21 Duurzaamheid

     

X

     

22 Externe veiligheid en risico’s

(Besluit externe veiligheid inrichtingen)

 

X

         

22 Externe veiligheid en risico’s

(overig)

           

X

23 Meteorologie, seismologie en aardobservatie

           

X

24 Handhaving en toezicht

           

X

25 Brede doeluitkering1

             

26 Bijdrage investeringsfondsen1

             
1

In samenhang met Beleidsartikelen

De Brede doeluitkering (artikel 25) en de bijdrage investeringsfondsen (artikel 26) worden zoveel mogelijk meegenomen in de doorlichtingen van de beleidsartikelen. De instrumentering en normering ten behoeve van handhaving en toezicht van het beleid wordt bij de doorlichting van de beleidsartikelen meegenomen. De doorlichting van beleidsartikel 24 betreft de keuzes die in het handhavings- en toezichtbeleid door de ILT kunnen worden gemaakt.

Begroting op hoofdlijnen

De onderstaande tabel geeft de belangrijkste wijzigingen in de uitgaven ten opzichte van de eerste suppletoire begroting 2013 aan (bedragen x € 1.000). Een volledig overzicht van de mutaties staat in het verdiepingshoofdstuk.

   

art.

2013

2014

2015

2016

2017

2018

 

Stand ontwerpbegroting 2013

 

9.910.497

10.598.501

9.591.972

9.941.454

9.835.143

9.447.712

 

Nota's van wijziging

 

75.000

         
 

Mutaties 1e suppletoire wet 2013

 

21.646

– 165.526

– 160.922

– 198.391

– 252.795

– 273.540

 

Belangrijke mutaties Hoofdstuk XII

 

– 76.959

– 179.206

– 217.890

– 485.858

75.473

– 2.556

 

Kader relevante mutaties

             

1

DBFM-contract

26

– 72.943

– 121.692

– 159.783

– 425.728

137.326

57.122

2

Middelenoverboeking van RVOB

26

 

– 35.700

– 35.700

– 35.700

– 35.700

– 35.700

3

Bijdrage IenM aan bezuiniging op de collectieve sector uit het maatregelpakket van € 6 miljard

99

 

– 18.300

– 18.300

– 18.300

– 18.300

– 18.300

4

Veiligheid en Risico's

22

11.500

         

5

EU project NANoREG

22

4.762

2.369

2.369

500

   

6

Masterplannen Bonaire

17

2.440

         

7

Onderzoeken PBL

97

3.600

2.000

1.500

1.500

1.500

1.500

8

Dienstverlening apparaat

98

13.260

9

Overboekingen van en naar andere Ministeries (netto)

div. (m.n. 13, 26 en 98)

– 47.281

– 7.883

– 7.976

– 8.130

– 9.353

– 7.308

 

Overige mutaties

div.

3.247

       

130

 

           

 

Niet-kader relevante mutaties

           

10

Financiering KRW

12

     

33.000

33.000

34.917

11

Financiering Haringvliet

12

– 27.575

– 2

– 35

 

– 7.221

– 133

12

Subsidieregeling Euro-VI, ERTMS en Beter Benutten

16 en 20

7.500

   

2.769

4.980

13

BDU: Roodeschool, dekking BDU en Bijdrage Arnhem-Emmerich-Dusseldorf

25

 

5.400

 

10.762

 

14

Netto mutaties op artikel 26 Investeringsfondsen

26

20.066

– 4.995

238

– 44.267

– 28.391

– 33.955

15

Eenvoudig Beter

13

4.500

10.328

10.056

     

16

Caribisch Nederland: Luchthavens en maritieme incidentenorganisatie

17 en 26

3.380

12.440

14.855

100

   

16

Caribisch Nederland: Luchthavens en maritieme incidentenorganisatie

div. (m.n. 13, 14, 19, 20 en 22)

– 3.380

– 12.440

– 14.855

– 100

   

17

Herprioritering Asbest

22

     

– 14.000

– 9.000

 

18

Sanering Ketelmeer (vertraging)

12

 

– 10.618

– 776

6.926

4.468

 

19

Beter Benutten (vertraging)

14

– 1.938

– 2.682

2.409

2.211

   

20

GIS (kasritme)

17

330

1.595

– 12.117

5.799

4.522

– 129

 

Overige mutaties

div.

– 2.883

974

225

– 3.200

– 2.358

– 700

 

Stand ontwerpbegroting 2014

9.925.728

10.253.769

9.213.160

9.257.205

9.657.821

9.171.616

Ad 1. Dit betreft de omzetting van de reeksen A1/A6 SAA en N33 Assen-Zuidbroek.

Ad 2. De inkomsten die voorheen taakstellend in de begroting stonden t.b.v. Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf (RVOB), worden overgebracht naar IenM. Het gaat hierbij om inkomsten uit areaal waarop RWS het materieel respectievelijk feitelijk beheer uitvoert. Extra opbrengsten die IenM (RWS) weet te realiseren bovenop dit bedrag kunnen door IenM (RWS) ingezet worden. De middelenoverboeking van RVOB naar IenM (RWS) betreft in totaal € 35,7 miljoen per jaar. Deze overboeking wordt zichtbaar bij opbrengst derden in de staat van baten en lasten en is als volgt opgebouwd: € 19,5 miljoen structurele ontvangsten uit de pacht van «benzinestations, € 11,5 miljoen structurele ontvangsten uit de ingebruikgeving van RWS areaal (huur, pacht) en € 4,7 miljoen structurele ontvangsten uit incidentele verkoop van RWS areaal. De bijdrage van de Begroting hoofdstuk XII aan het Infrastructuurfonds alsmede de reeks «Bijdrage aan agentschappen» «overige netwerkoverstijgende kosten» op Infrastructuurfonds artikel 18.08 worden overeenkomstig verlaagd met € 35,7 miljoen.

Ad 3. IenM draagt vanaf 2014 structureel € 18,3 miljoen bij aan de bezuiniging op de collectieve sector uit het maatregelpakket van € 6 miljard waartoe in augustus 2013 is besloten. Voorlopig is deze korting van de IenM begroting op artikel 99 Nominaal en onvoorzien verwerkt. Bij Voorjaarsnota 2014 zal deze korting op de beleidsartikelen van Hoofdstuk XII en de productartikelen van de fondsen worden verwerkt.

Ad 4. Op dit artikel worden de beschikbare middelen bij 2013 aangevuld om te kunnen voldoen aan lopende verplichtingen inzake het thema Veiligheid en Risico’s.

Ad 5. Ten behoeve van het EU-project NANoREG (A common European approach to the regulatory testing of nanomaterials) worden uitgaven gedaan aan 60 contractpartners. De uitvoering van dit project is ondergebracht bij het projectbureau NANoREG. Het RIVM ondersteunt en faciliteert hierbij. Deze uitgaven worden mogelijk gemaakt door een ontvangst van de Europese Unie.

Ad 6. In het kader van activiteiten voor Caribisch Nederland wordt het restantbudget van het project baanrenovatie fase 1 Bonaire overgedragen door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) aan het Directoraat Generaal Bereikbaarheid (DGB). Met deze gelden worden de voorbereidingskosten van de uitvoering van de masterplannen bekostigd.

Ad 7. Het budget voor onderzoeken voor het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) wordt verhoogd als gevolg van bijdragen van derden.

Ad 8. Ontvangsten van derden ter vergoeding van bedrijfsvoeringsdiensten worden aan artikel 98 «Aparaatsuitgaven kerndepartement» toegevoegd.

Ad 9. Dit betreft een aantal overboekingen naar andere Ministeries. Hieronder vallen een overboeking van € 26,5 miljoen naar de begroting van EZ ten behoeve van de afronding ILG (Investeringsbudget Landelijk Gebied), een bijdrage van ruim € 8 miljoen aan het Provinciefonds voor de proceskosten Ooijen Wanssum en een structurele teruggave van circa € 6 miljoen aan ICT-middelen die in 2009 waren overgeboekt. De resterende overboekingen betreffen (onder andere) een overboeking van € 1 miljoen structureel naar het Ministerie van EZ ten behoeve van de huisvesting van het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (NLR) en een structurele bijdrage aan BZK van circa € 0,8 miljoen in het kader van Burgerbrievenafhandeling.

Ad 10. In het regeerakkoord is een korting doorgevoerd op de maatregelen voor de Kaderrichtlijn Water (KRW). Desondanks blijft IenM de doelen van de Europese richtlijn onderschrijven.

In lijn met de brief van 20 juni 2013 (Kamerstukken II, 2012/2013, 27 625, nr. 292) over Waterbeleid wordt een begrotingsvoorstel gedaan waarbij voor deze ambitie op het gebied van de KRW middelen in de komende begrotingsperiode worden vrijgemaakt.

In dit kader wordt de resterende programmaruimte op artikel 18.11 van het Infrastructuurfonds (€ 100 mln) overgeboekt naar de begroting van HXII. Een daarvoor benodigde kasschuif wordt via het Deltafonds aangebracht.

Ad 11. De middelen uit de Begroting hoofdstuk XII met betrekking tot het project Haringvliet de Kier (waterkwaliteit, inclusief KRW) worden overgeboekt naar het Deltafonds, zodat uitvoering van dit integrale project, waarvan het zwaartepunt bij zoetwater ligt, uit één bron kan plaatsvinden.

Ad 12. De verlenging van de subsidieregeling Euro-VI (€ 5 miljoen in 2013), het European Rail Traffic Management System (ERTMS; € 2,5 miljoen in 2013) en het in stand houden van het projecttotaal Beter Benutten (circa € 8 miljoen in 2016 en 2017) worden uit het Infrastructuurfonds gefinancierd en de middelen worden overgeboekt naar de Begroting hoofdstuk XII waar de betaling plaatsvindt.

Ad 13. Uit de Brede Doeluitkering (BDU) worden onder meer de verlenging van de spoorlijn van Roodeschool naar Eemshaven en de bijdrage Arnhem-Emmerich-Dusseldorf betaald. Deze bijdragen en de indexatie van de BDU worden uit het Infrastructuurfonds gefinancierd.

Ad 14. Alle overboekingen tussen de Begroting hoofdstuk XII en de IenM-fondsen (Infrastructuurfonds en Deltafonds) lopen via artikel 26 «Voeding Investeringsfondsen». De voornaamste overboekingen van of naar beleidsartikelen op hoofdstuk XII uit of naar de Investeringsfondsen zijn de posten 10 tot en met 13.

Ad 15. Het betreft middelen voor de kosten van studie, implementatie en uitvoering van Eenvoudig Beter en de Digitale Agenda. Daarnaast betreft het kosten voor de ombouw van de huidige systemen WABO (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) en RO online (Ruimtelijke ontwikkeling online) om deze efficiënter en beheersbaar te krijgen en geschikt te maken voor een verdere uitbouw ten behoeve van de nieuwe Omgevingswet.

Ad 16. Deze mutatie betreft enerzijds het vrijmaken van middelen ter financiering van maritieme- en luchtvaartactiviteiten in Caribisch Nederland en anderzijds de toevoeging van deze gelden aan de artikelen 17 en 26.

Ad 17. Een gedeelte van de middelen voor asbest wordt IenM breed ingezet om de begroting sluitend te maken.

Ad 18. Saneringsprojecten op artikel 12 «Waterkwaliteit» worden vertraagd.

Ad 19. De aanpassing van het kasritme van het budget voor opdrachten Beter Benutten is noodzakelijk in verband met de verlenging van de projectduur.

Ad 20. Het kasritme van het project GIS (Geluidsisolatie Schiphol) wordt in lijn gebracht met de huidige prognose van de voortgang van de werkzaamheden.

4

Op een later moment kan een dergelijke reservering aan de orde zijn voor de hoofdvaarwegen en/of het hoofdwatersysteem. Deze komen dan mogelijk ten laste van de respectievelijke Investeringsruimten van Hoofdvaarwegen en het Hoofdwatersysteem.

12

Bijlage bij 31 710, nr. 12

Licence