Base description which applies to whole site

Beleidsartikel 18 Scheepvaart en Havens

Algemene doelstelling

Het realiseren van een efficiënt, veilig en duurzaam goederenvervoersysteem, waarbinnen de internationale concurrentiekracht van de mainport en van de Nederlandse maritieme sector wordt versterkt.

(Doen) uitvoeren

Rollen en verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor het in stand houden van een robuust hoofdnetwerk van vaarwegen. Vanuit de begroting Hoofdstuk XII (artikel 26.01) wordt een bijdrage gedaan aan het Infrastructuurfonds. Via het Infrastructuurfonds (artikel 15, 17 en 18) investeert de Minister door middel van aanleg en benutting in dit netwerk, in binnenhavens en in de maritieme toegang van zeehavens om een goede en betrouwbare bereikbaarheid over water van de economische kerngebieden te realiseren. Aanleg- en benuttingsprojecten worden in het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) vastgelegd. De Minister is verantwoordelijk voor toezicht en nautisch beheer. Rijkswaterstaat voert als beheerder het beheer, onderhoud en vervanging uit. De uitgaven aan beheer, onderhoud en vervanging worden verantwoord op het Infrastructuurfonds (artikel 15).

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en deels ook voor de uitvoering van het maritiem beleid. De rol «regisseren» heeft betrekking op de volgende taken:

  • De Minister stelt normen en handhaaft deze om het veilige en duurzame gebruik van netwerken te waarborgen. De Minister ijvert regionaal en internationaal voor gelijke normen, bijvoorbeeld in de Raad Vervoer, Telecommunicatie en Energie van de EU en de Internationale Maritieme Organisatie (IMO), ook omdat een internationaal level playing field goed is voor de Nederlandse concurrentiepositie. Daarin passen een actief Nederlands lidmaatschap van IMO en Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) en een gerichte bijdrage aan de totstandkoming van Europese regelgeving, inclusief een actieve rol in agentschappen als het Europese Maritieme Veiligheidsagentschap (EMSA) en andere organisaties.

  • De in 2015 vastgestelde Maritieme Strategie geeft de leidende principes aan: meerwaarde door samenwerking, ruimte voor ondernemerschap en oog voor de stad en leefomgeving. Vanuit het oogpunt van verbetering van het milieu en van de kwaliteit van de leefomgeving wordt de innovatie en de transitie naar een duurzame scheepvaart bevorderd. IenW zorgt voor «state of the art» regelgeving op het gebied van marktordening, passagiersrechten, bemanningszaken en security. Waar nodig wordt hiervoor internationaal samengewerkt.

  • Met het programma Beter Benutten stimuleert de Minister een slim, efficiënt en veilig gebruik van de vaarwegen. Samen met de inspanningen van de vervoerders en verladers kan daarmee de capaciteit van de vaarwegen beter worden benut.

  • De Minister geeft zoveel mogelijk ruimte voor ondernemerschap, met een maximaal beroep op de eigen verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven voor een permanente verbetering van de veiligheid en duurzaamheid van het transport over water.

  • IenW draagt, binnen het kabinetsbrede bedrijvenbeleid onder coördinatie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, als vakdepartement verantwoordelijkheid voor de overheidsinbreng op de Topsector Logistiek en het maritieme cluster binnen de Topsector Water en Maritiem.

  • Voorts zet de Minister in op een intensivering en stroomlijning van de inspanningen van alle overheden, belangenorganisaties en sectorpartijen betrokken bij bovenstaande beleidsopgaven.

Ten slotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de Inspectie Leefomgeving en Transport op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en Toezicht) en door de Autoriteit Consument en Markt.

Indicatoren en Kengetallen

Hieronder zijn de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor scheepvaart en havens opgenomen. In productartikel 15 Hoofdvaarwegennet van het Infrastructuurfonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

Indicator: Passeertijd sluizen
 

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Realisatie 2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Realisatie 2017

Streefwaarde 2018 en 2019

Hoofdtransportas

67%

68%

69%

70%

68%

66%

66%

85%

Hoofdvaarweg

79%

78%

80%

80%

80%

80%

80%

75%

Overige vaarweg

92%

93%

92%

92%

91%

91%

88%

70%

Bron: RWS, 2018

Toelichting

Voor elk type vaarweg (Hoofdtransportas, Hoofdvaarweg en Overige vaarwegen) wordt een te realiseren percentage schepen nagestreefd dat binnen de normtijd de sluis passeert (streefwaarde). De «passeertijd sluizen» is een absolute normtijd die voor elke sluis afzonderlijk is bepaald. De gerealiseerde passeertijden op de hoofdtransportassen voldoen nog niet aan de streefwaarden. Dit speelt al langere tijd en wordt voornamelijk veroorzaakt door gebrek aan capaciteit op de corridors tussen Zeeland en Rotterdam. Voor de sluizen op die corridors lopen dan ook MIRT-projecten, gericht op het verbeteren van deze capaciteit.

De passeertijden voor de hoofd- en overige vaarwegen scoren wel ruim voldoende.

Kengetal: Ontwikkeling van het procentuele marktaandeel (in tonnen) van de Nederlandse havengebieden ten opzichte van de totale Noordwest Europese havenrange (de «Hamburg-Le Havre range»)
 

Basiswaarde 2005

2010

2011

2012

2013

2014

2015

20161

2017

Totaal Nederlandse Zeehavens

44,9

47,8

47,2

47,9

47,5

47,2

48,1

48,3

47,9

Mainport Rotterdam

34,9

37,0

36,3

37,0

36,6

36,2

37,3

37,6

37,2

Overige Nederlandse Zeehavens

10,0

10,8

10,9

10,9

10,9

11,0

10,8

10,7

10,7

Bron: 2002–2010 Nationale Havenraad; 2011–2015 IenW;

1

vanaf 2016 Havenbedrijf Rotterdam op basis van cijfers ESPO. ESPO beschouwt daarin alleen de Nederlandse havens van Rotterdam, Amsterdam en Zeeland. In eerdere jaren zijn ook de havens van Moerdijk en Groningen in het overzicht meegenomen. Deze worden niet meegenomen door ESPO.

Toelichting

Dit kengetal geeft informatie over het marktaandeel van de Nederlandse zeehavens ten opzichte van de concurrerende Noordwest Europese havenrange (de zogenaamde «Hamburg-Le Havre range»). Het streven is het marktaandeel van de Nederlandse havengebieden ten opzichte van de totale Noordwest (de «Hamburg-Le Havre range») ten minste te handhaven.

«Totaal Nederlandse Zeehavens» laat in 2017 weer een lichte daling van het marktaandeel zien ten opzichte van 2015 en 2016. Met name Mainport Rotterdam laat in 2017, na een lichte stijging in 2016, weer een lichte daling van het marktaandeel zien.

Deze lichte daling van het marktaandeel is te wijten aan dalingen in het droog massagoed en het nat massagoed. Deze daling werd deels gecompenseerd door een sterkere groei van voornamelijk containers. Het marktaandeel van de overige Nederlandse zeehavens is gelijk gebleven.

Kengetal: Ontwikkeling in aantallen en bruto tonnage (GT)1
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

 

Van de vloot van in Nederland geregistreerde zeeschepen onder Nederlandse vlag

Aantallen

               

Handelsvaart

725

769

800

822

808

790

771

761

Zeesleepvaart

249

235

247

260

258

275

288

291

Waterbouw

120

156

169

168

167

171

171

176

Totaal

1.094

1.160

1.216

1.250

1.233

1.236

1.230

1.228

Bruto tonnage (GT) (x 1.000)

               

Handelsvaart

6.075

6.883

6.740

7.045

6.978

6.572

6.411

6.275

Zeesleepvaart

310

290

362

347

360

409

423

444

Waterbouw

450

513

531

533

537

531

542

572

Totaal

6.835

7.686

7.633

7.925

7.875

7.512

7.376

7.291

 

Van de vloot onder buitenlandse vlag in Nederlands eigendom of beheer

                 

Aantallen

               

Handelsvaart

433

422

408

403

403

432

451

458

Zeesleepvaart

459

456

477

498

519

512

502

499

Waterbouw

63

55

55

52

52

62

62

63

Totaal

955

933

940

953

974

1.006

1.015

1.020

Bruto tonnage (GT) (x 1.000)

               

Handelsvaart

5.259

5.232

5.072

5.517

5.987

6.500

7.203

7.700

Zeesleepvaart

1.011

1.298

1.640

1.612

1.643

1.740

2.239

1.706

Waterbouw

251

210

264

248

285

312

322

328

Totaal

6.521

6.740

6.976

7.377

7.915

8.552

9.764

9.734

Bron: Inspectie Leefomgeving en Transport, 2018. Cijfers van zeeschepen onder buitenlandse vlag op basis van IHS.

1

Schepen > 100 GT en pontons > 1000 GT

Toelichting

Bovenstaande kengetallen geven informatie over de ontwikkeling in aantallen en bruto tonnage (GT) van de vloot in Nederlands eigendom of beheer onder Nederlandse en buitenlandse vlag. De gegevens zijn opgesplitst naar de sectoren handelsvaart, zeesleepvaart en waterbouw. De groei c.q. afname van de vloot onder Nederlandse vlag is niet alleen van overheidsbeleid afhankelijk, maar ook van externe factoren zoals de wereldwijde groei van het ladingaanbod en investeringsklimaat, het zeevaartbeleid (waaronder fiscale klimaat) van andere landen en de individuele prestaties van de ondernemingen. Een toename van de vanuit Nederland beheerde vloot (en dan met name de Nederlandse vlag) is gunstig voor de ontwikkeling van de toegevoegde waarde.

Kengetal: veiligheid scheepvaart
 

Aantal scheepvaartongevallen (inclusief visservaartuigen en recreatievaart) op het Nederlandse deel van de Noordzee (Nederlandse en buitenlandse vlag)

 

2005

 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Zeer ernstige scheepvaartongevallen (ZESO)

1

 

1

0

4

2

0

0

2

2

Ernstige scheepvaartongevallen (ESO)

4

 

9

4

15

13

12

11

8

11

Totaal

5

 

10

4

19

15

12

11

10

13

 

Aantal significante ongevallen met schepen op de Nederlandse binnenwateren1

Aantal significante scheepsongevallen

96

 

164

159

161

136

138

158

164

161

                     
 

Aantal doden en gewonden op schepen op de Nederlandse binnenwateren (ook onder niet Nederlandse vlag)

Aantal doden

7

 

4

8

4

9

4

6

7

8

Aantal gewonden

49

 

45

63

58

27

44

35

38

33

Bron: RWS, 2017, Cijfers van zeeschepen onder buitenlandse vlag op basis van IHS.

1

Voor de beoordeling van de ontwikkeling van de veiligheid op de Nederlandse binnenwateren wordt gebruik gemaakt van het begrip «significant scheepsongeval». Significante scheepsongevallen zijn scheepsongevallen op de Nederlandse binnenwateren met schepen (ook onder niet Nederlandse vlag) waarbij schade is ontstaan die als ernstig wordt geclassificeerd in de vorm van slachtoffers (doden/gewonden), stremming van de vaarweg of schade aan de vaarweg, schip, lading of milieu.

Toelichting

In 2017 zijn op het Nederlandse deel van de Noordzee tien ESO’s (ernstige scheepvaartongevallen) en twee ZESO’s (zeer ernstige scheepvaartongevallen) geregistreerd. De tien ESO’s zijn als volgt onderverdeeld: koopvaardij (acht), visserij (een) en recreatievaart (een). De twee ZESO’s zijn als volgt onderverdeeld: Koopvaardij (een) en recreatievaart (een).

Onder het totaal van 1.122 ongevallen waren er 161 ernstige scheepsongevallen 2017 op het binnenwater (inclusief de zeehavens). Hierbij was sprake van grote materiële schade aan schip, lading of infrastructuur, met milieuschade, stremming van de vaarweg of (in uitzonderlijke gevallen) doden en zwaargewonden als gevolg. Deze ernstige ongevallen zijn de zogenaamde significante ongevallen.

In 2017 waren er 8 dodelijke slachtoffers te betreuren in vier van alle geregistreerde scheepsongevallen, waarbij tweemaal 3 slachtoffers te betreuren waren.

Beleidswijzigingen

De met de Rijksbrede Nederlandse Maritieme Strategie 2015–2025 (Kamerstukken II 2014–2015, 31 409, nr. 70) ingezette koers wordt ook in 2019 voortgezet, evenals de samenwerking tussen de rijksoverheid en de maritieme sector bij de uitwerking van de Maritieme Strategie. De basis voor deze samenwerking wordt gevormd door een op 22 februari 2018 vastgesteld werkprogramma, waarin de prioriteiten op het gebied van zeevaart, zeehavens, binnenvaart en de maritieme maakindustrie voor de komende jaren zijn vastgelegd (Kamerstukken II 2017–2018, 31 409, nr. 184). Het werkprogramma heeft een doorlooptijd tot en met 2021 en adresseert voor 2019 onder meer de volgende onderwerpen: verbetering van het scheepsregister, Smart Shipping, structuurversterking binnenvaart, vergroening zeevaart/binnenvaart en beroepskwalificaties binnenvaart.

Daarnaast is in het regeerakkoord aangegeven dat met de zeevaart-, de binnenvaart- en de havensector een green deal zal worden afgesloten omdat in deze sectoren nog veel milieuwinst is te behalen. De voorbereidende werkzaamheden voor deze green deal hebben eind 2017 een aanvang genomen en de green deal zal zo mogelijk nog in 2018 worden ondertekend. De uitvoering van de green deal start in 2019.

Bij brief van 5 december 2016 (Kamerstukken II 2016–2017, 32 861, nr. 22) is de beleidsdoorlichting van artikel 18 aangeboden aan de Tweede Kamer. Uit de beleidsdoorlichting komt naar voren dat het merendeel van de beleidsinstrumenten op het gebied van zeevaart, binnenvaart en zeehavens doeltreffend is ingezet en een positieve bijdrage is geleverd aan de doelstelling van artikel 18. Op het terrein van doelmatigheid bleek het lastiger deze relatie te leggen, hoewel voor een groot deel van de instrumenten één of meer waarborgen zijn aangetroffen voor een doelmatige uitvoering. Om het inzicht in de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleidsinstrumentarium te vergroten is aangesloten bij het nieuwe werkprogramma voor de Maritieme Strategie en zeehavens van begin 2018. Bij de daarin geformuleerde maatregelen is steeds per maatregel aangegeven hoe de doelmatigheid en doeltreffendheid zal worden beoordeeld. Bij de tussentijdse evaluatie van het werkprogramma (twee jaar na de vaststelling) kan besloten worden of het wenselijk is om nieuwe indicatoren of kengetallen op te nemen in de begroting.

Budgettaire gevolgen van beleid

Art. 18 Scheepvaart en havens (bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

30.825

73.325

6.070

4.056

4.087

4.081

4.667

Uitgaven:

29.409

41.380

38.555

34.664

4.535

4.529

5.115

Waarvan juridisch verplicht

   

97%

       

18.01

Scheepvaart en havens

29.409

41.380

38.555

34.664

4.535

4.529

5.115

18.01.01

Opdrachten

18.207

30.368

31.763

30.269

1.904

1.897

1.929

 

– Topsector logistiek

16.810

18.588

17.590

15.231

0

0

0

 

– Caribisch Nederland

141

9.712

12.400

12.900

100

100

100

 

– Overige opdrachten

1.397

2.068

1.773

2.138

1.904

1.897

1.929

18.01.02

Subsidies

8.505

8.065

4.172

1.764

0

0

0

 

– Topsector logistiek

7.775

6.489

4.104

1.764

0

0

0

 

– Overige subsidies

730

1.576

68

0

0

0

0

18.01.03

Bijdrage aan agentschappen

1.137

1.345

988

999

999

1.000

1.479

 

– waarvan bijdrage aan RWS

1.137

1.175

988

999

999

1.000

1.479

18.01.05

Bijdragen aan internationale organisaties

1.559

1.602

1.632

1.632

1.632

1.632

1.632

 

Ontvangsten

794

200

0

784

0

0

0

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing naar artikel 15 Hoofdvaarwegennet van het Infrastructuurfonds (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 15 Hoofdvaarwegennet van het Infrastructuurfonds

1.185.804

1.038.016

982.625

847.779

762.574

Andere ontvangsten van artikel 15 Hoofdvaarwegennet van het Infrastructuurfonds

105.584

149.711

85.151

14.651

0

Totale uitgaven op artikel 15 Hoofdvaarwegennet van het Infrastructuurfonds

1.291.388

1.187.727

1.067.776

862.430

762.574

waarvan

         

15.01

Verkeersmanagement

8.655

8.655

8.655

8.655

8.655

15.02

Beheer, onderhoud en vervanging

363.039

376.367

329.346

336.183

317.654

15.03

Aanleg

364.110

356.991

344.833

144.980

75.576

15.04

Geïntegreerde contractvormen/PPS

240.431

129.319

75.628

71.244

60.853

15.06

Netwerkgebonden kosten HVWN

315.153

316.395

309.314

301.368

299.836

15.07

Investeringsruimte

0

0

0

0

0

Extracomptabele verwijzing naar artikel 17.06 PMR van het Infrastructuurfonds (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 17.06 PMR van het Infrastructuurfonds

17.475

969

255

255

255

Andere ontvangsten van artikel 17.06 PMR van het Infrastructuurfonds

0

0

0

0

0

Totale uitgaven op artikel 17.06 PMR van het Infrastructuurfonds

17.475

969

255

255

255

waarvan

         

17.06

Project Mainportontwikkeling Rotterdam

17.475

969

255

255

255

Extracomptabele verwijzing naar artikel 20.05 Investeringsruimte toebedeeld naar modaliteit van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 20.05 Investeringsruimte toebedeeld naar modaliteit van het Infrastructuurfonds

0

0

0

0

0

Andere ontvangsten van artikel 20.05 Investeringsruimte toebedeeld naar modaliteit van het Infrastructuurfonds

0

0

0

0

0

Totale uitgaven op artikel 20.05 Investeringsruimte toebedeeld naar modaliteit van het Infrastructuurfonds

0

0

0

0

0

waarvan

         

20.04

Investeringsruimte toebedeeld naar modaliteit

0

0

0

0

0

Voor de periode 2019–2023 staan geen bedragen geraamd en zijn derhalve geen bedragen zichtbaar.

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage «Fiscale regelingen» in de Miljoenennota. De fiscale regelingen die niet in onderstaande tabel zijn opgenomen, maar wel op dit beleidsartikel betrekking hebben, zijn:

  • Accijnsvrijstelling communautaire wateren

  • Willekeurige afschrijving zeeschepen

Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota «Toelichting op de fiscale regelingen».

Fiscale regelingen 2017–2019, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (bedragen x € miljoen)1
 

2017

2018

2019

Tonnageregeling winst uit zeescheepvaart

120

120

115

Afdrachtvermindering zeevaart

111

111

110

1

[–] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

18.01 Scheepvaart en havens

Budgetflexibiliteit

De bijdragen aan agentschappen en internationale organisaties zijn volledig juridisch verplicht en hebben een structureel karakter.

Voor de Topsector Logistiek zijn zowel het subsidiedeel aan de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) als de opdrachten via Connekt volledig juridisch verplicht. Dat geldt ook voor het opdrachtenbudget voor IenW opdrachten voor de topsector Logistiek dat eveneens juridisch verplicht is.

Van het overige opdrachtenbudget is circa de helft juridisch verplicht. Het betreft de uitfinanciering van aangegane verplichtingen voor onder meer de uitvoering van toezichtstaken door de ACM en de monitoring van maritieme indicatoren en kengetallen.

Het niet-juridisch verplichte deel van dit artikel wordt aangewend voor beleidsonderzoek gericht op onder meer binnenvaart, zeevaart, zeehavens en Caribisch Nederland.

18.01 Scheepvaart en havens

Toelichting op de financiële instrumenten

18.01.01 Opdrachten
  • Voor beleidswerk gericht op havens (onder andere havensamenwerking) en Caribisch Nederland (de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba) is het benodigde budget gereserveerd.

  • Het werkprogramma Maritieme Strategie en Zeehavens 2018–2021 is vanaf 2018 als onderdeel van het integrale werkprogramma ter uitvoering van de Maritieme Strategie doorgezet.

  • Als vlaggen-, kust- en havenstaat zet Nederland in International Maritime Organization (IMO)- en EU-verband in op verbetering van het stelsel van regelgeving (bij voorkeur door optimaliseren bestaande regelgeving).

  • De concurrentiepositie van het maritieme cluster vereist de implementatie van verdragen, een gelijk speelveld en vermindering van de administratieve lasten. De inzet richt zich bijvoorbeeld op een Europese maritieme ruimte zonder grenzen, het monitoren van de arbeidsmarkt, het faciliteren van verbetering van de efficiency van bemanningen en het wegnemen van knelpunten in de relevante wetgeving. Hiervoor wordt beleidsinformatie verzameld en onderzoek verricht.

  • Voor de topsector Logistiek worden in 2019 opdrachten uitgevoerd onder regie van het Topteam Logistiek. De opdrachten en subsidies hebben betrekking op de volle breedte van de logistieke sector, dat wil zeggen op alle modaliteiten.

18.01.02 Subsidies

Voor de topsector Logistiek worden de subsidies op basis van het meerjarenprogramma en de gestarte activiteiten via de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) uitgezet.

18.01.03 Bijdragen aan agentschappen

In het kader van het Beleidsondersteuning en Advies (BOA) protocol met RWS zijn afspraken gemaakt over beleidsondersteuning en -advisering, die RWS uitvoert in opdracht van de beleids-DG’s. Door middel van de agentschapsbijdrage wordt capaciteit hiervoor bij RWS gereserveerd.

18.01.05 Bijdragen aan internationale organisaties

Vanuit de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) gelden betaalt IenW in totaal € 1,07 miljoen aan contributies in het kader van Maritieme Zaken. Hiervan gaat circa € 0,5 miljoen contributie naar de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) en circa € 0,4 miljoen contributie naar de International Maritime Organisation (IMO) conform verdragsverplichtingen. Daarnaast worden bijdragen gedaan aan de International Association of Marine Aids to Navigation and Lighthouse Authorities (IALA), Regional Cooperation Agreement on Combating Piracy and Armed Robbery against Ships in Asia (ReCAAP), de Donaucommissie en de North Atlantic Ice Patrol.

Door de internationale brancheorganisaties in de binnenvaart is met een beroep op de gelden uit het reservefonds het European IWT platform opgericht. Uit het Nederlandse deel van het door de sector opgebouwde fonds zal gedurende 10 jaar een bedrag van € 450.000 per jaar aan het IWT uitgekeerd worden.

Licence