Base description which applies to whole site

3.9 Artikel 21 Circulaire Economie

Het bereiken van een circulaire economie in 2050. In een circulaire economie wordt de waarde van grondstoffen, materialen en producten zo lang mogelijk behouden, waardoor er in 2050 bijna geen afval meer is.

Samenvatting budgettaire gevolgen van beleid

In onderstaande tabel is een samenvatting opgenomen van de totale verplichtingen, uitgaven en ontvangsten van dit artikel. De onderverdeling naar de financiële instrumenten is opgenomen in de totaal tabel van de budgettaire gevolgen van beleid.

Tabel 82 Samenvatting budgettaire gevolgen van beleid artikel 21 (bedragen x € 1.000)
 

2022

2023

2024

2025

2026

2027

2028

Verplichtingen

55.812

63.776

81.984

103.514

87.756

79.975

65.375

        

Uitgaven

57.819

58.661

82.391

104.462

89.181

79.010

62.910

        

Uitgaven onderverdeeld per artikelonderdeel

       

4 Duurzaamheidsinstrumentarium

55

0

0

0

0

0

0

5 Duurzame productieketens

56.651

55.788

82.391

104.462

89.181

79.010

62.910

6 Natuurlijk Kapitaal

1.113

2.873

0

0

0

0

0

        

Ontvangsten

820

0

0

0

0

0

0

In onderstaande tabel is een overzicht en toelichting opgenomen op de rol en verantwoordelijkheid van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat bij Circulaire Economie. Voor een nadere toelichting op de verschillende typologieën stimuleren, regisseren, financieren en (doen) uitvoeren wordt verwezen naar de leeswijzer.

Tabel 83 Rol en verantwoordelijkheden

Rol

Toelichting

Stimuleren

Zowel producenten als consumenten moeten concrete stappen zetten naar een meer circulaire economie. Om dit te bereiken, stimuleert en financiert IenW duurzame initiatieven in de samenleving. Het Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030 (NPCE) bevat de beleidsinzet op het thema, waaronder de te nemen maatregelen.Het NPCE bevat algemene stimulerende maatregelen op het gebied van het verminderen van grondstoffen gebruik; substitutie van grondstoffen; levensduurverlenging en hoogwaardige verwerking in de productieketen.Daarnaast bevat het NPCE maatregelen voor prioritaire productketens, namelijk: consumptiegoederen; kunststoffen; bouw- en maakindustrie; biomassa; en voedsel.Ook bevat het NPCE ondersteunende maatregelen rond kennis en innovatie; onderwijs, arbeidsmarkt en gedrag, communicatie en voorlichting en ondersteuning van circulaire ondernemers via het Versnellingshuis Nederland Circulair!

Financieren

Het ministerie van IenW ondersteunt investeringen in productietechnieken die leiden tot minder milieudruk, kennis- en innovatieprojecten en faciliteert en ondersteunt daarnaast het bedrijfsleven om ketens circulair te maken. Bijvoorbeeld het stimuleren van de aanschaf van milieuvriendelijke producten of bedrijfsmiddelen door middel van financiële stimulering (MIA/VAMIL en DEI+) en Groen Beleggen.

Regisseren

Het ministerie van IenW heeft de coördinerende rol vanuit het kabinet.De minister van IenW is hierbij verantwoordelijk voor:Het borgen van circulariteit via wetgeving op nationaal, op EU- en internationaal niveau, bijvoorbeeld om de markt voor secundaire grondstoffen te vergroten, slim ontwerp van producten te stimuleren, het marktaandeel van circulaire producten te verhogen, ongewenste emissies naar water, bodem en lucht te voorkomen en bijdragen aan een verbeterde leveringszekerheid van grondstoffen.Daarnaast heeft de minister verantwoordelijkheid voor onder meer het verkrijgen van (meer) draagvlak en kennis, het monitoren van de effecten en de voortgang, en op basis hiervan het houden van overzicht en waar nodig bijsturen.

In een circulaire economie gaan we zuinig en slim om met grondstoffen en producten. We gebruiken minder grondstoffen doordat we producten langer gebruiken. Gebruikte grondstoffen zetten we weer in voor nieuwe producten. Ook kiezen we grondstoffen die steeds weer aan te vullen zijn. Voor een circulaire economie zijn ambitie, heldere regels, circulair ondernemerschap en een omslag in het denken en doen nodig. Zo houden we de aarde leefbaar, ook voor de generaties na ons.

Samenhang doelstelling en meetbare gegevens

De circulaire economie kan met verschillende strategieën worden bereikt, ook wel bekend als de R-ladder. Grofweg zijn ze onder te verdelen onder vier ’knoppen’ waar met beleid aan gedraaid kan worden:

  • 1. Vermindering van grondstoffengebruik, door af te zien van het produceren of kopen van producten, deze te delen of ze efficiënter te maken (refuse/afwijzen, reduce/verminderen, rethink/heroverwegen);

  • 2. Substitutie van grondstoffen: primaire (nog niet gebruikte) grondstoffen vervangen door secundaire (gebruikte) grondstoffen en duurzame biogrondstoffen die zo hoogwaardig mogelijk toegepast worden, of door andere, meer algemeen beschikbare grondstoffen met een lagere milieudruk (redesign/herontwerp, recycle);

  • 3. Levensduurverlenging: producten en onderdelen langer en intensiever gebruiken door hergebruik en reparatie (reuse/hergebruiken, repair/repareren, refurbish/opknappen);

  • 4. Hoogwaardige verwerking: de kringloop sluiten door recycling van materialen en grondstoffen, zodat er minder afval wordt verbrand of gestort én er meer hoogwaardig aanbod van secundaire grondstoffen ontstaat (recycle).

Deze vier knoppen zijn onder te brengen in twee specifieke doelstellingen. Dit zijn: 1. Verminderen en substitueren van grondstoffen, en 2. Verlengen van de levensduur van producten, onderdelen en materialen.

Deze specifieke doelstellingen leveren een bijdrage aan het bereiken van de algemene doelstelling van volledige circulariteit in 2050. Met een circulaire economie in 2050 hebben we de effecten van het grondstoffengebruik voor de Nederlandse productie en consumptie zodanig teruggebracht dat het binnen de planetaire grenzen en de daaruit volgende ‘veilige operationele ruimte’ voor Nederland valt. Het effect is ook dat we met het gebruik van grondstoffen in productie en consumptie geen CO2 uitstoten, geen vervuiling veroorzaken, de biodiversiteit verbeteren en de leveringszekerheid van grondstoffen verbeteren. Bovendien wordt met een circulaire economie het verdienvermogen van de Nederlandse economie versterkt.

In het Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE, Kamerstukken II 32852, nr. 225) is de Kamer geïnformeerd over de beleidsinzet en maatregelen van het kabinet. Het Nederlandse kabinet wil in 2050 een volledig circulaire economie hebben gerealiseerd en heeft het PBL gevraagd om over de voortgang te rapporteren. Het PBL doet dit met de Integrale Circulaire Economie Rapportage (ICER), die eens in de twee jaar verschijnt en in samenwerking met andere kennisinstellingen wordt gemaakt (bijlage bij Kamerstukken II 32852, nr. 225). In het gehele beleid is ingezet op een mix van stimulerende, normerende en beprijzende beleidsmaatregelen. In het NPCE is dit steeds inzichtelijk gemaakt.

De samenhang tussen de doelstellingen en de meetbare gegevens is onderstaand weergegeven. In het kader van de Pilot Informatiewaarde begroting, is voor artikel 21 een eerste aanzet van de doelenboom gemaakt. Deze doelenboom loopt vooruit op de concretisering van de nationale doelen zoals die is voor 2024 aangekondigd in het NPCE. Het is dan ook de verwachting dat in een volgende begroting een wijziging in de doelenboom wordt opgenomen.

Tabel 84 Samenhang doelstellingen en meetbare gegevens

Algemene doelstelling

Het doel van Artikel 21 is het bereiken van een circulaire economie in 2050. De waarde van grondstoffen, materialen en producten wordt zo lang mogelijk behouden, waardoor er bijna geen afval meer is.

Specifieke doelstelling 1

 

Specifieke doelstelling 2

 

Verminderen en substitueren van grondstoffen

Verlengen van de levensduur van producten, onderdelen en materialen

Subdoelstellingen

Subdoelstellingen

Subdoelstellingen

Subdoelstellingen

Vermindering van grondstoffengebruik

Substitutie van grondstoffen

Levensduurverlenging

Hoogwaardige verwerking

Meetbare gegevens

Meetbare gegevens

 

Meetbare gegevens

1. Grondstoffen voor de economie, DMI (Mton)

1. Aandeel fossiele grondstoffen (fossiele grondstoffen Mton/DMI in %)

1. Aandeel consumenten dat tweedehands consumptiegoederen koopt

1. Afvalaanbod (in Kton, werkelijke aantal, irt BBP en gerecycled afval, bron RWS)

2. Grondstoffen voor eigen gebruik, DMC (Mton)

2. Aandeel duurzame biogrondstoffen (biogrondstoffen in Mton/ DMI in %)

  

3. Grondstofvoetafdruk voor de economie, RMI (Mton)

3. Aandeel secundaire materialen, CMUR (kilo secundair/DMI in %)

  

4. Grondstofvoetafdruk voor consumptie, RMC (Mton)

   

5. Grondstoffenefficiëntie (bbp in euro/kilo DMC)

   

Specifieke doelstelling 1: Verminderen en substitueren van grondstoffen Motivering

Het verminderen van grondstoffengebruik kan bereikt worden door af te zien van het produceren of kopen van producten, deze te delen of ze efficiënter te maken (refuse/afwijzen, reduce/verminderen, rethink/heroverwegen). Daarnaast kan verminderd primair grondstoffenverbruik bereikt worden door substitutie van grondstoffen: primaire grondstoffen vervangen door secundaire grondstoffen en duurzame biogrondstoffen die zo hoogwaardig mogelijk toegepast worden, of door andere, meer algemeen beschikbare grondstoffen met een lagere milieudruk (redesign/herontwerp, recycle).

Subdoelstellingen

Voor het realiseren van de specifieke doelstelling zijn twee subdoelstellingen geformuleerd. De eerste richt zich op het verminderen van grondstoffengebruik en de tweede op substitutie van grondstoffen.

Subdoelstelling 1: Vermindering van grondstoffengebruik

De meest voor de hand liggende bijdrage aan het verminderen van grondstoffengebruik is afzien van het maken of kopen van producten. Daardoor hoeven grondstoffen immers niet te worden gewonnen of geproduceerd. Voor de hand liggend wil niet zeggen dat het eenvoudig is. Het raakt namelijk aan de belangen van bedrijven, die zoveel mogelijk producten willen verkopen, en aan de behoeften van burgers. Tot op heden stuurt de rijksoverheid niet direct op het verminderen van productie en consumptie. In Nederland is de vrije keuze van burgers immers een groot goed. Wel is er indirecte sturing op koopgedrag, bijvoorbeeld door accijns te heffen op rookwaren. Interventies die gericht zijn op minder consumeren, en die niet fiscaal van aard zijn, zitten op het vlak van bewustwording en het sturen van gedrag. Denk aan het gebruik van een deelauto (dus het afzien aan de aanschaf van een eigen auto). Dat ziet men vaak als een verlies van flexibiliteit, terwijl een product (auto) vervangen door een dienst (van a naar b rijden) juist een waardevolle invulling kan zijn van minder consumeren.

Ook het afzien van een goedkoop product met een korte levensduur en kiezen voor een kwalitatief beter product dat langer meegaat, kan een moeilijke boodschap zijn. Zeker voor mensen met een kleine portemonnee. Hetzelfde geldt voor het duurder maken van grondstoffengebruik of milieuvervuilende diensten.

De rijksoverheid kan maatregelen nemen om burgers tot minder consumeren aan te zetten, zonder producten of diensten (veel) duurder te maken. In het Nationaal Programma Circulaire Economie zijn de maatregelen opgenomen die het Rijk treft om hier stappen in te zetten. Om dit doel te bereiken wordt onder meer ingezet op een verkenning naar het beprijzen van milieuschade, een verkenning van een primaire fossiele grondstoffenheffing en, waar mogelijk en relevant, sturen op circulariteit in reeds bestaande subsidieregelingen. Tevens wordt ingezet op onderzoeken om wegwerpproducten te vervangen door herbruikbare alternatieven en plastic producten die buiten de SUP-richtlijn vallen te reduceren. Via opdrachten wordt onder meer door de uitvoeringsorganisaties RVO en RWS gewerkt aan de uitvoering, implementatie en uitwerking van de in het NPCE opgenomen maatregelen.

Subdoelstelling 2: Substitutie van grondstoffen

Substitutie draait om het vervangen van eindige grondstoffen door secundaire grondstoffen, biogrondstoffen zoals hout, vlas en suikerbieten of andere meer algemeen beschikbare primaire grondstoffen met een lagere milieudruk.

Om dit doel te bereiken wordt de komende periode ingezet op de ontwikkeling, het actief ontsluiten en het gebruik van ontwerpmethodologie, toegepaste kennis en hulpmiddelen, bijvoorbeeld via de subsidieregeling KIA-CE en het creëren van (wettelijke) incentives om ondernemers tot circulair ontwerpen aan te zetten. Tevens wordt bijvoorbeeld ingezet op een verplichting tot het gebruik van bepaalde hoeveelheden gerecycled materiaal in de Ecodesign-richtlijn en de financiering van circulaire plastics via het Nationaal Groeifonds-voorstel Circulaire plastics.

Meetbare gegevens

Het PBL rapporteert tweejaarlijks een grote bron aan meetbare gegevens in de Integrale Circulaire Economie Rapportage (ICER). Deze gegevens worden hier nog niet weergegeven. De meetbaarheid van de subdoelstellingen moet namelijk nog nader worden bepaald, in het bijzonder in relatie tot de toepaste instrumenten. Het gebruik van grondstoffen voor de economie kan gemeten worden, net als het gebruik van grondstoffen voor eigen gebruik en de grondstoffenefficiëntie. De vertaling naar de effectiviteit van beleid op het verminderen van grondstoffengebruik vergt echter nog een additionele analyse.

Omdat de nationale doelen voor de circulaire economie nog verder worden uitgewerkt (zoals opgenomen in het NPCE) is het vaststellen van een indicator voor deze subdoelstelling nog niet mogelijk. In de gedachtevorming worden bijvoorbeeld een grondstoffenvoetafdruk, grondstoffen voor de economie, grondstoffen voor eigen gebruik en grondstoffeneffigrondstoffenefficiëntie en de verhoudingen aan (bio-)grondstoffen in materiaalgebruik meegenomen als optie. Tot die tijd worden er nog geen indicatoren opgenomen voor deze specifieke doelstelling. De rijkheid van de inhoud van de ICER is terug te vinden via de publicatie zelf (bijlage bij Kamerstukken II 32852, nr. 225).

Specifieke doelstelling 2: Verlengen van de levensduur van producten, onderdelen en materialen

Motivering

Het verlengen van de levensduur van producten, onderdelen en materialen kan bereikt worden door: producten en onderdelen langer en intensiever gebruiken door hergebruik en reparatie (reuse/hergebruiken, repair/repareren, refurbish/opknappen). Daarnaast kan het bereikt worden door hoogwaardige verwerking: de kringloop sluiten door recycling van materialen en grondstoffen, zodat er minder afval wordt verbrand of gestort én er meer hoogwaardig aanbod van secundaire grondstoffen ontstaat (recycle).

Subdoelstellingen

Voor het realiseren van deze specifieke doelstelling zijn twee subdoelstellingen geformuleerd. De eerste richt zich op levensduurverlenging en de tweede op hoogwaardige verwerking.

Subdoelstelling 1: Levensduurverlenging

Het circulair ontwerp en de repareerbaarheid van producten beïnvloeden de levensduur ervan. In 2030 moet circulair ontwerpen de gangbare praktijk zijn voor de industrie in Nederland.

Om ervoor te zorgen dat we producten langer gebruiken, voorziet het huidige beleid bijvoorbeeld in subsidie aan netwerken die zorgdragen voor levensduurverlening, zoals circulaire ambachtscentra en repaircafés. Een circulair ambachtscentrum is een locatie of netwerk waarin partijen zoals milieustraten, kringloopwinkels, reparatiespecialisten, onderwijs en het sociale domein samenwerken aan het verminderen van afvalstromen en het realiseren van hoogwaardig product- en materiaalhergebruik. Tevens wordt bijvoorbeeld ingezet op het opzetten van een nationaal reparateursregister, starten er pilots voor nieuwe businessmodellen en verkoop van tweedehands, gerepareerde en opgeknapte producten en worden publiekscampagnes opgezet voor tweedehandskleding.

Subdoelstelling 2: Hoogwaardige verwerking

Als een product of materiaal wordt weggegooid of afgedankt, hebben we het over afval. De eigenaar wil ervan af. Ook in een circulaire economie, waarin we producten en materialen zo lang mogelijk gebruiken, zal er nog sprake zijn van afval: er zijn altijd producten en materialen die voor de gebruiker geen nut meer hebben en waar hij vanaf wil. In een goed werkende circulaire economie kan dat afval steeds vaker opnieuw worden gebruikt; het wordt in de economie gehouden. We proberen producten zo lang mogelijk in de oorspronkelijke staat en voor hetzelfde doel te gebruiken. Als dat echt niet meer kan, verwerken we de materialen zo goed mogelijk, zodat ze toch weer in een andere hoedanigheid gebruikt kunnen worden. Alleen wanneer recycling vanwege technische of economische redenen niet meer tot de mogelijkheden behoort, zullen we afval verbranden of storten. Dat doen we ook met materialen die vanwege de milieu-impact of vanwege de impact op de volksgezondheid niet geschikt zijn om in te zetten om andere materialen te maken. Hergebruik van materialen met bescherming van mens en milieu staat bij het afvalstoffenbeheer voorop.

Om de kwaliteit van gescheiden afvalstromen te verbeteren, stellen we uniforme lijsten op voor wat wel en niet in gescheiden afvalstromen terecht mag komen. Daarna zorgen we ervoor dat alle gemeenten en afvalinzamelaars deze lijsten hanteren in hun communicatie met inwoners bedrijven, scholen, maatschappelijke organisaties en instellingen. Om ervoor te zorgen dat meer grondstoffen in de keten blijven voor recycling en niet worden verbrand of als zwerfvuil in het milieu komen, maken we gebruik van het instrument uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV). Met de UPV maken we per productgroep producenten verantwoordelijk voor (de kosten van) het inzamelen en recyclen van gebruikte producten. Via opdrachten wordt onder meer door de uitvoeringsorganisaties RVO en RWS gewerkt aan de uitvoering, implementatie en uitwerking van in het NPCE opgenomen maatregelen, zoals de bijdrage aan RWS voor de werkzaamheden aan het LAP en de UPV’s. Tevens wordt er ingezet op een stimuleringsprogramma ter ontwikkeling en opschaling van recycling.

Meetbare gegevens

Het PBL rapporteert tweejaarlijks een grote bron aan meetbare gegevens in de Integrale Circulaire Economie Rapportage (ICER). De rijkheid van de inhoud van de ICER is terug te vinden via de publicatie zelf (bijlage bij Kamerstukken II 32852, nr. 225). Deze gegevens worden hier nog niet weergegeven. De meetbaarheid van de subdoelstellingen moet namelijk nog nader worden bepaald, in het bijzonder in relatie tot de toepaste instrumenten. Het gebruik van grondstoffen voor de economie kan gemeten worden, net als het gebruik van grondstoffen voor eigen gebruik en de grondstoffenefficiëntie. De vertaling naar de effectiviteit van beleid op het verminderen van grondstoffengebruik vergt echter nog een additionele analyse.

Omdat de nationale doelen voor de circulaire economie nog verder worden uitgewerkt (zoals opgenomen in het NPCE) is het vaststellen van een indicator voor deze subdoelstelling nog niet mogelijk. In de gedachtevorming wordt bijvoorbeeld het percentage dat consumenten besteden aan tweedehandsgoederen meegenomen als optie. Tot die tijd wordt gebruik gemaakt van de afvalindicator.

Figuur 8 Werkelijk afvalaanbod (in Kton) en afvalaanbod indien het de ontwikkeling van het BBP zou hebben gevolgd

Bron: RWS - WVL

Toelichting

In het bovenstaand figuur is de vergelijking tussen de ontwikkeling van het totaal aan afval en die van het Bruto Binnenlands Product (BBP) weergegeven. Het verschil tussen de bovenste  twee lijnen is een indicator voor de bereikte reductie. In dit figuur is de hoeveelheid afval in 2010 het startpunt.

Bij de lijn voor het BBP is uitgegaan van de jaarlijkse procentuele veranderingen van het BBP gekoppeld aan de startsituatie. Als de afvalproductie was toegenomen met de groei in het BBP, dan was de (fictieve)hoeveelheid afval in 2020 bijna 67 miljoen ton. De werkelijke hoeveelheid afval is ongeveer 60 miljoen ton. In de figuur is tevens de hoeveelheid gerecycled afval meegenomen.

Nationaal Programma Circulaire Economie

Met het Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE) (Kamerstukken II 32852, nr. 225) zet het kabinet een volgende belangrijke stap in de transitie naar een circulaire economie. Nederland legde in 2016 als een van de eerste landen ter wereld zijn ambitie voor een circulaire economie vast in beleid, met het Rijksbrede programma ‘Nederland Circulair in 2050’. Dit programma was agenderend; het beschreef de stip op de horizon en creëerde bewustwording in de samenleving. Dat daardoor het draagvlak voor een circulaire economie toenam, bleek onder meer uit de ondertekening van het Grondstoffenakkoord (onderschreven door ruim vierhonderd partijen).

Het Uitvoeringsprogramma Circulaire Economie 2019-2023 vertaalde deze transitieagenda’s naar concrete acties en projecten tot 2023. Met het Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030 (NPCE) bouwen we voort op de goede basis die al gelegd is. Zoals in het NPCE aangekondigd presenteert het kabinet in 2024 een voorstel voor nationale doelen voor circulaire economie voor 2030, zoals het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) ook adviseert in de Integrale Circulaire Economie Rapportage (ICER 2023).

Bovendien verkent het kabinet de wenselijkheid van een nationaal en Europees broeikasgasvoetafdrukdoel. Hiermee kan het sturen op internationale ketens verdere invulling krijgen binnen het klimaatbeleid.

IBO Klimaat

In maart 2023 is het IBO Klimaat aan de Kamer aangeboden door de minister voor Klimaat met als titel «Scherpe doelen,scherpe keuzes; IBO aanvullend normerend en beprijzend nationaal klimaatbeleid voor 2030 en 2050». In het voorjaar 2023 zijn ook circulaire maatregelen aangekondigd als onderdeel van het Meerjarenprogramma Klimaat (Kamerstuk II, 32813, nr. 1230), zoals de ondersteuning van o.a. ketenvorming en recyclingtechnieken voor circulaire plastics ketens en de verduurzaming van AVI’s.

Als onderdeel hiervan wordt, vooruitlopend op EU-wetgeving, per 2027 een nationale verplichting voor plasticproducenten ingevoerd om de toepassing van gerecycled plastic of biogebaseerd plastic te stimuleren (draagt bij aan het tweede subdoel substitutie). Het voornemen is om de verplichting te laten oplopen naar 25%-30% plastic recyclaat of biogebaseerd plastic in 2030. Deze verplichting is van toepassing op alle plastics die in Nederland en voor de Nederlandse markt worden geproduceerd. Export is dus uitgezonderd. Het kabinet is voornemens vanuit het Klimaatfonds bedrijven te ondersteunen bij deze transitie naar een circulaire plasticketen. Daarnaast wordt bij de AVI’s nog veel kunststof verbrand dat ook gerecycled kan worden, waarmee bruikbare grondstoffen verloren gaan en broeikasgassen onnodig worden uitgestoten. Het kabinet zet daarom in op meer kunststofsortering, verdere beprijzing van afvalverbranding en toepassing van negatieve emissies (CCS) waar wenselijk (dit draagt bij aan het vierde subdoel: hoogwaardige verwerking).

Om het totale reductiepotentieel van het huidige Nederlandse circulaire beleid te bepalen, breder dan alleen de effecten op klimaatverandering, zouden alle maatregelen uit het NPCE moeten worden doorgerekend. Een doorrekening vergt echter allereerst verdere concretisering van de huidige maatregelen in het NPCE. Nog in 2023 wordt een eerste pakket aan maatregelen doorgerekend.

EU-actieplan CE

Europees spitst de inzet voor CE zich toe op de voorstellen die volgen uit het EU-actieplan CE. Het gaat onder meer om de herziening van de Verpakkingenrichtlijn en het voorstel voor de Ecodesign voor duurzame producten verordening, die in 2024 worden afgerond. Voor Nederland zijn dit belangrijke instrumenten. Nederland zet zich bij beide in voor een ambitieuze uitkomst. De focus ligt hierbij op het verplichten van het gebruik van recyclaat, het bevorderen van herbruikbare verpakkingen, hoogwaardige recycling van verpakkingen en het verbeteren van de repareerbaarheid en het verlengen van de levensduur van producten.

Kaderrichtlijn afvalstoffen

2024 is een belangrijk jaar voor het realiseren van één van de doelen uit de Kaderrichtlijn afvalstoffen. Deze doelen hebben in het NPCE hun plek gevonden binnen de hoogwaardige verwerking (subdoel 4). De Kaderrichtlijn afvalstoffen stelt dat per 2025 55% van het stedelijk afval gerecycled moet zijn. Deze doelstellingen lopen op naar 60% in 2030 en 65% in 2035. In 2024 zullen we door de continuering van de uitvoering van het VANG-programma en een verkenning van de (on-)mogelijkheden voor een landelijke standaardisering van afvalinzameling werken aan het behalen van deze doelstelling.

Tabel 85 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 21 (bedragen x € 1.000)
 

2022

2023

2024

2025

2026

2027

2028

Verplichtingen

55.812

63.776

81.984

103.514

87.756

79.975

65.375

        

Uitgaven

57.819

58.661

82.391

104.462

89.181

79.010

62.910

        

4 Duurzaamheidsinstrumentatium

55

0

0

0

0

0

0

Opdrachten

55

0

0

0

0

0

0

        

5 Duurzame productieketens

56.651

55.788

82.391

104.462

89.181

79.010

62.910

Opdrachten

14.251

20.020

36.167

51.991

37.000

25.052

22.752

Uitvoering duurzame productieketens

8.220

11.736

11.726

14.775

7.022

6.999

7.049

RWS

4.819

6.149

6.148

6.148

5.279

5.279

5.279

RVO

1.019

1.154

1.172

1.172

1.172

1.172

1.172

KF: Plastics norm

0

525

13.070

24.945

18.175

6.250

3.000

KF: Circulair doen en gedrag

0

0

2.200

3.300

5.100

5.100

6.000

KF: Biobased bouwen

0

0

1.600

1.400

0

0

0

Overige opdrachten

193

456

251

251

252

252

252

Subsidies

19.639

9.955

20.865

28.642

29.726

31.303

17.803

Subsidies duurzame productieketens

19.639

9.955

18.865

20.650

15.226

15.803

7.703

KF: DEI+CE

0

0

2.000

7.992

14.500

15.500

10.100

Bijdragen aan agentschappen

20.920

24.487

23.847

21.947

21.947

22.147

21.847

Waarvan bijdragen aan RWS

10.448

11.662

10.773

10.773

10.773

10.773

10.773

Waarvan bijdragen aan RVO

9.214

11.400

11.905

10.005

10.005

10.205

9.905

Waarvan bijdragen aan RIVM

1.258

1.425

1.169

1.169

1.169

1.169

1.169

Bijdragen aan medeoverheden

1.210

800

1.005

1.375

0

0

0

Waarvan bijdragen aan Caribisch Nederland

350

800

1.005

1.375

0

0

0

Overige bijdragen aan medeoverheden

860

0

0

0

0

0

0

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

156

50

50

50

50

50

50

Bijdragen aan ZBO's en RWT's

475

476

457

457

458

458

458

        

6. Natuurlijk kapitaal

1.113

2.873

0

0

0

0

0

Opdrachten

636

2.233

0

0

0

0

0

Bijdragen aan agentschappen

477

640

0

0

0

0

0

        

Ontvangsten

820

0

0

0

0

0

0

Onderstaand is per artikelonderdeel, zoals opgenomen in de budgettaire tabel, voor het jaar 2024 een toelichting gegeven waarvoor de financiële instrumenten worden ingezet en wie de middelen ontvangt. Met ingang van onderhevige begroting zijn artikelonderdelen 4. Duurzaamheidsinstrumentarium en 6. Natuurlijk Kapitaal samengevoegd met 5. Duurzame productieketens. Met deze samenvoeging wordt invulling gegeven aan een betere koppeling tussen budgetten, instrumenten en doelen.

5. Duurzame productieketens (€ 63,7 miljoen)

De volgende financiële instrumenten worden ingezet:

  • 1. Opdrachten (€ 23,1 miljoen)

    • Uitvoering Duurzame Productieketens (€ 11,7 miljoen) Jaarlijks verstrekt IenW een brede opdracht aan het Nederlands Normalisatie Instituut (NNI) op verschillende beleidsterreinen, waaronder klimaatadaptatie, water en bodem, circulaire economie, luchtkwaliteit en de publicatiereeks gevaarlijke stoffen. Voor 2024 gaat het om € 3,0 miljoen. Verder wordt er jaarlijks een opdracht verstrekt aan PBL voor de monitoring rondom CE van € 2,0 miljoen. Daarnaast betreft het opdrachten voor de uitvoering van maatregelen uit het Klimaatakkoord omtrent circulair inkopen, ketenaanpak en recycling van plastic en textiel (€ 5,0 miljoen). Het restant van € 1,7 miljoen wordt ingezet voor meerdere kleinere opdrachten.

    • RWS en RVO (€ 7,3 miljoen). Dit betreft onder meer € 6,1 miljoen aan opdrachten voor RWS. Het gaat hier hoofdzakelijk om jaaropdrachten in het kader van de circulaire economie en beleidsondersteuning en advies (BOA). Daarnaast gaat het om € 1,2 miljoen aan opdrachten ter ondersteuning van de circulaire economie bij RVO.

    • KF: Plastics norm (€ 13,1 miljoen) Dit betreft een overboeking vanuit het Klimaatfonds voor ondersteuningsprojecten van de Nederlandse Rubber– en Kunststofindustrie (NRK) en de Programmalijn design voor recyclen en gemeenschappelijk onderzoek. Dit is inclusief de handhavings- en uitvoeringskosten (€ 1,2 miljoen) voor de plastics norm. Hiervoor ontvangt IenW in totaal € 13,1 miljoen in 2024 en cumulatief € 73,5 miljoen cumulatief in de periode 2024 ‒ 2030.

    • KF: Circulair doen en gedrag (€ 2,2 miljoen) Dit betreft de middelen die vanuit het Klimaatfonds beschikbaar zijn gesteld voor het Bevorderen circulair doen en gedrag staan op het opdrachtenbudget gereserveerd. Het betreft een bedrag van 2,2 miljoen in 2024 en cumulatief 33,7 miljoen in de periode 2024 ‒ 2030.

    • KF: Biobased bouwen (€ 1,6 miljoen) Dit betreft een overboeking vanuit het Klimaatfonds voor de aanscherping en bredere toepassing van de milieuprestatie-eis aan gebouwen. IenW ontvangst cumulatief 3,0 miljoen in de periode 2024 ‒ 2025 voor onderzoek naar biobased bouwen in de grond, weg, en water (GWW) bouwsector.

    • Overige opdrachten (€ 0,3 miljoen) Jaarlijks worden er opdrachten uitgegeven aan het RIVM voor beleidsondersteuning. Voor 2024 gaat het om € 0,3 miljoen.

  • 8. Subsidies (€ 34,8 miljoen).

    • Subsidies duurzame productieketen (€ 20,9 miljoen) De RVO voert namens IenW de volgende subsidieregelingen uit:

      • Circulaire ketenprojecten (€ 7,0 miljoen).

      • Demonstratie Energie- en Klimaatinnovatie Circulaire Economie (€ 1,0 miljoen)

      • Kennis en innovatie Agenda - Circulaire Economie (€ 0,8 miljoen)

      • Ontwikkeling en opschaling recycling (€ 8,4 miljoen)

      • Het resterende budget van € 1,6 miljoen wordt besteed aan diverse, kleinere subsidies.

    • KF: DEI+CE (€ 2,0 miljoen) Dit betreft een overboeking vanuit het Klimaatfonds aan IenW voor de continuering van de regeling Demonstratie Energie- en Klimaatinnovatie (DEI+) Circulaire Economie, als onderdeel van het meerjarenprogramma Klimaat 2024. De regeling DEI+ Circulaire economie draagt bij aan en is bedoeld voor het innovatieproject voor de recycling van afval, hergebruik van producten en pilots voor biobased grondstoffen, die tegelijkertijd bijdragen aan CO2 reductie. Hiervoor ontvangt IenW € 2,0 miljoen in 2024 en cumulatief € 55,2 miljoen in de periode 2024 ‒ 2030.

  • 16. Bijdragen aan agentschappen (€ 21,8 miljoen). Dit betreft de bijdragen aan RWS (€ 10,8 miljoen), RIVM (€ 1,2 miljoen) en RVO (€ 9,9 miljoen) voor werkzaamheden om de transitie naar een Circulaire Economie (CE) te bewerkstelligen. De bijdrage aan RWS betreft onder andere CE in de regio en in de bouw, maar ook de uitvoering van het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen (LMA), waar IenW – ook namens gemeenten en provincies – de opdracht voor verleent.

  • 17. Bijdragen aan medeoverheden (€ 1,0 miljoen). Dit betreft de bijdrage aan Caribisch Nederland voor de ontwikkeling van het afvalbeheer op Bonaire.

  • 18. Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties (€ 0,05 miljoen) Dit betreft de bijdrage aan de Organisation for Economic Co-operation and Development (OECD) voor de EPIC surveys, welke als doel hebben het vergroenen van huishoudelijk gedrag. 

  • 19. Bijdragen aan ZBO's/RWT's (€ 0,5 miljoen). Dit betreft de bijdrage aan de Stichting Milieukeur (SMK) (€ 0,3 miljoen) voor het uitvoeren van de wettelijke taken ten behoeve van het Ecolabel. Daarnaast wordt een bijdrage verstrekt aan de Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO) (€ 0,2 miljoen) voor het uitvoeren van de overgedragen taken en werkzaamheden.

Wettelijke grondslag subsidieverlening

Op grond van de Algemene wet bestuursrecht geldt dat in het algemeen subsidie wordt verleend op grond van een wettelijk voorschrift. Uit de Algemene wet bestuursrecht volgt dat één van de uitzonderingen hierop subsidies vormen waarvan zowel de subsidieontvanger als het maximale bedrag in de begroting worden vermeld.

In de tabel budgettaire gevolgen van beleid bij dit beleidsartikel is in de regel <Verplichtingen> dergelijke subsidieverplichtingen voor het jaar 2024 opgenomen. Voor de subsidieverplichtingen die specifiek in onderstaande tabel worden vermeld geldt dat deze begrotingsvermelding de wettelijke grondslag vormt zoals bedoeld in artikel 4.23, derde lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht.

Tabel 86 Wettelijke grondslagen subsidieverleningen Art. 21

Maximum bedrag

Ontvanger

Toelichting

Artikelonderdeel

€ 30.000,-

Stichting Springtij Nederland

Voor de organisatie van het Springtij Forum 2024 en daaraan gerelateerde projecten aan Stichting Springtij Nederland.

21.05 Duurzame productieketens

€ 30.000,-

Stichting Dutch Sustainable Fashion Week (DSFW) Foundation

Voor (het optimaliseren van) de informatieverstrekking aan consumenten over de beschikbaarheid en ontwikkelingen op het gebied van duurzame mode aan aan Stichting Dutch Sustainable Fashion Week (DSFW) Foundation.

21.05 Duurzame productieketens

€ 500.000,-

Stichting Het Groene Brein

Voor het Versnellingshuis Nederland Circulair! in samenwerking met Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO) Nederland. Ook in 2025 zal hiervoor een subsidie van maximaal € 0,5 miljoen worden verstrekt.

21.05 Duurzame productieketens

€ 1.600.000,-

Stichting Milieu Centraal

Voor het uitvoeren van de basisactiviteiten gericht op de kerntaak van consumentenvoorlichting en het zijn van een onafhankelijke vraagbaak voor consumenten en media op verschillende duurzaamheidsthema’s, zoals milieukeurmerken, plaagdierbestrijding, minder afval, microplastics, duurzaam vervoer aan Stichting Milieu Centraal. Milieu Centraal dient hiervoor een gefundeerde kennisbasis op te bouwen, deze te ontsluiten en te onderhouden. Ook in 2025 zal hier voor een subsidie van maximaal € 1,6 miljoen worden verstrekt.

21.05 Duurzame productieketens

€ 1.200.000,-

Stichting Milieu Centraal

Voor nadere focusactiviteiten gericht op consumentenvoorlichting, zoals project- en/of campagnematige activiteiten gefocust op een beperkt aantal duurzaamheidsthema’s zoals de week zonder afval, duurzaam schoonmaken, elektrisch vervoer, asbestdaken en andere toepassingen.

21.05 Duurzame productieketens

€ 67.000,-

Stichting Repair Café

Voor de ondersteuning van een betere infrastructuur voor repair.

21.05 Duurzame productieketens

In onderstaande tabel is van het totaal van de geraamde programma uitgaven inzicht gegeven in het geschatte aandeel juridisch verplicht, bestuurlijk gebonden, beleidsmatig gereser­veerd en nog niet ingevuld/vrij te besteden. In lijn met de Regeling rijksbegrotingsvoorschriften is voor de juridisch verplichte uitgaven op het niveau van een Financieel Instrument als geheel van het totale artikel een kwalitatieve toelichting opgenomen.

Tabel 87 Geschatte budgetflexibiliteit artikel 21
 

2024

juridisch verplicht

45%

bestuurlijk gebonden

54%

beleidsmatig gereserveerd

1%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0%

Toelichting

Van de totale in 2024 beschikbare programma uitgaven (€ 63,7 miljoen) is 54% juridisch verplicht. Per financieel instrument wordt dit onderstaand toegelicht.

  • 1. Opdrachten. Van het opdrachtenbudget is circa 24% juridisch verplicht op grond van (meerjarige) verplichtingen. Het gaat hierbij onder meer om de jaaropdrachten aan RWS, RIVM en RVO in het kader van circulaire economie. Daarnaast betreft het opdrachten aan Rebelgroup economics en transactions, Schuttelaar & partners en Berenschot Groep B.v. omtrent het Plastic Pact en een aantal kleinere opdrachten.

  • 2. Subsidies. Het subsidiebudget is op grond van de subsidieregelingen DEI+CE (2025), KIA CE (2025) en de begrotingssubsidies voor Milieu Centraal (2025) voor 14% juridisch verplicht. Voor het volledige subsidieoverzicht wordt verwezen naar bijlage 5 in deze begroting. De subsidies hebben een tijdshorizon.

  • 3. Bijdragen aan agentschappen. De uitgaven voor de agentschapsbijdragen RWS, RIVM en RVO zijn volledig (100%) juridisch verplicht en hebben een structureel karakter. De bijdrage aan RWS heeft betrekking op beleidsondersteuning en advies (BOA). RWS reserveert capaciteit voor het uitvoeren van studies of het leveren van bijdragen daaraan, adviezen met betrekking tot beleidsnota’s en de uitvoerbaarheid van beleid. Met de bijdrage aan RVO worden werkzaamheden bekostigd om de transitie naar een Circulaire Economie (CE) te bewerkstelligen en uitvoering te geven aan lopende subsidieregelingen. De agentschapsbijdrage aan RIVM betreft beleidsondersteuning bij onderzoeken omtrent microplastics, Grondstoffen Informatie Systeem (GRIS) en bijvoorbeeld maatschappelijk verantwoord inkopen.

  • 4. Bijdragen aan medeoverheden. Het beschikbare budget voor bijdragen aan medeoverheden is volledig (100%) juridisch verplicht en heeft betrekking op een bijdrage aan Caribisch Nederland voor de wederopbouw van Saba en Sint-Eustatius en verbetering van het afvalbeheer op Bonaire en Sint-Eustatius.

  • 5. Bijdragen aan ZBO's/RWT's. Het beschikbare budget is volledig (100%) juridisch verplicht. Het betreft middelen voor de bijdragen aan stichting Milieukeur (SMK) voor het uitvoeren van de wettelijke taken ten behoeve van het Ecolabel en de bijdrage aan de Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO) voor het uitvoeren van de overgedragen taken en werkzaamheden.

Fiscale Regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. In onderstaande tabel is het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage ‘Fiscale regelingen’ in de Miljoenennota. Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en een programmering van evaluaties voor toekomstige jaren wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota ‘Toelichting op de fiscale regelingen’.

Tabel 88 Fiscale regelingen budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen artikel 21 (x € miljoen)
 

2022

2023

2024

Vrijstelling groen beleggen box 3

55

25

33

Heffingskorting groen beleggen

37

40

44

Milieu-investeringsaftrek (MIA)

206

1921

192

VAMIL

23

251

25

1

Dit betreffen de voorlopige cijfers voor deze regelingen. Voor de definitieve cijfers wordt verwezen naar bijlage 9 in de Miljoenennota 2023.

Licence