Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

3.9 Artikel 21 Duurzaamheid

Artikel 21 betreft met name circulaire economie en het beleid ten aanzien van emissies uit stallen en het verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving rondom stallen.

Circulaire economie

Bevorderen van de circulaire economie met als doelen het behouden van natuurlijke hulpbronnen, zicht op de economische keten en op het gebruik van hulpbronnen, het verbeteren van de voorzieningszekerheid van grondstoffen, het verminderen van emissies en het versterken van de Nederlandse economie. Daarmee levert de circulaire economie een belangrijke bijdrage aan vier maatschappelijke opgaven: klimaatverandering, vervuiling, biodiversiteitsverlies en leveringsrisico’s van grondstoffen.

Stallen

Verminderen van emissies uit stallen en verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving rondom stallen.

Tabel 72 Samenvatting budgettaire gevolgen van beleid art. 21 per subthema (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

37.705

54.326

74.209

71.657

71.620

54.953

55.320

        

Uitgaven

47.166

64.047

71.886

69.912

69.830

52.878

52.855

        

Uitgaven onderverdeeld per subthema

       

4 Duurzaamheidsinstrumentarium

114

857

859

859

859

862

862

5 Duurzame productieketens

46.307

59.496

65.111

62.638

62.555

45.687

45.664

6 Natuurlijk Kapitaal

745

3.694

5.916

6.415

6.416

6.329

6.329

        

Ontvangsten

1.411

27

0

0

0

0

0

Regisseren

Circulaire economie

De transitie naar een circulaire economie maakt een groot onderdeel uit van de duurzaamheidsvraagstukken waar we voor staan. Duurzaamheid moet expliciet onderdeel uit gaan maken van afwegingen en besluiten van organisaties en individuen in Nederland. Om dit te bereiken worden belemmeringen weggenomen, instrumenten ontwikkeld en samenwerkingsverbanden georganiseerd met (mede)overheden, bedrijven, kennisinstellingen en maatschappelijke partners. De Minister van IenW is hierbij verantwoordelijk voor:

  • De coördinatie van de transitie naar een circulaire economie9 die bijdraagt aan vier maatschappelijke opgaven: klimaatverandering, vervuiling, biodiversiteitsverlies en leveringsrisico’s van grondstoffen. Bovendien wordt met een circulaire economie het verdienvermogen van de Nederlandse economie versterkt;

  • Het borgen van verduurzaming via wetgeving op nationaal, op EU- en internationaal niveau, bijvoorbeeld om de markt voor secundaire grondstoffen te vergroten, slim ontwerp van producten te stimuleren, het marktaandeel van circulaire producten te verhogen, ongewenste emissies te voorkomen, de kwaliteit van de leefomgeving in verdichte gebieden te verbeteren;

  • Het verder realiseren van hoogwaardige afvalverwerking met behulp van de minimumstandaarden in het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP);

  • Het coördineren en beïnvloeden van beleid in Europees en in mondiaal verband om het internationale level playing field voor duurzaamheid te versterken;

  • Het toepassen van slimme marktprikkels door het beprijzen van milieuschade;

  • Het faciliteren van circulair inkopen door overheden en invulling geven aan het interdepartementale plan van aanpak Maatschappelijk Verantwoord Inkopen overheden 2021-2025.

Stallen

Emissies van ammoniak, fijnstof en geur uit stallen hebben negatieve gevolgen voor milieu, gezondheid en kwaliteit van de leefomgeving. Ammoniak heeft daarnaast negatieve gevolgen voor de natuur. Het is daarom van belang emissies van ammoniak, fijnstof en geur uit stallen te verminderen. De minister van IenW is hierbij verantwoordelijk voor:

  • Regelgeving op het gebied van emissies van ammoniak, fijnstof en geur uit stallen.

  • Het mogelijk maken van het beoordelen van (nieuwe) stalsystemen in het kader van deze regelgeving.

Stimuleren

Zowel producenten als consumenten moeten concrete stappen kunnen zetten naar een meer circulaire economie. Om dit te bereiken steunt IenW duurzame initiatieven in de samenleving. Daarom stimuleert de Minister in samenwerking met andere ministers:

  • De verduurzaming van productketens waarbij de gehele productieketen van belang is; aan de voorkant bij de winning en het gebruik van (primaire) grondstoffen, bij het ontwerp van producten, tijdens de gebruiksfase gericht op langer gebruik en aan de achterkant gericht op hergebruik en hoogwaardige recycling. Hiertoe worden partijen gefaciliteerd via bijvoorbeeld het Versnellingshuis, Green Deals, subsidieregelingen en ketenprojecten;

  • Investeringen in productietechnieken met minder milieudruk. Bijvoorbeeld door het stimuleren van de aanschaf van milieuvriendelijke producten of bedrijfsmiddelen door middel van financiële stimulering (MIA/VAMIL en DEI+) en Groen Beleggen;

  • Maatschappelijk Verantwoord Inkopen (MVI) door het Rijk en het verantwoord inkopen bij decentrale overheden, met speciale aandacht voor klimaatneutraal en circulair inkopen, zoals uitgewerkt in het door IenW gecoördineerde interdepartementale actieplan MVI 2021-2025.

Indicatoren en Kengetallen

Monitoring

Als onderdeel van het Uitvoeringsprogramma Circulaire Economie voert het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) de regie over het monitoringsprogramma Circulaire Economie. Het monitoringsprogramma wordt in samenwerking met verschillende kennisinstellingen uitgevoerd. Eén keer in de twee jaar levert PBL in dat verband een Integrale Circulaire Economie Rapportage (ICER) op. Het andere jaar levert PBL een voortgangsrapportage op. Begin 2023 publiceert het PBL de tweede ICER. Sinds 2017 wordt jaarlijks in mei gerapporteerd over de stand van zaken met betrekking tot de duurzame ontwikkeling in Nederland, waaronder circulaire economie en kwaliteit van de leefomgeving, het meest recent in de Monitor Brede Welvaart en SDG's 2022 en de Zesde Nationale SDG rapportage ‘Nederland Ontwikkelt Duurzaam’. Naast deze reeks is in maart 2022 de publicatie ‘Circulaire economie en de Sustainable Development Goals‘10 van het CBS verschenen.

Doelentraject en uitbreiding indicatoren

Het ministerie van IenW werkt in een doelentraject samen met de andere betrokken departementen en transitieteams aan de concretisering van de circulaire economiedoelen voor 2030 en 2050. De uitwerking van het traject vormt een belangrijke basis voor het Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030 (NCPE) dat in het najaar van 2022 verschijnt. Aangezien het nieuwe programma zeer bepalend is voor de richting van CE-beleid voor de komende jaren zal pas na publicatie een integrale afweging gemaakt worden van de doelstellingen en aanverwante indicatoren. Tot die tijd wordt gebruik gemaakt van de afvalindicator.

Afvalindicator

Figuur 6 Werkelijk afvalaanbod (in Kton) en afvalaanbod indien het de ontwikkeling van het BBP zou hebben gevolgd

Toelichting

In bovenstaand figuur is de vergelijking tussen de ontwikkeling van het totaal aan afval en die van het Bruto Binnenlands Product (BBP) weergegeven. Het verschil tussen beide lijnen is een indicator voor de bereikte reductie. In deze figuur is de hoeveelheid afval in 2010 het startpunt. Bij de lijn voor het BBP is uitgegaan van de jaarlijkse procentuele veranderingen van het BBP gekoppeld aan de startsituatie. Als de afvalproductie was toegenomen met de groei in het BBP, dan was de (fictieve)hoeveelheid afval in 2018 bijna 80 miljoen ton. De werkelijke hoeveelheid afval is ongeveer 60 miljoen ton.

Circulaire economie

Het Rijksbrede programma Circulaire Economie geeft richting aan alle inspanningen die IenW, de andere betrokken departementen, medeoverheden en maatschappelijke partners doen om de transitie naar een circulaire economie te versnellen. De uitwerking van de geconcretiseerde doelen voor 2030 en 2050 vormt een belangrijke basis van het Nationaal Programma Circulaire Economie dat in het najaar van 2022 verschijnt. Onderdeel hiervan is het ambitieuze klimaatdoel dat IenW in gezamenlijkheid met EZK voor CE uitwerkt. Drie maatregelen uit het Coalitieakkoord zullen in 2023 hiertoe worden uitgevoerd, namelijk de subsidieregeling voor grote ketenprojecten, een nieuwe subsidieregeling voor ontwikkeling en opschaling van recycling en een verplicht percentage recyclaat in de bouw in gezamenlijkheid met de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ontwikkeling. Daarnaast werkt IenW In het kader van het ambitieuze klimaatdoel CE aanvullende circulaire maatregelen uit. Mede op basis van de Klimaat- en Energieverkenning (KEV) zal naar verwachting besloten worden welke aanvullende maatregelen nodig zijn om de aangescherpte klimaatdoelen te realiseren, waaronder welke circulaire beleidsmaatregelen, met de bijbehorende middelen, planning en volgtijdelijkheid.

Op Europees niveau spitst de inzet voor CE zich toe op de voorstellen die volgen uit het EU-actieplan CE. In 2023 worden de besprekingen tussen de Europese Commissie, de Europese Raad en het Europees Parliament van deze voorstellen voortgezet. Deze wetgeving en beleidsinitiatieven sluiten aan bij het beleid dat het kabinet voert ten aanzien van een circulaire economie om de circulaire principes beter te integreren in het economische systeem. De focus ligt hierbij op het verplichten van het gebruik van recyclaat, repareerbaarheid, levensduurverlenging van producten en op voorstellen voor prioritaire productgroepen als textiel, elektronica, baterijen, verpakkingen, auto’s en kunststof.

Nederland wil de aanwezigheid van kleine plastic flesjes en blikjes in zwerfafval voorkomen. Daarom is besloten om in navolging van de kleine plastic flesjes per 31 december 2022 ook statiegeld in te voeren voor blikjes (Kamerstukken II 2020-2021 28 694, nr.143). Voorts zijn recyclingdoelstellingen voor drankenkartons vastgesteld die per 2023 van kracht zijn (Kamerstukken 2021-2022, 32852, nr.203). Hiermee wordt een verdere stap gezet naar een circulaire verpakkingsketen.

Ter verdere implementatie van de Single Use Plastics Richtlijn (SUP-richtlijn) wordt op 1 januari 2023 de Regeling kunststofproducten voor eenmalig gebruik van kracht (Kamerstukken 2021-2022, 50452, nr.8376). Voor een aantal wegwerpplastics treedt in dit kader per 5 januari 2023 stapsgewijs een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid in werking, waarmee producenten moeten meebetalen aan de opruimkosten voor zwerfafval die door overheden worden gemaakt. Per juli 2023 wordt het gratis verstrekken van plastic wegwerpbekers en maaltijdverpakkingen verboden (Kamerstukken 2021-2022, 30872, nr.274). Ook wordt hergebruik gestimuleerd doordat ondernemers herbruikbare alternatieven moeten aanbieden. Voor de verdere ondersteuning van gemeenten bij het scheiden van huishoudelijk afval is het Uitvoeringsprogramma VANG 2021-2025 gepubliceerd (Kamerstukken 2021-2022, 32852, nr.184). De focus op de kwaliteit van het afval scheiden zal in 2023 worden voortgezet.

Het beleidsprogramma circulair textiel dat op 14 april 2020 naar de Tweede Kamer is gestuurd bevat het meerjarig beleid om de textielketen sluitend te maken (Kamerstukken II 2019-2020, 32852, nr.116). In het programma zijn doelen gesteld om toe te werken naar een halvering van de ecologische voetafdruk van de textielsector, meer toepassing van recyclaat in nieuwe kleding en meer hergebruik en recycling. Een belangrijk onderdeel is de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor textiel die per 2023 ingaat. De Tweede Kamer ontvangt in het voorjaar van 2023 de derde voortgangsrapportage.

In 2023 geeft het kabinet verdere uitvoering aan de Uitvoeringsagenda Duurzaamheidskader Biogrondstoffen. We brengen de regelgeving in procedure, waarmee de duurzaamheidscriteria worden geïmplementeerd. Daarnaast wordt een nieuwe toetsingscommissie biogrondstoffen ingesteld zodat zij, zodra de duurzaamheidscriteria in werking zijn getreden, aan de slag kunnen gaan met de certificatieschema’s voor de duurzaamheid van biogrondstoffen. Ook continueren we de inzet op het stimuleren van hoogwaardig gebruik van duurzame biogrondstoffen.

Het Nationaal plan Maatschappelijk Verantwoord Inkopen (MVI) stimuleert dat alle overheden hun inkoopkracht als instrument inzetten voor het versnellen van de transitie naar een klimaatneutrale en circulaire economie. In 2023 bestendigen we de MVI-aanpak en de opschaling naar transitiegericht opdrachtgeverschap. Ook bevorderen we in 2023 investeringen in milieuvriendelijke technieken via de jaarlijkse actualisatie van de Milieulijst voor de fiscale instrumenten MIA en Vamil. Urgenda-besluitvorming leidde ertoe dat het budget voor MIA/Vamil vanaf 2022 met 30 miljoen per jaar wordt verhoogd. Ook in 2023 wordt dit budget ingezet ter bevordering van investeringen die bijdragen aan onder andere CO2-reductie, de circulaire economie, duurzame mobiliteit en verduurzaming van de bouw en de landbouw. Daarnaast werken we samen met financiële instellingen om de financierbaarheid van circulaire business cases te bevorderen.

Stallen

Het doel voor ammoniak is emissies uit stallen naar de lucht te verminderen, als onderdeel van het maatregelenpakket om de stikstofdoelen in 2030 te realiseren, en BBT toe te passen. Daartoe werkt IenW ook in 2023 samen met het ministerie van LNV aan de aanscherping van de emissienormen voor ammoniak uit stallen.

Het beleid is daarnaast gericht op het verminderen van emissies van fijnstof uit stallen naar de lucht, halvering van emissies van fijnstof uit pluimveestallen in 2030 ten opzichte van 2016 en het toepassen van BBT. In 2023 wordt de regelgeving verder uitgewerkt in samenwerking met LNV, waarbij LNV financiële ondersteuning biedt aan veehouders om de vereiste stalaanpassingen te kunnen doen.

Het beleidsdoel voor geurhinder rond stallen betreft het beperken van geurbelasting voor omwonenden van nieuwe stallen of bij uitbreiding van bestaande stallen. Voor het terugdringen van geurhinder wordt mede ingezet op een aanpak die uitgaat van een andere manier van geur meten. In 2023 werken we verder aan het praktisch toepasbaar maken van deze andere methode.

Om emissiebeperking uit stallen mogelijk te maken, is het beleid ook in 2023 gericht op het stellen van voorschriften aan stalsystemen en het mogelijk maken van de ontwikkeling van nieuwe stalsystemen door ontwikkelaars.

Tabel 73 Budgettaire gevolgen van beleid art. 21 (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Verplichtingen

37.705

54.326

74.209

71.657

71.620

54.953

55.320

        

Uitgaven

47.166

64.047

71.886

69.912

69.830

52.878

52.855

        

4 Duurzaamheidsinstrumentatium

114

857

859

859

859

862

862

Opdrachten

114

857

859

859

859

862

862

        

5 Duurzame producieketens

46.307

59.496

65.111

62.638

62.555

45.687

45.664

Opdrachten

12.828

13.710

20.605

22.703

23.514

9.941

9.941

Uitvoering duurzame productieketens

7.704

7.920

14.650

16.748

17.559

4.856

4.856

Waarvan RWS

3.486

3.468

3.448

3.448

3.448

3.450

3.450

Overige opdrachten

1.638

2.322

2.507

2.507

2.507

1.635

1.635

Subsidies

21.324

24.314

22.162

17.961

18.072

14.776

14.753

Subsidies duurzame productieketens

21.312

24.314

22.162

17.961

18.072

14.776

14.753

Overige subsidies

12

0

0

0

0

0

0

Bijdragen aan agentschappen

9.427

20.511

20.512

20.512

20.512

20.512

20.512

Waarvan bijdrage aan RWS

9.427

10.585

10.585

10.585

10.585

10.585

10.585

Waarvan bijdrage aan RVO

0

9.113

9.114

9.114

9.114

9.114

9.114

Overige bijdragen aan agentschappen

0

813

813

813

813

813

813

Bijdragen aan medeoverheden

2.177

436

1.375

1.005

0

0

0

Waarvan bijdrage aan Caribisch Nederland

1.374

436

1.375

1.005

0

0

0

Overige bijdragen aan medeoverheden

803

0

0

0

0

0

0

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

101

50

0

0

0

0

0

Bijdragen aan ZBO's en RWT's

450

475

457

457

457

458

458

        

6. Natuurlijk kapitaal

745

3.694

5.916

6.415

6.416

6.329

6.329

Opdrachten

745

3.235

5.457

5.956

5.957

5.870

5.870

Uitvoering Natuurlijk kapitaal

389

2.729

5.261

5.761

5.762

5.673

5.673

Overige opdrachten

356

506

196

195

195

197

197

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage ‘Fiscale regelingen’ in de Miljoenennota. Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota ‘Toelichting op de fiscale regelingen’.

Tabel 74 Fiscale regelingen 2021-2023, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)1
 

2021

2022

2023

Vrijstelling groen beleggen box 3

53

58

19

Heffingskorting groen beleggen

33

36

40

Milieu-investeringsaftrek (MIA)

101

144

1442

VAMIL

18

25

252

1

[-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

2

Dit betreffen de voorlopige cijfers voor deze regelingen. Voor de definitieve cijfers wordt verwezen naar bijlage 9 in de Miljoenennota 2023.

Budgetflexibiliteit

Onderstaand is in lijn met de voorschriften uit de regeling Rijksbegrotingsvoorschriften een kwalitatieve toelichting voor de juridisch verplichte uitgaven opgenomen. Zie voor een nadere toelichting de ‘wijzigingen RBV 2022’ zoals opgenomen in de leeswijzer.

Tabel 75 Budgetflexibiliteit
 

2023

juridisch verplicht

52%

bestuurlijk gebonden

48%

beleidsmatig gereserveerd

0%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0%

Toelichting

Van het totale budget voor artikel 21 is voor 2023 52% juridisch verplicht.

Budgetflexibiliteit

Opdrachten

Van het opdrachtenbudget is 31% juridisch verplicht als gevolg van doorlopende opdrachten. Meer specifiek betreft het opdrachten die betrekking hebben op het ontwikkelen van een duurzaamheidsinstrumentarium, het verbeteren van het economisch functioneren van de huidige verdienmodellen, de campagne zwerfafval, events en monitoring van het plastic pact, uitvoering van wettelijke taken onder andere door RWS op het gebied van biomassa en ecosystemen en een deel van de opdrachten in het kader van CO2-reducerende maatregelen in de Grond- Weg- en Waterbouw (GWW). Daarnaast zijn de externe projectkosten door agentschappen ook juridisch verplicht.

Subsidies

Het beschikbare budget is voor 29% juridisch verplicht. Het betreft hoofdzakelijk maatregelen uit de Klimaatenveloppe en het Coalitieakkoord (CA). Voor het volledige subsidieoverzicht wordt verwezen naar bijlage 5 in deze begroting.

Bijdragen aan agentschappen

De uitgaven voor de agentschapsbijdragen RWS en het RVO zijn volledig juridisch verplicht en hebben een structureel karakter. De bijdrage aan RWS heeft betrekking op beleidsondersteuning en advies (BOA). RWS reserveert capaciteit voor het uitvoeren van studies of het leveren van bijdragen daaraan, adviezen met betrekking tot beleidsnota’s en de uitvoerbaarheid van beleid. Met de bijdrage aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) worden werkzaamheden bekostigd om de transitie naar een Circulaire Economie (CE) te bewerkstelligen.

Bijdragen aan medeoverheden

Het beschikbare budget is volledig juridisch verplicht en heeft betrekking op een bijdrage aan Caribisch Nederland voor de wederopbouw van Saba en Sint-Eustatius en verbetering van het afvalbeheer op Bonaire en Sint-Eustatius.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Het beschikbare budget is volledig juridisch verplicht. Het betreft middelen voor de bijdragen aan stichting Milieukeur (SMK) voor het uitvoeren van de wettelijke taken ten behoeve van het Ecolabel en de bijdrage aan de Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO) voor het uitvoeren van de overgedragen taken en werkzaamheden.

4 Duurzaamheidsinstrumentarium

Het ontwikkelen van een duurzaamheidsinstrumentarium en het verbeteren van het economisch functioneren van de huidige verdienmodellen, zodat alle (maatschappelijke) kosten een rol gaan spelen bij de afwegingen van consumenten.

Opdrachten

In dit kader worden opdrachten verstrekt voor de ontwikkeling en implementatie van duurzaamheidsinstrumentarium, zoals monitoring, onderzoek en kennisontwikkeling en stimuleren van circulair ondernemen.

5 Duurzame productieketens

Productketens worden onderzocht met het oog op de gevolgen van de winning, verwerking en het (her)gebruik van grondstoffen. Actie- en resultaatgerichte samenwerking in ketens en in de ‘gouden driehoek' (onderzoekers, ondernemers en overheid) wordt ondersteund om te komen tot een circulaire economie gericht op het maximaliseren van de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen en het minimaliseren van waarde vernietiging.

Opdrachten

De opdrachten hebben betrekking op uitvoering van wettelijke taken op het gebied van het afvalbeleid (onder andere de uitvoering van het LAP3). Daarnaast heeft dit betrekking op opdrachten voor de uitvoering van onder andere: de rijksbrede coördinatie van het CE-programma, de monitoring van de voortgang en effecten, de uitvoering van een aantal doorsnijdende thema’s uit de actualisatie van het uivoeringsprogramma 2020-2023 (zoals producentenverantwoordelijkheid, Versnellingshuis, communicatie en circulair ontwerpen) en de versnelling en opschaling van de transitieagenda’s waar IenW verantwoordelijk voor is.

Onder de bestuurlijk gebonden budgetten vallen de verkregen middelen uit het CA en de beleidsrijke begroting 2022 omtrent het stimuleringsprogramma recycling en de uitvoeringskosten MIA/VAMIL. Daarnaast zijn de middelen voor het uitvoeringsprogramma CE bestuurlijk gebonden.

Rijksbrede programma Circulaire Economie

Om uitvoering te geven aan het Rijksbrede programma Circulaire Economie wordt in 2023 € 15 miljoen beschikbaar gesteld voor onder andere circulaire inkoop, circulair textiel en plastic, het stimuleren van kennisontwikkeling, het opschalen van (bijna-)marktrijpe technieken en voor uitvoeringskosten van de onderdelen van IenW binnen het programma Circulaire Economie, waaronder het Versnellingshuis, monitoring en communicatie.

Landbouw

Voor landbouw betreft het onder andere onderzoek naar toepassingen van maatregelen die de emissies uit veehouderijen naar de lucht en de leefomgeving verminderen en daarmee bijdragen aan een goed en gezond woon- en leefklimaat rond veehouderijen.

Subsidies

Dit betreft budget voor subsidieverlening in het kader van voorlichting aan burgers over duurzame handelingsperspectieven en ondersteuning van bedrijven bij verduurzaming van productieprocessen. Zoals vermeld in de ISB Urgenda (Kamerstukken II 2018–2019 35 235, nr. 1) worden subsidies verstrekt via de Demonstratieregeling Energie- en klimaatinnovaties (DEI+).

Onder de bestuurlijk gebonden budgetten vallen de verkregen middelen uit het CA en de beleidsrijke begroting 2022 omtrent de subsidieregeling circulaire ketenprojecten. Daarnaast zijn er klimaatmiddelen beschikbaar gesteld omtrent circulair inkopen, ketenaanpak en recycling van plastic en textiel.

Klimaatmaatregelen

In het kader van het Klimaatakkoord worden middelen uit de beschikbaar gestelde middelen voor klimaatmaatregelen ingezet ter stimulering van:

  • Ketenaanpak

  • Klimaatneutraal en circulair inkopen en aanbesteden

  • Recycling en hergebruik van (bio)plastics en textiel

  • Grond, weg en waterbouw (GWW).

Daarnaast zijn in de tabel Budgettaire gevolgen van beleid bij dit beleidsartikel in regel 1 de volgende subsidieverplichtingen opgenomen:

  • Een bedrag van € 0,03 miljoen aan subsidieverplichtingen per jaar voor de jaren 2023 en 2024. Dit bedrag heeft betrekking op de verlening van een subsidie voor de organisatie van het Springtij Forum 2023 en 2024 en daaraan gerelateerde projecten aan Stichting Springtij.

  • Een bedrag van maximaal € 0,5 miljoen per jaar voor de jaren 2023, 2024 en 2025. Deze bedragen hebben betrekking op de verlening van een subsidie voor het Versnellingshuis Nederland Circulair! aan Stichting Het Groene Brein in samenwerking met MVO Nederland.

  • Een bedrag van maximaal € 1,0 miljoen voor het 2023. Dit bedrag heeft betrekking op de verlening van een subsidie voor de stimulering van circulair ontwerpen door middel van het programma CIRCO aan TKI CLICKNL.

  • Een bedrag van maximaal € 0,03 miljoen voor het jaar 2023. Dit bedrag heeft betrekking op de verlening van een subsidie voor (het optimaliseren van) de informatieverstrekking aan consumenten over de beschikbaarheid en ontwikkelingen op het gebied van duurzame mode aan Stichting DSFW Foundation.

  • Een bedrag van maximaal € 1,0 miljoen per jaar voor de jaren 2023 tot en met 2025. Deze bedragen hebben betrekking op de verlening van een subsidie aan Milieu Centraal voor het uitvoeren van de basisactiviteiten gericht op de kerntaak van consumentenvoorlichting en het zijn van een onafhankelijke vraagbaak voor consumenten en media op verschillende duurzaamheidsthema’s, zoals milieukeurmerken, plaagdierbestrijding, minder afval, microplastics, duurzaam vervoer. Milieu Centraal dient hiervoor een gefundeerde kennisbasis op te bouwen, deze te ontsluiten en te onderhouden.

  • Een bedrag van maximaal € 0,7 miljoen per jaar voor het jaar 2023. Deze bedragen hebben betrekking op de verlening van een subsidie aan Milieu Centraal voor nadere focusactiviteiten gericht op consumentenvoorlichting, zoals project- en/of campagnematige activiteiten gefocust op een beperkt aantal duurzaamheidsthema’s zoals de week zonder afval, duurzaam schoonmaken, elektrisch vervoer, asbestdaken en andere toepassingen.

Deze begrotingsvermeldingen vormen de wettelijke grondslag voor de hier bedoelde subsidieverlening(en) als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene Wet Bestuursrecht.

Bijdrage aan agentschappen

Dit betreft de bijdragen aan RWS, RIVM en RVO voor werkzaamheden om de transitie naar een Circulaire Economie (CE) te bewerkstelligen. Teven wordt aan RWS een opdracht verstrekt voor de uitvoering van het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen (LMA), waar IenW – ook namens gemeenten en provincies – de opdracht voor verleent.

Bijdrage aan medeoverheden

De middelen voor de ontwikkeling van het afvalbeheer Bonaire staan op het budget voor bijdragen aan medeoverheden.

Bijdrage aan ZBO en RWT

Dit betreft de bijdrage aan de stichting Milieukeur (SMK) voor het uitvoeren van de wettelijke taken ten behoeve van het Ecolabel. Daarnaast wordt een bijdrage verstrekt aan de Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO) voor het uitvoeren van de overgedragen taken en werkzaamheden.

6 Natuurlijk kapitaal

Biotische (materiaal)ketens zijn een integraal onderdeel van de transitie naar een circulaire economie. Biotische ketens, zoals hout of biocomposiet, mits producten herbruikbaar blijven, kunnen vaak een alternatief zijn voor materialen van fossiele of minerale oorsprong. Duurzaam geproduceerde biotische grondstoffen maken het mogelijk om goederen of diensten duurzaam te kunnen benutten als circulair alternatief.

Opdrachten

Het betreft hier opdrachten voor de ontwikkeling van criteria voor duurzaamheid van onder andere biomassa.

Verder betreft dit de opdrachten aan RWS en RVO voor de uitvoering van het beleid op het gebied van biotische ketens. Bijvoorbeeld voor het ondersteunen van ketensamenwerking rond biotische grondstoffen zoals hout of nutriënten. In het kader van het Klimaatakkoord en de ISB Urgenda (Kamerstukken II 2018–2019 35 235, nr. 1) worden daarnaast middelen ingezet voor CO2-reducerende maatregelen in de Grond- Weg- en Waterbouw (GWW).

Onder de bestuurlijk gebonden budgetten vallen de verkregen middelen uit het CA omtrent verplicht percentage recyclaat in de bouw. Daarnaast zijn er klimaatmiddelen beschikbaar gesteld omtrent Grond, Weg en Waterbouw.

9

Zoals uiteengezet in het Rijksbrede programma Circulaire Economie «Nederland Circulair in 2050» (Kamerstukken II 2018-2019 32 852, nr. 76)

Licence