Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

Artikel 44 Maatschappelijke ondersteuning

44.1 Algemene beleidsdoelstelling

Alle burgers participeren in de samenleving.

Belangrijkste beleidsonderwerpen 2011

Belangrijkste beleidsonderwerpen 2011

Het Ministerie van VWS wil het participeren van burgers in de samenleving bereiken door:

  • Het bieden van bescherming en hulpverlening (bij de vrouwenopvang bijvoorbeeld);

  • Het stimuleren van zelfredzaamheid, opdat mensen – weer – zelfstandig een huishouden kunnen voeren en zich bijvoorbeeld in en om het huis kunnen verplaatsen;

  • Het stimuleren van «meedoen», onder meer door het toegankelijk maken van de samenleving;

  • Het stimuleren van zorg voor elkaar (bijvoorbeeld door vrijwilligerswerk en mantelzorg);

  • Het bevorderen van sociale samenhang.

Hieraan wordt ten eerste gewerkt door het organiseren van individuele en collectieve voorzieningen. Zowel op lokaal niveau (uit hoofde van de Wmo) als op nationaal niveau (door Valys bijvoorbeeld). Het tweede spoor betreft dat van de gelijke behandeling en het verstevigen van de rechten van mensen met beperkingen; zowel nationaal (door de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte) als internationaal (door het VN-verdrag voor de rechten van mensen met een handicap bijvoorbeeld).

Burgers worden gestimuleerd actief te participeren in maatschappelijke verbanden (44.3.1):

  • Er wordt een landelijk programma «Welzijn nieuwe stijl» uitgevoerd;

  • Er wordt een nieuw financieel arrangement Wmo geïntroduceerd.

Burgers bieden anderen vrijwillige ondersteuning cq. kunnen gebruik maken van (organisaties van) vrijwillige ondersteuning (44.3.2):

  • Het aantal vrijwilligers wordt vergroot;

  • Het aantal mantelzorgers wordt behouden.

Burgers met beperkingen kunnen gebruik maken van (algemene) voorzieningen en professionele ondersteuning (44.3.3):

  • De Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgbh/cz) wordt uitgebreid;

  • De goedkeurings- en invoeringswet VN-verdrag over de rechten van personen met een handicap wordt eind 2010 aan de Kamer aangeboden;

  • Het ondersteuningsprogramma «Wonen, welzijn en zorg» wordt uitgevoerd.

Burgers met (psycho) sociale problemen kunnen gebruik maken van tijdelijke ondersteuning (44.3.4):

  • Het actieplan «Beschermd en Weerbaar» wordt ten uitvoer gebracht, waaronder het kabinetsstandpunt op het advies van de Commissie De Jong;

  • De (wet) Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling wordt voorbereid.

Ministeriële verantwoordelijkheid

Ministeriële verantwoordelijkheid

De bewindspersonen van VWS zijn verantwoordelijk voor de randvoorwaarden waarbinnen kwalitatief goede, toegankelijke en betaalbare maatschappelijke ondersteuning kan worden gerealiseerd, zowel voor als door burgers. Voor een groot deel van de taken waarvoor de bewindslieden van VWS verantwoordelijkheden dragen, ligt de directe verantwoordelijkheid uit hoofde van de Wmo bij gemeenten. Dat betekent dat VWS weet hoe de wet in de praktijk uitpakt en bijstuurt als de uitvoering van de wet/het systeem niet tot de beoogde uitkomsten leidt. Voorts wordt een goede toepassing van de wet bevorderd.

Externe factoren

Externe factoren

Kwalitatief goede, toegankelijke en betaalbare maatschappelijke ondersteuning vergt een samenspel van gemeenten, burgers en anderen, zoals zorgleveranciers, woningcorporaties, kennisinstituten, organisaties voor vrijwilligers en mantelzorgers. Al deze partijen dragen bij aan het ontwikkelen van sociale netwerken, die weer in belangrijke mate bijdragen aan de algemene beleidsdoelstelling.

Prestatie-indicatoren

Prestatie-indicatoren

Voor mensen met een beperking onderzoekt het Nivel de participatie voor de domeinen sociale contacten, wonen, werk, vrijetijdsbesteding, vervoer en opleiding. Door het Nivel wordt jaarlijks aan een steekproef van personen uit hun patiëntenpanel «mensen met een beperking of chronische ziekte» een vragenlijst voorgelegd over hun activiteiten op genoemde domeinen. Uit deze resultaten wordt vervolgens een indexcijfer over de feitelijke totale participatie op deze domeinen bepaald.

Deze participatie wordt weergegeven met het participatie-indexcijfer voor zelfstandig wonende mensen met een lichamelijke beperking van 15 jaar en ouder.

Mensen met een beperking participeren in 2009 meer dan in 2006 (het jaar voor de inwerkingtreding van de Wmo), al vindt deze ontwikkeling plaats met een soort golfbeweging. Deze golfbeweging is ook terug te zien in de trends over de tijd in bovengenoemde subgroepen. De stijging in participatie is relatief sterk bij de groep 65-plussers. Het is niet goed mogelijk om op basis van deze cijfers uitspraken te doen over de oorzaken van ontwikkelingen. De cijfers dienen over een langere periode bezien te worden om te kunnen beoordelen of een stijging zich ook daadwerkelijk voortzet. Binnen de genoemde domeinen doet zich bij een categorie personen soms een stijging in het ene domein en een daling in het andere domein voor. De index geeft het totaalresultaat aan.

Kengetal
 

2006

2007

2008

2009

Totale groep

100

105

102

106

     

Geslacht

    

Man

101

105

101

103

Vrouw (ref.)

99

105

103

108

     

Leeftijd

    

15–39

113

121

115

116

40–64 (ref.)

103

109

108

106

65 jaar en ouder

92

94

91

103

     

Opleidingsniveau

    

Laag

92

96

93

98

Midden (ref.)

104

110

108

112

Hoog

119

124

120

120

     

Aard van de beperking

    

Alleen motorisch (ref.)

101

106

102

107

Motorisch en zintuiglijk

97

103

101

104

     

Ernst van de beperking

    

Licht (ref.)

109

114

111

116

Matig

97

101

98

102

Ernstig

73

81

80

80

Toelichting en bron

Nivel, Participatiemonitor. Basisjaar 2006=100, voorlopige cijfers 2009.

44.2 Budgettaire gevolgen van beleid
44.2.1 Begrotingsuitgaven
Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verplichtingen

277 516

351 173

106 018

185 118

194 922

196 066

196 066

        

Uitgaven

551 766

284 533

186 061

187 915

195 066

196 066

196 066

        

Programma-uitgaven

547 681

280 488

182 540

184 394

191 545

192 545

192 545

1. Burgers worden gestimuleerd actief te participeren in maatschappelijke verbanden

27 065

29 152

19 230

19 353

26 116

27 116

27 116

2. Burgers bieden anderen vrijwillige ondersteuning cq. kunnen gebruik maken van (organisaties van) vrijwillige ondersteuning

48 291

81 563

78 336

77 280

77 313

77 313

77 313

3. Burgers met beperkingen kunnen gebruik maken van (algemene) voorzieningen en professionele ondersteuning

62 953

66 803

65 965

66 048

66 048

66 048

66 048

4. Burgers met (psycho) sociale problemen kunnen gebruik maken van tijdelijke ondersteuning

409 372

102 970

19 009

21 713

22 068

22 068

22 068

        

Apparaatsuitgaven

4 085

4 045

3 521

3 521

3 521

3 521

3 521

        

Ontvangsten

8 356

9 413

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

1. Burgers worden gestimuleerd actief te participeren in maatschappelijke verbanden

19 230

19 353

26 116

27 116

27 116

– Juridisch verplicht

13 086

11 752

8 369

8 369

8 369

– Bestuurlijk gebonden

5 582

6 501

15 747

16 747

16 747

– Niet verplicht/bestuurlijk gebonden

562

1 100

2 000

2 000

2 000

      

2. Burgers bieden anderen vrijwillige ondersteuning cq. kunnen gebruik maken van (organisaties van) vrijwillige ondersteuning

78 336

77 280

77 313

77 313

77 313

– Juridisch verplicht

74 508

72 241

70 505

70 411

70 411

– Bestuurlijk gebonden

3 528

4 739

6 508

6 602

6 602

– Niet verplicht/bestuurlijk gebonden

300

300

300

300

300

      

3. Burgers met beperkingen kunnen gebruik maken van (algemene) voorzieningen en professionele ondersteuning

65 965

66 048

66 048

66 048

66 048

– Juridisch verplicht

64 361

64 273

64 273

64 273

64 273

– Bestuurlijk gebonden

1 538

1 450

1 350

1 350

1 350

– Niet verplicht/bestuurlijk gebonden

66

325

425

425

425

      

4. Burgers met (psycho) sociale problemen kunnen gebruik maken van tijdelijke ondersteuning

19 009

21 713

22 068

22 068

22 068

– Juridisch verplicht

4 083

2 938

2 823

2 308

2 308

– Bestuurlijk gebonden

14 126

17 575

18 045

18 260

18 260

– Niet verplicht/bestuurlijk gebonden

800

1 200

1 200

1 500

1 500

Toelichting tabel budgetflexibiliteit begrotingsuitgaven

De bedragen die als «niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden» zijn opgenomen zijn beleidsmatig gereserveerd voor uitgaven op het terrein van de volgende operationele doelstellingen:

Operationele doelstelling 1

Betreft beleidsmatige reserveringen voor uitgaven die de participatie en zelfredzaamheid van burgers bevorderen.

Operationele doelstelling 4

Betreft beleidsmatige reserveringen voor uitgaven op het terrein van maatschappelijke- en vrouwenopvang.

44.2.2 Premie-uitgaven

In de tabel hieronder zijn de beschikbare middelen opgenomen voor de premie-uitgaven op het terrein van de maatschappelijke ondersteuning. Hierin zijn de budgettaire consequenties van de besluitvorming rond de eerste suppletore begroting 2010 en de begroting 2011 verwerkt. Voor 2010 is de loon- en prijsontwikkeling al verwerkt, terwijl voor 2011 en latere jaren de loon- en prijsontwikkeling nog moet worden toegevoegd. Het saldo van de beschikbare middelen en maatregelen, voor zover niet aan de afzonderlijke sectoren toegedeeld, is opgenomen als onverdeeld.

Premie-uitgaven (bedragen x € 1 000 000)
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

MEE-instellingen

178,1

180,7

180,8

181,1

181,1

181,1

181,1

Totaal

178,1

180,7

180,8

181,1

181,1

181,1

181,1

Procentuele mutatie t.o.v. voorgaand jaar

1,5%

0,1%

0,2%

0,0%

0,0%

0,0%

Bron

VWS, NZa productieafspraken en voorlopige realisatiegegevens, CVZ voorlopige financieringslasten Zvw en AWBZ.

Premiegefinancierde prioriteiten

De volgende tabel geeft de premiegefinancierde prioriteiten weer. De beleidsinformatie is opgenomen onder de operationele doelstelling bij de betreffende prioriteit. Bij een onbekend bedrag is een «pm» opgenomen en daar waar budgetneutraliteit het uitgangspunt is een «n.v.t.».

Premiegerelateerde instrumenten (bedragen x € 1 000 000)
 

OD

2011

2012

2013

2014

2015

Cliëntondersteuning mensen met een beperking

43.3.3

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Bron

VWS

44.3 Operationele doelstellingen

Er zijn vier operationele doelstellingen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning:

  • 1. Burgers worden gestimuleerd actief te participeren in maatschappelijke verbanden;

  • 2. Burgers bieden anderen vrijwillige ondersteuning cq. kunnen gebruik maken van (organisaties van) vrijwillige ondersteuning;

  • 3. Burgers met beperkingen kunnen gebruik maken van (algemene) voorzieningen en professionele ondersteuning;

  • 4. Burgers met (psycho) sociale problemen kunnen gebruik maken van tijdelijke ondersteuning.

44.3.1 Burgers worden gestimuleerd actief te participeren in maatschappelijke verbanden

Motivering

Motivering

Samen met gemeenten wordt de participatie en zelfredzaamheid van burgers bevorderd. De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) biedt gemeenten, burgers en instellingen de mogelijkheid problemen rondom zelfredzaamheid en participatie op basis van lokaal maatwerk op te lossen. Gemeenten worden ondersteund om op vernieuwende wijze integraal lokaal beleid te ontwikkelen en uit te voeren, waarbij verbindingen gelegd worden tussen verschillende onderdelen van de Wmo en met aanpalende beleidsvelden. Daarbij wordt voortgebouwd op de eerste evaluatie van de Wmo, die dit voorjaar is verschenen.

In 2011 wordt richting gegeven aan uitvoering van de Wmo via inhoudelijke kaders, onder andere op het terrein van «Welzijn nieuwe stijl» en het verbeteren van de financiële stimulansen in en rond de Wmo. Dit opdat de doelstellingen van de wet (meer «meedoen» en vermindering van het beroep op (AWBZ-)zorg) sneller bereikt worden. Daarnaast wordt geïnvesteerd in de sociale samenhang in wijken en buurten, opdat mensen met behulp van hun eigen netwerk hun zelfredzaamheid kunnen behouden en (weer) kunnen meedoen.

Geraamde begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

Instellingssubsidies

9 765

9 135

7 337

7 137

7 137

Movisie incl. Vernieuwingsprogramma «Beter in Meedoen»

9 335

8 835

7 137

7 137

7 137

Stimulansz

430

300

200

0

0

      

Projectsubsidies

7 808

7 310

16 471

17 671

17 671

Waarvan onder andere:

     

Welzijn nieuwe stijl

2 000

0

0

0

0

Vernieuwingsprogramma «Beter in Meedoen»

1 449

1 050

1 050

1 050

1 050

Werkplaatsen Wmo

810

770

45

0

0

Kanteling

750

250

446

446

446

Lokale cliëntenparticipatie

100

100

100

100

100

Sociale samenhang, Erbij horen

350

329

150

150

150

      

Opdrachten

1 657

2 908

2 308

2 308

2 308

Beleidsdoorlichting Wmo

1 100

1 600

1 000

1 000

1 000

Monitoring Wmo

557

1 308

1 308

1 308

1 308

      

Totaal

19 230

19 353

26 116

27 116

27 116

      

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Prestatie-indicatoren

Prestatie-indicatoren

De voortgang van het beleid wordt gemeten met de volgende kengetallen:

Kengetal
 

2008

2009

1. Percentage Wmo-cliënten dat aangeeft dat de Wmo ondersteuning bijdraagt aan het zelfstandig wonen en meedoen in de samenleving

91%

2. Percentage Wmo-cliënten dat aangeeft dat de Wmo ondersteuning bijdraagt aan het langer zelfstandig blijven

81%

3. Percentage Wmo-cliënten dat aangeeft dat de Wmo ondersteuning bijdraagt aan meedoen in de samenleving

74%

Bron

1. Rapportage tevredenheidsonderzoeken cliënten Wmo SGBO 2008 juni 2008.

2. Conceptrapportage tevredenheidsonderzoek cliënten Wmo 2009 SGBO/BMC. De vraag of de ondersteuning van de Wmo bijdraagt aan het zelfstandig kunnen blijven wonen en/of meedoen aan de maatschappij is in 2009 gesplitst in twee aparte vragen.

3. Conceptrapportage tevredenheidsonderzoek cliënten Wmo 2009SGBO/ BMC.

Instrumenten voor actieve participatie

•  Welzijn nieuwe stijl

Om de Wmo vernieuwend en in volle breedte uit te voeren hebben het Ministerie van VWS, de VNG en de MOgroep gezamenlijk in 2010 de ontwikkeling van »Welzijn nieuwe stijl» voorbereid (circa € 2,0 miljoen). Dit gaat uit van acht bakens (of kwaliteitskenmerken) die richting moeten geven aan de uitvoering en de sturing door de instellingen en gemeenten. Meer specifiek draait het om de verbetering van de kwaliteit van het welzijnswerk en de verbetering van de relatie opdrachtgever/gemeente en opdrachtnemer/instelling.

Welzijn nieuwe stijl is:

  • Gericht op de vraag achter de vraag;

  • Gebaseerd op eigen kracht van de burger;

  • Direct erop af/outreachend werken;

  • Formeel en informeel in optimale verhouding;

  • Doordachte balans tussen individueel en collectief;

  • Integraal werken;

  • Niet vrijblijvend maar resultaatgericht;

  • Gebaseerd op ruimte voor de professional.

Het programma wil stimuleren, inspireren en concrete handreikingen bieden. Daarbij wordt aangesloten bij wat gemeenten en instellingen al aan verbeteringen doorvoeren en de fase waarin dat proces verkeert.

•  Herziening financieel arrangement Wmo

In de Wmo gaat momenteel circa € 5 miljard om, verdeeld over middelen voor huishoudelijke hulp (circa € 1,1 miljard) en welzijnsmiddelen/middelen van de oude Wet Voorziening Gehandicapten (circa € 3,5 miljard).

Het zogenoemde «financieel arrangement Wmo», waarover de Kamer op 11 januari 2007 uitvoerig is geïnformeerd, functioneert in beginsel adequaat. Adequaat in de zin dat dit arrangement het bereiken van de Wmo-doelstellingen niet belemmert. De afspraken nodigen momenteel evenwel onvoldoende uit om meer te investeren in collectieve voorzieningen (onder meer door welzijnsorganisaties) dan in individuele voorzieningen. De afspraken vormen ook geen stimulans om meer verbindingen te leggen met andere lokale domeinen, zoals de Wet werk en bijstand en de Wet Sociale Werkvoorziening, waardoor het beroep op huishoudelijke hulp kan worden verminderd. Daarom werkt het kabinet aan een meer toekomstbestendig financieel arrangement. Daarmee ligt er nadrukkelijk ook een verbinding met het verder tot wasdom komen van vernieuwend welzijn. Samen met de VNG wordt bezien hoe een meer robuust financieel arrangement kan worden gecreëerd, dat ook meer rust brengt in de gemeentelijke budgetten, waardoor de mogelijkheid van het maken van meer langdurige afspraken met ketenpartners wordt gefaciliteerd. Juist in het kader van de Wmo – waar het veelal draait om het tot stand komen van sociale netwerken – zijn dergelijke meer langdurige en op samenwerking gerichte afspraken van groot belang. De gedachten gaan daarbij – binnen het kader van de Wmo – uit naar het «ontschotten» van het budget voor huishoudelijke hulp en de overige budgetten.

Daarbij past ook een betere registratie en monitoring van het Wmo-budget. Daarnaast gaat het om betere stimulansen «rond» de Wmo, bijvoorbeeld als het gaat om de relatie met preventie en de huisarts of de stimulansen voor samenwerking tussen de Wmo en de AWBZ (€ 0,5 miljoen).

•  Beter in Meedoen

In 2008 is het stimuleringsprogramma «Beter in meedoen» van start gegaan dat wordt uitgevoerd door Movisie en het Verwey-Jonkerinstituut (€ 1,4 miljoen). Het programma loopt tot en met 2012 en heeft als doel om de kwaliteit van de uitvoering van de Wmo te verbeteren. In samenwerking met de MO-groep worden bij de welzijnsinstellingen bestaande interventies verzameld en verrijkt. Er is een databank met effectieve interventies in de sociale sector gelanceerd, die eind 2011 ongeveer 50 interventies zal omvatten. Alle producten die worden ontwikkeld in «Beter in meedoen» zullen worden gebruikt bij de uitvoering van «Welzijn nieuwe stijl».

•  Werkplaatsen Wmo

Ter uitvoering van het amendement Wolbert (kamerstuk 31 700 XVI nr. 35) zijn in september 2009 verspreid over het land zes Wmo-werkplaatsen gestart voor een periode van drie jaar. In de werkplaatsen werken hogescholen, instellingen en gemeenten samen aan onderzoek en ontwikkeling van nieuwe werkvormen voor zorg en welzijn.

In aanvulling op het programma «Beter in Meedoen», ligt de nadruk bij de werkplaatsen meer op ontwikkeling en de doorvertaling naar opleidingen. De resultaten worden ook beschikbaar gesteld aan gemeenten, organisaties uit de zorg- en welzijnssector en andere belangstellenden.

Voor 2011 is er subsidie van € 0,8 miljoen verleend voor zes werkplaatsen. Tot nu toe heeft iedere werkplaats vijf of meer praktijken opgezet die zich richten op verschillende terreinen van de Wmo. In 2011 loopt de uitvoeringsfase van de praktijken door en start de analysefase. Er verschijnen rapportages met daarin ervaringen met de gebruikte methoden, professionele inzet, vaardigheden en randvoorwaarden. Ook deze resultaten worden benut in het kader van «Welzijn nieuwe stijl».

•  De Kanteling

Voorgaande trajecten richtten zich voornamelijk op effectieve en vernieuwende methoden in de uitvoering. Het project «De Kanteling» richt zich in het bijzonder op de toepassing van de in de Wmo vervatte compensatieplicht (€ 0,8 miljoen). Daarbij gaat het om de omslag van «het afhandelen van een aanvraag» naar «een brede intake over wensen én (eigen) mogelijkheden van de burger». Uitgangspunten zijn eigen kracht, zelfredzaamheid en het benutten van het sociale netwerk. Onder leiding van de VNG zijn twaalf pilot-gemeenten aan de slag om de compensatieplicht op een nieuwe manier vorm te geven. De Chronisch zieken en Gehandicapten (CG)-Raad is in samenwerking met de Centrale Samenwerkende Ouderenorganisaties (CSO) en het Programma Versterking Cliënten Positie (VCP) tegelijkertijd en in goede afstemming gestart om deze kanteling op gang te brengen bij de lokale cliënten- en ouderenorganisaties en Wmo-raden. Een nieuwe (gekantelde) modelverordening moet er voor zorgen dat ook in juridische termen de nieuwe werkwijze (van aanbod naar vraaggericht) van gemeenten geborgd is.

•  Verspreiden kennis Wmo

Movisie ondersteunt gemeenten en instellingen bij de uitvoering van de Wmo en aanpalende terreinen door middel van het verzamelen, verrijken, valideren en verspreiden van kennis op het terrein van de Wmo. Movisie ontvangt hiervoor een subsidie van € 9,3 miljoen per jaar. De activiteiten worden uitgevoerd in zeven programma’s, die worden ingevuld door vragen uit het veld. De resultaten zijn te vinden op of via de website van Movisie (www.movisie.nl).

•  Lokale cliëntenparticipatie

Een bijzonder project van Movisie richt zich op lokale cliëntenparticipatie. Deze participatie is van groot belang voor het welslagen van de Wmo, waar een grote nadruk ligt op «horizontale verantwoording». Hiertoe is een «kenniscentrum cliëntenparticipatie» opgericht. Dit kenniscentrum richt zich zowel op cliënten als op gemeenten die (kwetsbare) mensen willen betrekken bij hun Wmo-beleid. VWS stelt een plan van aanpak op om gemeenten in staat te stellen de consultatie van in het bijzonder kleine doelgroepen zoals mensen met een verstandelijke handicap of een chronisch psychiatrische aandoening te verbeteren (€ 0,1 miljoen).

•  Basisfuncties sociale samenhang

Voor het kunnen participeren zijn sociale netwerken – óók in de buurt – cruciaal. Bovendien is het versterken van sociale verbanden tussen burgers een effectieve manier om informele zorg en hulp tot stand te laten komen. Zo kan een onnodig beroep op professionele zorg worden voorkomen. Bovendien draagt een prettige en vertrouwde woonbuurt bij aan de kwaliteit van het bestaan. De Wmo is een belangrijk instrument voor gemeenten om sociale samenhang te vergroten. Gemeenten vinden de breed geformuleerde doelstelling van het eerste prestatieveld van de Wmo (het bevorderen van sociale samenhang in dorpen, wijken en buurten) evenwel te abstract. In 2011 en 2012 worden – samen met de gemeenten van het project «Wmo-in-de-buurt» en met relevante landelijke veldpartijen – basisfuncties voor sociale samenhang ontwikkeld (€ 0,2 miljoen). Dit in lijn met de eerder ontwikkelde basisfuncties voor mantelzorg en vrijwilligerswerk.

•  Erbij horen

Sociale samenhang hangt onder meer af van het netwerk van mensen waarop je een beroep kunt doen. Veel mensen hebben een te beperkte kring van mensen waarop ze tijdelijk terug kunnen vallen en ervaren eenzaamheid. Het gaat hier om circa 10% van de bevolking in alle leeftijdsgroepen en een toenemend aantal bij ouderen. Veel zorgvragen zijn ook gerelateerd aan eenzaamheid. Bestrijding van eenzaamheid vraagt een actieve lokale overheid die samen met welzijnsinstellingen, zorginstellingen en lokale vrijwilligersorganisaties nagaat waar de doelgroep zit en over de domeinen heen een aanpak ontwikkelt. Samen met de «Coalitie Erbij», een organisatie van publieke en private partijen, wil het Ministerie van VWS een stimulans geven aan «Erbij horen» (€ 0,2 miljoen per jaar). In dat kader wordt gewerkt aan deskundigheidsbevordering, waaronder het herkennen en bewustmaken van professionals voor eenzaamheid, de maatschappelijke gevolgen daarvan en wat er tegen te doen is.

In 2011 wordt ten slotte onderzoek gedaan naar de activiteiten die gemeenten en andere lokale partijen ondernemen om eenzame mensen te bereiken en uit hun isolement te halen. Het rapport zal ook inzicht geven in mogelijke effectieve methoden van eenzaamheidsbestrijding.

44.3.2 Burgers bieden anderen vrijwillige ondersteuning en kunnen gebruik maken van (organisaties van) vrijwillige ondersteuning

Motivering

Motivering

Onze samenleving kent veel mensen die er niet voldoende in slagen om (al dan niet met hun eigen netwerk) voor zichzelf te zorgen of om te participeren. De inzet van vrijwilligers of mantelzorgers draagt bij aan hun zelfredzaamheid, hun participatie en zorgt voor het vergroten van de onderlinge betrokkenheid en sociale samenhang in onze maatschappij. Het belangeloos inzetten voor een ander levert vrijwilligers en mantelzorgers ook voldoening, nieuwe ervaringen en kennis op.

Daarbij wordt gestreefd naar het behoud van het aantal mantelzorgers en een toename van het aantal vrijwilligers. Om diverse redenen (vergrijzing, individualisering, personeelstekorten in de zorg, beperking van het verzekerd pakket en de roep om langer te moeten blijven werken) staat er druk op de mantelzorg. Verder moet overbelasting van deze mensen, die cruciale ondersteuning bieden, worden voorkomen. Vooral bij specifieke groepen als jonge mantelzorgers. Voor 450 000 mantelzorgers geldt dat ze overbelast zijn of dreigen te raken.

Gemeenten zijn op grond van de Wmo primair verantwoordelijk voor de ondersteuning van vrijwilligers en mantelzorgers, bijvoorbeeld door een adequaat ondersteuningsaanbod voor mantelzorgers en vrijwilligers aan te bieden. Om genoemde doelstellingen te kunnen realiseren zijn er evenwel ook taken voor het Rijk, deels ter ondersteuning van gemeenten, deels waar het gaat om taken die beter op nationaal niveau kunnen worden opgepakt, zoals het beter kunnen combineren van werk en mantelzorg of het faciliteren van de samenwerking tussen de professionele zorg, informele zorg en de cliënt.

Geraamde begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

Instellingssubsidies

4 354

4 354

4 354

4 354

4 354

Mezzo, Rode Kruis en Zonnebloem

4 354

4 354

4 354

4 354

4 354

      

Stimuleringsregeling

65 000

65 000

65 000

65 000

65 000

Vergoeding aan mantelzorgers

65 000

65 000

65 000

65 000

65 000

      

Projectsubsidies

8 982

7 926

7 959

7 959

7 959

Waarvan onder andere:

     

Kennisverwerken/verspreiden met betrekking tot mantelzorg

600

600

600

600

600

Deskundigheidsbevordering vrijwillige inzet

3 500

2 500

2 500

2 500

2 500

Behoud van aantal mantelzorgers en versterken vrijwillige inzet

4 000

4 000

4 000

4 000

4 000

Europees Jaar van het Vrijwilligerswerk

500

100

0

0

0

Bedrijven en vrijwilligers en mantelzorgers

135

45

63

0

0

      

Totaal

78 336

77 280

77 313

77 313

77 313

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Prestatie-indicatoren

Prestatie-indicatoren

De voortgang van het beleid wordt gemeten met de volgende indicatoren:

Indicator
 

2002

2008

Streefwaarde 2011

Streefwaarde lange termijn

1. Aantal mantelzorgers (x 1 miljoen)

2,6

2,6

≥ 2,6

2. Percentage vrijwillige inzet van het aantal mensen van 18 jaar en ouder.

42%

42%

> 42%

≥ 42%

Bron & toelichting

1. De Toekomst van mantelzorg, SCP oktober 2009 en Blijvend in Balans; een Toekomstverkenning van Informele Zorg, SCP juni 2007.

2. Toekomstverkenning Vrijwillige Inzet 2015, SCP juni 2007 en Vrijwillige Inzet 2008, CBS april 2009. Het SCP meet iedere vijf jaar de participatie aan het vrijwilligerswerk in het kader van het Tijdsbestedingsonderzoek (Tbo). De volgende keer zal dat in 2010/11 zijn. Het CBS meet iedere twee jaar de deelname aan vrijwilligerswerk in het kader van het Permanent Onderzoek Leefsituatie (POLS). De volgende keer zal dat in 2010 zijn. Dan wordt ook voor het eerst de mantelzorg in de meting opgenomen.

Instrumenten voor mantelzorg en vrijwillige ondersteuning

•  Verspreiden van kennis over mantelzorg en vrijwilligerswerk.

Het Ministerie van VWS subsidieert Movisie, het Expertisecentrum Mantelzorg, Mezzo (belangenorganisatie mantelzorgers) en Vilans (totaal € 5,0 miljoen) voor het verspreiden van kennis over vrijwilligerswerk en mantelzorg onder gemeenten en organisaties. Tevens ondersteunen zij gemeenten en organisaties bij de toepassing daarvan. Movisie voert bijvoorbeeld het project rond de invoering van de basisfuncties voor de ondersteuning van mantelzorgers en vrijwilligers uit, het Expertisecentrum mantelzorg besteedt onder meer aandacht aan de relatie tussen de professionele en de informele zorg en Mezzo besteedt veel aandacht aan de kwaliteit van de ondersteuning alsmede de relatie tussen werk en mantelzorg. Vilans voert onder meer samen met landelijke en regionale organisaties het programma «Zorg Beter met Vrijwilligers» uit. Dat bestaat uit de begeleiding en ondersteuning van verbetertrajecten voor het vrijwilligersbeleid van individuele zorgorganisaties.

•  Lokale ondersteuning mantelzorgers en vrijwilligersorganisaties

Een belangrijk onderdeel van de beleidsbrief «Voor Elkaar» is het opstellen en invoeren van basisfuncties voor vrijwilligerswerk en mantelzorg. Daarbij gaat het om functies waarvan het kabinet van mening is dat iedere burger – waar hij of zij ook woonachtig is – op zou mogen rekenen.

Gedacht moet worden aan informatieverstrekking, praktische en emotionele ondersteuning, respijtzorg, begeleiding, etcetera.

Het versterken van de lokale infrastructuur vindt in 2011 verder plaats via de makelaarsfunctie maatschappelijke stage en vrijwilligerswerk (€ 4,0 miljoen). Deze makelaars helpen onder meer stagiairs bij het vinden van een plek bij vrijwilligersorganisaties. Het doel hiervan is dat de maatschappelijke stagiair van nu de vrijwilliger van de toekomst wordt.

•  Regeling deskundigheidsbevordering vrijwilligers

In het kader van deze regeling kunnen landelijke vrijwilligersorganisaties, als voldaan wordt aan bepaalde criteria, subsidie aanvragen voor training van hun vrijwilligers. Voor deze regeling – die nadrukkelijk die organisaties probeert te bereiken die uit hoofde van hun aard en functie onvoldoende kunnen worden ondersteund door gemeenten – is in 2011 een bedrag van € 3,5 miljoen beschikbaar. In 2010 werden 52 subsidieaanvragen gehonoreerd; het gemiddeld toegekende subsidiebedrag was € 103 600.

•  Bedrijven en vrijwilligers en mantelzorgers

Samen met het bedrijfsleven wordt het vrijwilligerswerk door werknemers gestimuleerd en de aandacht voor mantelzorg in personeelsbeleid vergroot, door bijvoorbeeld meer aandacht te schenken aan flexibel werken, voor ondersteuning van mantelzorgers op het werk, het betrekken van mantelzorg bij functioneringsgesprekken, etcetera. Dat geschiedt onder meer door de inzet van ambassadeurs (Menzis, Isalaklinieken vanaf 2009 en vanaf 2010 Microsoft, Waterland Ziekenhuis, Tinguely Netwerk en gemeente Amersfoort). Een en ander kan ook tot uitdrukking komen in door sociale partners af te sluiten CAO’s.

Vanaf maart 2010 tot begin 2011 loopt een traject om leidinggevenden bij de rijksoverheid meer bewust te maken van het belang van een goede ondersteuning van werknemers die mantelzorg verlenen. Dit traject is samen met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties opgestart.

MVO-Nederland wordt tot en met 2012 gesubsidieerd voor de uitvoering van het programma «Maatschappelijk Betrokken Ondernemen» (MVO) (€ 0,1 miljoen). Het doel van dit programma is het stimuleren van vrijwilligerswerk door werknemers, onder meer door het bieden van workshops aan bedrijven, het ontwikkelen van een monitor en het organiseren van een congres.

•  Regeling waardering mantelzorgers

Mensen die langdurig voor een ander zorgen kunnen – binnen bepaalde randvoorwaarden – in aanmerking komen voor een waardering voor de door hen verleende ondersteuning (mantelzorgcompliment). Het gaat bij dat mantelzorgcompliment om ondersteuning die leidt tot besparing op geïndiceerde zorg. De regeling wordt uitgevoerd door de Sociale Verzekeringsbank. In 2009 werd aan 96 802 mantelzorgers een compliment toegekend (inclusief nabetalingen over 2007 en 2008). De verwachting is dat in 2010 circa 268 000 mantelzorgers een mantelzorgcompliment ontvangen (inclusief nabetalingen over 2009). Voor het mantelzorgcompliment is een bedrag van € 65,0 miljoen beschikbaar.

•  Europees Jaar van het Vrijwilligerswerk.

Door de Europese Raad is het jaar 2011 uitgeroepen tot het «jaar van het Vrijwilligerswerk». Veel mensen dragen in Nederland belangeloos bij aan het functioneren van de samenleving. Ze doen dit op alle terreinen, maar in het bijzonder bij sport, zorg, onderwijs en cultuur. De economische vervangingswaarde van de inzet van vrijwilligers bedraagt minimaal € 8 miljard. In het Europees jaar van het Vrijwilligerswerk wordt het belang van al deze vrijwilligers belicht. Movisie organiseert het «jaar van het Vrijwilligerswerk». Hiervoor is in 2011 € 0,5 miljoen en in 2012 € 0,1 miljoen beschikbaar.

44.3.3 Burgers met beperkingen kunnen gebruik maken van (algemene) voorzieningen en professionele ondersteuning

Motivering

Motivering

Mensen met een beperking moeten kunnen deelnemen aan de samenleving. Vaak lukt dat met ondersteuning uit hun eigen netwerk en door hulp van vrijwilligers of mantelzorgers. Ook door het voorkomen of wegnemen van drempels kunnen mensen met beperkingen op voet van gelijkheid gebruik maken van algemene voorzieningen. Als zij er, al dan niet met behulp van informele hulp, niet in slagen voor zichzelf te zorgen of op eigen kracht te participeren, dan wordt dit met professionele ondersteuning of specifieke voorzieningen alsnog mogelijk gemaakt.

Om de positie van mensen met een beperking te verbeteren richt het kabinet zich op:

  • Het bevorderen van gelijke behandeling door het wegnemen van drempels (fysiek en sociaal) en het bevorderen van gelijke behandeling door het verbeteren van de individuele rechtsbescherming;

  • Specifieke voorzieningen daar waar algemene voorzieningen niet toegankelijk zijn, onder andere op het terrein van het vervoer;

  • Het versterken van het beleid van gemeenten gericht op een samenhangende aanpak van welzijn, wonen en zorg voor mensen met een beperking;

  • Het verbeteren van de lokale cliëntondersteuning.

Geraamde begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

Projectsubsidies

5 685

5 768

5 768

5 768

5 768

Waarvan onder andere:

     

VN-verdrag

300

300

150

150

150

Woningaanpassingen

3 993

3 993

3 993

3 993

3 993

Wonen met zorg en ondersteuning

500

500

600

600

600

Alles toegankelijk

600

600

600

600

600

Uitbreiding Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte

100

100

0

0

0

Taakgroep Handicap en Lokale Samenleving

88

0

0

0

0

      

Opdrachten

60 280

60 280

60 280

60 280

60 280

Bovenregionaal vervoer (Valys)

60 280

60 280

60 280

60 280

60 280

      

Totaal

65 965

66 048

66 048

66 048

66 048

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Prestatie-indicatoren

Prestatie-indicatoren

De voortgang van het beleid wordt gemeten met de volgende indicatoren:

Indicator
 

2006

2007

2008

2009

Streefwaarde 2011

Streefwaarde lange termijn

1. Klanttevredenheid over Valys

8,3

7,1

8,0

8,5

> 8,6

> 8,6

2. Percentage 65+ dat extramuraal woont

92,7%

92,9%

93,0%

93,2%

> 93,2%

> 93,2%

Bron & toelichting

1. Jaarlijks tevredenheidonderzoek Valys.

2. CBS (cijfers demografie) en NZa (cijfers over het aantal intramurale plaatsen). Het cijfer over 2009 betreft een voorlopig cijfer.

Instrumenten voor de bevordering van gelijke behandeling

•  Uitbreiding Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte

Eind 2010 zal de AMvB voor een toegankelijk openbaar vervoer in werking treden. De Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgbh/cz) zal daarmee ook voor het openbaar vervoer van kracht worden. De Wgbh/cz was al van toepassing op de terreinen arbeid, onderwijs en wonen. In het kader van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en van de voorgestelde EU-ontwerprichtlijn gelijke behandeling wordt onderzocht wat de gevolgen kunnen zijn voor de (uitbreiding van de) Wgbh/cz (€ 0,1 miljoen).

•  AllesToegankelijk

Vilans beheert, in samenspraak met onder andere vertegenwoordigers van ondernemers en cliëntenorganisaties, de interactieve website www.allestoegankelijk.nl. Dit is een informatiebank met goede voorbeelden van toegankelijkheid op verschillende terreinen, die voor iedereen te raadplegen is. Naast de uitgebreide, interactieve website beheert Vilans ook een helpdesk. Doel is de toegankelijkheid van goederen en diensten voor mensen met een beperking te vergroten (€ 0,6 miljoen).

•  Het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap

Het kabinet zet zich actief in voor het ratificeren van het «Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap». Na een grondige analyse van bestaande wetten door alle betrokken departementen zijn de consequenties van het Verdrag voor de Nederlandse wetten in kaart gebracht. De conclusies worden opgenomen in de voorstellen voor de goedkeuringswet en de invoeringswet. Deze zullen in het najaar van 2010 aan de Raad van State worden voorgelegd. Tevens heeft het kabinet een wetsvoorstel aan de Raad van State voorgelegd voor de oprichting van een nationaal mensenrechteninstituut dat (onder meer) toezicht op de naleving van het verdrag zal houden. Het kabinet zal na parlementaire goedkeuring initiatieven ontplooien en ondersteunen gericht op de bekendheid van dit Verdrag (€ 0,3 miljoen).

•  De Taakgroep Handicap en Lokale Samenleving

De Taakgroep Handicap en Lokale Samenleving heeft zich de afgelopen jaren ingespannen om de positie van burgers met beperkingen bij diverse gemeenten onder de aandacht te brengen en «inclusief denken en doen» bij gemeenten te stimuleren. Dit heeft in veel gevallen geleid tot samenwerking tussen belangenorganisaties en gemeentebesturen.

De projectperiode van de taakgroep eindigt op 31 maart 2011. De ervaringen van de taakgroep zullen worden vastgelegd en verspreid, zodat deze een voorbeeld kunnen vormen voor gemeenten die besluiten de participatie van burgers met beperkingen met inclusief beleid te gaan bevorderen (€ 0,1 miljoen).

Instrumenten met betrekking tot beschikbaarheid specifieke voorzieningen

•  Wonen met ondersteuning en zorg

De minister van VWS voert samen met de minister voor WWI en partijen in het veld het Actieplan «Beter (t)huis in de buurt; Samenwerken aan wonen, welzijn en zorg 2007–2011» (kamerstuk 31 200 XVIII nr. 48) uit. In 2011 richt het kabinet zich op twee thema’s, namelijk «lokale samenwerking» en «regievoering door de gemeente». In 2009 is een ondersteuningsprogramma («Wonen + welzijn + zorg: maak het samen!») gestart dat in 2011 wordt afgerond. Met dit ondersteuningsprogramma wordt individuele en collectieve ondersteuning (adviseurs) aan een aantal gemeenten geboden bij vraagstukken rond lokale samenwerking en regievoering door de gemeente. Tevens wordt een «gereedschapskist» met instrumenten gecomplementeerd en ter beschikking gesteld van gemeenten en samenwerkingspartners. Belangrijke focus in 2011 is het implementeren van de in 2010 ontwikkelde handreiking voor gemeenten voor het maken van lokaal beleid voor de ondersteuning van mensen met een beperking. Daarnaast voeren ook veldpartijen in het kader van het actieplan activiteiten uit die waar wenselijk en mogelijk vanuit het Rijk worden ondersteund ( € 0,5 miljoen). Het stimuleren van de totstandkoming van voldoende geschikte woningen en een goede lokale infrastructuur van ondersteuning en zorg draagt behalve aan «meedoen» bij aan vermindering van het beroep op (dure) intramurale AWBZ-zorg.

•  Bovenregionaal vervoer gehandicapten (Valys)

Valys is bedoeld om bovenregionaal sociaalrecreatief vervoer per (deel)taxi te bieden aan mensen met een mobiliteitsbeperking. Dit is een aanvulling op het (nog onvoldoende toegankelijke) openbaar vervoer en het gemeentelijke Wmo-vervoer. In 2011 blijft er bijzondere aandacht voor de kwaliteit voor de reiziger, met name door te blijven sturen op punctualiteit van het vervoer. Hiertoe is als onderdeel van de verbeteragenda voor Valys een compensatieregeling bij vertraging voor de reizigers geïntroduceerd. Aandachtspunt blijft de beheersbaarheid van de uitgaven. De uitgaven lopen gestaag op, omdat ondanks de daling van het percentage Valys-pashouders dat daadwerkelijk reist, het absolute aantal pashouders dat gebruik maakt van de regeling nog steeds stijgt. Mede daarom worden voorstellen uitgewerkt voor de toekomst van Valys. Daarbij zal onder meer een relatie gelegd worden met de verbeteringen in de toegankelijkheid van het openbaar vervoer en de samenhang met andere vervoersregelingen, maar ook met de opgedane ervaringen in de pilots doelgroepenvervoer en de meerwaarde die voor gebruikers gerealiseerd kan worden (€ 60,3 miljoen).

Kengetal
 

2006

2007

2008

2009

1. Aantal pashouders met standaard pkb Valys

120 433

168 876

209 592

257 744

2. Aantal pashouders met hoog pkb Valys

5 210

6 588

7 444

8 128

3. Totaal aantal pashouders Valys

125 643

175 464

217 036

265 872

4. Percentage van het aantal Valys-pashouders dat daadwerkelijk reist met bovenregionaal vervoer gehandicapten

64,2%

63,5%

59,5%

54,7%

Bron & toelichting

Managementinformatie Valys conform de maandelijkse facturen van de vervoerder. Het aantal pashouders neemt maandelijks toe.

pkb = persoonlijk kilometer budget

Instrumenten om de cliëntondersteuning te verbeteren

•  (P) Cliëntondersteuning mensen met een beperking

Er wordt aan de ontwikkeling en implementatie van een visie op cliëntondersteuning gewerkt. Daarbij wordt nadrukkelijk de positie van MEE betrokken. MEE-organisaties bieden cliëntondersteuning aan mensen met een beperking. Daarvoor ontvangen zij subsidie van het CVZ op basis van de AWBZ (€ 180,8 miljoen). Conform de subsidieregeling maken MEE-organisaties afspraken met gemeenten in hun werkgebied. In de subsidievoorwaarden 2011 is het aantal netto inzetbare uren van een MEE-consulent verhoogd, waardoor er met hetzelfde geld meer cliënten kunnen worden geholpen.

Kengetal
 

2005

2006

2007

2008

2009

Geraamd 2010

1. Aantal cliënten MEE-organisaties

82 531

91 183

100 546

99 192

100 676

100 700

2. Aantal diensten MEE-organisaties

122 417

163 675

185 976

168 715

171 409

171 500

3. Totaal aantal MEE-organisaties

26

25

23

23

22

22

Bron

MEE-Nederland.

44.3.4 Burgers met (psycho)sociale problemen kunnen gebruik maken van tijdelijke ondersteuning

Motivering

Motivering

Een bijzondere doelgroep binnen de maatschappelijke ondersteuning betreft de cliënten van de maatschappelijke opvang (MO) en vrouwenopvang (VO). Doel is mensen, die daar hun toevlucht hebben gezocht, te beschermen cq. te ondersteunen en perspectief te bieden om daarna weer mee te kunnen doen in de samenleving. Daarvoor is een samenhangend (lokaal) beleid nodig op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, veiligheid, wonen, zorg, inkomen en dagbesteding. Meer en meer komt de nadruk te liggen op preventie en nazorg cq. participatie.

Voor de overheid ligt er een bijzondere verantwoordelijkheid om slachtoffers van geweld in afhankelijkheidsrelaties acute bescherming te bieden en ze te ondersteunen om weer een normaal leven zonder geweld op te bouwen. De inzet is om zo vroeg mogelijk in te grijpen om geweld te kunnen stoppen. Om dit te bewerkstelligen worden verschillende maatregelen ingezet. Een en ander is onder meer verwoord in de beleidsbrief «Beschermd en Weerbaar» (kamerstuk 28 345 nr. 51), die ook in 2011 ten uitvoer wordt gebracht. Bij geweld in afhankelijkheidsrelaties gaat het onder meer om huiselijk geweld, eergerelateerd geweld en vrouwelijke genitale verminking.

Bij de uitvoering van dit beleid werkt het Ministerie van VWS nauw samen met andere ministeries, waaronder Justitie, Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de programmaministeries Jeugd en Gezin en Wonen, Wijken en Integratie.

Geraamde begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

Instellingssubsidies/Structurele subsidies

905

905

905

905

905

Stichting Korrelatie

676

676

676

676

676

SOS telefonische Hulpdiensten

229

229

229

229

229

      

Projectsubsidies

11 108

11 312

11 667

11 667

11 667

Waarvan onder andere:

     

Zwerfjongeren

500

500

500

500

500

Beschermd en weerbaar:

9 834

9 150

7 200

7 200

7 200

Waarvan onder andere:

     

– Vrouwelijke Genitale Verminking

1 300

1 200

1 200

1 200

1 200

– Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling

2 000

1 950

0

0

0

– Mensenhandel

1 200

1 200

1 200

1 200

1 200

– Mannenopvang

1 200

1 200

1 200

1 200

1 200

– Meisjesprojecten

1 600

1 600

1 600

1 600

1 600

      

Opdrachten

750

750

750

750

750

Longitudinaal onderzoek dak- en thuislozen

300

300

300

300

300

Versterking kwaliteit MO/VO/Oggz

250

250

250

250

250

      

Specifieke uitkeringen/betalingen via het Gemeentefonds

6 246

8 746

8 746

8 746

8 746

Loonbijstelling decentralisatie-uitkering Vrouwenopvang

1 246

1 246

1 246

1 246

1 246

Uitbreiding capaciteit Vrouwenopvang

5 000

7 500

7 500

7 500

7 500

      

Totaal

19 009

21 713

22 068

22 068

22 068

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Prestatie-indicatoren

Prestatie-indicatoren

Een prestatie-indicator voor de maatschappelijke opvang zal worden bepaald aan de hand van het «plan van aanpak maatschappelijke opvang fase 2», dat vermoedelijk in het najaar van 2010 wordt vastgesteld met de G4. Op basis van het advies over het stelsel vrouwenopvang (2010) zal een (nieuwe) prestatie-indicator voor de vrouwenopvang worden geformuleerd. Deze indicator zal in de begroting 2012 worden opgenomen.

Kengetal
 

Aantal plaatsen 2007

Percentage 2007

Aantal plaatsen 2008

Percentage 2008

Capaciteit Maatschappelijke opvang (MO)

    

1. Dagopvang

3 047

21%

3 687

21%

2. Nachtopvang

1 783

12%

1 794

10%

3. 24 uurs (crisis)opvang

903

6%

879

5%

4. 24 uurs meerzorg

749

5%

811

5%

5. 24 uurs woonvoorziening

3 780

26%

4 165

23%

6. Begeleid wonen

4 312

29%

5 875

33%

7. Preventie projecten

61

< 1%

161

< 1%

8. Sociale activering

30

< 1%

460

< 3%

Totaal Maatschappelijke opvang

14 665

100%

17 862

100%

     

Capaciteit Vrouwenopvang (VO)

    

9. Dagopvang

210

7%

210

7%

10. Nachtopvang

23

1%

27

1%

11. 24 uurs (crisis)opvang

305

10%

358

11%

12. 24 uurs meerzorg

949

31%

1 033

32%

13. 24 uurs woonvoorziening

904

29%

963

30%

14. Begeleid wonen

626

20%

480

15%

15. Preventie projecten

50

2%

117

4%

Totaal Vrouwenopvang

3 067

100%

3 188

100%

     

Bron & toelichting

Jaarbericht 2009 monitor maatschappelijke opvang.

Bovenstaande tabel laat de capaciteit maatschappelijke opvang en vrouwenopvang naar voorzieningensoort in 2007 en 2008 zien. Het betreft een geschatte 100% capaciteit van de bij de Federatie Opvang aangesloten instellingen die in 2008 opvang leverden.

De tabel is opgesteld op basis van een wisselende set responderende instellingen, waardoor het vergelijken van de jaren met enige voorzichtigheid dient te gebeuren. Zo lijkt uit de tabel te wijzen dat de capaciteit vrouwenopvang voor begeleid wonen is afgenomen. Dit hoeft echter geen afname van het aantal plaatsen begeleid wonen te betekenen. Een verklaring zou kunnen zijn dat bij een fusie tussen twee instellingen de capaciteit is gelabeld als 24-uurs opvang in plaats van begeleid wonen.

Uit bovenstaande kengetallen wordt zichtbaar dat de capaciteit van de maatschappelijke opvang in de afgelopen jaren is toegenomen. Met name het aantal plaatsen voor begeleid wonen is fors gegroeid. Dit sluit aan bij het ingezette beleid om doorstroom te bevorderen. De inspanningen zijn er – ook in 2011 – op gericht mensen te laten doorstromen naar zo zelfstandig mogelijke woonvormen.

Instrumenten ten behoeve van het uitvoeren van het beleid

•  Decentralisatie-uitkering Maatschappelijke opvang en Vrouwenopvang

Vanaf 2010 wordt het budget voor maatschappelijke opvang, de openbare geestelijke gezondheidszorg en het verslavingsbeleid (in totaal € 307 miljoen) verstrekt via een decentralisatie-uitkering. Het beleid op het genoemde terrein is door de 43 centrumgemeenten neergelegd in het «Plan van aanpak G4» of de Stedelijke Kompassen. De doelstellingen uit het plan en de kompassen vormen de basis voor aan de decentralisatie-uitkering verbonden prestatieafspraken. Vanaf 2011 wordt ook de specifieke uitkering voor vrouwenopvang (ad € 89,0 miljoen) omgevormd tot een decentralisatie-uitkering.

Deze uitkering worden verstrekt via het Gemeentefonds en is opgenomen in de begroting van het Ministerie van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties.

•  Plan van Aanpak Maatschappelijke Opvang G4/Stedelijke Kompassen

In de maatschappelijke opvang is de afgelopen jaren een enorme voortgang geboekt door middel van het plan van aanpak MO Rijk/G4. In diverse voortgangsrapportages heeft het kabinet de Kamer over de uitvoering van dit plan geïnformeerd. Door een persoongerichte aanpak van daklozen en een goede ketensamenwerking wordt er naar gestreefd dat zij zo snel mogelijk van de straat in een traject komen gericht op adequate hulpverlening, wonen en werk. De overige centrumgemeenten werken inmiddels volgens de lijnen van het plan van aanpak Rijk/G4. Dit geschiedt aan de hand van zogenoemde stedelijke kompassen. Het rijk faciliteert deze ontwikkeling door een ondersteuningsprogramma.

Het Rijk en de G4 hebben de intentie om vanaf het najaar 2010 te starten met de tweede fase van het plan van aanpak maatschappelijke opvang. Het doel daarvan is het rendement van de eerste fase te behouden en de succesvolle aanpak uit te breiden naar een bredere groep van kwetsbare mensen in de vier grote steden. Met dat laatste willen de steden een nieuwe instroom in de maatschappelijke opvang voorkomen (preventie). Bij de voorbereiding van de tweede fase van het plan zal het Ministerie van VWS de G4 ondersteunen. In het kader van de tweede fase wordt een kosten-batenanalyse opgesteld. Doel daarvan is om inzichtelijk te maken tot welke baten of kostenbesparingen het beleid voor maatschappelijke opvang leidt.

•  Longitudinaal onderzoek

Meer en meer komt het effect van de maatschappelijke opvang op langere termijn centraal te staan. Daarbij gaat het om het zoveel mogelijk stimuleren van maatschappelijke participatie. Projecten en evenementen als de «Social Inclusion Games» of de «Dutch Homeless Cup» zijn daarvan een illustratie. Er is ook een grotere behoefte aan antwoord op de vraag «wat werkt voor wie in de maatschappelijke opvang». In 2011 wordt de eerste deelrapportage van het longitudinaal onderzoek opgeleverd (€ 0,3 miljoen). Gedurende vijf jaar wordt een representatieve groep daklozen gevolgd. De focus ligt bij het perspectief van de dakloze zelf.

•  Zwerfjongeren

In het kader van de aanpak zwerfjongeren (kamerstuk 29 325 nr. 36) worden samen met de VNG, het IPO en andere partijen diverse activiteiten ontplooid om centrumgemeenten maatschappelijke opvang, die bij genoemde aanpak de regie voeren, beter toe te rusten tot het opvangen en begeleiden van zwerfjongeren. Belangrijk aandachtspunt is de aansluiting tussen de jeugdzorg en maatschappelijke opvang. Met alle betrokken partijen wordt momenteel gewerkt aan praktische instrumenten zoals handleidingen. Vervolgens kan in 2011 implementatie plaatsvinden (€ 0,5 miljoen).

Instrumenten Beschermd en Weerbaar

•  Beschermd en Weerbaar

Meer dan 40% van de Nederlandse bevolking heeft ooit in zijn of haar leven te maken gehad met huiselijk geweld. Jaarlijks zijn naar schatting tussen de 160 000 en 200 000 personen slachtoffer van huiselijk geweld en kindermishandeling. De beleidsbrief «Beschermd en Weerbaar» (kamerstuk 28 345 nr. 90) geeft de inzet en richting aan voor het vergroten van de bescherming en de weerbaarheid van slachtoffers van geweld in afhankelijkheidsrelaties.

Er is de afgelopen tijd veel bereikt. Er is bijvoorbeeld meer capaciteit ingezet voor steunpunt huiselijk geweld, het aantal ambulante hulptrajecten is fors toegenomen, het aantal plaatsen vrouwenopvang uitgebreid, een verklaring tegen meisjesbesnijdenis is beschikbaar en een verbeterplan voor de vrouwenopvang wordt uitgevoerd.

In het vroege najaar van 2010 zal het advies van de commissie «Stelsel onderzoek vrouwenopvang» verschijnen. Op grond daarvan zal besluitvorming plaatsvinden over het toekomstige stelsel van vrouwenopvang. Daarvoor zullen de voor 2011 en latere jaren nog vrij beschikbare middelen uit hoofde van «Beschermd en Weerbaar» worden aangewend (€ 9,8 miljoen). Het onderzoek gaat onder meer in op de vraag wie verantwoordelijk is voor hulp en opvang van specifieke groepen, zoals mannelijke en minderjarige slachtoffers van geweld, alsmede naar de gevolgen van de verbreding van de functie van vrouwenopvang. In afwachting hiervan worden de pilots «veilige opvang voor meisjes met eergerelateerde dreiging» (€ 1,6 miljoen) en «mannelijke slachtoffers van geweld in afhankelijkheidsrelaties» tot eind 2011 verlengd (€ 1,2 miljoen).

Ter voorkoming van genitale verminking van meisjes wordt kennis uit de pilots «Vrouwelijke Genitale Verminking» (VGV) over de preventieve aanpak onder alle gemeenten en de jeugd gezondheidszorg verspreid. GGD-Nederland ontvangt hiervoor in 2011 subsidie. Daarnaast worden Federatie Somalische Associaties Nederland (FSAN) en de Vluchtelingen Organisaties Nederland (VON) voor hun landelijke campagne «Nee tegen VGV» gesubsidieerd (€ 1,3 miljoen).

•  Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling

Naast het beschermen van slachtoffers, ligt er ook een verantwoordelijkheid bij professionals om geweld te signaleren en op basis daarvan te handelen. Dit gebeurt op dit moment onvoldoende. Om professionals in staat te stellen risico’s op geweld vroegtijdig te signaleren, zodat geweld kan worden voorkomen of zo snel mogelijk wordt gestopt, wordt het gebruik van een meldcode verplicht gesteld. In 2011 wordt het wetsvoorstel meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling aan de Tweede Kamer aangeboden. De wet gaat organisaties verplichten om over een meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling te beschikken en kennis hierover onder de medewerkers te bevorderen. Een meldcode is een stappenplan dat professionals doorlopen bij signalen van geweld. De wet gaat voor professionals gelden in onder meer de sectoren: gezondheidszorg, jeugdzorg, onderwijs en welzijn (in totaal meer dan 1 miljoen professionals).

De steunpunten worden in 2011 voorbereid op hun voorgenomen extra taak als meldpunt huiselijk geweld. Tevens ondersteunt het kabinet de betrokken sectoren bij invoering van deze wet door een implementatietraject (€ 2 miljoen).

•  Slachtoffers van mensenhandel

Het Rijk stelt gedurende twee jaar 50 extra plekken beschikbaar voor de categorale opvang van slachtoffers van mensenhandel (€ 1,2 miljoen). Daar wordt hen de nodige rust, veiligheid en juridische ondersteuning geboden. Intussen zal het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het Ministerie van Justitie in 2011 juridisch onderzoek verrichten naar de wettelijke mogelijkheden voor het organiseren van structurele opvang voor deze slachtoffers.

44.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid
Overzicht beleidsonderzoeken
 

Onderzoek onderwerp

Nummer

AD of OD

A Start

B Afgerond

Beleidsdoorlichting

  
    

Effectonderzoek ex post

Evaluatie Wmo

Alle doelstellingen

A 2010

B 2013

 

Evaluatie Kennisinstituten

44.3.1

A 2007

B 2011

 

Evaluatie Beleidsbrief Voor Elkaar

44.3.2

A 2010

B 2011

 

Interdepartementaal onderzoek naar de gelijke behandeling van mensen met een beperking (VWS is coördinerend departement).

44.3.3

    

Overig evaluatieonderzoek

Tijdsbestedingsonderzoek Monitor vrijwilligerswerk SCP

44.3.2

A 2010

B 2011

 

Deelname aan vrijwilligerswerk, POLS (CBS)

44.3.2

A 2010

B 2011

 

Tijdsbestedingsonderzoek Monitor vrijwilligerswerk SCP

44.3.2

A 2010

B 2011

 

Longitudinaal onderzoek daklozen

44.3.4

A 2010

B 2014

Artikel 46 Sport
46.1 Algemene beleidsdoelstelling

Een sportieve samenleving waarin zowel veel aan sport wordt gedaan als van sport wordt genoten.

Belangrijkste beleidsonderwerpen 2011

Belangrijkste beleidsonderwerpen 2011

Sport is een bindende factor in de samenleving, omdat het bijdraagt aan belangrijke doelen op het terrein van gezondheid, veiligheid, ontwikkeling van wederzijds respect, integratie, maatschappelijke binding en excelleren van talent. Sport heeft bovenal een belangrijke intrinsieke waarde: het is leuk om te doen en om bij betrokken te zijn als vrijwilliger of supporter.

Medio 2009 is een visie op het Olympisch Plan 2028 van NOC*NSF uiteen gezet in het kabinetsstandpunt «Uitblinken op alle niveaus» (kamerstuk 30 234 nr. 25). Het doel van het Olympisch Plan 2028 (bijlage bij kamerstuk 30 234 nr. 25) is heel Nederland naar Olympisch niveau te brengen: niet alleen in de sport, maar op velerlei gebied. Dit is vastgelegd in vijf ambities:

  • Talentvol Nederland;

  • Meedoen in Nederland;

  • Vitaal Nederland;

  • De kaart van Nederland;

  • Nederland in beeld.

De belangrijkste beleidsonderwerpen in 2011 zijn:

  • Versterken en verankeren van de samenwerking met alle partijen die betrokken zijn bij het Olympisch Plan 2028 (46.3);

  • Stimuleren van beweging en een actieve leefstijl, met speciale aandacht voor de jeugd en chronisch zieken (46.3.1);

  • Versterken van sportverenigingen met oog op hun maatschappelijke functie en hun inzet voor de Impuls Brede Scholen, Sport en Cultuur (46.3.2);

  • Stimuleren dat gehandicapten meer sporten en bewegen (46.3.2);

  • Bevorderen van sportiviteit en respect door middel van sport (46.3.2);

  • Mogelijk maken dat talenten kunnen excelleren op internationaal niveau (46.3.3).

Ministeriële verantwoordelijkheid

Ministeriële verantwoordelijkheid

De bewindspersonen van VWS zijn ministerieel verantwoordelijk voor:

  • Het bevorderen van een actieve en daarmee gezonde leefstijl van de burger door voorlichting te geven en kennis te verspreiden;

  • Het aanzetten van partijen in verschillende sectoren van de maatschappij tot het ontwikkelen van activiteiten die ertoe leiden dat mensen (meer) gaan sporten en bewegen en dat minder mensen inactief zijn;

  • Het ontwikkelen van programma’s en het stimuleren van activiteiten die ertoe leiden dat mensen door middel van sport meedoen aan maatschappelijke activiteiten en zich daarbij sportief gedragen;

  • Het scheppen van voorwaarden voor topsporters in Nederland waardoor zij op verantwoorde en professionele wijze aan topsport kunnen doen.

Externe factoren

Externe factoren

Voor een succesvolle uitvoering van het beleid is de inzet van veel verschillende partijen essentieel. Met deze partijen werkt het kabinet dan ook intensief samen op de verschillende beleidsdoelstellingen. De sportsector zelf bestaat uit een wijd vertakt netwerk van zeer diverse organisaties, opgericht en in stand gehouden door burgers zelf. De sportbeoefening, zowel in de top als op recreatief niveau, wordt voor een belangrijk deel mogelijk gemaakt door deze private organisaties. Een belangrijke positie wordt ingenomen door de gemeenten. Zij zijn verantwoordelijk voor het lokale sportbeleid, waaronder het accommodatiebeleid. Een steeds belangrijker rol is weggelegd voor scholen en organisaties in de naschoolse opvang. Ook wordt gebruik gemaakt van kennisinstituten en onderzoeksinstellingen bij de uitvoering van het beleid. Vanzelfsprekend werkt VWS bij de uitvoering van het beleid eveneens samen met andere departementen.

Prestatie-indicatoren

Prestatie-indicatoren

De voortgang van het beleid wordt gemeten met de volgende indicator:

Indicator
 

2003

2007

Streefwaarde 2011

1. Percentage van de Nederlandse bevolking dat minimaal twaalf keer per jaar aan sport doet

60%

65%

65%

Bron & toelichting

1. Het Aanvullend Voorzieningengebruik Onderzoek, dat eens in de vier jaar door het Sociaal en Cultureel Planbureau wordt uitgevoerd. Het eerstvolgende onderzoek vindt plaats in 2011. Deze indicator geeft aan hoe sportief de Nederlandse samenleving is.

46.2 Budgettaire gevolgen van beleid
46.2.1 Begrotingsuitgaven
Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verplichtingen

90 994

54 503

110 594

112 155

124 009

127 694

127 648

        

Uitgaven

113 366

117 449

138 545

125 778

128 235

128 271

128 271

        

Programma-uitgaven

110 876

115 050

136 385

123 774

126 231

126 267

126 267

1. Mensen sporten en bewegen meer voor hun gezondheid

15 412

19 607

30 230

24 181

24 349

24 385

24 385

2. Via de sport ontmoeten mensen elkaar, doen mensen mee aan maatschappelijke activiteiten en gaan mensen respectvol met elkaar om

59 810

60 593

71 229

70 479

72 369

72 369

72 369

3. De topsport in Nederland staat symbool voor ambitie, is een bron van ontspanning en draagt bij aan ons nationale imago in binnen- en buitenland

35 654

34 850

34 926

29 114

29 513

29 513

29 513

        

Apparaatsuitgaven

2 490

2 399

2 160

2 004

2 004

2 004

2 004

        

Ontvangsten

2 176

1 370

870

870

870

870

870

Budgetflexibiliteit begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

1. Mensen sporten en bewegen meer voor hun gezondheid

30 230

24 181

24 349

24 385

24 385

– Juridisch verplicht

16 229

3 382

2 677

1 597

1 017

– Bestuurlijk gebonden

10 000

5 000

0

0

0

– Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden

4 001

15 799

21 672

22 788

23 368

      

2. Via de sport ontmoeten mensen elkaar, doen mensen mee aan maatschappelijke activiteiten en gaan mensen respectvol met elkaar om

71 229

70 479

72 369

72 369

72 369

– Juridisch verplicht

20 455

11 774

6 492

5 576

5 526

– Bestuurlijk gebonden

32 591

37 191

37 691

37 691

37 691

– Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden

18 183

21 514

28 186

29 102

29 152

      

3. De topsport in Nederland staat symbool voor ambitie, is een bron van ontspanning en draagt bij aan ons nationale imago in binnen- en buitenland

34 926

29 114

29 513

29 513

29 513

– Juridisch verplicht

22 020

15 900

6 600

500

0

– Bestuurlijk gebonden

5 631

5 631

5 631

5 631

5 631

– Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden

7 275

7 583

17 282

23 382

23 882

Toelichting tabel budgetflexibiliteit begrotingsuitgaven

De bedragen die als «niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden» zijn opgenomen zijn beleidsmatig gereserveerd voor uitgaven op het terrein van de volgende operationele doelstellingen:

Operationele doelstelling 1

Betreft voor een belangrijk deel de reserveringen voor de implementatie van de Beweegkuur en voor vervolgbeleid op de lopende impuls «Nationaal Actieplan sport en bewegen», een en ander in het kader van de ambitie «Vitaal Nederland» binnen het Olympisch Plan 2028.

Operationele doelstelling 2

Betreft de reserveringen voor vervolgbeleid op de programma’s «Meedoen jeugd door sport», «Masterplan Arbitrage», «Sportiviteit & respect», «Gehandicaptensport» en het beleidskader «Sport, bewegen en onderwijs», een en ander in het kader van de ambitie «Meedoen in Nederland» binnen het Olympisch Plan 2028.

Operationele doelstelling 3

Betreft reserveringen voor vervolgbeleid op de programma’s «Talentontwikkeling», «Topsportevenementen», «Versterken topsportprogramma’s», «Sportmedische begeleiding» en «Kennis en innovatie», een en ander in het kader van de ambities «Talentvol Nederland» binnen het Olympisch Plan 2028.

46.3 Operationele doelstellingen

Er zijn drie operationele doelstellingen op het gebied van sport:

  • 1. Mensen sporten en bewegen meer voor hun gezondheid.

  • 2. Via de sport ontmoeten mensen elkaar, doen mensen mee aan maatschappelijke activiteiten en gaan mensen respectvol met elkaar om.

  • 3. De topsport in Nederland staat symbool voor ambitie, is een bron van ontspanning en draagt bij aan ons nationale imago in binnen- en buitenland.

46.3.1 Mensen sporten en bewegen meer voor hun gezondheid

Motivering

Motivering

In het dagelijkse leven zijn flinke lichamelijke inspanningen vrijwel verdwenen. Bewegingsarmoede en verkeerde voedingspatronen leiden tot gezondheidsproblemen. Sport en beweging dragen bij aan een actieve en gezonde leefstijl van het individu en zijn daardoor in het belang van een gezonde samenleving waaraan mensen zo lang mogelijk actief blijven meedoen.

Om burgers op grote schaal tot een actieve leefstijl te verleiden, is een omslag nodig. Het Nationaal Actieplan Sport en Bewegen (NASB http://www.nasb.nl) geeft daaraan een grote impuls. Partijen in verschillende sectoren van de maatschappij worden ertoe aangezet activiteiten te ontwikkelen waardoor mensen meer gaan sporten en bewegen en minder mensen inactief zijn.

Het Ministerie van VWS wil bereiken dat:

  • Mensen meer sporten en bewegen en minder mensen inactief zijn;

  • Mensen op een gezonde en verantwoorde manier aan sport doen.

In het Olympisch Plan 2028 is de ambitie «Vitaal Nederland» opgenomen gericht op een actieve en gezonde leefstijl onder alle lagen van de bevolking. Met het Nationaal Actieplan Sport en Bewegen worden belangrijke stappen gezet op weg naar het realiseren van deze ambitie.

Geraamde begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

Instellingssubsidies/Structurele subsidies

229

217

217

217

217

Gezonde sportbeoefening

229

217

217

217

217

      

Decentralisatie-uitkering

10 000

5 000

0

0

0

Nationaal Actieplan Sport en Bewegen

10 000

5 000

0

0

0

      

Projectsubsidies/Opdrachten

20 001

18 964

24 132

24 168

24 168

Nationaal Actieplan Sport en Bewegen

5 035

13 632

18 798

18 891

18 891

Beweegkuur

10 900

0

0

0

0

Gezonde sportbeoefening

4 066

5 332

5 334

5 277

5 277

      

Totaal

30 230

24 181

24 349

24 385

24 385

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Prestatie-indicatoren

Prestatie-indicatoren

De voortgang van het beleid wordt gemeten met de volgende indicatoren:

Indicator
 

2004

2005

2006

2007

2008

2009

Streefwaarde 2012

1. Percentage van de Nederlandse bevolking (vanaf 18 jaar) dat voldoet aan de beweegnorm.

60%

63%

68%

64%

68%

68%

70%

2. Percentage jeugdigen (4 t/m 17 jaar) dat voldoet aan de beweegnorm.

45%

47%

46%

50%

3. Percentage van de Nederlandse bevolking (vanaf 18 jaar) dat inactief is.

8,2%

5,8%

5,3%

5,2%

6,1%

5,5%

5,0%

Bron & toelichting

De gegevens maken onderdeel uit van het standaardonderzoek Ongevallen en Bewegen in Nederland (OBiN), uitgevoerd door onder meer TNO. De realisatie van deze indicatoren wordt jaarlijks gemeten.

Deze indicatoren geven aan hoeveel Nederlanders voldoende bewegen voor hun gezondheid. Dit geeft een indicatie van de behaalde gezondheidswinst door sport.

Als beweegnorm wordt de zogenaamde «combinorm» gehanteerd. Men voldoet aan die norm als men voldoet aan de Nederlandse Norm Gezond Bewegen (NNGB) en/of de Fitnorm. De NNBG vereist minimaal 30 minuten matig intensief bewegen op minstens 5 dagen per week. Voor de jeugd tot 18 jaar is dit 60 minuten op zeven dagen per week. De Fitnorm vereist minimaal 20 minuten intensief bewegen (sport of fitness) op minstens 3 dagen per week.

Instrumenten voor het stimuleren van lichaamsbeweging en het tegen gaan van inactiviteit

•  Nationaal Actieplan Sport en Bewegen (NASB)

Doel van het NASB is om gezonde lichaamsbeweging te stimuleren en inactiviteit tegen te gaan bij verschillende specifieke doelgroepen, waarbij bijzondere aandacht wordt geschonken aan de jeugd. Hiervoor zijn subsidies en uitkeringen beschikbaar (totaal € 15,0 miljoen) op alle relevante aandachtsgebieden van het Nationaal Actieplan Sport en Bewegen: wijk, school, werk, zorg en sport. Waarbij tevens wordt aangesloten op de afspraken met de minister van WWI en de G4 over de Gezonde Wijken.

Via de Impuls NASB worden in ongeveer 100 gemeenten burgers die te weinig actief zijn gestimuleerd meer te gaan bewegen, via succesvol gebleken sport- en beweegaanbod in de eigen woonomgeving. Van 2008 tot en met 2014 investeren de rijksoverheid en de deelnemende gemeenten hierin gezamenlijk € 76,0 miljoen. De 1e tranche is in 2008 van start gegaan, gevolgd door de 2e tranche in 2010. In 2011 zal hiervoor een budget van € 10,0 miljoen worden overgeboekt naar de begroting van het Gemeentefonds.

Daarnaast wordt fors ingezet op het terugdringen van de bewegingsarmoede bij jeugdigen. Onder meer door middel van een bijdrage aan het Beleidskader Sport, Bewegen en Onderwijs, waarmee sport en bewegen in het MBO wordt gestimuleerd. Deze bijdrage, van € 1,5 miljoen in 2011, is opgenomen onder operationele doelstelling 46.3.2.

Voor het terugdringen van de bewegingsarmoede is het ook van belang dat de omgeving voldoende uitnodigt tot bewegen. In de tweede helft van 2010 is in een zestal gemeenten gestart met pilots om kennis en ervaring op te doen met een beweegvriendelijke omgeving. Deze pilots lopen door in 2011 en 2012.

Het beleid wordt ondersteund door diverse campagnes, waaronder de leefstijlcampagne «30 minuten bewegen», die vanaf 2011 wordt voortgezet in andere campagnes (als «Gezond eten en bewegen»), die zijn opgenomen in het Programma «Landelijke Leefstijlcampagnes» binnen operationele doelstelling 41.3.1. Daartoe is voor 2011 € 0,8 miljoen overgeheveld naar artikel 41.

•  Beweegkuur

Verdere ervaring wordt opgedaan met het door de huisarts doorverwijzen van patiënten met Diabetes type II (of een verhoogd risico op het krijgen daarvan) naar een leefstijladviseur. De leefstijladviseur selecteert voor de patiënt een passend beweegprogramma, waarbij de patiënt maximaal één jaar wordt begeleid. Daarnaast worden voorbereidingen getroffen voor een mogelijke opname van de Beweegkuur in het verzekerde pakket per 1-1-2012. Voor deze activiteiten is in 2011 € 10,9 miljoen beschikbaar. Zie ook 41.3.1 en 42.3.3.

•  Gezonde sportbeoefening

Voor dit doel worden activiteiten ondersteund op het gebied van de opleiding van sportartsen, het verbeteren van de kwaliteit van de sportgeneeskunde, blessurepreventie en het verzamelen en verspreiden van kennis en informatie over gezonde sportbeoefening. Hiertoe worden subsidies en opdrachten verstrekt aan diverse instellingen (€ 4,3 miljoen).

De activiteiten voor blessurepreventie zijn ondergebracht op operationele doelstelling 41.3.3 (het voorkomen van gezondheidsschade door ongevallen). Daartoe is een bedrag van € 0,9 miljoen overgeheveld naar artikel 41.

46.3.2 Via de sport ontmoeten mensen elkaar, doen mensen mee aan maatschappelijke activiteiten en gaan mensen respectvol met elkaar om

Motivering

Motivering

Sport is van grote maatschappelijke betekenis. Sport is een bindende factor in de samenleving. In (breedte)sport komen aspecten als gezondheid, veiligheid, ontwikkelen van wederzijds respect, integratie en maatschappelijke binding bijeen. In het kader van de Impuls Brede Scholen, Sport en Cultuur wordt daarom geïnvesteerd in combinatiefuncties, waardoor ook sportverenigingen worden versterkt.

Het Ministerie van VWS wil bereiken dat:

  • Mensen meedoen aan sportactiviteiten op lokaal niveau;

  • Verenigingen aantrekkelijk zijn voor grote groepen sporters en vrijwilligers en hun maatschappelijke taken kunnen uitoefenen;

  • Jongeren meedoen in de samenleving door middel van sport;

  • Mensen zich sportief gedragen en (spel)regels respecteren;

  • Sport benut wordt om bij te dragen aan armoedebestrijding, welzijn en vredesopbouw in ontwikkelingslanden.

De activiteiten in het kader van deze doelstelling dragen bij aan het realiseren van de ambitie «Meedoen in Nederland« van het Olympisch Plan 2028. Die ambitie beoogt dat sport voor iedereen in Nederland toegankelijk is en dat steeds meer mensen door sport meedoen aan de samenleving.

De activiteiten gericht op sport en onderwijs dragen bij aan de ambitie «Talentvol Nederland» en de inspanningen op het gebied van ontwikkelingssamenwerking en van internationale samenwerking zorgen er mede voor dat «Nederland in beeld» komt.

Geraamde begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

Instellingssubsidies/Structurele subsidies

5 834

5 526

5 526

5 526

5 526

Sportdeelname gehandicapten

1 000

947

947

947

947

Kennis en informatie

3 582

3 393

3 393

3 393

3 393

Dopingbestrijding

1 252

1 186

1 186

1 186

1 186

      

Specifieke uitkeringen

2 047

0

0

0

0

BOS-regeling

2 047

0

0

0

0

      

Decentralisatie-uitkering

21 334

28 334

28 334

28 334

28 334

Impuls Brede Scholen, Sport en Cultuur

21 334

28 334

28 334

28 334

28 334

      

Projectsubsidies/Opdrachten

42 014

36 619

38 509

38 509

38 509

Sport en onderwijs

4 457

3 256

3 956

3 956

3 956

Sportdeelname gehandicapten

2 673

2 046

1 706

1 706

1 706

Meedoen jongeren door sport

13 811

13 811

13 811

13 811

13 811

Sportiviteit en respect

2 694

1 994

2 694

2 694

2 694

Sport en participatie

700

700

200

200

200

Compensatie energiebelasting

8 257

8 857

9 357

9 357

9 357

Georganiseerde sport

5 457

3 325

3 325

3 325

3 325

Emancipatie en Integratie

300

0

150

150

150

Koninkrijksband en Internationale Samenwerking

750

1 250

1 350

1 350

1 350

Dopingbestrijding

326

302

482

482

482

Sport en ontwikkelingssamenwerking

1 500

0

0

0

0

Kennis en informatie

1 089

1 078

1 478

1 478

1 478

      

Totaal

71 229

70 479

72 369

72 369

72 369

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Prestatie-indicatoren

Prestatie-indicatoren

De voortgang van het beleid wordt gemeten met de volgende indicatoren:

Indicator
 

1995

1999

2000

2003

2007

Streefwaarde 2011

1. Percentage van de Nederlandse bevolking dat lid is van een sportvereniging

36%

35%

35%

34%

38%

2. Percentage van de Nederlandse bevolking dat als vrijwilliger in de sport actief is

13%

8%

11%

10%

13%

Bron & toelichting

1. Aanvullend Voorzieningengebruik Onderzoek, dat eens in de vier jaar door het Sociaal en Cultureel Planbureau wordt uitgevoerd. Het eerstvolgende onderzoek vindt plaats in 2011. Deze indicator geeft aan hoeveel Nederlanders lid zijn van een sportvereniging. Dat is een indicatie van meedoen in de maatschappij.

2. Aanvullend Voorzieningengebruik Onderzoek, dat eens in de vier jaar door het Sociaal en Cultureel Planbureau wordt uitgevoerd. Het eerstvolgende onderzoek vindt plaats in 2011. Deze indicator geeft aan hoeveel Nederlanders als vrijwilliger actief zijn binnen de sport. Dat is een indicatie van meedoen in de maatschappij.

Instrumenten ter bevordering van deelname aan sportactiviteiten op lokaal niveau

•  Sport en onderwijs

Samen met de partners uit de onderwijs- en sportsector, de naschoolse opvang en de gemeenten wordt ingezet op structurele samenwerking tussen sport en onderwijs, het creëren van een doorlopend sport- en beweegaanbod en uiteindelijk de toename in sport en beweging door de jeugd (€ 4,5 miljoen).

Onder meer met het beleidskader Sport, Bewegen en Onderwijs wordt gestreefd naar meer sportdeelname en beweging door de schoolgaande jeugd. In het beleidskader is prioriteit gegeven aan het middelbaar beroepsonderwijs en aan het verminderen van schooluitval door sport.

Daarnaast wordt geïnvesteerd in de ondersteuning van sportverenigingen en gemeenten bij de uitvoering van de Impuls Brede Scholen, Sport en Cultuur.

•  Impuls Brede Scholen, Sport en Cultuur

Via deze impuls, die VWS in samenwerking met het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) uitvoert, worden binnen gemeenten professionals aangesteld in combinatiefuncties. Daarmee zijn deze professionals werkzaam op verschillende terreinen. Hierdoor worden sportverenigingen versterkt met het oog op hun maatschappelijke functie.

In 2011 gaat de 4e tranche van start met de laatste 226 gemeenten. Zij moeten 297 fte aan combinatiefuncties realiseren. Binnen de gemeenten uit de eerste 3 tranches moeten in 2011 ruim 1 155 fte combinatiefuncties gerealiseerd worden.

De middelen worden via het Gemeentefonds in de vorm van decentralisatie-uitkeringen aan de gemeenten beschikbaar gesteld (€ 21,3 miljoen). Vanaf het tweede jaar van deelname nemen de gemeenten 60% van de financiering voor hun rekening.

•  Sportdeelname gehandicapten

Doel is om de sportparticipatie van gehandicapten te bevorderen (€ 3,7 miljoen). Gehandicaptensport Nederland richt zich op het creëren van structureel sportaanbod in 25 à 30 woonvoorzieningen voor mensen met een verstandelijke handicap en op het stimuleren van een actief beweegbeleid in alle woonvoorzieningen.

Gezamenlijk richten Gehandicaptensport Nederland en NOC*NSF zich op het stimuleren van sport in het speciaal onderwijs. Gehandicaptensport Nederland biedt via 24 Regionale Expertise Centra de beweeginterventies Special Heroes, SportMix en ClubExtra aan bij de aangesloten scholen. NOC*NSF biedt, in samenwerking met sportbonden en 400 sportverenigingen, een aangepast sportaanbod voor leerlingen uit het speciaal onderwijs binnen de reguliere sport.

In samenwerking met Gehandicaptensport Nederland en het Fonds Gehandicaptensport wordt gewerkt aan een structurele financiering van de Vervoersregeling voor gehandicapte (team)sporters.

•  Buurt, Onderwijs en Sport (BOS)

Door middel van samenwerking op lokaal niveau tussen buurt, onderwijs en sport (BOS) wordt gestimuleerd om door middel van sport achterstanden van jeugdigen op het gebied van gezondheid, sport en participatie tegen te gaan (€ 2,0 miljoen). Deze specifieke uitkering voor wijkgerichte projecten loopt eind 2011 af. Een gezamenlijke evaluatie van de Breedtesportimpuls en de BOS-regeling is/wordt aan de Kamer aangeboden.

Instrumenten voor het aantrekkelijk maken van verenigingen voor grote groepen sporters en vrijwilligers

•  Vernieuwing lokaal sportaanbod

In 15 «Proeftuinen Nieuwe Sportmogelijkheden» wordt ervaring opgedaan met vernieuwende vormen van sportaanbod. Bij dit programma, dat uitgevoerd wordt onder leiding van NOC*NSF en loopt tot medio 2011, zijn ruim 100 sportverenigingen, 17 sportbonden, 12 provinciale sportraden en vele andere partijen betrokken (€ 2,3 miljoen). Na afloop van dit programma is het aan de sport om de opgedane ervaring vast te houden en breder te implementeren.

•  Versterken sportverenigingen

Er zijn middelen beschikbaar voor het toerusten van sportverenigingen voor het uitvoeren van hun maatschappelijke taken. Daartoe is een subsidie verstrekt aan NOC*NSF (€ 2,5 miljoen).

•  Kennis en informatie

Doel is om de kennis van en de informatie over de sport te vergroten en te verspreiden. Daartoe worden subsidies verstrekt aan het Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen en aan het Mulier Instituut (€ 4,7 miljoen).

•  Compensatie energiebelasting

Er worden bijdragen verstrekt aan sportorganisaties om de kosten van sportverenigingen als gevolg van de energiebelasting (de ecotax) gedeeltelijk te compenseren (€ 8,3 miljoen).

Instrument ter bevordering van deelname van jongeren in de samenleving door middel van sport

•  Meedoen jongeren door sport

Het doel is om de sportdeelname van jongeren te bevorderen (€ 13,8 miljoen). Daarbij is vooral aandacht voor jongeren in achterstandsposities zoals sociaal uitgesloten jongeren en jongeren met gedragsproblemen. Het is belangrijk dat deze jongeren kunnen deelnemen aan sport en daarnaast kan sport een positieve bijdrage leveren aan hun ontwikkeling.

De Impuls Brede Scholen, Sport en Cultuur en het Beleidskader Sport, bewegen en Onderwijs dragen ook bij aan de bevordering van sportdeelname van jongeren.

Instrument voor het sportieve gedrag van mensen en het respecteren van de (spel)regels

•  Sportiviteit en respect

Sport kan een sportieve en (sociaal) veilige omgeving bieden, waar mensen elkaar met respect behandelen. Dit wordt onder meer nagestreefd door de uitvoering van het «Masterplan Arbitrage» door NOC*NSF en 26 sportbonden alsmede door de uitvoering van het programma «Sportiviteit en Respect» door 11 sportbonden (totaal € 2,7 miljoen).

Instrument voor het benutten van sport voor ontwikkelingssamenwerking

•  Sport en ontwikkelingssamenwerking

Van 2009 tot en met 2011 wordt geïnvesteerd in sportprojecten in een tiental landen: Burkina Faso, Bhutan, Mozambique, Guatemala, Zambia, Suriname, Zuid-Afrika, Kenia, Senegal en Indonesië. Daarbij wordt gebruik gemaakt van Nederlandse sport- en ontwikkelingssamenwerking organisaties die hun kennis en ervaring overdragen aan locale organisaties, naargelang de behoefte in de betreffende landen (€ 1,5 miljoen).

Instrumenten voor internationale samenwerking

•  Tegengaan van dopinggebruik

Dopinggebruik tast het grondbeginsel van fair play aan en leidt bovendien tot gezondheidsrisico’s voor de sporters. Voor het tegengaan van dopinggebruik worden subsidies verleend aan (inter)nationale antidopingorganisaties (€ 1,6 miljoen).

•  Koninkrijksband en internationale samenwerking

Ter versterking van de Koninkrijksband vinden elke twee jaar, in de oneven jaren, de Koninkrijksspelen voor de jeugd plaats.

In Europees verband blijft de behoefte aan meer rechtszekerheid voor de sport aanwezig. Voor sportorganisaties is het vaak onvoldoende duidelijk of sportregels wel of niet verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht. Het kan nog jaren duren voordat de Europese Commissie of het Europese Hof zich over een casus uitspreekt. Dit zet de organisaties van professionele sporten onder druk. Daarom blijft Nederland in nauwe samenwerking met enkele andere lidstaten dit onderwerp hoog op de agenda plaatsen (totaal € 0,8 miljoen).

46.3.3 De topsport in Nederland staat symbool voor ambitie, is een bron van ontspanning en draagt bij aan ons nationale imago in binnen- en buitenland

Motivering

Motivering

Het huidige beleid ondersteunt de top tien ambitie van de sport om Nederland een plaats te laten verwerven en behouden in de internationale top tien landenklassering. Daarvoor moeten Nederlandse sporters goed presteren op Europese- en Wereldkampioenschappen en op de Olympische Spelen. Om in de top tien te blijven, zet de overheid de beschikbare middelen gericht in op de programma’s die de meeste meerwaarde hebben.

Om te kunnen concurreren met en te presteren binnen de internationale top zijn internationaal kwalitatief hoogwaardige sporttechnische programma’s essentieel voor het succes van onze sporters. Sporters moeten in staat gesteld worden om voltijds met hun sport bezig te zijn en moeten hierin goed begeleid worden. De rijksoverheid verliest hierbij het belang van de maatschappelijke carrière van de sporter niet uit het oog, onder meer door aandacht te schenken aan het verbeteren van de combinatie topsport en onderwijs.

Het topsportbeleid is «inclusief beleid», dat wil zeggen dat alle topsportprogramma’s beschikbaar zijn voor sporters met en zonder handicap. De prestaties van de Nederlandse gehandicaptensport blijven achter op die van de valide topsporters. Daarom is een top tien ambitie voor de Paralympische Spelen nu nog niet aan de orde.

De in het Olympisch Plan 2028 opgenomen ambities «Talentvol Nederland» en «Nederland in beeld» krijgen binnen deze operationele doelstelling een stevige impuls. Talentvolle sporters krijgen steeds meer mogelijkheden om te excelleren en door de organisatie van grote topsportevenementen laat Nederland aan de internationale (sport)wereld zien waar het toe in staat is. In dat opzicht zou de organisatie van het Wereldkampioenschap Voetbal in 2018 of 2022 in Nederland en België een belangrijke uitdaging zijn. Op 2 december 2010 besluit de FIFA over de toewijzing van deze toernooien. Als de keus voor één van beide toernooien op Nederland en België valt, ontstaat er een nieuwe situatie die nieuwe afwegingen vereist. Eventuele gevolgen voor de begroting 2011 zullen dan bij de besluitvorming rondom de Voorjaarsnota worden betrokken.

Geraamde begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

Instellingssubsidies/Structurele subsidies

5 631

5 631

5 631

5 631

5 631

Stipendiumregeling

5 631

5 631

5 631

5 631

5 631

      

Projectsubsidies/Opdrachten

29 295

23 483

23 882

23 882

23 882

Talentontwikkeling

11 121

10 763

11 163

11 163

11 163

Versterking topsportprogramma’s

4 500

4 500

4 500

4 500

4 500

Topsportevenementen

9 590

5 536

5 535

5 535

5 535

Sportmedische begeleiding

1 250

1 250

1 250

1 250

1 250

Kennis en Innovatie

2 834

1 434

1 434

1 434

1 434

      

Totaal

34 926

29 114

29 513

29 513

29 513

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Prestatie-indicatoren

Prestatie-indicatoren

De voortgang van het beleid wordt gemeten met de volgende indicatoren:

Indicator
 

Waarde

Peildatum

Streefwaarde

lange termijn

1. Positie van Nederland in de topsport landenklassering

9e plaats

Juli 2008

Positie bij de eerste tien (2012)

2. Positie van Nederland in de medaillespiegel van de Olympische Zomerspelen

12e plaats

Augustus 2008

Positie bij de eerste tien (2012)

3. Positie van Nederland in de medaillespiegel van de Olympische Winterspelen

10e plaats

Februari 2010

Positie bij de eerste tien (2014)

Bron & toelichting

De bronnen zijn de World Sports Nations Index van NOC*NSF en de Medaillespiegels van de meest recente Olympische Spelen. In de World Sports Nations Index zijn de uitslagen verwerkt van alle medaille-evenementen van de laatst gehouden Wereldkampioenschappen.

Deze prestatie-indicatoren geven aan in hoeverre Nederland erin slaagt om zich te scharen bij de top tien van topsportlanden.

Instrumenten ter bevordering van de topsport

•  Talentontwikkeling

Het doel is om het ontwikkelen van talenten te verbeteren en om talenten ook de laatste stap te laten zetten: het excelleren in internationale wedstrijden en competities. Dat gebeurt door projectplannen door de sportbonden uit te laten voeren, door meer specifieke talentcoaches in te zetten, door facilitaire ondersteuning door Olympische netwerken, door de combinatie van toptraining, onderwijs en wonen te verbeteren, door het steunen van vier Centra voor Topsport en Onderwijs (CTO’s) en door een bijdrage te leveren aan hoogwaardige internationale trainings- en wedstrijdprogramma’s in voorbereiding op de Olympische Spelen van 2012 in Londen en 2014 in Sochi (€ 11,1 miljoen).

Om de kennis en kunde die nodig is om Nederlandse sporters topprestaties te kunnen laten leveren op internationale podia te vergroten, wordt tevens geïnvesteerd in een hoogwaardig topsportcentrum op Papendal (€ 2,5 miljoen).

•  Topsportevenementen

Doel is om aansprekende topsportevenementen in Nederland te organiseren. Daarom zijn subsidies beschikbaar voor (sport)organisaties voor het verkrijgen en de organisatie van topsportevenementen in Nederland (€ 5,0 miljoen).

Het opbouwen van een track record op het terrein van evenementen is een belangrijke pijler van het Olympisch Plan 2028. In 2011 wordt € 1,0 miljoen geïnvesteerd in pilots rondom sportevenementen, waarbij bovendien aandacht is voor maatschappelijke en economische spin off van deze evenementen. Tevens is € 1,0 miljoen beschikbaar voor de organisatorische ondersteuning van het Olympisch Plan 2028. In aanvulling hierop zal het Ministerie van Economische Zaken in 2011 € 1,0 miljoen investeren op het gebied van Holland branding, toerisme, evenementen en innovatie.

•  Versterking topsportprogramma’s

Om de top tien ambitie waar te kunnen maken worden de topsportprogramma’s van NOC*NSF en de sportbonden versterkt. Dit betreft onder andere een verdere investering in wedstrijd- en trainingsprogramma’s, in de deelname aan internationale topsportevenementen, in de aanstelling van topcoaches en in kwaliteitsmanagement (€ 4,5 miljoen).

•  Stipendiumregeling en Onkostenvergoeding

Deze regeling is bedoeld voor het uitkeren van een stipendium en een onkostenvergoeding aan A-topsporters en nationale toptalenten met een inkomen dat lager is dan het minimumloon, zodat zij zich vrij kunnen maken voor hun sportcarrière (€ 5,6 miljoen). De bijdrage wordt verstrekt aan het Fonds voor de Topsporter.

•  Sportmedische begeleiding

Het doel is het aanbod van de topsportmedische zorg in Nederland te verbeteren en te vergroten zodat topsporters goede en verantwoorde sportmedische begeleiding kunnen krijgen. Daartoe wordt subsidie verstrekt aan NOC*NSF (€ 1,3 miljoen).

•  Kennis en innovatie

Het doel is om grensverleggende innovatieve toepassingen voor de sport te ontwikkelen. Daartoe worden subsidies verstrekt aan InnoSportNL en NOC*NSF (€ 2,8 miljoen).

46.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid
Overzicht beleidsonderzoeken
 

Onderzoek onderwerp

Nummer AD of OD

A Start

B Afgerond

Beleidsdoorlichting

Uitvoering Sportbeleid

46.1

A 2009

B 2011

    

Effectonderzoek ex post

Eindevaluatie uitvoering sportprogramma

46.1

A 2009

B 2011

 

Verkenning Maatschappelijke Kosten en Baten van evenementen en Olympische Spelen

46.3.3

A 2010

B 2011

    

Overig evaluatieonderzoek

Onderzoek Ongevallen en Bewegen in Nederland (OBiN)

46.3.1

Doorlopend

 

Topsportklimaatonderzoek

46.3.3

Doorlopend

Artikel 47 Oorlogsgetroffenen en Herinnering Wereldoorlog II
47.1 Algemene beleidsdoelstelling

De erfenis van WO II is afgewikkeld en mensen beseffen, mede op basis van de gebeurtenissen uit WO II, wat het betekent om in vrijheid te kunnen leven.

Belangrijkste beleidsonderwerpen 2011

Belangrijkste beleidsonderwerpen 2011

Op het terrein van de «erfenis» van de Tweede Wereldoorlog is continuïteit en toekomstbestendigheid belangrijk.

Voor 2011 ligt de nadruk op de volgende beleidsinitiatieven:

  • Overdracht per 1 januari 2011 van het cliëntbeheer van de Pensioen- en uitkeringsraad (PUR) naar de Sociale Verzekeringsbank (SVB) op grond van de inwerkingtreding van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (47.3.1). Met de brief van 25 januari 2010 (kamerstuk 20 454 nr. 98) is de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang van dit traject.

  • Overdracht naar het Nationaal Comité 4 en 5 mei van een aantal uitvoerende departementale taken, gericht op het mogelijk maken dat er blijvend betekenis wordt gegeven aan de herinnering aan de gebeurtenissen uit de periode van de Tweede Wereldoorlog (47.3.2). Met bovengenoemde brief is de Tweede Kamer ook hierover geïnformeerd.

  • Voorzitterschap 2011/2012 van de Task Force for International Cooperation on Holocaust Education, Remembrance and Research (ITF) – een organisatie met intussen 27 aangesloten landen – in nauwe samenwerking met het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Het voorzitterschap wordt voorbereid samen met de huidige (Israël) en vorige (Noorwegen) voorzitter.

Ministeriële verantwoordelijkheid

Ministeriële verantwoordelijkheid

De bewindspersonen van VWS zijn ministerieel verantwoordelijk voor:

  • Het actueel houden en het adequaat doen laten toepassen van de wet- en regelgeving voor oorlogsgetroffenen. Wijzigingen kunnen noodzakelijk zijn in verband met bijvoorbeeld de wijziging van wetgeving op andere terreinen;

  • Het toezicht op vier zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s), namelijk de PUR, de SVB, de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië (CAOR) en Stichting Afwikkeling Rechtsherstel Sinti en Roma (SARSR);

  • De (financiering van de) (organisatorische) infrastructuur die het mogelijk maakt de herinnering van WO II blijvend betekenis te geven.

Externe factoren

Externe factoren

Daling van de werklast door demografische oorzaken raakt de instellingen voor materiële en immateriële hulp, zoals de PUR en de begeleidende instellingen. Het is van groot belang dat, ondanks deze daling, de uitvoeringsorganen in deze fase doelmatig en effectief blijven functioneren en in die zin toekomstbestendig zijn. Voor de PUR is dit geborgd door overheveling van het cliëntbeheer naar de SVB in 2011.

Bewustwording over de betekenis van vrijheid in relatie tot WO II is onder meer afhankelijk van actuele maatschappelijke ontwikkelingen en kan niet direct door VWS worden beïnvloed.

Prestatie-indicatoren

Prestatie-indicatoren

Bij de algemene doelstelling is geen prestatie-indicator opgenomen, omdat de doelstelling verschillende uiteenlopende elementen bevat, die zich moeilijk in één indicator laten weergeven.

47.2 Budgettaire gevolgen van beleid
Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verplichtingen

388 737

377 569

357 712

340 731

323 963

307 134

291 437

        

Uitgaven

397 382

378 334

358 141

341 110

323 963

307 134

291 437

        

Programma-uitgaven

396 045

377 252

357 388

340 357

323 210

306 381

290 684

1. Een kwalitatief goed en doelmatig stelsel van materiële en immateriële hulpverlening aan oorlogsgetroffenen WO II in een situatie van afnemende vraag

377 170

368 075

348 466

331 435

314 288

297 459

281 762

2. De herinnering aan WO II blijft levend en veel mensen – waaronder jeugdigen – zijn zich van bewust van de betekenis van WO II

18 875

9 177

8 922

8 922

8 922

8 922

8 922

        

Apparaatsuitgaven

1 337

1 082

753

753

753

753

753

        

Ontvangsten

2 360

0

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

1. Een kwalitatief goed en doelmatig stelsel van materiële en immateriële hulpverlening aan oorlogsgetroffenen WO II in een situatie van afnemende vraag

348 466

331 435

314 288

297 459

281 762

– Juridisch verplicht

346 941

321 099

301 933

285 104

269 407

– Bestuurlijk gebonden

987

9 798

11 817

11 817

11 817

– Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden

538

538

538

538

538

      

2. De herinnering aan WO II blijft levend en veel mensen – waaronder specifieke doelgroepen waaronder jeugdigen – zijn zich van bewust van de betekenis van WO II

8 922

8 922

8 922

8 922

8 922

– Juridisch verplicht

8 922

0

0

0

0

– Bestuurlijk gebonden

0

8 922

8 922

8 922

8 922

– Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden

0

0

0

0

0

47.3 Operationele doelstellingen

Er zijn twee operationele doelstellingen voor dit beleidsterrein:

  • 1. Een kwalitatief goed en doelmatig stelsel van materiële en immateriële hulpverlening aan oorlogsgetroffenen WO II in een situatie van afbouw;

  • 2. De herinnering aan WO II blijft levend en veel mensen – waaronder jeugdigen – zijn zich bewust van de betekenis van WO II.

47.3.1 Een kwalitatief goed en doelmatig stelsel van materiële en immateriële hulpverlening aan oorlogsgetroffenen WO II in een situatie van afnemende vraag

Motivering

Motivering

Na de Tweede Wereldoorlog is er in Nederland een in de wereld uniek stelsel van materiële en immateriële hulpverlening opgezet, geschraagd door principes van ereschuld en bijzondere solidariteit. Het aantal oorlogsgetroffenen neemt om demografische redenen gestaag af. Gezien deze ontwikkeling zullen ook de organisaties, die de materiële en immateriële hulpverlening verzorgen, zich geleidelijk aan moeten passen aan de afnemende vraag. Het is belangrijk dat dit op een verantwoorde manier gebeurt, zodat de ondersteuning kwantitatief en kwalitatief op peil blijft. Het kabinet begeleidt en faciliteert deze ontwikkeling. Dat gebeurt bijvoorbeeld door samenwerking te stimuleren tussen de instellingen waar het draagvlak van de afzonderlijke instellingen te smal dreigt te worden. Om die reden zal het cliëntbeheer van de PUR – het berekenen en betalen van de pensioenen en uitkeringen en de verstrekking van bijzondere voorzieningen aan bestaande cliënten – per 1 januari 2011 worden overgedragen aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De PUR als apart toelatingsorgaan dat beslist over de eerste aanvragen blijft bestaan, de uitvoering gebeurt vervolgens vanuit de SVB.

Geraamde begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

Wetten en regelingen oorlogsgetroffenen

310 227

293 196

276 049

259 220

243 523

Waarvan onder andere:

     

Wet uitkeringen vervolgingslachtoffers 1940–1945 (Wuv)

166 500

156 900

147 500

138 400

129 800

Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers 40–45 (Wubo)

72 500

70 600

68 400

65 600

63 100

Wetten buitengewoon pensioen 1940–1945 (Wbp)

63 400

57 500

51 900

46 800

42 100

      

Instellingssubsidies/Structurele subsidies

9 610

9 406

9 417

8 809

8 809

Waarvan onder andere:

     

Subsidies immateriële dienstverlening

6 435

6 352

6 263

6 255

6 255

      

Projectsubsidies

3 190

2 144

2 233

2 841

2 841

Waarvan onder andere:

     

Projecten immateriële hulpverlening

454

536

541

541

541

      

Opdrachten

321

321

321

321

321

      

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

25 118

26 368

26 268

26 268

26 268

Waarvan onder andere:

     

Pensioen- en uitkeringsraad en Sociale Verzekeringsbank

22 175

23 425

23 425

23 425

23 425

      

Totaal

348 466

331 435

314 288

297 459

281 762

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Prestatie-indicatoren

Prestatie-indicatoren

Onderstaande prestatie-indicatoren hebben betrekking op de doelmatigheid (indicator 1) en de kwaliteit van dienstverlening (indicatoren 2 en 3) van de PUR.

Indicator 1 laat de apparaatskosten van de PUR zien in verhouding tot de programma-uitgaven voor pensioenen en uitkeringen. Dit percentage geeft een – zeer globale – indicatie van de (ontwikkeling van de) doelmatigheid van de PUR. Het streven is erop gericht een (sterke) stijging van dit percentage zoveel mogelijk te voorkomen.

De indicatoren 2 en 3 tonen de percentages eerste aanvragen en vervolgaanvragen (om een pensioen, uitkering of voorziening) die binnen de wettelijke termijn zijn afgehandeld. Dit is een indicator voor de kwaliteit van dienstverlening van de PUR/SVB.

Indicator
 

2006

2007

2008

Streefwaarde ≥ 2011

1. Percentage apparaatskosten PUR in verhouding tot de

uitgaven voor pensioenen en uitkeringen

5,0%

4,8%

4,8%

4,8%

2. Percentage eerste aanvragen die door de PUR binnen de (verlengde) wettelijke termijn zijn afgehandeld

91%

89%

85%

90%

3. Percentage vervolgaanvragen die door de PUR binnen de (verlengde) wettelijke termijn zijn afgehandeld

84%

85%

86%

86%

Bron & toelichting

1. Jaarverslagen PUR 2008 en 2009

2. Jaarverslagen PUR 2008 en 2009

3. Jaarverslagen PUR 2008 en 2009. De basiswaarden en de streefwaarden voor de afhandeling van eerste aanvragen en vervolgaanvragen betreffen een gewogen gemiddelde van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv), de Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo) en de Wetten buitengewoon pensioen (Wbp). Deze prestatie-indicatoren worden jaarlijks gepubliceerd in het jaarverslag van de PUR. De percentages over 2008 kunnen nog veranderen als aanvragen in voorraad nog binnen de wettelijke termijnen worden afgehandeld.

Instrumenten stelsel

•  Wetten en regelingen

Onderstaande tabel geeft een overzicht van het aantal pensioenen en uitkeringen en de daarmee gemoeide totale programma-uitgaven in het kader van de wetten en regelingen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen over de periode 2007–2010. De wetten en regelingen voor oorlogsgetroffenen worden bijgesteld, als wijzigingen in aanpalende wetten dat noodzakelijk maken.

De totale uitgaven in 2011 bedragen € 310,2 miljoen.

Kengetal
 

2007

2008

2009

Geraamd 2010

Wuv

    

Gemiddeld aantal betaalbare uitkeringen (inclusief uitkeringen art. 21b)

17 486

16 624

15 881

14 964

Uitgaven Wuv totaal (bedragen x € 1 miljoen)

187,3

182,5

179,0

176,1

     

Wubo

    

Gemiddeld aantal betaalbare uitkeringen (inclusief toeslag art. 19)

13 265

13 338

13 407

13 476

Uitgaven Wubo totaal (bedragen x € 1 miljoen)

67,0

69,0

70,9

73,7

     

Wbp

    

Gemiddeld aantal betaalbare pensioenen

4 389

4 044

3 744

3 448

Uitgaven Wbp totaal (bedragen x € 1 miljoen)

91,3

85,2

78,5

70,8

     

AOR

    

Gemiddeld aantal uitkeringen

1 608

1 831

2 027

2 148

Uitgaven AOR totaal (bedragen x € 1 miljoen)

5,7

6,4

6,6

7,2

Bron & toelichting

PUR, Stichting Administratie Indonesische Pensioenen, januari 2010

Wuv = Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945

Wubo = Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers 1940–1945

Wbp = Wet buitengewoon pensioen 1940–1945

AOR= Algemene Ongevallenregeling

Het gemiddeld aantal uitkeringen bij Wuv en Wbp daalt geleidelijk. Bij de Wubo en de AOR-regeling is nog sprake van een stijging, direct of indirect als gevolg van het projecten «Gerichte benadering» en «Brede benadering».

•  Bijdragen aan ZBO’s

Om materiële hulp te kunnen verlenen aan oorlogsgetroffenen, worden in 2011 bijdragen (€ 22,2 miljoen) ter beschikking gesteld aan de ZBO’s PUR, SVB, Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië (CAOR) en de Stichting Afwikkeling Rechtsherstel Sinti en Roma (SARSR). Deze laatste zal uiterlijk op 1 januari 2013 zijn opgeheven, waarbij de taken in de komende periode uitsluitend nog gekoppeld zullen zijn aan de financiële relatie met het Nederlands Instituut Sinti en Roma (NISR), een steunpunt voor Sinti en Roma dat op 1 januari 2010 formeel van start is gegaan.

•  Subsidies immateriële dienstverlening

Om immateriële hulpverlening (maatschappelijk werk, sociale dienstverlening) aan oorlogsgetroffenen mogelijk te maken, worden subsidies verleend aan gespecialiseerde instellingen, waaronder de zogenoemde begeleidende instellingen. Dit betreft Stichting Pelita, Joods Maatschappelijk Werk (JMW) en Stichting 1940–1945 (€ 6,4 miljoen).

•  Toezicht op de ZBO’s

Doel van het toezicht op de ZBO’s is om de ministeriële verantwoordelijkheid voor een rechtmatige, doelmatige en kwalitatief goede uitvoering van de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen, alsmede het naoorlogs rechtsherstel te kunnen waarmaken. In de brief van 25 januari 2010 (kamerstuk 20 454 nr. 98 ) is de Tweede Kamer geïnformeerd over de stand van zaken rond het toezicht op de ZBO’s.

47.3.2 De herinnering aan WO II blijft levend en veel mensen – waaronder jeugdigen – zijn zich bewust van de betekenis van WO II

Motivering

Motivering

Het is belangrijk de herinnering aan WO II levend te houden en te borgen dat er op grond van de beginselen van ereschuld en bijzondere solidariteit blijvend betekenis wordt gegeven aan het verhaal van de oorlogsgetroffenen. Het belang van het levend houden van de herinnering geldt niet alleen voor (nabestaanden van) mensen die deze oorlog hebben meegemaakt, maar juist ook voor nieuwe generaties. Generaties van nu en later moeten betekenis kunnen geven aan alle facetten van deze geschiedenis. De betekenis van het levend houden van de herinnering aan WO II ligt vooral in de relatie tot vraagstukken rond vrijheid, geweld, discriminatie, rechtstaat, etcetera. Het Ministerie van VWS zorgt dat er een adequate infrastructuur is die dat mogelijk maakt.

Momenteel wordt de overdracht aan het Nationaal Comité 4 en 5 mei (Comité) voorbereid van een aantal departementale taken op het terrein van «herdenken en vieren» en educatie. Het Comité zal zich ontwikkelen tot hét kenniscentrum op het gebied van de herinnering WO II.

Geraamde begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

Instellingssubsidies/Structurele subsidies

7 392

7 392

7 392

7 392

7 392

Waarvan onder andere:

     

Nationaal Comité 4 en 5 mei

5 316

5 316

5 316

5 316

5 316

      

Projectsubsidies

952

952

952

952

952

      

Opdrachten

578

578

578

578

578

      

Totaal

8 922

8 922

8 922

8 922

8 922

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Prestatie-indicatoren

Prestatie-indicatoren

Onderstaande prestatie-indicatoren meten het belang dat de Nederlandse bevolking hecht aan 4 en 5 mei. De cijfers laten zien dat het draagvlak voor zowel de herdenking op 4 mei als de viering van de bevrijding en vrijheid op 5 mei onverminderd groot blijft.

Indicator
 

2007

2008

2009

2010

Streefwaarde ≥ 2011

1. Percentage van de bevolking dat (veel) belang aan 4 mei hecht

82%

85%

86%

80%

80%

2. Percentage van de bevolking dat (veel) belang aan 5 mei hecht

72%

79%

77%

80%

80%

Bron & toelichting

Nationaal Comité 4 en 5 mei. Deze prestatie-indicatoren worden jaarlijks gemeten.

Instrumenten herinnering

•  Adequate infrastructuur

Het kabinet zorgt dat er een adequate infrastructuur is, gericht op het blijvend betekenis (kunnen) geven aan de herinnering aan gebeurtenissen uit WO II. Het Ministerie van VWS verleent vanuit deze stelselverantwoordelijkheid instellingssubsidies aan de vier nationale herinneringscentra (Kamp Vught, Kamp Westerbork, Kamp Amersfoort en het Indisch Herinneringscentrum Bronbeek), het Nationaal Comité 4 en 5 mei (Comité), Stichting Herdenking 15 augustus 1945 en aan het NIOD (Erfgoedpunt WO II).

Een aantal uitvoeringstaken wordt in 2011 overgedragen aan het Comité 4 en 5 mei (kamerstuk 20 454 nr. 93). De nieuwe taken, die hieronder nader worden uitgewerkt, sluiten goed aan bij de taken en expertise die het Comité nu al heeft. De uitdaging zal zijn om de nieuwe taken niet louter «extra» te laten zijn, maar ze zodanig in de huidige organisatie te integreren dat er een duidelijke «meerwaarde» ontstaat. De overdracht zal er toe leiden dat de rol en positie van het Comité in het beleidsveld WO II gaat veranderen. In kwantitatieve zin, omdat het takenpakket een forse uitbreiding ondergaat, maar ook principieel; het Comité zal (in mandaat van het Ministerie VWS) projectsubsidies kunnen gaan verstrekken aan derden op het terrein van de educatie over de gebeurtenissen uit WO II. De ervaringen die het Comité in deze versterkte uitvoerende rol opdoet, zullen kunnen bijdragen aan de effectiviteit van het VWS-beleid.

Op de hieronder genoemde onderdelen op het terrein van de herinnering WO II kan het Comité binnen de met VWS afgestemde doelstellingen eigen afwegingen maken.

1. Ondersteuning organisaties herinnering WO II

Het Comité ondersteunt de (beleids)ontwikkeling van organisaties die zich richten op de herinnering WO II.

2. Herinnering WO II internationaal

Het Comité kan Nederlandse organisaties die zich richten op de herinnering WO II in staat stellen om – in afstemming met het Ministerie van Buitenlandse Zaken – internationaal kennis en inzichten uit te wisselen.

Het Comité participeert actief in het internationale netwerk op het terrein van de herinnering WO II. Het Comité neemt actief deel aan het werk van de expertwerkgroepen binnen de Task Force for International Cooperation on Holocaust Education, Remembrance and Research (ITF) en neemt daar zelf aan deel. Het Comité doet in afstemming met relevante veldorganisaties een voorstel aan de ministeries van VWS en Buitenlandse Zaken voor de Nederlandse standpuntbepaling in het kader van de ITF. De uiteindelijke standpuntbepaling blijft een primaire verantwoordelijkheid van deze ministeries.

Het Ministerie van VWS blijft ook operationeel verantwoordelijk ten aanzien van het Nederlandse voorzitterschap van de ITF (2011–2012) en de (her)ontwikkeling van het voormalige vernietigingskamp Sobibor als herinneringsplek (realisatie 2013).

3. Herdenken

Het Comité kan, mede tegen de achtergrond van de geleidelijke afnemende inzetbaarheid van de eerste generatie oorlogsgetroffenen, desgewenst kennis en praktische ondersteuning bieden ten aanzien van de herdenkingen met een bovenlokale betekenis. De ontwikkeling binnen het Comité van een «kennispunt», nu primair gerelateerd aan herdenken en vieren op 4 en 5 mei, wordt voortgezet op het bredere terrein van de herinnering WO II. Kennis en expertise over herinnering van WO II wordt gedeeld en maatschappelijke discussies in relatie tot herdenken en vieren worden geëntameerd.

4. Reünies en lotgenotencontacten

Het Comité draagt er zorg voor dat vrijwilligersorganisaties op het terrein van de herinnering WO II met een landelijke functie, indien gewenst, de onderlinge contacten binnen de eerste generatie kunnen blijven voortzetten via gerichte initiatieven, zoals reünies en lotgenotenbijeenkomsten. Het Comité kan deze vrijwilligersorganisaties, wanneer zij ophouden zelfstandig te bestaan, in staat stellen éénmalig een laatste bijeenkomst te organiseren of een inhoudelijke nalatenschap te bieden voor de Nederlandse samenleving.

5. Educatie en publieksgerichte toepassingen Erfgoed van de Oorlog

Het Comité draagt zorg voor het vergroten van kennis en inzicht met betrekking tot WO II bij de Nederlandse bevolking, mede om bewustwording over de betekenis van fundamentele grondrechten, democratie, rechtstaat en vrijheid te bevorderen.

Aan de (web)toepassingen die zijn ontwikkeld in het kader van het VWS-programma «Erfgoed van de Oorlog» wordt brede bekendheid gegeven. Het Comité kan zelf actief het gebruik van erfgoedmateriaal in hedendaagse toepassingen stimuleren of andere organisaties daartoe in staat stellen. Voor het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD), dat het structurele «erfgoedpunt WO II» vorm en inhoud geeft, zal het Comité als vaste gesprekspartner fungeren waar het gaat om initiatieven die beogen erfgoedmateriaal onder de aandacht van het brede publiek te brengen.

6. Toegepast onderzoek

Het Comité draagt zorg voor het doen uitvoeren van toegepast onderzoek dat bouwstenen levert voor het eigen herinneringsbeleid, waaronder begrepen onderzoek op het brede terrein van de methoden en technieken voor bewustwording herinnering WO II en evaluatie van het eigen beleid.

Het Comité verantwoordt zich over het gevoerde beleid in het kader van de reguliere planning en control-cyclus. Daarnaast worden de bereikte resultaten periodiek geëvalueerd in een gestructureerd politiek-bestuurlijk overleg tussen het Ministerie van VWS en het Comité.

•  Erfgoed van de Oorlog

Het subsidieprogramma «Erfgoed van de Oorlog» is bedoeld om belangrijk materiaal uit en over de Tweede Wereldoorlog en de strijd in Nederlands-Indië te behouden en het gebruik ervan te stimuleren. Op 16 september 2010 is de slotconferentie van het programma gehouden. Om de resultaten van «Erfgoed van de Oorlog» adequaat te kunnen borgen is voorzien in een structureel Erfgoedpunt WO II, dat door het NIOD vanaf medio 2010 is ingericht en vanaf 2011 structureel zal worden beheerd.

47.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid

Voor 2011 zijn geen beleidsdoorlichtingen of -evaluaties in de planning opgenomen. Belangrijke beleidsonderdelen zijn recentelijk al doorgelicht of geëvalueerd, bijvoorbeeld het voorlichtingsbeleid en het programma «Erfgoed van de oorlog» (zie ook kamerstuk 20 454 nr. 98).

Niet-beleidsartikel 98 Algemeen
98.1 Algemene doelstelling

In dit niet-beleidsartikel worden de ministerie- en zorgbrede uitgaven die niet specifiek zijn toe te rekenen aan een van de doelstellingen in de voorgaande beleidsartikelen geraamd.

98.2 Budgettaire gevolgen van beleid
Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verplichtingen

322 350

355 796

301 660

293 194

292 867

298 267

298 232

        

Uitgaven

333 861

342 895

307 757

299 194

298 867

298 267

298 232

        

Programma-uitgaven

114 967

112 743

93 213

91 192

91 191

91 191

91 191

1. Beheer en toezicht stelsel

98 153

92 995

86 182

83 893

83 892

83 892

83 892

2. Internationale samenwerking

14 875

19 748

7 031

7 299

7 299

7 299

7 299

3. Verzameluitkering VWS

1 939

0

0

0

0

0

0

        

Apparaatsuitgaven

218 894

230 152

214 544

208 002

207 676

207 076

207 041

– Inspectie voor de Gezondheidszorg

53 760

52 217

47 391

44 002

44 017

42 228

42 228

– Sociaal en Cultureel Planbureau en Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling

11 768

6 941

5 779

5 779

5 779

5 779

5 779

– Raad voor de Volksgezondheid en Zorg

3 100

2 976

2 858

2 858

2 858

2 858

2 858

– Gezondheidsraad

5 752

4 891

3 397

3 337

3 332

3 332

3 332

– Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek

1 522

1 621

1 377

1 377

1 377

1 377

1 377

– Strategisch onderzoek RIVM

18 238

17 107

18 050

18 050

18 050

22 090

22 090

– Strategisch onderzoek NVI

7 538

8 220

7 709

7 709

7 709

7 709

7 709

– Inspectie jeugdzorg

5 329

7 473

5 932

5 932

5 932

5 932

5 932

– Personeel en materieel kernministerie

111 887

128 706

122 051

118 958

118 622

115 771

115 736

        

Ontvangsten

12 673

8 441

8 980

8 980

8 980

8 980

8 980

Budgetflexibiliteit begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

1. Beheer en toezicht stelsel

86 182

83 893

83 892

83 892

83 892

– Juridisch verplicht

86 182

0

0

0

0

– Bestuurlijk gebonden

0

83 893

83 892

83 892

83 892

– Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden

0

0

0

0

0

      

2. Internationale samenwerking

7 031

7 299

7 299

7 299

7 299

– Juridisch verplicht

7 031

0

0

0

0

– Bestuurlijk gebonden

0

7 299

7 299

7 299

7 299

– Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden

0

0

0

0

0

      

3. Verzameluitkering VWS

0

0

0

0

0

– Juridisch verplicht

0

0

0

0

0

– Bestuurlijk gebonden

0

0

0

0

0

– Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden

0

0

0

0

0

98.3 Operationele doelstellingen

In deze paragraaf wordt besproken wat het Ministerie van VWS concreet doet in het kader van dit niet-beleidsartikel. Eerst wordt ingegaan op de ZBO’s voor het beheer en het toezicht van het zorgstelsel en op het beleid voor internationale samenwerking. Daarna volgt een paragraaf over de verzameluitkering VWS. De volgende subparagrafen gaan over respectievelijk de Inspectie Gezondheidszorg (IGZ), het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO), de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ), de Gezondheidsraad (GR) en de Centrale Commissie Mensgeboden Onderzoek (CCMO). Vervolgens wordt ingegaan op het strategisch onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Nederlands Vaccin Instituut (NVI) en de apparaatskosten van de Inspectie jeugdzorg. Ten slotte volgen de apparaatsuitgaven van het kernministerie die niet aan de beleidsartikelen zijn toe te rekenen.

98.3.1 Beheer en toezicht stelsel

De beheerkosten van de zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s) die zich bezig houden met de uitvoering van en het toezicht op het huidige zorgstelsel worden uit begrotingsmiddelen gefinancierd. Het betreft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), het College voor zorgverzekeringen (CVZ), het College bouw zorginstellingen (CBZ) en het College sanering zorginstellingen (CSZ).

De NZa is belast met het markttoezicht specifiek voor de zorgsector en moet het algemeen consumentenbelang voorop stellen bij de uitoefening van haar taken. Die taken zijn:

  • Marktwerking in de zorg op gang brengen en bewaken;

  • Tarieven in de zorg reguleren;

  • Toezien op de goede uitvoering van de Zvw en de AWBZ.

Het CVZ heeft tot taak het uitvoeren van:

  • Pakketbeheer Zvw/AWBZ;

  • Fondsbeheer van het zorgverzekeringsfonds en het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten;

  • Uitvoeren van de financiering van verzekeraars uit de fondsen en de beoordeling van de rechtmatige en doelmatige uitvoering van de AWBZ;

  • Uitvoeren regelingen bijzondere groepen (verdragsgerechtigden, wanbetalers, onverzekerden, illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen, gemoedsbezwaarden).

De bouwregimes voor de curatieve- en de langdurige zorg zijn per 1 januari 2008 respectievelijk 1 januari 2009 afgeschaft. Daarmee zijn de wettelijke taken van het CBZ komen te vervallen. Het CBZ zal als liquidatieorganisatie vooralsnog blijven bestaan. Om de opgebouwde kennis beschikbaar te blijven houden, primair voor zorgaanbieders (zeker in het kader van de volledige verantwoordelijkheid van zorgaanbieders voor de bouw en de financiering daarvan) en secundair voor de IGZ en de NZa, is er een overeenkomst 2009 tot en met 2013 gesloten met TNO unit Bouw en Ondergrond.

De positie van het CSZ als ZBO zal tot aan de inwerkingtreding van de Wet Cliënt en Kwaliteit van Zorg worden gehandhaafd.

98.3.2 Internationale samenwerking bevorderen

Bij internationale samenwerking gaat het erom dat een gemeenschappelijke benadering meerwaarde biedt boven een nationale aanpak. De nadruk moet liggen op grensoverschrijdende problemen en er moet concrete meerwaarde zijn vanuit de missie van het Ministerie van VWS. We kiezen ervoor om goed samen te werken met andere landen en multilaterale organisaties bij het vormgeven van onze internationale ambities.

Verantwoordelijkheid

Het Ministerie van VWS is verantwoordelijk voor afstemming van internationale samenwerking op de beleidsterreinen van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Op specifieke gebieden wordt hiertoe nadrukkelijk samengewerkt met andere ministeries. Vooral de samenwerking met de ministeries van Buitenlandse Zaken (WHO en drugs), Justitie (drugs), Economische zaken (geneesmiddelenbeleid), Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (voedselveiligheid) en Sociale Zaken en werkgelegenheid (EU) is hierbij van belang.

Instrumenten en activiteiten

Internationale samenwerking kent een breed scala aan instrumenten en activiteiten. Met name kan hier worden gewezen op de volgende zaken:

•  Samenwerking op Europees en mondiaal niveau

Het vertegenwoordigen van Nederland voor de voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport relevante onderwerpen bij internationale organisaties als de Europese Unie, de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), de Raad van Europa, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en de Verenigde Naties (VN). Contacten met een beperkt aantal voor het Ministerie van VWS belangrijke landen worden gestimuleerd en de noodzakelijke reguliere contacten met de andere landen worden behartigd.

•  Nieuw Partnerschap met de World Health Organization (WHO)

Nederland heeft in 2010 een hernieuwd partnerschapverdrag afgesloten met de WHO. Hiermee is een bedrag van € 6 miljoen gemoeid. Het partnerschapsprogramma vergroot de Nederlandse invloed binnen de WHO. Via het partnerschapsprogramma worden ook de contacten tussen de WHO en aan VWS gelieerde organisaties bevorderd.

•  Internationale samenwerking

Op het gebied van internationale samenwerking is toenemende aandacht voor internationale publieke goederen (zie ook het recente rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid «minder pretentie, meer ambitie, ontwikkelingshulp die het verschil maakt»). Dit geldt zeker ook voor gezondheid. Besmettelijke ziekten stoppen niet bij grenzen en tekorten aan gezondheidswerkers hebben een mondiale dimensie. Er wordt samengewerkt met andere lidstaten en binnen multilaterale organisaties om de verspreiding van ziekten te beperken en om te komen tot de ontwikkeling van geneesmiddelen en vaccins ter bestrijding en voorkoming van deze ziekten. Samenwerking blijft ook nodig voor de verdere implementatie van de WHO-gedragscode uit 2010 voor werving van gezondheidspersoneel uit ontwikkelingslanden. Internationale solidariteit is juist bij internationale publieke goederen van belang. Waar mogelijk wordt aansluiting gezocht bij de bredere aanpak van internationale samenwerking en ontwikkelingshulp.

•  Grensoverschrijdende gezondheidzorg

Binnen Europa gaan steeds meer burgers de grens over voor hun gezondheidszorg. Vooral in grensstreken kan de dichtstbijzijnde zorgaanbieder zich in het buitenland bevinden. Zowel in EU-verband als via bilaterale programma’s met Duitsland en België, wordt hieraan invulling gegeven.

•  Internationaal personeels- en detacheringsbeleid

Om internationaal goed samen te kunnen werken, plaatst en detacheert het Ministerie van VWS en medewerkers in het buitenland en bij multilaterale organisaties. Inzet is om het aantal detacheringsplaatsen langzaam te verhogen, met name bij de Europese Unie en de WHO.

98.3.3 Verzameluitkering VWS

Een verzameluitkering is een bijzondere vorm van een specifieke uitkering. Alle specifieke uitkeringen van een departement kleiner of gelijk € 10 miljoen moeten in de verzameluitkering worden opgenomen. In de verzameluitkering van het Ministerie van VWS zijn voor 2011 nog geen specifieke uitkeringen opgenomen. Het bestaande programma voor topsportevenementen en –accommodaties kan voor de verzameluitkering in aanmerking komen. Het betreft een programma waarmee vooral subsidies worden verleend aan sportbonden voor de organisatie van een topsportevenement. Ook het programma talentontwikkeling (het onderdeel Centra voor Topsport en Onderwijs) kan voor de verzameluitkering in aanmerking komen. Incidenteel vindt er een uitkering aan een medeoverheid plaats in het kader van deze programma’s. Deze uitkeringen zullen dan bij suppletore begroting in de verzameluitkering worden verantwoord. Ook andere uitkeringen aan medeoverheden kunnen in 2011 worden toegevoegd aan de eerste en tweede suppletore begroting.

98.3.4 Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ)

De IGZ is een handhavingsorganisatie die toezicht houdt op de volksgezondheid en gezondheidszorg en overtredingen van wet- en regelgeving opspoort. Zij opereert tussen politiek, professie en publiek. Zij is ván de overheid en werkt aan veilige, effectieve en patiëntgerichte zorg vóór burgers via zorgaanbieders. Vanuit haar wettelijke taakopdracht, verantwoordelijkheden en bevoegdheden draagt ze bij aan bescherming van de volksgezondheid en bevordering van een verantwoorde gezondheidszorg. Veilige zorg is een belangrijke component daarvan. Door te waken over de kwaliteit van zorg maakt de IGZ zich sterk voor een gerechtvaardigd vertrouwen van de zorgconsument in de kwaliteit van zorg. De IGZ hanteert verschillende methodieken. Een daarvan is het gefaseerd toezicht (GT). Met deze systematiek krijgt de IGZ onder andere aan de hand van prestatie-indicatoren informatie over de kwaliteit van geleverde zorg. De IGZ maakt op basis daarvan een risico-inschatting en prioriteert haar handhavingsactiviteiten. Ook hanteert de IGZ het Incidententoezicht (IT) dat is gebaseerd op meldingen en andere signalen. Een derde vorm van toezicht is het Thematisch Toezicht (TT) waarbij de IGZ aan de hand van bepaalde (zorg)thema’s gerichte aandacht van veld en beleid vraagt.

De IGZ werkt jaarlijks haar Meerjarenbeleidsplan (MJB) «Voor gerechtvaardigd vertrouwen in verantwoorde zorg» nader uit in doelen, activiteiten en benodigde formatie. Het in het laatste kwartaal 2010 uit te brengen jaarwerkplan geeft aan met welke activiteiten de IGZ haar doelen in 2011 wil realiseren.

De IGZ werkt in 2011 in 4 domeinen en 10 integrale inspectieprogramma’s.

Binnen het domein Volksgezondheid:

  • 1. Gezondheidsbevordering

  • 2. Gezondheidsbescherming

Binnen het domein Curatieve Gezondheidszorg:

  • 3. Eerstelijnsgezondheidszorg

  • 4. Specialistische somatische zorg

  • 9. Geestelijke gezondheidszorg

Binnen het domein Verpleging & Chronische zorg:

  • 5. Gehandicaptenzorg

  • 6. Ouderenzorg

  • 7. Zorg thuis

Binnen het domein Geneesmiddelen & Medische technologie:

  • 8. Geneesmiddelen

  • 10. Medische technologie.

In de beleidsartikelen is opgenomen welk van de programma’s van de IGZ relevant zijn voor het beleidsdomein van dat artikel.

In haar meerjarenbegroting (MJB) 2008–2011 schetst de IGZ de speerpunten tot en met 2011. Het jaar 2011 is het laatste jaar uit deze MJB-cyclus. De IGZ brengt in 2011 haar nieuwe Meerjarenbeleidsplan 2012–2015 uit.

Jaarlijks geeft de IGZ in de Staat van de Gezondheidszorg (SGZ) haar visie op een actueel thema dat de gezondheidszorg in de volle breedte raakt. In 2011 onderzoekt de IGZ de rol van technologie bij verantwoorde informatievoorziening in de zorg waarbij zij de stand van zaken, risico’s en mogelijkheden verkent.

98.3.5 Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP)

Het Sociaal en Cultureel Planbureau is een interdepartementaal, wetenschappelijk instituut, opgericht bij Koninklijk Besluit op 30 maart 1973. Het SCP verricht zelfstandig onderzoek en rapporteert – gevraagd en ongevraagd – aan de regering, de Eerste en Tweede Kamer, ministeries en andere maatschappelijke en overheidsorganisaties. De belangrijkste taken van het SCP zijn:

  • Het beschrijven van de situatie op sociaal en cultureel terrein in Nederland en de te verwachte ontwikkelingen;

  • Het bijdragen aan verantwoorde keuzen van doeleinden en middelen in het sociaal en cultureel beleid en het ontwikkelen van alternatieven;

  • Het beoordelen van het gevoerde beleid, speciaal het interdepartementale beleid.

Het SCP verricht daartoe sociaalwetenschappelijk onderzoek naar de leefsituatie en de opvattingen van de burger, alsmede naar het (overheids-)beleid dat daarop van invloed is.

Het werk van het SCP omvat de terreinen van nagenoeg alle ministeries. Eens per jaar geeft het SCP een overzicht van de voorgenomen activiteiten in een werkprogramma. De minister van VWS heeft het werkprogramma 2011 vastgesteld volgens de in de instellingsbeschikking vastgelegde procedure. Het werkprogramma is gepubliceerd op de website van het bureau (www.scp.nl).

Indicator
 

Aantal rapporten

Uren in 2011

Kosten in 2011

(bedragen x € 1 000)

1. Wetenschappelijk onderzoek

60

44 709

4 222

2. Kennisverspreiding

4 967

469

3. Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling

8

9 931

1 088

Totaal

68

59 607

5 779

Toelichting

1. Wetenschappelijk onderzoek

Het onderzoeksprogramma van het SCP staat in het teken van het ondersteunen van het beleid van de overheid, waar dat gericht is op het behoud en de verhoging van het welzijn en het welbevinden van de Nederlandse burger en samenleving.

Het werkprogramma 2011 sluit aan op de vijf strategische thema’s van het kabinet.

Veel van de door het SCP in 2011 uit te voeren projecten vloeien voort uit eerder gemaakte afspraken of verkregen opdrachten. Het Sociaal en Cultureel Rapport (SCR) verschijnt iedere twee jaar als verplichting die direct voortvloeit uit het Koninklijk Besluit van 1973 waarin de oprichting van het SCP geregeld is. In oneven jaren brengt het SCP «De Sociale Staat van Nederland» uit (een brede inventarisatie van de levensomstandigheden van de Nederlandse bevolking), in even jaren een meer thematisch SCR.

Er zijn langjarige afspraken over de opstelling van bijvoorbeeld het Jaarrapport Integratie, de Armoedemonitor, de Monitor Discriminatie op de Arbeidsmarkt op grond van etnische herkomst, de Emancipatiemonitor, «De Sociale Staat van het Platteland», «Het Cultureel Draagvlak» en de ontwikkeling van ramingsmodellen voor de vraag naar Jeugdzorg en Langdurige Zorg. Veel van het SCP-onderzoek is gebaseerd op door het CBS verzamelde en ter beschikking gestelde gegevens. Daarnaast laat het SCP zelf ook enkele grote surveys uitvoeren: het Aanvullend Voorzieningengebruik Onderzoek (gebruik van voorzieningen in de publieke sector), de Survey Integratie Minderheden, het Tijdsbestedingsonderzoek en het onderzoek Culturele Veranderingen (opvattingen en houdingen). Ook in 2011 zal het SCP ten behoeve van het kabinet rapporteren over de uitkomsten van het in 2008 gestarte onderzoek naar zorgen en maatschappelijke kwesties die leven in de bevolking en van belang zijn voor de politiek (Continu Onderzoek Burgerperspectieven).

2. Kennisverspreiding

Vele SCP-medewerkers hebben contacten met of maken deel uit van voor het SCP relevante wetenschappelijke of maatschappelijke organisaties, of hebben vanwege hun SCP-werk of –expertise een adviserende rol in allerlei gremia. Kennisverspreiding via publicaties of presentaties zijn een belangrijk onderdeel van het werk.

Een kerntaak van het SCP is het adviseren van departementen en andere overheidsinstanties op basis van de beschikbare kennis en inzichten. De positionering van het bureau binnen de rijksoverheid maakt het mogelijk deel te nemen aan het commissie- en advieswerk binnen de overheid (onderraden en voorportalen). Afgezien van deze vorm van indirecte advisering brengt het bureau ook met regelmaat adviezen uit aan (beleidsdirecties van) departementen. Deze advisering kan zeer uiteenlopend van karakter zijn, bijvoorbeeld via participatie in de kenniskamers van verschillende ministeries.

3. Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling

De Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) is de adviesraad van het kabinet en de Staten-Generaal voor de sociale verhoudingen in Nederland (Wet op de RMO, Staatsblad 103, 4 maart 1997). Vanaf 1 april 2010 is het secretariaat van de RMO ondergebracht bij het SCP. Dit was een van de voorstellen die de commissie Docters van Leeuwen deed in haar evaluatierapport van de RMO.

De wetgever heeft de RMO de taak gegeven te adviseren over «over de hoofdlijnen van beleid inzake de gevolgen van maatschappelijke ontwikkelingen voor zover deze van invloed zijn op de participatie van burgers in en de stabiliteit van de samenleving». De RMO adviseert zowel gevraagd als ongevraagd over de hoofdlijnen van beleid (www.adviesorgaan-rmo.nl).

Voor 2011 heeft de RMO «Stabiliteit en maatschappelijke veerkracht» als overkoepelend thema voor zijn werkprogramma gekozen. In augustus 2010 zal het kabinet het definitieve werkprogramma vaststellen. Onderwerpen op het werkprogramma zijn onder meer:

  • Veerkracht en stabiliteit;

  • Angst en onbehagen;

  • De toekomst van de solidariteit;

  • Randstad en periferie.

In zijn onderwerpkeuze sluit de Raad aan bij de door het kabinet geformuleerde strategische adviesthema’s, in het bijzonder die van «dynamiek en zekerheid in een globaliserende wereld», «Openbaar bestuur van de toekomst en «sociale samenhang en scheidslijnen in de samenleving».

De RMO houdt ruimte vrij voor adviesvragen vanuit een nieuw te vormen kabinet, als ook voor actuele briefadviezen.

98.3.6 Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ)

De Raad voor de Volksgezondheid en Zorg is een onafhankelijk adviesorgaan voor het kabinet en de Staten-Generaal. Het adviesdomein van RVZ is VWS-breed, en omvat dus de curatieve zorg, de langdurige zorg, de publieke gezondheid en de maatschappelijke ondersteuning.

Het kabinet stelt in de zomer van 2010 het definitieve werkprogramma 2011 van de RVZ vast (www.rvz.net). Thema’s in het werkprogramma voor 2011 zijn:

  • Nieuwe beroepen en opleidingen;

  • Sturen op gezondheid;

  • Intersectorale zorg voor het kind;

  • Preventie;

  • Ouderenzorg;

  • Ziekenhuisconcentratie.

Het Centrum voor ethiek en gezondheid (CEG) is een samenwerkingsverband van de Gezondheidsraad en de RVZ. Het secretariaat van het CEG is bij de RVZ ondergebracht. Het CEG publiceert elk jaar signalementen over ethische thema’s (www.ceg.nl). De volgende onderwerpen staan voor 2011 op de rol:

  • Public Health en mondiale milieuverandering;

  • Premiedifferentiatie en solidariteit in verband met (on)gezond gedrag;

  • Selectie patiënten rampen en epidemieën in ziekenhuizen met beperkte opnamecapaciteit.

Overleg tussen GR en RVZ over een gezamenlijk signalement in 2011 zal nog plaatsvinden. Ook heeft het CEG een verwijs- en informatiefunctie. Volgens afspraak met de GR neemt de RVZ deze functie voor zijn rekening.

De RVZ reserveert ruimte in zijn werkprogramma voor vragen van het nieuwe kabinet.

98.3.7 Gezondheidsraad (GR)

De Gezondheidsraad is een onafhankelijk wetenschappelijk adviesorgaan en heeft als taak de regering en het parlement van advies te dienen over de stand van kennis ten aanzien van vraagstukken op het gebied van de volksgezondheid. De Raad voor Gezondheidsonderzoek (RGO) had als een van de sectorraden de taak te adviseren over vraagstukken op het gebied van gezondheidsonderzoek, zorgonderzoek, medische technologie en de bijbehorende infrastructurele voorzieningen. Met ingang van 1 februari 2008 is de RGO als raadscommissie ondergebracht bij de Gezondheidsraad.

Het werkterrein van de Gezondheidsraad omvat thans de volgende onderwerpen: preventie, gezondheidszorg, voeding, leefomgeving, arbeidsomstandigheden, health technology assessment, gezondheids(zorg)onderzoek, medische technologieontwikkeling en kennisinfrastructuur. De raad brengt gevraagd en ongevraagd adviezen uit. In september stelt de minister van VWS het werkprogramma voor het komende jaar vast (www.gezondheidsraad.nl).

De Gezondheidsraad heeft samen met de Hoge Gezondheidsraad van België een Europees netwerk opgericht van vergelijkbare organisaties: EUSANH (European Science Advisory Network for Health). Vanuit dit netwerk wordt gewerkt aan het verbeteren van de kwaliteit en efficiency van de wetenschappelijke advisering op nationaal en op Europees niveau. Hiervoor is subsidie verkregen van de Europese Commissie. VWS draagt voor drie jaar bij aan het netwerk.

98.3.8 Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (CCMO)

De Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (CCMO) is een bij wet (Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen en de Embryowet) ingestelde commissie en waarborgt de bescherming van proefpersonen betrokken bij medisch-wetenschappelijk onderzoek, via toetsing aan de daarvoor vastgestelde wettelijke bepalingen en met inachtneming van de voortgang van de medische wetenschap (www.ccmo-online.nl). Zij is een zelfstandig bestuursorgaan (ZBO). Sinds de inwerkingtreding van de gewijzigde Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen op 1 maart 2006, treedt de CCMO tevens op als bevoegde instantie.

98.3.9 Strategisch onderzoek RIVM

Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) is een baten-lastendienst van het Ministerie van VWS en doet projectmatig onderzoek voor zijn primaire opdrachtgevers: de ministeries van VWS, VROM en LNV. Daarnaast doet het RIVM ook zogenoemd strategisch onderzoek. Dit is onderzoek om de expertise te ontwikkelen die nodig is voor de continuïteit van het instituut. Zo kan het RIVM zijn toekomstige taken voor de opdrachtgevers adequaat uitvoeren, op zowel de middellange als de lange termijn.

De Wet op het RIVM vormt de wettelijke basis voor het strategisch onderzoek dat dit instituut uitvoert. Deze wet bepaalt dat de directeur-generaal RIVM jaarlijks een programma van onderzoek opstelt. Hierin beschrijft hij welke inzichten het instituut moet verwerven om zijn taken adequaat te kunnen uitvoeren. Dit programma is openbaar. Met deze wettelijke bepaling laat de wetgever zien dat het RIVM professioneel zelfstandig is. In het licht van de betekenis van het strategisch onderzoek voor de toekomstige kennispositie van het RIVM is het budget voor het strategisch onderzoek belegd bij de secretaris-generaal van VWS, als «eigenaar» van de baten-lastendienst RIVM.

In 2011 start een nieuwe vierjaarcyclus 2011–2014 met nieuwe speerpunten. De speerpunten dekken de kennisdomeinen, waarop het RIVM zijn kennis en kunde moet vernieuwen of intact moet houden. In oktober 2010 wordt na een selectieproces vastgesteld welke nieuwe projecten in 2011 mogen starten. Circa 37 projecten uit de cyclus 2007–2010 lopen nog door in 2011. Alle projecten worden jaarlijks geëvalueerd en door de Commissie van Toezicht gevolgd om de kennispositie van het instituut te garanderen.

98.3.10 Strategisch onderzoek NVI

Het Nederlands Vaccin Instituut (NVI) is een baten-lastendienst van het Ministerie van VWS, die projecten uitvoert voor zijn primaire opdrachtgever VWS. Daarnaast verricht het instituut strategisch onderzoek om wetenschappelijke kennis en expertise te verwerven. Met deze kennis en expertise kan het NVI zijn kerntaken uitvoeren en de continuïteit van de vaccinontwikkelingstaak op de langere termijn waarborgen. Het strategisch onderzoek is gebundeld in het Strategisch Vaccin Onderzoek Programma (SVOP).

Binnen het SVOP staan niet bepaalde vaccins centraal, maar meer algemeen immunologisch/vaccinologische onderwerpen die algemeen toepasbare kennis over vaccins en vaccinaties moeten genereren. SVOP projecten kunnen gericht zijn op een ziekteverwekker (microbiologie), op de immunologische reactie op een ziekteverwekker of vaccin (immunologie), op de ontwikkeling of verbetering van vaccins en vaccinatie (technologie) of op een combinatie van deze gebieden. De projecten binnen het strategisch onderzoeksprogramma zijn geen zelfstandige, externe producten, maar interne projecten die een researchinfrastructuur vormen om op lange termijn de door de wetenschappelijke vooruitgang vereiste aanpassingen van de Nederlandse Vaccin Voorziening in het algemeen en het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) in het bijzonder te faciliteren. Het budget voor het strategisch onderzoek is belegd bij de secretaris-generaal van VWS, als «eigenaar» van de baten-lastendienst NVI.

Het SVOP wordt jaarlijks vastgesteld. De wetenschappelijke directeur wordt hierbij geadviseerd door een commissie, de SVOP Commissie. Deze bestaat uit een aantal interne en externe leden met expertise op onderzoeksgebied van vaccins en vaccinaties. De SVOP Commissie zal de projectplannen voor 2011 beoordelen op wetenschappelijk inhoudelijke gronden. Daarna zal het concept SVOP 2011 nog voor beoordeling worden voorgelegd aan de Raad van Advies die ten slotte een advies hierover zal uitbrengen aan de Eigenaar. De Eigenaar stelt het SVOP vervolgens vast.

Gelet op de organisatieontwikkeling van het NVI naar aanleiding van het besluit van de minister van VWS d.d. 10 februari 2009 (kamerstuk 22 894 nr. 213) zal bij de begrotingsvoorbereiding voor 2012 bezien worden welk budget voor strategisch onderzoek passend is.

98.3.11 Inspectie jeugdzorg (IJZ)

Onder deze doelstelling worden de apparaatskosten van de Inspectie jeugdzorg verantwoord. De Inspectie jeugdzorg valt beleidsmatig onder de verantwoordelijkheid van de minister voor Jeugd en Gezin. De apparaatskosten blijven conform afspraak in het coalitieakkoord geraamd worden op de begroting van VWS.

98.3.12 Personeel en materieel kernministerie

Onder deze doelstelling worden de personele en materiële uitgaven voor de stafdiensten, de facilitaire diensten, de zorgbrede directies en (met ingang van 2010) de medische tuchtcolleges verantwoord. De geraamde uitgaven zijn opgenomen in de tabel budgettaire gevolgen van beleid.

Niet-beleidsartikel 99 Nominaal en onvoorzien
99.1 Algemeen

Dit artikel heeft een technisch-administratief karakter. Vanuit het begrotingsdeel van dit niet-beleidsartikel vinden overboekingen van loon- en prijsbijstelling naar de loon- en prijsgevoelige artikelen binnen de begroting plaats. Een deel van de loonbijstelling moet nog worden toegedeeld. Ook worden er taakstellingen of extra middelen op dit artikel geplaatst die nog niet aan de beleidsartikelen zijn toegedeeld.

99.2 Budgettaire gevolgen van beleid
99.2.1 Begrotingsuitgaven
Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verplichtingen

0

– 42 572

– 43 902

– 28 968

– 35 843

– 42 415

– 26 715

        

Uitgaven

0

– 63 572

– 48 358

– 39 823

– 35 884

– 42 415

– 26 715

        

Programma-uitgaven

0

– 63 572

– 48 358

– 39 823

– 35 884

– 42 415

– 26 715

1. Loonbijstelling

0

33

1 023

2 783

8 693

9 030

9 030

2. Prijsbijstelling

0

12 621

27 257

28 108

28 715

28 719

28 719

3. Onvoorzien

0

79

149

1 125

1 081

1 081

1 081

4. Taakstelling

0

– 76 305

– 76 787

– 71 839

– 74 373

– 81 245

– 65 545

        

Ontvangsten

0

5 000

5 000

5 000

5 000

5 000

5 000

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Toelichting

Operationele doelstelling 4

Het kabinet heeft in het aanvullend beleidakkoord een besparing van € 3,2 miljard verondersteld uit hoofde van loonmatiging. Omdat loonmatiging niet in de veronderstelde mate is opgetreden, neemt het kabinet zijn verantwoordelijkheid en kiest het voor een alternatieve invulling. Deze invulling wordt verder toegelicht in de Miljoenennota.

Onder andere hebben alle departementen in 2012 een doelmatigheidskorting gekregen van 1,5% op personeel en materieel. Voor VWS betekent dit een taakstelling van € 12 miljoen.

99.2.2. Premie-uitgaven

Op dit artikel zijn verschillende bedragen opgenomen die nog niet aan de afzonderlijke beleidsartikelen zijn toegedeeld. Daarbij gaat het met name om de loon- en prijsbijstelling voor 2011 en latere jaren, gereserveerde bedragen voor bouw en de autonome volumegroei tot en met het jaar 2015.

Premie-uitgaven (bedragen x € 1 000 000)
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Nominaal en onvoorzien

118,3

39,3

1 201,0

4 471,8

8 318,3

12 703,4

17 792,8

Totaal

118,3

39,3

1 201,0

4 471,8

8 318,3

12 703,4

17 792,8

Bron

VWS, NZa productieafspraken en voorlopige realisatiegegevens, CVZ voorlopige financieringslasten Zvw en AWBZ.

Licence