Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

Artikel 3: Effectieve Europese samenwerking

De algemene doelstelling is een effectieve Europese samenwerking om de Europese Unie en haar lidstaten zo vreedzaam, welvarend en sterk mogelijk de toekomst in te loodsen. Europa is essentieel voor onze welvaart, vrijheid en veiligheid. Een actieve opstelling van Nederland in het Europese besluitvormingsproces en in de bilaterale relaties met Europese partners is dan ook in het directe belang van Nederlandse burgers en bedrijven. Door consequent en constructief optreden kan Nederland zijn invloed binnen de Europese Unie vergroten. Zo kan Nederland mede vorm geven aan ontwikkelingen in Europa die direct van invloed zijn op onze economische, sociale en politieke toekomst.

Binnen de Europese Unie wordt gewerkt aan economische groei, werkgelegenheid, gezonde overheidsfinanciën van de lidstaten en toekomstbestendige Europese samenwerking gericht op hoofdzaken en toegevoegde waarde. Daarnaast zullen het uittredingsproces van het Verenigd Koninkrijk, de Europese migratieproblematiek en de (aanloop naar) onderhandelingen over een nieuw meerjarig financieel kader de aandacht vragen. Tot slot zet Nederland zich in voor effectief extern beleid, inclusief een versterkt gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid.

De Staat van de Unie bevat de geïntegreerde visie van de regering op de Europese samenwerking en de rol van Nederland daarbij.

De Minister is verantwoordelijk voor:

Regisseren

  • Het bevorderen en bewaken van de coherentie en de consistentie van het Nederlandse Europabeleid, inclusief de voorbereiding van de Europese Raad en horizontale dossiers.

  • Het interdepartementaal afstemmen van de Nederlandse inzet in de verschillende, afzonderlijke Raadsformaties.

  • Het vormgeven van het Europese externe beleid ten opzichte van derde landen, inclusief uitbreiding van de EU, uittreding uit de EU, regio’s en ontwikkelingslanden.

  • De gedachtenvorming over de institutionele structuur van de EU.

  • Het onderhouden en intensiveren van de bilaterale relaties met andere Europese landen en het bevorderen van een Europese waardengemeenschap.

Financieren

  • Nederlandse afdrachten aan de Europese begroting en aan het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF).

  • Bijdragen aan een hechtere Europese waardengemeenschap middels een bijdrage aan de Raad van Europa.

  • Bijdragen ter versterking van de Nederlandse positie in de Unie van 27 waaronder aan de Benelux.

Meerjarig Financieel Kader (MFK)

21 Juli 2020 hebben de EU-lidstaten overeenstemming bereikt over het nieuwe Meerjarig Financieel Kader (MFK, 2021-2027). In het akkoord bedraagt het vastleggingenplafond voor het MFK 1.074 miljard euro. Het betalingenplafond, dat relevant is voor de berekening van de Nederlandse afdrachten, bedraagt 1.061 miljard euro. Ten opzichte van het huidige MFK (gecorrigeerd voor het vertrek van het VK en het opnemen van het Europees Ontwikkelingsfonds) daalt de omvang van het vastleggingenplafond met ongeveer 2%. Deze omvang past bij een kleinere Unie na het vertrek van het Verenigd Koninkrijk. Het Cohesiebeleid en het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) dalen in reële termen maar blijven de grootste uitgavencategorieën. In lijn met de Nederlandse inzet om tot een gemoderniseerde EU-begroting te komen wordt het MFK gemoderniseerd, met meer nadruk op terreinen zoals onderzoek en innovatie, klimaat, migratie en veiligheid. Zo is het kabinet positief over de sterkere nadruk op de klimaatinspanningen via de EU-begroting. Afgesproken is dat ten minste 30% van de uitgaven onder MFK en het herstelinstrument gezamenlijk moeten bijdragen aan de klimaatdoelstellingen voor 2030 en 2050 (de Nederlandse inzet was ten minste 25%, in het huidige MFK is dit 20%). Eveneens is Nederland positief over de uitkomst ten aanzien van de koppeling tussen EU ontvangsten en het rechtsstatelijkheidsmechanisme. Afgesproken is dat er een stelsel wordt geïntroduceerd dat een koppeling legt tussen de ontvangst van EU-middelen en de naleving van de waarden van de Unie, waaronder respect voor de beginselen ten aanzien van rechtsstatelijkheid. In het Verslag buitengewone Europese Raad van 17 tot en met 21 juli 2020 (Kamerstuk 2020D30498) is het nieuwe MFK nader toegelicht.

Tabel 10 MFK (in miljarden euro; prijzen 2018)*
 

MFK-akkoord 21 juli 2020

1. Interne markt, innovatie en digitaal

131

w.v. Horizon

76

2. Cohesie, veerkracht en waarden

380

w.v. Cohesie (EFRO, ESF, CF)

328

3. Landbouw en milieu

356

w.v. GLB

336

4. Migratie en grensmanagement

23

5. Veiligheid en Defensie

13

6. Extern beleid

98

7. Administratie

73

Totaal

1.074

De oprichting van een herstelinstrument «Next Generation EU’’ (NGEU) maakt onderdeel uit van de afspraken over het volgende MFK. Het budgettaire effect van het subsidiedeel van NGEU (390 miljard euro, prijzen 2018) slaat pas neer in de raming van de Nederlandse afdrachten vanaf 2028. Voor het leningenonderdeel van NGEU (360 miljard euro, prijzen 2018) zal een garantieverplichting op de begroting van Financiën onder artikel 4 worden opgenomen.

Europese Vredesfaciliteit

Tegelijkertijd met de start van het nieuwe Meerjarige Financiële Kader zal ook de Europese Vredesfaciliteit (EVF) opgezet worden. Dit is een nieuw instrument voor de financiering van de gemeenschappelijke kosten van EU-missies en operaties, EU-bijdragen aan vredesoperaties en militaire capaciteitsopbouw in derde landen. De faciliteit dient ter versterking van het EU extern optreden en, conform de Nederlandse inzet, een bijdrage te leveren aan een meer geïntegreerde benadering van conflicten en crises binnen het EU-buitenlandbeleid. Het huidige Athena-mechanisme voor financiering van gemeenschappelijke kosten van missies en operaties en de African Peace Facility voor EU-steun aan vredesmissies in Afrika gaan op in de nieuwe faciliteit. De EVF breidt zowel de mogelijke activiteiten als het geografische inzetgebied van voorgaande instrumenten uit.

Tabel 11 Tabel Budgettaire gevolgen van beleid artikel 3 Effectieve Europese samenwerking (bedragen x € 1.000)
  

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

 

Verplichtingen

9 259 317

8 539 060

9 871 674

9 735 316

9 802 973

10 141 680

10 472 748

 

Uitgaven:

       
 

Programma-uitgaven totaal

9 307 566

8 774 348

10 053 535

9 888 614

9 893 324

10 252 718

10 537 596

 

waarvan juridisch verplicht

  

100%

    

3.1

Afdrachten aan de Europese Unie

9 068 215

8 532 756

9 813 920

9 697 518

9 745 219

10 104 926

10 414 994

         
 

Bijdragen (inter)nationale organisaties

       
 

BNI-afdrachten

5 071 871

4 890 272

5 352 701

5 076 316

4 987 312

5 241 030

5 441 730

 

BTW-afdrachten

562 055

530 667

977 344

1 067 970

1 133 010

1 167 001

1 202 011

 

Invoerrechten

3 434 289

3 111 817

3 267 875

3 333 232

3 399 897

3 467 895

3 537 253

 

Plastic-grondslag

  

216 000

220 000

225 000

229 000

234 000

         

3.2

Europees Ontwikkelingsfonds

224 729

224 728

191 123

143 304

100 313

100 000

75 000

         
 

Bijdragen (inter)nationale organisaties

       
 

Europees Ontwikkelingsfonds

224 729

224 728

191 123

143 304

100 313

100 000

75 000

         

3.3

Een hechtere Europese waardengemeenschap

10 203

10 500

10 500

10 500

10 500

10 500

10 500

         
 

Bijdragen (inter)nationale organisaties

       
 

Raad van Europa

10 203

10 500

10 500

10 500

10 500

10 500

10 500

         

3.4

Versterkte Nederlandse positie in de Unie

4 419

6 364

5 892

5 192

5 192

5 192

5 002

         
 

Subsidies

       
 

EIPA

0

348

348

348

348

348

348

         
 

Opdrachten

       
 

Programmatische ondersteuning: Brexit

15

20

0

    
 

Programmatische ondersteuning: CECP

24

30

0

0

0

0

0

 

Europa College beurzenprogamma

 

190

190

190

190

190

 
 

Programmatische ondersteuning: Taskforce Verenigd Koninkrijk

 

1 797

1 375

675

675

675

675

         
 

Bijdragen (inter)nationale organisaties

       
 

Benelux bijdrage

4 032

3 979

3 979

3 979

3 979

3 979

3 979

 

EIPA

348

      
         

3.5

Europese Vredesfaciliteit

0

0

32 100

32 100

32 100

32 100

32 100

         
 

Bijdragen (inter)nationale organisaties

       
 

Europese Vredesfaciliteit

  

32 100

32 100

32 100

32 100

32 100

         
         
 

Ontvangsten

679 510

636 764

817 219

833 558

850 224

867 223

884 564

         

3.10

Diverse ontvangsten EU

679 510

636 514

816 969

833 308

849 974

866 973

884 314

         
 

Invoerrechten

660 507

615 424

816 969

833 308

849 974

866 973

884 314

 

Overige ontvangsten EU

19 003

21 090

0

0

0

0

0

         

3.30

Restitutie Raad van Europa

0

250

250

250

250

250

250

Budgetflexibiliteit

De uitgaven op dit artikel zijn (afgerond) 100 procent juridisch verplicht. De belangrijkste uitgaven betreffen de afdracht aan de EU, de Nederlandse bijdrage aan het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), bijdragen aan de Benelux en Raad van Europa en de Europese Vredesfaciliteit. Alleen op het terrein van de programmatische ondersteuning Taskforce Verenigd Koninkrijk is nog niet het gehele budget juridisch verplicht.

3.1 Afdrachten aan de Europese Unie

De EU-begroting wordt grotendeels gefinancierd door eigen middelen in de vorm van afdrachten van lidstaten (BNI- en BTW) en de traditionele eigen middelen (invoerrechten). Met het nieuwe Meerjarig Financieel Kader (MFK, 2021-2027) komt hier met de plastic-grondslag een extra eigen middel bij. Daarnaast ontvangt de EU overige inkomsten, zoals bijdragen van derden, rente- en boete-inkomsten. De afdrachten van de lidstaten zijn vastgelegd in het Eigenmiddelenbesluit (EMB). In het EMB zijn ook de kortingen op de afdrachten opgenomen en de zogenoemde perceptiekostenvergoeding – dit is de vergoeding voor de kosten die lidstaten maken voor het innen van de invoerrechten.

Het uitgangspunt voor de vaststelling van de raming van de Nederlandse afdrachten is de omvang van het jaarlijkse uitgavenplafond uit het Meerjarig Financieel Kader (MFK) plus de speciale instrumenten die boven dit plafond worden gefinancierd1 en bedoeld zijn om snel te kunnen reageren op onvoorziene omstandigheden. De invoerrechten die door de Nederlandse douane worden geïnd, de nationale BTW-afdracht, de nationale afdracht op basis van niet gerecycled plastic afval en de nationale BNI-afdracht zijn opgenomen op artikel 3.1, de perceptiekostenvergoeding op artikel 3.10. Om zeker te stellen dat de Europese Unie in staat is om aan al haar financiële verplichtingen te voldoen, wordt in het Besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie (het Eigenmiddelenbesluit, EMB) een jaarlijks maximum vastgelegd voor de eigen middelen2 die de Unie op mag vragen bij de lidstaten, dat hoger ligt dan het hiervoor beschreven maximale jaarlijkse uitgavenplafond uit het MFK. De marge tussen het uitgavenplafond en het eigenmiddelenplafond dient voornamelijk als zekerheid voor de aflossings- en renteverplichtingen op leningen die de Unie aan kan gaan. De risico’s voor de Nederlandse afdrachten aan de EU die daardoor ontstaan worden als garantieverplichting op de begroting van het ministerie van Financiën onder artikel 4 (Internationale Financiële betrekkingen) verantwoord, uitgesplitst naar de specifieke instrumenten die de Europese Commissie machtigen om namens de Unie middelen te lenen.

De omvang van de Nederlandse afdrachten aan de EU komt als volgt tot stand:

  • Alle invoerrechten die door de lidstaten namens de Unie worden geheven op producten die afkomstig zijn van landen buiten de EU, worden na aftrek van de vergoeding voor de inningskosten (25% vanaf 2021, in de periode 2014-2020 was dit 20%) afgedragen aan de EU. Deze invoerrechten worden ook wel de Traditionele Eigen Middelen genoemd en zijn onlosmakelijk verbonden met de douane-unie.

  • De BTW-afdracht bedraagt een uniform heffingspercentage van 0,3% op de geharmoniseerde BTW-grondslag van alle EU-lidstaten3. De Nederlandse korting op deze BTW-afdracht onder het MFK 2014-2020 in de vorm van een verlaagd heffingspercentage van 0,15%, is vanaf 2021 vervangen door een verhoging van de lumpsumkorting die Nederland krijgt op de BNI-afdracht (zie onderstaand de toelichting bij de BNI-afdracht). Tot nu toe werd ook de Nederlandse bijdrage aan de Britse korting meegenomen bij de BTW-afdracht. Met het vertrek van het VK vervalt de Britse korting en daarmee ook de Nederlandse bijdrage hieraan.

  • Een nieuwe afdracht op basis van een grondslag voor niet-gerecycled plastic verpakkingsafval wordt vanaf 1 januari 2021 ingevoerd. Voor deze grondslag geldt een tarief van 0,80 eurocent per kilogram. Ook is er een compensatiemechanisme voor minder welvarende lidstaten.

  • De BNI-afdracht is het sluitstuk van de financiering van de EU-begroting. Het deel van de Europese uitgaven dat niet gefinancierd kan worden door de overige inkomsten, invoerrechten, de BTW-afdracht en de plastic-grondslag wordt gefinancierd door BNI-afdrachten van de lidstaten. De totale BNI-afdracht van de lidstaten wordt bepaald door de bovengenoemde inkomsten in mindering te brengen op het totaal aan benodigde middelen voor de EU-begroting. Het aandeel van een lidstaat hierin wordt vervolgens bepaald op basis van het eigen BNI ten opzichte van het BNI van de EU als geheel. Nederland ontvangt op haar relatieve BNI-aandeel tot en met 2027 een jaarlijkse bruto lumpsum korting van 1.921 miljoen euro (prijzen 2020). In de periode 2014-2020 was deze korting 695 miljoen euro per jaar (prijzen 2011). Deze korting zal zodra het nieuwe Eigenmiddelenbesluit is geratificeerd gedurende het jaar met de maandelijkse BNI-afdracht worden verrekend.

De afdrachtenramingen zijn met een groter dan gebruikelijke onzekerheid omgeven door verschillende factoren.

  • Ten eerste is het onzeker hoe snel en volledig lidstaten zullen herstellen van de huidige COVID-crisis. Daardoor is ook de toekomstige hoogte van de invoerheffingen, de BTW-grondslag en de relatieve omvang van het BNI met meer onzekerheid omgeven, waardoor relatief grote verschuivingen kunnen optreden tussen de verschillende afdrachten en tussen de lidstaten.

  • De cijfers in tabel 1 zijn gebaseerd op de ER-conclusies over het MFK, een nieuw EMB en een Europees herstelinstrument, zoals op 21 juli door de Europese regeringsleiders overeengekomen is. Hierbij moet opgemerkt worden dat de ER-conclusies nog uitgewerkt moeten worden in de relevante EU-verordeningen en besluiten en dat het Europees Parlement nog moet instemmen met de MFK-verordening met meerderheid van stemmen.

  • Ten slotte zijn een aantal onderdelen van het akkoord ook nog afhankelijk van de tijdige ratificatie van het Eigenmiddelenbesluit door alle lidstaten. Vertragingen in die ratificatie kunnen ertoe leiden dat onder meer de Nederlandse lumpsumkorting en het verhoogde percentage van 25% van de perceptiekostenvergoeding pas in een later jaar in werking kunnen treden, maar dan wel met terugwerkende kracht. Dit is ook gebeurd bij het MFK 2014-2020, waarbij de kortingen over 2014-2016 pas in januari 2017 in de kas werden ontvangen.

Als gevolg van bovenstaande factoren en aannames kan de raming van de EU-afdrachten in de loop van het jaar met de reguliere begrotingsmomenten nog wijzigen en bestaat er een risico dat de jaarlijkse nacalculatie de komende jaren grotere uitschieters laat zien dan onder normale omstandigheden.

Tabel 12 Onderbouwing Nederlandse afdracht

in mln. EUR

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Stand ontwerpbegroting 2020

8.645

8.894

9.162

9.437

9.725

10.014

10.309

        

1. BNI-afdracht

125

‒ 325

‒ 594

‒ 535

‒ 539

‒ 676

‒ 789

2. BTW-afdracht

374

437

480

492

504

554

648

3. Invoerrechten

‒ 249

‒ 244

‒ 259

‒ 264

‒ 270

‒ 275

‒ 281

4. Plastic

216

220

225

229

234

233

232

5. Totaal EU-afdrachten, bruto (5=SOM(1-4))

466

88

‒ 149

‒ 79

‒ 71

‒ 165

‒ 189

6. Perceptiekostenvergoeding voor inning invoerrechten

114

118

118

121

123

125

128

7. Overige inkomsten

0

0

0

0

0

0

0

8. Totaal ontvangsten (8=6+7)

114

118

118

121

123

125

128

9. Totaal EU-afdrachten, netto (7-10)

352

‒ 30

‒ 267

‒ 199

‒ 194

‒ 290

‒ 317

        

Stand ontwerpbegroting 2021 (MFK-akkoord)

8.997

8.864

8.895

9.238

9.531

9.724

9.992

Tabel 12 laat de effecten zien van het politieke akkoord over het volgende MFK (2021-2027) en het nieuwe Eigenmiddelenbesluit op de Nederlandse EU-afdrachten over de bijbehorende periode. In de BNI-afdracht is ook de verwachte Britse bijdrage aan de EU-begroting uit hoofde van het Terugtrekkingsakkoord verwerkt en het effect van de Voorjaarsraming 2020 van de Europese Commissie voor de jaren 2021 en verder.

Zoals in de tabel te zien is, zijn de totale Nederlandse afdrachten aan de EU in 2021 hoger dan voorzien in de Rijksbegroting 2020. In de jaren daarna zijn deze lager dan voorzien. Verklaring hiervoor is dat in de eerste jaren van het MFK de betalingen relatief hoog zijn. Dit komt onder andere door ’’frontloading’’ van betalingen i.v.m. urgente EU-uitgaven in reactie op de COVID-19 crisis.

De bovenstaande standen zijn het saldo van een aantal onderliggende aanpassingen.

  • De omvang van het volgende MFK ligt weliswaar iets lager dan het huidige MFK (prijzen van het jaar 2018), maar dit MFK wordt na het vertrek van het Verenigd Koninkrijk gefinancierd door 27 i.p.v. 28 lidstaten. Daardoor stijgt het Nederlandse aandeel in de financiering van het MFK, wat een opwaarts effect heeft op de omvang van de Nederlandse afdrachten aan de EU.

  • De nieuwe Nederlandse korting (bruto EUR 1.921 miljoen per jaar, prijzen 2020) is groter dan de huidige korting waardoor de Nederlandse afdracht daalt. De verschillende soorten korting onder het huidige MFK (de korting op de korting van het VK, de BTW-korting en de BNI-korting) worden in het volgende MFK samengevoegd tot een lumpsum korting. Deze ene lumpsum korting is groter dan de som van de drie kortingen in de periode 2014-2020 (deze was bruto circa EUR 1,6 miljard in prijzen 2020).

  • Daarnaast leidt de introductie van een nieuwe grondslag voor afdrachten op basis van niet-gerecycled plastic afval per saldo tot lagere afdrachten voor Nederland. Zoals eerder toegelicht vormt de BNI-afdracht de sluitpost van de financiering van de EU-begroting. Doordat een deel van de EU-uitgaven vanaf 2021 gefinancierd wordt via de plastic-afdrachten hoeft er minder opgehaald worden via de BNI-afdrachten. Omdat het relatieve aandeel van Nederland in de plastic-afdracht lager is dan de BNI-afdracht leidt dit per saldo tot een meevaller.

  • Verder leidt een verhoging van de vergoeding voor het innen van de invoerrechten, de perceptiekostenvergoeding, van 20% naar 25%, tot een neerwaarts effect op de Nederlandse afdrachten. De hoogte van de perceptiekostenvergoeding is met name belangrijk voor landen waar relatief veel goederen de EU binnenkomen, zoals Nederland en België.

  • Ook is er nog het effect van de Britse bijdrage uit hoofde van het Terugtrekkingsakkoord met het VK. Dit akkoord is geen onderdeel van het MFK-akkoord maar is wel verbonden aan de budgettaire effecten ervan. Deze bijdrage heeft een neerwaarts effect heeft op de Nederlandse afdrachten aan de EU tijdens de jaren van het volgende MFK.

  • Tot slot is ook het effect van de Voorjaarsraming van de Europese Commissie verwerkt in deze cijfers. Het effect daarvan is een verlaging van de Nederlandse afdracht.

Naast het effect op de EU-afdrachten op art. 3.1 en 3.10 zoals opgenomen in tabel 12 is de afname van de bijdrage aan het EOF (zie onderstaand bij art 3.2) toe te schrijven aan het akkoord over het volgende MFK, welke voor een deel onder het MFK wordt geplaatst en daarmee eveneens vanaf 2021 in de bovenstaande cijfers van de BNI afdracht loopt.

Zoals toegelicht in de Miljoenennota, maakt de oprichting van een herstelinstrument «Next Generation EU’’ (NGEU) onderdeel uit van de afspraken over het volgende MFK. Het budgettaire effect van het subsidiedeel van NGEU (EUR 390 miljard, prijzen 2018) slaat pas neer in de raming van de Nederlandse afdrachten vanaf 2028. Voor het leningenonderdeel van NGEU (EUR 360 miljard, prijzen 2018) zal een garantieverplichting in de ontwerpbegroting 2021 van Financiën onder artikel 4 worden opgenomen.

Nettobetalingspositie Nederland

De Europese Commissie heeft nog geen nieuwe cijfers gepresenteerd over de netto-betalingspositie van Nederland of andere lidstaten voor 2019. De meest recente cijfers hierover zijn de cijfers voor 2018 en zijn terug te vinden in de begroting van Buitenlandse Zaken voor 2020.

3.2 Europees Ontwikkelingsfonds

  • Bijdrage aan het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF). Dit fonds is het instrument waarmee de Europese Unie de ontwikkelingssamenwerking met de landen in Afrika, het Carïbisch gebied en de Stille Oceaan (ACS) en de landen en gebieden overzee (LGO) uitvoert, tot 2021. Het grootste deel van het EOF is bestemd voor de financiering van de steun aan nationale, regionale en lokale projecten en programma’s gericht op de economische en sociale ontwikkeling van die gebieden. Als onderdeel van het akkoord over het MFK 2021-2027 worden nieuwe EOF-programma’s onder het MFK gebracht, waarmee op termijn de aparte bijdrage aan het EOF zal komen te vervallen. De aflopende bijdragen die in 2021 en de jaren daarna nog wel aan het EOF gedaan worden betreffen betalingen op reeds aangegane verplichtingen vanuit het 10e en 11e EOF, die naar verwachting in die jaren tot betaling gaan komen.

3.3 Een hechtere Europese waardegemeenschap

  • Raad van Europa: Nederland beschouwt de Raad van Europa als een belangrijke hoeder van mensenrechten, democratie en rechtsstaat in heel Europa. Ook wil Nederland bijdragen aan verdergaande hervorming van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en aan een zorgvuldig voorbereide toetreding van de EU tot het EVRM. De Nederlandse Permanente Vertegenwoordiging in Straatsburg speelt daarbij een centrale rol door goede betrekkingen en, indien opportuun, regelmatig overleg met het secretariaat van de Raad van Europa, permanente vertegenwoordigingen van andere lidstaten en met de Nederlandse delegatie in de Parlementaire Assemblee (PACE) van de Raad van Europa.

3.4 Versterkte Nederlandse positie in de Unie

  • Jaarlijkse bijdrage aan de Benelux Unie. De Benelux Unie dient twee doelen: het vervullen van een voortrekkersrol binnen de Europese Unie en grensoverschrijdende samenwerking, vooral op het gebied van economie, duurzame ontwikkeling en justitie/binnenlandse zaken. Daarnaast werkt Nederland in Benelux-verband ook samen op buitenlandspolitiek terrein.

  • Subsidie aan European Institute for Public Administration (EIPA). Het EIPA heeft als doel het ontwikkelen van de capaciteiten van ambtenaren in het omgaan met EU-aangelegenheden.

  • De programmagelden voor programmatische ondersteuning Taskforce Verenigd Koninkrijk (TFVK) worden aangewend voor programma’s (onderzoek/voorlichting) ter ondersteuning van de overgang naar, en monitoring van de nieuwe relatie met het VK als derde land, en de monitoring van de effectiviteit van readiness voorbereidingen en contingency maatregelen. Ook zal in de eerste helft van 2021 de aan de Kamer toegezegde alomvattende evaluatie van de rijksbrede Brexit-inspanningen (TFVK, CECP en inzet vakdepartementen) voor de periode 2017-2020 worden uitgevoerd door een externe partij, inclusief verantwoording van alle Brexit-gerelateerde uitgaven.

3.5 Europese Vredesfaciliteit

  • Bijdrage aan de Europese Vredesfaciliteit (EVF) voor de financiering van de gemeenschappelijke kosten van EU-missies en operaties, EU-bijdragen aan vredesoperaties en militaire capaciteitsopbouw in derde landen. De faciliteit dient ter versterking van het EU extern optreden en, conform de Nederlandse inzet, een bijdrage te leveren aan een meer geïntegreerde benadering van conflicten en crises binnen het EU-buitenlandbeleid.

3.10 Ontvangsten

  • De ontvangsten onder dit beleidsartikel betreffen de zogenaamde perceptiekostenvergoeding die Nederland ontvangt voor de kosten die gemaakt worden bij de inning van de douanerechten. Deze bedragen vanaf het nieuwe MFK (2021-2027) 25% van de geïnde douanerechten, tot 2021 was dit 20%. Deze ontvangsten zijn begrotingstechnisch niet gekoppeld aan de begroting van de Nederlandse Douane.

1

Het Globaliseringsfonds, het Solidariteits- en noodhulpinstrument, het nieuwe Brexit fonds en het Flexibiliteitsinstrument.

2

Dit plafond wordt het eigenmiddelenplafond genoemd.

3

Omdat de btw-tarieven en grondslagen verschillen tussen afzonderlijke lidstaten wordt een geharmoniseerde grondslag vastgesteld, waarover de lidstaten een gelijkwaardige afdracht betalen.

Licence