XII Infrastructuur en Waterstaat
A ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL
Wetsartikelen 1 tot en met 2
De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de rijksbegroting, worden op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 afzonderlijk bij wet vastgesteld en ook gewijzigd. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om voor het jaar 2025 wijzigingen aan te brengen in
1. de departementale begrotingsstaat van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat;
2. de begrotingsstaten inzake de agentschappen van dit ministerie.
De in de begrotingsstaten opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht.
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,V.P.G. Karremans
B ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING BIJ DE BEGROTINGSARTIKELEN (SLOTVERSCHILLEN)
1 Leeswijzer
De beleidsmatige mutaties en technische mutaties groter of gelijk aan de ondergrenzen in onderstaande staffel worden op het niveau van de financiële instrumenten (en eventueel artikelonderdeel) toegelicht.
Omvang begrotingsartikel (stand ontwerp-begroting) in € miljoen | Beleidsmatige mutaties (ondergrens in € miljoen) | Technische mutaties (ondergrens in € miljoen) |
|---|---|---|
< 50 | 1 | 2 |
=> 50 en < 200 | 2 | 4 |
=> 200 < 1000 | 5 | 10 |
=> 1000 | 10 | 20 |
2 Beleidsartikelen
2.1 Artikel 11 Integraal Waterbeleid
Toelichting
Op dit artikel is ten opzichte van de 2e suppletoire begroting € 2,9 miljoen minder uitgegeven en is voor een bedrag van € 19,1 miljoen minder aan verplichtingen aangegaan.
Verplichtingen
De lagere realisatie op het verplichtingenbudget (- € 19,1 miljoen) heeft met name betrekking op:
– Partners voor Water 5: Vanwege de HGIS taakstelling is er een deel van de verplichtingen ingetrokken (- € 14,4 miljoen). Dit betreft de technische verwerking hiervan.
– Subsidies Groene Klimaatpleinen: Na de staatssteunanalyse die na de Najaarsnota uitgevoerd werd, bleek dat er slechts voor een lager bedrag beschikt kon worden. Hierdoor is er een resterend bedrag van circa ‒ € 1,0 miljoen verplichtingenruimte overgebleven.
– Het resterende bedrag wordt verklaard door diverse kleinere mutaties (- € 3,7 miljoen).
Uitgaven
De kasmutaties zijn lager dan de voorgeschreven norm en worden daarom niet toegelicht (zie normering in de leeswijzer).
Ontvangsten
De ontvangsten mutaties zijn lager dan de voorgeschreven norm en worden daarom niet toegelicht.
2.2 Artikel 13 Bodem en Ondergrond
Toelichting
Op dit artikel is ten opzichte van de 2e suppletoire begroting € 0,4 miljoen meer uitgegeven en is voor een bedrag van ‒ € 10,4 miljoen minder aan verplichtingen aangegaan.
Verplichtingen
De lagere realisatie op het verplichtingenbudget (- € 10,4 miljoen) heeft met name betrekking op de hieronder toegelichte kasmutaties.
Uitgaven
De drie genoemde instrumenten in dit artikel betreft het budget voor bodemsaneringen, die afhankelijk van de ontvanger, via een specifiek instrument beschikt moet worden.
Opdrachten
De hogere uitgaven (€ 1,8 miljoen) op het opdrachtenbudget heeft met name betrekking op:
– Bodem en STRONG: Voor het EMK terrein kon de vaststellingsovereenkomst over vervuild slib niet in 2025 worden afgerond. De vaststelling van deze overeenkomst schuift door naar 2026. Dit betreft € 2,0 miljoen aan kas en ‒ € 5,6 miljoen aan verplichtingen dat overbleef.
Subsidies
De lagere uitgaven ( ‒ € 4,1 miljoen) op het subsidiebudget heeft met name betrekking op:
– Bedrijvenregeling: Er is vertraging ontstaan in de afhandeling van vaststellings- en verleningsverzoeken voor de bedrijvenregeling in 2025 (€ 3,3 miljoen aan kasuitgaven en ‒ € 0,9 miljoen aan verplichtingen. Deze vertraging is ontstaan, doordat het delegatiebesluit dat provincies en gemeenten subsidies mochten verlenen via de Omgevingswet was te komen vervallen.
Bijdragen aan medeoverheden
De hogere uitgaven ( € 2,7 miljoen) op het subsidiebudget heeft met name betrekking op:
– Meerjarenprogramma Bodem: De hogere realisatie wordt veroorzaakt door de Meerjarige SPUK Bodem te bevoorschotten aan de medeoverheden (€ 2,7 miljoen kas en ‒ € 2,2 miljoen aan verplichtingen).
Ontvangsten
De ontvangsten mutaties zijn lager dan de voorgeschreven norm en worden daarom niet toegelicht.
2.3 Artikel 14 Wegen en Verkeersveiligheid
Toelichting
Op dit artikel is ten opzichte van de 2e suppletoire begroting € 9,7 miljoen minder uitgegeven en is voor een bedrag van € 97,6 miljoen minder aan verplichtingen aangegaan.
Verplichtingen
De lagere verplichtingen (€ 97,6 miljoen) hebben met name betrekking op:
– Verplichtingen RVO (€ -64,0 miljoen): De uitstaande verplichtingen voor RVO zijn negatief bijgesteld zodat ze gelijk zijn aan de uitstaande verplichtingen in de concept jaarverantwoording RVO.
Verplichtingen RVO SPUKs (- € 14,6 miljoen): Dit betreft SPUK-regelingen die door de RVO worden uitgevoerd. Op de verplichtingen is een incidentele meevaller ontstaan doordat er minder aanvragen zijn ingediend dan verwacht.
– Saldo Terugsluis (€ 6,0 miljoen): Hieronder vallen verschillende subsidieregelingen, zoals de SPRiLa en ZE-bussen. Er zijn minder aanvragen ingediend op deze subsidies dan verwacht. Daarnaast zijn de uitvoeringskosten voor subsidieregelingen door RVO lager uitgevallen dan verwacht. Als laatste hebben opdrachten vertraging opgelopen. Dit wordt conform middelenafspraak overgeboekt naar het Mobiliteitsfonds.
– Desaldering ontvansgten VWH (€ 3,7 miljoen): Er zijn minder subsidies uitgekeerd dan verwacht. Het overgebleven budget wordt weer toegevoegd aan het budget voor Vrachtwagenheffing, conform de middelenafspraak.
– Subsidies DuMo (- € 3,6 miljoen): Dit betreft grotendeels subsidieregelingen die door de RVO worden uitgevoerd. De verplichtingenrealisatie is lager dan het budget, doordat er minder subsidieaanvragen zijn binnengekomen dan verwacht.
– Opdrachten DuMo (- € 2,5 miljoen): De verplichtingen zijn lager dan begroot, vanwege vertraging bij het aangaan van opdrachten.
– Verder hebben er diverse kleine mutaties plaatsgevonden, waardoor het verplichtingenbudget per saldo ‒ € 3,2 miljoen verlaagd is.
Uitgaven
1 Netwerk
De mutaties zijn lager dan de voorgeschreven norm en worden daarom niet toegelicht (zie normering in de leeswijzer).
2 Verkeersveiligheid
De mutaties zijn lager dan de voorgeschreven norm en worden daarom niet toegelicht (zie normering in de leeswijzer).
3 Slimme en duurzame mobiliteit
Opdrachten
De lagere uitgaven ( ‒ € 10,9 miljoen) hebben met name betrekking op:
– NGF Dutch Metropolitan Innovations (- € 11,4 miljoen): Er is vertraging ontstaan bij de ontwikkeling van de innovatievoorstellen. Dit betekent ook dat implementatie later plaats zal vinden.
– Verder hebben er diverse kleine mutaties plaatsgevonden waardoor het uitgavenbudget per saldo € 0,5 miljoen verhoogd is.
Subsidies
De lagere uitgaven ( ‒ € 16,8 miljoen) hebben met name betrekking op:
– Subsidies Vrachtwagenheffing (- € 16,4 miljoen): Er zijn minder aanvragen ingediend dan verwacht op het subsidiebudget van Vrachtwagenheffing. Dit wordt conform middelenafspraak overgeboekt naar het Mobiliteitsfonds.
– Subsidies bronmaatregelen stikstof ( ‒ € 11,2 miljoen): De kasrealisatie is lager dan initieel geraamd. Deze raming wordt gebaseerd op een RVO-prognose, maar deze prognoses worden niet altijd volledig gerealiseerd.
– Subsidies DuMo (- € 10,1 miljoen): De kasrealisatie is lager dan initieel geraamd. Deze raming is gebaseerd op RVO-prognoses, maar deze prognoses worden niet altijd volledig gerealiseerd.
– Subsidies laadinfra weg KF (€ 8,8 miljoen): Deze subsidie is overschreden, doordat de bevoorschotting gedurende het jaar is verhoogd.
– Subsidies elektrisch vervoer (€ 7,6 miljoen): Aan het einde van 2025 hebben er kasbetalingen plaatsgevonden voor de aflopende subsidieregelingen SEPP en SEBA die voor 2026 waren geraamd, met als gevolg hogere uitgaven op deze post.
– Verder hebben er diverse kleine mutaties plaatsgevonden waardoor het uitgavenbudget per saldo € 4,5 miljoen verhoogd is.
Bijdrage aan medeoverheden
De hogere uitgaven (€ 15,3 miljoen) hebben betrekking op:
– Bijdragen medeoverheden DuMo (€ 15,3 miljoen): Dit betreft het saldo op de bijdrage aan medeoverheden van Duurzame Mobiliteit. De uitgaven bij de SPUK Schoon en Emissieloos Bouwen en bijdragen aan de NAL-regio's zijn hoger uitgevallen dan verwacht. Daarnaast is de bevoorschotting op de SPUK ZE-bussen gedurende het jaar verhoogd. Als laatste diende een groter deel van de uitgaven op de SPUK SEB verantwoord te worden op de Beleidsbegroting (HXII), in plaats van het Mobiliteitsfonds.
Ontvangsten
De mutaties zijn lager dan de voorgeschreven norm en worden daarom niet toegelicht (zie normering in de leeswijzer).
2.4 Artikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor
Toelichting
Op dit artikel is ten opzichte van de 2e suppletoire begroting € 56,7 miljoen minder uitgegeven en is voor een bedrag van € 78,6 miljoen meer aan verplichtingen aangegaan.
Verplichtingen
De hogere verplichtingen (€ 78,6 miljoen) hebben met name betrekking op:
– HRN-concessie (€ 140,5 miljoen): Voor het vastleggen van de HRN concessie (2025 ‒ 2033) aan NS is € 140,5 miljoen aan verplichtingen geboekt.
– Verrekening NS met IenW (- € 50 miljoen): Zie toelichting onder uitgaven.
– Lagere verplichtingen TVOV (- € 8,1 miljoen): De TVOV verplichtingen vallen lager uit omdat er minder aanspraak is gemaakt op de TVOV regeling dan eerder werd voorzien. Er is minder aanspraak gemaakt omdat er binnen de exploitatie van het openbaar vervoer minder verschil zat tussen de opbrengsten en kosten dan voorheen werd verwacht. Van de resterende middelen is de verwachting dat ze in 2026 nodig zijn voor de afwikkeling van de TVOV regeling. Conform afspraak wordt het overschot bij VJN 2026 weer toegevoegd aan het TVOV verplichtingenbudget.
– Verder hebben er diverse kleine mutaties plaatsgevonden waardoor het verplichtingenbudget per saldo ‒ € 3,8 miljoen verlaagd is.
Uitgaven
1 Spoor
Subsidies
De lagere uitgaven ( ‒ € 50,0 miljoen) hebben met name betrekking op:
– Verrekening NS met IenW (- € 50 miljoen): Het lagere uitgavenbudget hangt samen met de afwikkeling van enkele openstaande financiële verplichtingen tussen IenW en NS uit de vorige concessieperiode. IenW en NS stellen de vergoeding voor de door IenW gestelde spoorstaafschade op de HSL-infrastructuur tot en met 2024 vast op een bedrag van € 50 miljoen. IenW en NS stellen de door NS aangevraagde vergoeding voor het op orde houden van de dienstregeling tijdens de coronapandemie vast op hetzelfde bedrag. Deze verrekening heeft zonder betaling plaatsgevonden vanwege de gelijke omvang van de verplichtingen. De vastlegging in de begroting heeft plaatsgevonden in de September suppletoire begroting 2025 via een desaldering.
2 Maatregelenpakket OVS
De mutaties zijn lager dan de voorgeschreven norm en worden daarom niet toegelicht (zie normering in de leeswijzer).
Ontvangsten
De ontvangsten zijn - € 72,9 miljoen lager dan begroot bij Najaarsnota. Voor - € 23,5 miljoen betreft het de lagere BVOV ontvangsten. Die ontvangsten werden in 2025 verwacht maar zijn reeds in 2024 ontvangen. Doordat de ontvangsten al in 2024 zijn binnengekomen, wordt de raming van de ontvangsten in 2025 nu naar beneden bijgesteld. Daarnaast vallen de ontvangsten € 50 miljoen in 2025 lager uit door de desaldering in het kader van de Verrekening NS met IenW. De toelichting op die desaldering is te vinden onder de uitgaven.
2.5 Artikel 17 Luchtvaart
Toelichting
Op dit artikel is ten opzichte van de 2e suppletoire begroting 2025 € 12,3 miljoen minder uitgegeven en is voor een bedrag van € 8,5 miljoen minder aan verplichtingen aangegaan.
Verplichtingen
De lagere verplichtingen van ‒ € 10,1 miljoen hebben met name betrekking op hieronder toegelichte uitgaven mutaties en daarnaast:
– Garantstelling LVNL ( ‒ € 9,8 miljoen): het overschot wordt veroorzaakt doordat LVNL minder leningen heeft afgesloten dan de garantstelling vanuit IenW.
– Subsidies NGF project Luchtvaart in Transitie (€ 3,1 miljoen): Er zijn voor LiT in 2025 minder verstrekte subsidies afgewikkeld dan verwacht.
Uitgaven
1. Luchtvaart
OpdrachtenDe lagere uitgaven van € 3,4 miljoen hebben met name betrekking op:
– Entry Exit Systems op AAS (- € 2,0 miljoen): Er was een bijdrage aan het Ministerie van Asiel en Migratie voorzien voor de Entry Exit Systems (EES) op Amsterdam Airport Schiphol (AAS). Aangezien er geen financiële afspraken zijn gekomen, zijn deze middelen niet besteed.
– Diverse kleine mutaties verklaren het overige verschil ( ‒ € 1,4 miljoen)
SubsidiesDe lagere uitgaven van € 8,4 miljoen hebben met name betrekking op:
– NGF project Luchtvaart in Transitie (- € 8,3 miljoen): Een deel van de subsidieontvangers heeft niet tijdig aan alle voorwaarden voldaan waardoor een aantal voorschotten niet uitgekeerd zijn.
– Diverse kleine mutaties verklaren het overige verschil ( ‒ € 0,1 miljoen)
Ontvangsten
De mutaties zijn lager dan de voorgeschreven norm en worden daarom niet toegelicht (zie normering in de leeswijzer).
2.6 Artikel 18 Scheepvaart en Havens
Toelichting
Op dit artikel is ten opzichte van de 2e suppletoire begroting 2025 € 17,2 miljoen minder uitgegeven en is voor een bedrag van € 20,6 miljoen minder aan verplichtingen aangegaan. De ontvangsten zijn € 1,9 miljoen hoger dan begroot bij de 2e suppletoire begroting 2025.
Verplichtingen
De lagere verplichtingen van € 20,6 miljoen hebben met name betrekking op hieronder toegelichte uitgaven mutaties en daarnaast:
– Voor de subsidie Walstroom is de verplichtingenstand aangesloten op de RVO administratie (- € 6,5 miljoen).
– Subsidie duurzame innovatieve binnenvaart (– € 2,5 miljoen):
Voor facturen met betrekking tot 2024 is in 2025 kasbudget ingezet. Aangezien hiervoor een overlopende verplichting stond, is het bijbehorende verplichtingenbudget komen te vervallen.
– Verplichtingen RVO (- € 1,1 miljoen): De uitstaande verplichtingen voor RVO zijn negatief bijgesteld zodat ze gelijk zijn aan de uitstaande verplichtingen in de concept jaarverantwoording RVO.
Uitgaven
Subsidies
De lagere uitgaven van € 13,2 miljoen hebben met name betrekking op:
– NGF zero emission services (ZES) (€ -6,8 miljoen): Er zijn minder aanvragen ingediend voor de regeling dan verwacht waardoor er € 6,8 miljoen doorschuift naar 2026.
– NGF Maritiem Masterplan (MMP) (- € 4,2 miljoen): door vertraging in de voortgang bij de beoogde ontvangers is € 4,2 miljoen niet tot besteding gekomen en schuift dit door naar 2026.
– Subsidie topsector logistiek (- € 1,7 miljoen): door een kortere openingstermijn van de regeling zijn minder aanvragen ontvangen dan verwacht en is er in 2025 minder uitgegeven dan voorzien.
– Het overige verschil wordt verklaard door diverse kleine mutaties (- € 0,5 miljoen).
Ontvangsten
De ontvangstenmutaties zijn kleiner dan de gehanteerde norm en worden daarom niet toegelicht. Zie voor de gehanteerde norm de leeswijzer.
2.7 Artikel 19 Uitvoering Milieubeleid en Internationaal
Toelichting
Op dit artikel is ten opzichte van de 2e suppletoire begroting € 0,5 miljoen minder uitgegeven en is voor een bedrag van € 0,5 miljoen minder aan verplichtingen aangegaan.
Verplichtingen
De mutaties zijn lager dan de voorgeschreven norm en worden daarom niet toegelicht (zie normering in de leeswijzer).
Uitgaven
De mutaties zijn lager dan de voorgeschreven norm en worden daarom niet toegelicht (zie normering in de leeswijzer).
Ontvangsten
De ontvangstenmutaties zijn kleiner dan de gehanteerde norm en worden daarom niet toegelicht. Zie voor de gehanteerde norm de leeswijzer.
2.8 Artikel 20 Lucht en Geluid
Toelichting
Op dit artikel is ten opzichte van de 2e suppletoire begroting € 1,0 miljoen minder uitgegeven en is voor een bedrag van € 5,0 miljoen minder aan verplichtingen aangegaan.
Verplichtingen
De lagere verplichtingen van € 5,0 miljoen hebben met name betrekking op:
– Uitvoering Geluid (- € 1,4 miljoen). De aanvullende opdracht aan het Bureau Sanering Verkeerslawaai voor de uitvoering van de SPUK Sanering Verkeerslawaai is vertraagd.
– Overige opdrachten (- € 2,3 miljoen). Dit als gevolg van de afwikkeling van diverse verplichtingen en door de vertraging in het aanbestedingsproces waardoor een aantal opdrachten zijn doorgeschoven naar 2026.
– Programma NSL en SLA (- € 1,1 miljoen). Dit is het gevolg van een afboeking van de verplichtingen in het kader van de Specifieke Uitkering Schone Lucht Akkoord. De RVO heeft uiteindelijk een lager bedrag in rekening gebracht bij IenW dan voorzien aan de hand van de afwikkeling van een aantal subsidies.
– Het restant wordt verklaard door diverse kleinere mutaties (- € 0,2 miljoen).
Uitgaven
De mutaties zijn lager dan de voorgeschreven norm en worden daarom niet toegelicht (zie normering in de leeswijzer).
Ontvangsten
De ontvangstenmutaties zijn kleiner dan de gehanteerde norm en worden daarom niet toegelicht. Zie voor de gehanteerde norm de leeswijzer.
2.9 Artikel 21 Duurzaamheid
Toelichting
Op dit artikel is ten opzichte van de 2e suppletoire begroting € 2,7 miljoen minder uitgegeven en is voor een bedrag van € 9,2 miljoen minder aan verplichtingen aangegaan.
Verplichtingen
De lagere verplichtingen van € 9,2 miljoen hebben met name betrekking op:
– Verplichtingen RVO (- € 6,2 miljoen). De uitstaande verplichtingen voor RVO zijn negatief bijgesteld zodat ze gelijk zijn aan de uitstaande verplichtingen in de concept jaarverantwoording RVO.
– Onderzoeken op het gebied van cybersecurity, de monitor textiel en plastics ( ‒ € 0,5 miljoen). Dit door vertraging in de opdrachtverstrekking voor de projecten omtrent single use plastics, wegwerpplastics en consumptiegoederen.
– Jaaropdracht aan RWS (- € 1,6 miljoen). Dit bedrag is doorgeschoven naar 2026.
– Diverse kleine mutaties verklaren de resterende € 0,9 miljoen.
Uitgaven
1. Duurzame productieketens
Subsidies
De lagere uitgaven van € 2,5 miljoen hebben met name betrekking op:
– Kennis en Innovatie Agenda Circulaire Economie (KIA CE) en Demonstratie en Innovatieprojecten Circulaire Economie (DEI+CE) (- € 1,1 miljoen). In de uitvoering is gebleken dat beschikkingen te hoog zijn verstrekt; deze zijn nu omlaag bijgesteld.
– Subsidieregeling plastics norm (- € 1,4 miljoen). De aanvragen voor deze subsidieregeling omschakeling en verwerking circulaire plastics waren lager dan verwacht.
Ontvangsten
De ontvangstenmutaties zijn kleiner dan de gehanteerde norm en worden daarom niet toegelicht. Zie voor de gehanteerde norm de leeswijzer.
2.10 Artikel 22 Omgevingsveiligheid en Milieurisico's
Toelichting
Op dit artikel is ten opzichte van de 2e suppletoire begroting € 1,6 miljoen minder uitgegeven en is voor een bedrag van € 3,4 miljoen minder aan verplichtingen aangegaan.
Verplichtingen
De lagere verplichtingen van € 3,4 miljoen hebben met name betrekking op:
– De Subsidieregeling Versterking Omgevingsveiligheid (- € 0,7 miljoen). Er zijn minder subsidieaanvragen tijdig afgehandeld dan verwacht.
– Door RWS uitgevoerde projecten voor milieurisico's (- € 0,4 miljoen). Dit doordat meerdere inkooptrajecten langer duurde dan verwacht.
– Verplichtingen RVO (€ -0,8 miljoen). De uitstaande verplichtingen voor RVO zijn negatief bijgesteld zodat ze gelijk zijn aan de uitstaande verplichtingen in de concept jaarverantwoording RVO.
– Diverse kleine mutaties verklaren de resterende ‒ € 1,5 miljoen.
Uitgaven
De mutaties zijn lager dan de voorgeschreven norm en worden daarom niet toegelicht (zie normering in de leeswijzer).
Ontvangsten
De ontvangstenmutaties zijn kleiner dan de gehanteerde norm en worden daarom niet toegelicht. Zie voor de gehanteerde norm de leeswijzer.
2.11 Artikel 23 Meteorologie, Seismologie en Aardobservatie
Toelichting
Op dit artikel is hetzelfde uitgegeven ten opzichte van de 2e suppletoire begroting en hetzelfde bedrag aan verplichtingen aangegaan.
Verplichtingen
De mutaties zijn lager dan de voorgeschreven norm en worden daarom niet toegelicht (zie normering in de leeswijzer).
Uitgaven
De mutaties zijn lager dan de voorgeschreven norm en worden daarom niet toegelicht (zie normering in de leeswijzer).
Ontvangsten
De mutaties zijn lager dan de voorgeschreven norm en worden daarom niet toegelicht (zie normering in de leeswijzer).
2.12 Artikel 24 Handhaving en Toezicht
Toelichting
Op dit artikel is ten opzichte van de 2e suppletoire begroting 2025 € 3,5 miljoen meer uitgegeven en is voor een bedrag van € 1,3 miljoen minder aan verplichtingen aangegaan.
Verplichtingen
De mutaties zijn lager dan de voorgeschreven norm en worden daarom niet toegelicht (zie normering in de leeswijzer).
Uitgaven
De mutaties zijn lager dan de voorgeschreven norm en worden daarom niet toegelicht (zie normering in de leeswijzer).
Ontvangsten
De mutaties zijn lager dan de voorgeschreven norm en worden daarom niet toegelicht (zie normering in de leeswijzer).
2.13 Artikel 25 Brede Doeluitkering
Toelichting
Op dit artikel is ten opzichte van de 2e suppletoire begroting € 1,3 miljoen minder uitgegeven en is voor een bedrag van € 146,4 miljoen meer aan verplichtingen aangegaan.
Verplichtingen
Volgens de BDU-systematiek worden de verplichtingen voorafgaand aan het jaar van betaling aangegaan. De beschikking voor het jaar 2026 is eind 2025 afgegeven aan de twee vervoersregio’s Metropoolregio Rotterdam en Den Haag (MRDH) en Vervoerregio Amsterdam (VRA). Bij het opstellen van de tweede suppletoire begroting was nog niet in alle gevallen bekend welke afzonderlijke afspraken met welk kaseffect in 2026 moesten worden vastgelegd. Inmiddels is dit bekend en is het verplichtingenbudget voor 2025 in totaal met € 146,4 miljoen verhoogd. Dit bedrag is onder te verdelen in € 90,6 miljoen voor de algemene verplichtingen en € 55,8 miljoen voor vastlegging van specifieke projecten. Het gaat specifiek om de bijdrage aan de BDU-regio’s voor de bijdrage aan Zuid-Holland Bereikbaar van € 4,3 miljoen (MRDH), onderdoorgang Trekvlietbrug van € 3,4 miljoen (MRDH), een Rijksbijdrage aan studiekosten en het partieel uitvoeringsbesluit voor de Vlietlijn van € 18,2 miljoen (MRDH), een Rijksbijdrage aan studiekosten voor de Oude Lijn van € 1 miljoen (MRDH), Metronet van € 8,3 miljoen (MRDH), Spreiden en Mijden van € 2 miljoen (VRA), Kwartiermakersfase en bijdrage planstudie Stadsbrug van € 0,8 miljoen (VRA), Guisweg van € 3,5 miljoen (VRA) en de OV Verbinding Amsterdam Haarlemmermeer (OVAH) van € 14,3 miljoen (VRA).
Uitgaven
De mutaties zijn lager dan de voorgeschreven norm en worden daarom niet toegelicht (zie normering in de leeswijzer).
Ontvangsten
De mutaties zijn lager dan de voorgeschreven norm en worden daarom niet toegelicht (zie normering in de leeswijzer).
2.14 Artikel 26 Bijdrage Investeringsfondsen
Toelichting
Op dit artikel is ten opzichte van de 2e suppletoire begroting € 13,7 miljoen meer uitgegeven en is voor een bedrag van € 16,6 miljoen meer aan verplichtingen aangegaan.
Verplichtingen
De hogere verplichtingen worden met name verklaard door onderstaande uitgavenmutaties. Daarnaast is er een correctie doorgevoerd bij de bijdrage aan het Deltafonds voor € 2,9 miljoen aangezien de Kas en verplichtingen niet aan elkaar gelijk waren.
Uitgaven
1. Bijdrage aan het Mobiliteitsfonds
De bijdrage vanuit de beleidsbegroting Hoofdstuk XII aan het Mobiliteitsfonds ten opzichte van de Najaarsnota voor het jaar 2025 is € 13,7 miljoen meer dan begroot. Voor meer details wordt verwezen naar de slotwet van het Mobiliteitsfonds.
2. Bijdrage aan het Deltafonds
Op de bijdrage aan het Deltafonds is hetzelfde uitgegeven ten opzichte van de 2e suppletoire begroting aangegaan.
3 Niet-Beleidsartikelen
3.1 Artikel 97 Algemeen Kerndepartement
Toelichting
Op dit artikel is ten opzichte van de 2e suppletoire begroting € 6,6 miljoen minder uitgegeven en is voor een bedrag van € 52,9 miljoen meer aan verplichtingen aangegaan.
Verplichtingen
De hogere verplichtingen hebben nagenoeg geheel betrekking op:
– De verlenging van het contract op de exploitatie van het Regeringsvliegtuig (€ 58 mln).
– Het verschil wordt verklaard door diverse kleinere mutatie (- € 5,1 miljoen).
Uitgaven
Opdrachten
De lagere uitgaven aan opdrachten van € -3,6 miljoen hebben met name betrekking op:
– De ontvangsten van PH-GOV (Regeringsvliegtuig) zijn lager dan geraamd omdat er minder is gevlogen door partijen waarvoor gefactureerd kan worden. Daartegenover staat een lager uitvallende exploitatie vanwege overlopende kosten voor onderhoud en nieuwe onderdelen naar 2026 ‒ € 1,5 miljoen.
– De onderuitputting bij de Navo Top wordt veroorzaakt doordat één factuur van ‒ € 0,7 miljoen onterecht binnen het agentschap RWS is betaald in plaats van artikel 97. In 2026 zal dit gecorrigeerd worden.
– Er zijn minder uitbestedingsopdrachten geweest bij Technical Support Organisations (TSO’s) ‒ € 0,8 miljoen. Dit komt onder andere door te laat opgeleverd documentatie door vergunninghouders en lager uitvallende kosten.
– Het resterende bedrag wordt verlkaard door diverse kleinere mutaties (- € 0,5 miljoen).
Covid 19 testen reizen
Omdat de laatste afrekening nog moet plaatsvinden met 1 partij voor testen voor reizen zijn de uitgaven lager dan geraamd (€ 3,0 miljoen)
Ontvangsten
N.v.t.
3.2 Artikel 98 Apparaatsuitgaven Kerndepartement
Toelichting
Op dit artikel is ten opzichte van de 2e suppletoire begroting € 17,7 miljoen minder uitgegeven en is voor een bedrag van € 14,2 miljoen minder aan verplichtingen aangegaan.
Verplichtingen
De lagere verplichtingen hebben met name betrekking op onderstaande toelichtingen op de uitgaven. Het verschil met de uitgaven betreft:
– Het afboeken van «oude» verplichtingen die niet meer tot betaling gaan komen € 1,1 miljoen.
– Een aantal verplichtingen voor Openbaar Vervoer en Spoor zijn niet aangegaan doordat er vertraging is ontstaan op verschillende beleidsterreinen waardoor er op verplichtingen tevens een incidentele meevaller is ontstaan € 1 miljoen.
– Een deel Terugboeken saldo op de apparaatsbudgetten van de Vrachtwagenheffing naar het Mobiliteitsfonds conform de middelenafspraak € 2 miljoen.
Uitgaven
1. Personele uitgaven
Eigen personeel
De lagere uitgaven hebben met name betrekking op:
– Uitstroom van personeel en het niet of later invullen van vacatures € 1,3 mìljoen.
– De prognose was gebaseerd op het historisch kasritme van de afgelopen jaren. Dit ritme is voor 2025 anders gebleken dan in eerdere jaren € 1,8 mln.;
– Minder inzet commissieleden Raad voor de leefomgeving en infrastructuur waardoor vergoedingen en reiskosten lager waren € 0,3 mln.;
– Door terughoudendheid met betrekking tot het opstarten van nieuwe leerlijnen in verband met budgettaire krapte is er budget overgebleven voor opleidingen € 0,2 miljoen.
– Centrale reservering voor IenW brede problematiek is niet noodzakelijk gebleken € 0,5 mln.;
– Diverse kleine mee – en tegenvallers € 0,2 mln.;
Externe inhuur
Lagere externe inhuur heeft met name betrekking op:
– Deze zijn grotendeels veroorzaakt door krapte op de arbeidsmarkt waardoor de extern ingehuurde medewerkers later in het jaar startten dan initieel voorzien. Hierdoor hebben zij voor een lager bedrag in 2025 gefactureerd dan verwacht € 3,7 miljoen.
– Niet gebruikte middelen Vrachtwagenheffing en Tijdelijke Tolheffing (€ 0,5 miljoen). Conform afspraak met Minfin wordt het overschot weer teruggeboekt naar het Mobiliteitsfonds;
– Lagere uitgaven t.b.v. Parlementaire enquête COVID dan verwacht € 0,5 mln.;
– Minder inhuur door in-detachering € 0,6 mln.;
– Vertraging in het vernieuwen van het administratiesysteem SAP (€ 0,5 miljoen);
– Vertraagde facturering van inhuur opdrachten die pas in 2026 worden betaald (€ -0,7 miljoen);
– Diverse mee- en tegenvallers en bijgestelde ramingen € 1,6 miljoen.
2. Materiële uitgaven
Lagere ICT heeft met name betrekking op:
– Vertraagde facturering waardoor betaling van facturen overloopt naar naar 2026 € 3,8 miljoen.
– Herschikking naar Bijdrage SSC ICT door vergroting afname diensten PBL (Planbureau voor de Leefomgeving) € 0,7 miljoen.
– Hogere kosten opdracht SAP beheer ‒ € 0,6 miljoen.
Hogere bijdragen Rijksbrede SSO’s heeft met name betrekking op:
– Door de prijsstijgingen SSC ICT is de opdracht hierdoor hoger uitgevallen dan oorspronkelijk begroot € 0,7 miljoen.
– Herschikking vanuit ICT t.b.v. PBL € 0,7 miljoen.
Lagere overige Materiele uitgaven heeft met name betrekking op:
– Door vertraging bij ontvangsten uit o.a. EU (PBL) en opdrachtverstrekking (ANVS) konden opdrachten niet meer worden uitgevoerd in 2025 € 0,7 miljoen.
– Door lager dan verwachte kosten voor beveiligingsmaatregelen voor de bewindslieden door de val van het kabinet is er een meevaller ontstaan € 0,4 miljoen.
– De opdrachten voor Inkoop en Subsidie zijn in 2025 lager uitgevallen dan verwacht € 0,3 miljoen.
– Minder uitgaven aan Organisatieontwikkeling € 0,2 miljoen.
– Centrale reservering voor IenW brede problematiek is niet noodzakelijk gebleken € 0,2 miljoen.
– Diverse kleine mee-en tegenvallers € 1,5 mln. o.a. a.g.v. opgelopen vertragingen.
Ontvangsten
De hogere ontvangsten betreft uitgaven door de bedrijfsvoering o.a. voor ICT en Organisatie en Personeel die zijn gedaan en gefactureerd in 2024 waarvan de betaling/verrekening pas in 2025 is ontvangen € 2,5 miljoen.
3.3 Artikel 99 Nog onverdeeld
Toelichting
Op dit artikel wordt in 2025 geen slotverschillen opgenomen.