Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

3.2.4 Beleidsartikel 14 Wegen en verkeersveiligheid

Het Ministerie van IenW streeft ernaar om weggebruikers zo snel, verkeersveilig, betrouwbaar en duurzaam mogelijk van A naar B te laten reizen. Daarvoor worden verschillende instrumenten ingezet: regelgeving, investeringen, regisseren, uitvoering en toezicht. IenW werkt toe naar een modern en goed functionerend verkeerssysteem en ontwikkelt een hoofdwegennet dat bijdraagt aan de economische en ruimtelijke ontwikkeling van Nederland en dat voldoet aan de milieunormen. Daarnaast wordt ingezet op een landelijke afname van het aantal verkeersslachtoffers. Om deze doelen te bereiken werkt IenW samen met medeoverheden, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.

(Doen) uitvoeren

De Minister is verantwoordelijk voor een robuust mobiliteitssysteem van sterke verbindingen, sterke modaliteiten, voorspelbare reistijden en goede bereikbaarheid (zie ook artikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor). Voor het hoofdwegennet betekent dit dat de Minister zorgt voor:

  • Regelgeving en afspraken over voorzieningen- en kwaliteitsniveaus bij infrastructuur in het kader van veiligheid, betrouwbaarheid, snelheden, doorstroming en duurzaamheid.

  • De besluitvorming over en uitvoering van infrastructuur in relatie tot gebiedsontwikkeling. Aanlegprojecten worden in het MIRT vastgelegd. De bijdragen zijn gerelateerd aan het Infrastructuurfonds (artikel 12 Hoofdwegen).

  • De financiering (via het Infrastructuurfonds) van de programma’s Beter Benutten (afronding), Fiets, Duurzame Mobiliteit (DUMO) en Innovatie Mobiliteit.

  • De uitvoering van het beheer, onderhoud, verkeersmanagement en het oplossen van veiligheidsknelpunten door RWS als beheerder van het hoofdwegennet. Deze activiteiten zijn terug te vinden op het Infrastructuurfonds (artikel 12 Hoofdwegen).

  • Het bevorderen van de bereikbaarheid en veiligheid en beperken van de kosten door verbetering van de reisinformatie en het verkeersmanagement: via inzet op de laatste technologieën en samenwerking tussen bedrijfsleven en wegbeheerders verbetert de reisinformatie voor de reiziger, die zich daardoor zowel beter kan voorbereiden op de reis, als de reis kan aanpassen.

  • Het beheersen van de geluidproductie vanwege verkeer door middel van een jaarlijkse monitoring van de naleving van de geluidproductieplafonds langs het rijkswegennet en het aanpakken van hoge geluidbelastingen langs rijkswegen door middel van het Meerjarenprogramma Geluidsanering (MJPG).

  • Het beheersen van de luchtkwaliteit langs het rijkswegennet door middel van monitoring en indien nodig het treffen van maatregelen in het kader van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en deels ook voor de uitvoering van het beleid inzake wegen en verkeersveiligheid, waaronder het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving. Via wet- en regelgeving, aansturing van RWS in het beheer van het wegennet en afspraken met het bedrijfsleven en andere maatschappelijke organisaties, zorgt IenW voor veilige infrastructuur en optimaal gebruik daarvan. Daarbij wordt ingespeeld op ontwikkelingen bij gebruikers, voertuigen en infrastructuur. Deze regierol wordt concreet ingevuld door:

  • De kennis en ervaring die is opgedaan met het programma Beter Benutten breed toe te passen binnen diverse beleidsterreinen van artikel 14, waar het gaat over het verbeteren van de bereikbaarheid in samenwerking met regionale partners en het daaraan koppelen van bijdragen aan slimme en duurzame mobiliteit. Van het programma Beter Benutten loopt het onderdeel Decentraal Spoor en ITS door tot en met 2020.

  • De programma-ambitie voor het programma Fiets. Meewerken met de Tour de Force aan de doelstelling: 20% meer fietskilometers in 2027. Deze ambitie is weergegeven in de Nationale Fiets agenda die in 2017 naar de Kamer is gestuurd (Kamerstukken II 2016-2017, 34 681, nr. 1).

  • Input te leveren voor het Klimaatakkoord voor de sector Mobiliteit. Doelstelling voor de sector Mobiliteit is de CO2-uitstoot in 2030 te beperken tot maximaal 25 Mton. Dit is een reductie van de CO2-uitstoot van circa 7 Mton ten opzichte van de Nationale Energieverkenning 2017. Omdat hierbij de daadkracht, investeringen, kennis en kunde van meerdere partijen in de maatschappij nodig zijn, zorgt het programma Duurzame Mobiliteit dat in het Klimaatakkoord afspraken met deze partijen worden gemaakt over ieders eigen inzet en gezamenlijke acties, op basis van de afspraken in het Regeerakkoord.

  • Met stakeholders en gebruikers wordt vanuit de Unit Innovatie in Mobiliteit in een netwerk aanpak gewerkt aan het ontwikkelen van doelen en een heldere rol van de overheid bij de transitie naar nieuwe, «slimme», vormen van mobiliteit. Daar waar in samenspraak met het netwerk belemmeringen of kansen worden gezien voor innovaties om bij te dragen aan de beleidsdoelen neemt de Unit het voortouw om kaders te scheppen om deze innovaties verder te brengen. Ook sector overstijgende thema’s als privacy, regelgeving en data worden daarbij opgepakt. Tevens wordt de ontwikkeling gemonitord om kort cyclisch bij te kunnen sturen. Waar nodig wordt een broedkamer geboden om kansen voor innovaties optimaal te kunnen benutten.

  • Met betrekking tot slimme mobiliteit invulling geven aan de ambities in het regeerakkoord met betrekking tot het streven naar «Een slim en duurzaam vervoerssysteem waarvan de onderdelen naadloos op elkaar aansluiten». Hierbij ligt de focus op de volgende prioriteiten: infrastructuur die toekomst vast is door bij ontwerp, aanleg en onderhoud van infrastructuur rekening te houden met zelfrijdende voertuigen en benodigde systemen in of langs de weg; (wettelijke) ruimte voor een nieuwe generatie voertuigen; het (veilig) gebruik van slimme technologieën en diensten; nieuwe mobiliteitsconcepten & Mobility as a Service (MaaS); en het gebruik van data onder goede randvoorwaarden zoals privacy en security. Een voorbeeld van deze randvoorwaarden is het streven om overheidsinformatie over verkeer zoveel mogelijk via open data beschikbaar te stellen voor voertuigen, apps en reisplanners.

  • De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en de gebiedsagenda’s vormen de kaders voor de bereikbaarheidsopgaven. Maatschappelijke en technologische ontwikkelingen maken een andere aanpak van deze bereikbaarheidsopgaven op (middel)lange termijn nodig én mogelijk. Voortbouwend op de ervaringen van het programma Meer Bereiken wordt deze andere aanpak in de praktijk vormgegeven. Uitgangspunten hierbij zijn een gelijkwaardige samenwerking tussen Rijk, medeoverheden, bedrijfsleven en maatschappelijke partijen, het in samenhang bezien van bereikbaarheid met andere ruimtelijke opgaven (bijvoorbeeld wonen, natuur, leefbaarheid, veiligheid) en het onderzoeken van een brede set oplossingsrichtingen (innoveren, informeren, in stand houden, inrichten en investeren).

  • In het Strategische Plan Verkeersveiligheid 2018–2030 wordt samen met de andere overheden ingezet op een risico gestuurde aanpak. Risico’s worden in kaart gebracht zodat op niveau van rijk, provincie en gemeenten in samenspraak met maatschappelijke partners een goede afweging kan worden gemaakt welke maatregelen het meest bijdragen aan verbetering van de verkeersveiligheid. Voorbeelden van maatregelen zijn infrastructuur op specifieke locaties, educatie, handhaving snelheid en alcohol. Ook wordt huidig beleid voortgezet, gericht op specifieke risicogroepen zoals ouderen en fietsers en het verminderen van afleiding door smartphonegebruik in het verkeer.

  • Samen met (internationale) overheden en marktpartijen te werken aan de marktcondities ten behoeve van veiligheid, bereikbaarheid en economie in het wegvervoer. Denk daarbij aan regelgeving over opleidingseisen, cabotage en maten en gewichten van het vrachtverkeer in Europa.

  • Inzetten op verbeteren van data van verkeersongevallen en in samenwerking met de decentrale overheden onderzoeken hoe een risico gestuurde aanpak kan worden gebruikt als nieuwe basis voor de inzet van maatregelen.

  • In navolging van omringende landen invoeren van een vrachtwagenheffing. De inkomsten uit de heffing zullen in overleg met de sector worden teruggesluisd naar de vervoerssector door verlaging van de motorrijtuigenbelasting op vrachtauto’s en gelden voor innovatie en verduurzaming.

  • De coördinatie van de Nederlandse inzet in internationaal kader bij de vaststelling van normen en plafonds, de vertaling daarvan naar Nederlandse wet- en regelgeving en de verdeling van doelstellingen over sectoren en milieuthema’s. De doelen en normen hebben betrekking op het decarboniseren van transport middels het reduceren van CO2-emissies van motorvoertuigen, op het verduurzamen van brandstofkwaliteit, op de inzet van hernieuwbare energie in transport waaronder duurzame biobrandstoffen.

  • De coördinatie van de onderhandelingen met EZK en FIN op het gebied van de duurzame mobiliteit.

  • De opdracht aan de NEa voor de registratie van hernieuwbare energie voor het verkeer en de rapportage hierover ter controle van de duurzaamheid en de CO2-prestatie zijn hier onderdeel van.

Ten slotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de Inspectie Leefomgeving en Transport op dit beleidsterrein (zie artikel 24 Handhaving en Toezicht).

Stimuleren

Om de milieudoelen op het gebied van klimaat te behalen, is het belangrijk deze op een proactieve wijze met maatschappelijke partners te delen. Daarom stimuleert de Minister van IenW:

  • Zuinigere voertuigen. Dit gebeurt onder andere door de voorlopers in de sector te stimuleren en voor ontwikkeling van diverse alternatieve voertuigen en brandstoffen een kansrijke omgeving te creëren.

  • Het verduurzamen van energie en brandstoffen in de sectoren mobiliteit en transport door verdere uitvoering van de Actieagenda duurzame brandstofvisie voor het doelbereik van 15 tot 20 Petajoule energiebesparing voor 2020 en een maximumuitstoot van 25 megaton CO2 in 2030. Dit is gebaseerd op een 60% CO2 emissiereductiebereik waarvoor afspraken voor transport zijn vastgelegd in het SER-Energieakkoord, pijler zeven transport en mobiliteit. Het bereiken van de jaardoelstelling voor hernieuwbare energie in transport, innovatie stimuleren van de ontwikkeling en toepassing van alternatieve energiedragers zoals elektrisch rijden, rijden op waterstof en duurzame biobrandstoffen, en het faciliteren van de aanleg van alternatieve tank- en laadinfrastructuur voor alternatieve energiedragers. In 2018 zullen in het Klimaatakkoord nieuwe reductiedoelstellingen worden vastgelegd welke gebaseerd zijn op de Overeenkomst van Parijs. Deze vereisen een CO2-emissiereductie van 80–95%. Voor de sector transport zullen de afspraken worden afgesproken in de mobiliteitstafel.

  • Een permanente verbetering van de luchtkwaliteit, zo wordt toegewerkt naar de WHO-streefwaarden, dit om de gezondheidsrisico’s terug te dringen. In overleg met andere overheden, belangenorganisaties en bedrijfsleven zal hiertoe in 2019 een nieuw luchtkwaliteitsplan worden gepresenteerd.

  • Schonere, zuinigere en stillere voertuigen. Door voorlopers in de sector te stimuleren en samen met de decentrale overheden en de sectorpartijen, slimme logistieke concepten te ontwikkelen voor stedelijke distributie, en voor ontwikkeling van diverse alternatieve voertuigen en brandstoffen een kansrijke omgeving te creëren.

Hieronder zijn de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor Wegen en Verkeersveiligheid opgenomen. In productartikel 12 van het Infrastructuurfonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

Aanleg

Met deze indicator worden de economische verlieskosten van (toekomstige) knelpunten in beeld gebracht, met als doel om die nieuwe projecten te prioriteren, die de meeste economische verlieskosten oplossen. Rijkswaterstaat zal in haar Publieksrapportage (T3 aan het eind van elk jaar) een file top 50 kaart en tabel opnemen met de hoogste economische verlieskosten. Deze tabel zal overgenomen worden in de verantwoordingsrapportage.

Beheer en onderhoud

Onder artikel 12 van het Infrastructuurfonds zijn de indicatoren voor beheer en onderhoud opgenomen (artikel 12.01: verkeerssignalering op banen en verkeerscentrales en artikel 12.02: km rijbaanlengte, km asfalt en km groen areaal). In het MIRT-overzicht 2020 vindt u een overzicht van de gerealiseerde projecten van 2019 en van de gerealiseerde projecten over de afgelopen vijf jaar.

Verkeersmanagement

Onder artikel 12.01 van het Infrastructuurfonds zijn de indicatoren voor verkeersmanagement opgenomen (op alle bemeten wegvlakken ingewonnen betrouwbare reis en routeinformatie en tijdige levering aan de serviceproviders).

Geluid en luchtkwaliteit

Indicator: lokale luchtkwaliteit NO2 en geluidsknelpunten langs hoofdwegen waarvoor nog een saneringsplan moet worden opgesteld

 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Streefwaarde peildatum

Lokale luchtkwaliteit NO2

     

n.n.b.

0 knelpunten langs rijkswegen

Geluidsknelpunten langs rijkswegen waarvoor nog een saneringsplan moet worden vastgesteld

8.600

8.300

8.300

5.550

5.500

5450

0 knelpunten in 2020

Bron: Monitoringsrapportage NSL 20191 (Kamerstukken II 2019 ‒ 2020, 30 175 nr. 342)

1

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2019/12/18/monitoringsrapportage-nsl-2019

Monitoringsrapportage NSL 2019

Luchtkwaliteit

Langs het hoofdwegennet was de afgelopen jaren geen sprake van overschrijding van de normen voor luchtkwaliteit. De inzet is gericht op het voorkomen dat nieuwe knelpunten ontstaan en verbetering van luchtkwaliteit doorzet. Tot in 2018 is er geen sprake van knelpunten langs het hoofdwegennet.

De gegevens over 2019 waren nog niet beschikbaar ten tijde van het drukken van dit jaarverslag. De informatie zal aan de Tweede Kamer worden aangeboden bij de begroting 2021.

Geluid

De genoemde getallen voor geluid betreffen het aantal objecten (met name woningen) met een geluidbelasting op de gevel boven de maximale waarde van 65 dB, waarvoor nog een geluidsaneringsplan moet worden opgesteld. De peildatum van 2020 hangt samen met de hiervoor nog in de Wet milieubeheer opgenomen einddatum voor het opstellen van een saneringsplan. In deze context is sprake van nul knelpunten als voor alle saneringsobjecten een saneringsplan is opgesteld. De termijn voor de uitvoering van de saneringsmaatregelen wordt in de saneringsplannen vastgelegd en zoveel mogelijk gecombineerd met reguliere vervanging van het wegdek en eventuele wegaanpassingen. De feitelijke uitvoering zal dus ook grotendeels na 2020 plaatsvinden.

Afgelopen jaar zijn er 60 saneringsobjecten >65 dB gesaneerd als gevolg van sanering in projecten. Het aantal te saneren woningen komt daarmee op 5450. In de tabel is afgerond op 50-tallen om recht te doen aan de onzekerheden in de raming. In de begroting 2021 zal opnieuw een geactualiseerde raming worden opgenomen.

Verkeersveiligheid

In 2019 is uitvoering gegeven aan het Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2030 (SPV) en het Landelijk Actieplan Verkeersveiligheid 2019–2021 (LAP). Zo is onder meer het kennisnetwerk SPV van start gegaan en is een taskforce verkeersveiligheidsdata opgericht. Daarnaast zijn diverse maatregelen uit het LAP in gang gezet zoals het app-verbod op de fiets. Over de voortgang van het SPV en LAP is de Tweede Kamer in juni en december 2019 geïnformeerd (Kamerstukken II 2018–2019, 29 398, nrs. 717 en 783).

Indicator: Ontwikkeling aantal verkeersslachtoffers

 

Basiswaarde

      

Realisatie

Doelstelling

 

2002

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Aantal verkeersdoden

1.066

570

570

621

629

613

678

n.n.b.

500

Ernstig verkeersgewonden

16.100

18.800

20.700

21.300

21.400

20.800

21.700

n.n.b.

10.600

Bron: SWOV - Monitor Verkeersveiligheid 20191

1

https://www.swov.nl/publicatie/monitor-verkeersveiligheid-2019

Het streven van de Minister is nul verkeersslachtoffers. De ambitie wordt daarom niet meer uitgedrukt in streefcijfers van aantal ernstig verkeersgewonden en aantal verkeersdoden. Uiteraard zijn de jaarrapportages van het aantal verkeersdoden en ernstig gewonden wel de belangrijkste indicatoren die aangeven of het gevoerde beleid effectief is. Deze aantallen zullen dus net als voorheen met de gebruikelijke analyse van SWOV jaarlijks aan De Kamer worden toegestuurd (Kamerstukken II, 2018–2019, 29 398, nr. 638).

De gegevens over 2019 waren nog niet beschikbaar ten tijde van het drukken van dit jaarverslag. De informatie zal aan de Tweede Kamer worden aangeboden bij de begroting 2021.

Hernieuwbare energie in het vervoer

Indicator: Ontwikkeling verplichting aandeel hernieuwbare energie in het vervoer, limiet conventionele biobrandstoffen en subdoelstelling geavanceerde biobrandstoffen (in %)

 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Jaarverplichting hernieuwbare energie vervoer

4

4,25

4,5

5

5,5

6,25

7

7,75

8,5

12,5

16,4

Realisatie

4,01

4,31

4,54

5,05

5,54

6,25

7

7,75

8,9

n.n.b.

n.n.b

Bron: Rapportage Energie voor Vervoer in Nederland - Nederlandse Emissieautoriteit1

1

https://www.emissieautoriteit.nl/onderwerpen/rapportages-ev-2018/documenten/publicatie/2019/07/03/rapportage-energie-voor-vervoer-in-nederland-2018

In artikel 3 van het Besluit Energie Vervoer die met terugwerkende kracht op 1 januari 2018 in werking is getreden, is de ontwikkeling van de jaarverplichting hernieuwbare energie, limiet conventionele biobrandstoffen en subdoelstelling geavanceerde biobrandstoffen in het vervoer van 2018 tot en met 2020 vastgelegd. Bedrijven hebben in 2018 0,4% meer gerealiseerd dan hetgeen verplicht is gesteld. Deze overprestatie wordt in de systematiek omgezet tot spaartegoed die de verplichtinghouder in latere jaren in kan zetten. Er zijn maxima vastgesteld voor hetgeen gespaard kan worden.

Indicator: Ontwikkeling CO2-emissie nieuwe personenauto’s in gram CO2 per kilometer

 

2005

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Streefwaarde 2021

EU

162,6

140,3

135,7

132,2

127,0

123,4

119,6

118,1

118,5

120,1

n.n.b.

 
       

(130,0)

    

(95,0)

Nederland

169,9

135,8

126,1

118,6

109,1

107,3

101,2

105,9

108,3

106,8

n.n.b.

 

Bron: https://www.eea.europa.eu/highlights/no-improvements-on-average-co2

De CO2-uitstoot van nieuwe voertuigen in Nederland wordt jaarlijks gemonitord.

De gemiddelde CO2-uitstoot van nieuw verkochte voertuigen in Nederland is in de periode tussen 2010 en 2016 sterk gedaald, veel sterker dan in de rest van Europa. In 2016 en 2017 nam de uitstoot van nieuw verkochte personenauto’s in Nederland als enige lidstaat in de EU licht toe. Volgens de cijfers die het Europese milieuagentschap in april 2018 heeft gepubliceerd, is de CO2-uitstoot in Nederland in 2018 verder gedaald tot 106,8 g/km. Nederland blijft daarmee ruim onder het Europese gemiddelde en kan nog steeds tot de kopgroep worden gerekend. Ook blijft het aantal elektrische voertuigen groeien. De lichte stijging in de voorbije jaren van de gemiddelde uitstoot van nieuw verkochte voertuigen in Nederland heeft meerdere oorzaken. Ten eerste worden er na jaren van recessie weer grotere, zwaardere en minder zuinige voertuigen aangeschaft. Ten tweede zijn alle fiscale stimuleringsmaatregelen van plug-ins afgeschaft waardoor de verkoop van deze zeer zuinige voertuigen is gedaald.

Op Europees niveau is aan fabrikanten opgelegd om in 2021 een gemiddeld CO2-uitstoot te realiseren van 95 g/km. In 2025 moet de uitstoot met 15% zijn afgenomen, in 2030 met 37,5%.

Indicator: Emissies luchtverontreinigende stoffen en broeikasgas door verkeer en vervoer. Betreft mobiele bronnen totaal, dus transportmiddelen en mobiele werktuigen, exclusief zeevaart, in kton/jr.

 

Realisatie

        

Raming

  
 

2000

2005

2010

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2025

2030

NOx

281

242

203

166

161

152

147

143

n.n.b.

132

104

87

SO2

14,7

9,3

2,7

1,2

0,7

0,6

0,6

0,6

n.n.b.

0,6

0,6

0,6

PM2,5

15,6

11,9

7,7

5,1

4,7

4,3

4

3,7

n.n.b.

3,3

2,5

2,1

NH3

4,4

5,1

4,6

3,9

3,9

3,9

4,1

4,1

n.n.b.

4,4

5,2

5,7

NMVOS1

85

55

46

36

35

34

34

34

n.n.b.

32

26

24

Bron: PBL (2020) Emissieramingen luchtverontreinigende stoffen – Rapportage bij de klimaat- en energieverkenning 2019.

1

Vluchtige Organische Stoffen, exclusief Methaan.

In december 2016 zijn de nieuwe doelstellingen voor luchtverontreinigende stoffen vastgesteld voor de periodes 2020 ‒ 2029 en de periode 2030 en verder. Het betreft aanpassing van de oude Europese richtlijn voor National Emission Ceilings (NEC) voor 2010-2019, in een nieuwe NEC-richtlijn (EU2016/2284). In bovenstaande tabel zijn de reductiepercentages uit de richtlijn omgerekend naar vrachten. Elk jaar wordt een nieuwe analyse uitgevoerd en door nieuwe kennis kan dat betekenen dat ook eerdere cijfers soms nog enigszins worden aangepast doordat deze nieuwe inzichten met terugwerkende kracht ook worden meegenomen in de emissiecijfers van voorgaande jaren. 

Voor de sector mobiliteit wil het kabinet dat vanaf 2030 alleen personenauto’s worden verkocht die volledig emissieloos zijn. Dat zijn auto’s met een elektrische aandrijving of auto's die op waterstof rijden. Om dit doel te bereiken, wordt samengewerkt met het Formule E-Team (FET) en is een stuurgroep Nationale Agenda Laadinfrastructuur actief waaraan het ministerie deelneemt. RVO publiceert maandelijks de voortgang ten aanzien van het aantal emissieloze personenauto’s en de daarvoor benodigde uitrol van laadinfrastructuur.

Het op dit artikel uitgevoerde beleid en de bijbehorende resultaten waren het afgelopen jaar deels conform de verwachtingen, zoals vermeld in de begroting. Op het onderdeel verkeersveiligheid heeft dit geleid tot een financiële impuls in het licht van de ontwikkeling van het aantal verkeersslachtoffers en verkeersdoden. Voor de aanpak van de grootste resterende knelpunten uit de NMCA zijn in 2019 extra stappen gezet, door de door het Kabinet aanvullend beschikbaar gestelde middelen voor een inhaalslag in infrastructuur. Met het afsluiten van het Klimaatakkoord in 2019 zal met ingang van 2020 het doelbereik op het gebied van de Klimaatwet worden gemonitord.

Verkeersveiligheid

Het is onwaarschijnlijk dat de doelstellingen voor het aantal verkeersdoden en het aantal ernstige verkeersgewonden in 2020 worden gehaald gelet op de ontwikkelingen van de afgelopen jaren. Om het tij te keren is in 2019 gestart met de uitvoering van het Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2030 (SPV) en het Landelijk Actieplan Verkeersveiligheid 2019-2021. De Monitor Verkeersveiligheid 2019 laat een groeiend aantal verkeersslachtoffers zien, onder andere onder kwetsbare verkeersdeelnemers, fietsers en op het onderliggende wegennet. Dat vraagt om een stevige impuls. Eind 2019 is daarom voor de komende tien jaar een investeringsbedrag van € 500 miljoen (met aanvullende cofinanciering vanuit provincies, gemeenten en waterschappen) vrijgemaakt voor extra verkeersveiligheidsmaatregelen op lokale en regionale (fiets)wegen. De financiële verwerking hiervan zal in de Voorjaarsnota 2020 plaatsvinden.

Aanleg

In het mobiliteitsbeeld van het KIM in 2019 is aangegeven dat het reistijdverlies per afgelegde kilometer in 2018 is gedaald met 12% ten opzichte van 2010. De uitbreiding van het wegennet met extra stroken heeft een belangrijke dalende werking gehad op de ontwikkeling van het reistijdverlies. Ook verkeersmanagement bracht het reistijdverlies omlaag. De verkeersomvang nam tussen 2010 en 2018 toe met zo’n 15%. Voor de periode 2019-2024 wordt een groei verwacht van 8% van het wegverkeersvolume op het hoofdwegennet, veroorzaakt door economische groei, groeiend aantal inwoners en wegcapaciteit. Een uitbreiding van de wegcapaciteit zal de verwachte groei van 8% van het wegverkeer op het hoofdwegennet slechts gedeeltelijk opvangen. Voor de periode 2019-2024 zal het totale reistijdverlies op het hoofdwegennet naar verwachting met 23% zijn toegenomen in vergelijking met 2018. Het is daarom nodig het bestaande aanlegprogramma voort te zetten en daarnaast dit programma uit te breiden door de impuls in het aanlegprogramma die het regeerakkoord biedt.

Duurzame Mobiliteit

Rijk en regio hebben op het BO MIRT 2019 een volgende stap gezet op het gebied van Slimme, Duurzame en Veilige Mobiliteit, en werken daarmee toe naar een structureel verdere bundeling van maatregelen die op korte termijn zijn te realiseren. In 2019 is het Klimaatakkoord gesloten zoals staat beschreven in het beleidsverslag. Er is een aparte monitoring voor uitvoering van het Klimaatakkoord. Daarin is een set van indicatoren vastgesteld waarin het doelbereik wordt geëvalueerd. Dit wordt jaarlijks gerapporteerd op de Klimaatdag in de voortgangsmonitor (conform Klimaatwet). De eerste voortgansmonitor is gepland in oktober 2020 tijdens de Klimaatdag.

Tabel Budgettaire gevolgen van beleid artikel 14 Wegen en verkeersveiligheid (bedragen x €1.000)
     

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 
 

2015

2016

2017

2018

2019

2019

2019

 

Verplichtingen

40.149

63.115

33.639

40.211

126.324

76.987

49.337

1

Uitgaven

40.064

34.635

46.179

46.558

98.715

93.317

5.398

 

14.01 Netwerk

21.538

15.367

30.705

30.370

79.949

76.797

3.152

 

14.01.01 Opdrachten

16.980

11.025

24.066

18.271

24.500

24.301

199

2

- Beter Benutten

10.165

7.245

20.106

12.731

12.634

7.402

5.232

 

- BOA wegverkeersbeleid

0

1.320

1.641

1.227

851

2.350

‒ 1.499

 

- Wegverkeersbeleid

0

1.434

1.683

2.767

1.300

1.296

4

 

- Overige Opdrachten

6.815

1.026

636

1.546

9.715

13.253

‒ 3.538

 

14.01.02 Subsidies

1.229

1.126

1.077

1.328

17.748

42.816

‒ 25.068

3

- Subsidies Duurzame Mobiliteit

0

0

0

0

15.982

42.166

‒ 26.184

 

- Overige subsidies

0

0

0

0

1.766

650

1.116

 

14.01.03 Bijdragen aan agentschappen

3.329

3.216

5.562

7.217

19.041

9.680

9.361

4

- Waarvan bijdrage aan RWS

3.329

3.216

5.562

7.217

11.025

7.558

3.467

 

- Waarvan bijdrage aan RVO

    

4.313

0

4.313

 

- Waarvan bijdrage NEa

0

0

0

0

3.703

2.122

1.581

 

14.01.04 Bijdrage aan medeoverheden

3.554

18.460

0

18.460

5

- Bijdrage aan medeoverheden

    

3.175

0

3.175

 

- Waarvan bijdrage aan Caribisch Nederland

3.554

15.285

0

15.285

 

14.01.05 Bijdragen aan internationale organisaties

    

200

0

200

 

14.02 Veiligheid

18.526

19.268

15.474

16.188

18.766

16.520

2.246

 

14.02.01 Opdrachten

6.774

7.598

5.251

4.686

5.181

6.606

‒ 1.425

 

- Opdrachten verkeersveiligheid

0

0

0

4.686

5.181

6.606

‒ 1.425

 

14.02.02 Subsidies

11.329

8.063

8.181

8.663

9.145

8.370

775

 

- Waarvan Veilig Verkeer Nederland

3.619

3.660

3.523

3.936

3.849

3.736

113

 

- Waarvan Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid

3.737

3.781

3.878

3.952

4.186

3.869

317

 

- Overige Subsidies

3.973

622

780

775

1.110

765

345

 

14.02.03 Bijdragen aan agentschappen

393

585

596

595

669

597

72

 

- Waarvan bijdrage RWS

393

585

596

595

669

597

72

 

14.02.05 Bijdragen aan internationale organisaties

0

30

30

30

30

30

0

 

- Waarvan Euro NCAP

0

30

30

30

30

30

0

 

14.02.06 Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

30

2.992

1.416

2.214

3.741

917

2.824

6

- Waarvan bijdrage aan het CBR

30

2.992

1.416

2.214

2.396

917

1.479

 

- Waarvan bijdrage aan het RDW

0

0

0

0

1.345

0

1.345

 

Ontvangsten

2.504

3.149

5.279

3.658

4.041

6.782

‒ 2.741

7

Onderstaand wordt op het niveau van verplichtingen en financieel instrument een toelichting gegeven op de verschillen (de mutaties) tussen de begroting en de realisatie, zie voor de gehanteerde norm de toelichting ‘normering jaarverslag’ zoals opgenomen in de leeswijzer.

  • 1. De hogere verplichtingen realisatie van € 49,3 miljoen is met name ontstaan door overboekingen uit het Infrastructuurfonds (€ 34,6 miljoen) ten behoeve van bijzondere uitkeringen aan Caribisch Nederland (€ 14,6 miljoen), opdrachten voor Intelligente Transport Systemen (€ 10 miljoen) en voor aanvullingen opdrachtenbudgetten van Smart Mobility, Fiets, Duurzame mobiliteit en Wegverkeersbeleid, alsmede voor Agentschapsbijdragen aan RWS en RVO (€ 10 miljoen). Daarnaast zijn gedurende 2019 middelen voor Klimaatenvelop 2019 (€ 3,1 miljoen) en Urgenda (€ 2,5 miljoen) toegevoegd en zijn reeds verplichtingen aangegaan voor activiteiten van de bij Ontwerpbegroting 2020 toegevoegde middelen van het Klimaatakkoord (€ 8,9 miljoen).

  • 2. Tegenover de hogere uitgaven van de opdrachten van de Innovatieunit (€ 5,2 miljoen), onderdeel van het programma Beter Benutten, staan de lagere uitgaven op overige opdrachten (€ 3,5 miljoen). De lagere uitgaven op overige opdrachten wordt veroorzaakt door een specifieke uitkering voor de Slimme Laadpleinen uit de klimaatenvelop 2019 en een decentralisatie uitkering aan lokale overheden alsmede een incidentele subsidie aan stichting E-laad.nl. Daarnaast is sprake van € 1,5 miljoen lagere uitgaven aan beleidsondersteuning en advies (BOA).

  • 3. De lagere subiside uitgaven (€ 25,1 miljoen) worden met name veroorzaakt door de kasschuif met betrekking tot de DKTI-regeling (€ 21,7 miljoen) vanuit 2019 naar latere jaren. Daarnaast zijn onder andere middelen gebruikt voor uitvoeringskosten van de DKTI-regeling door RVO en er is een bijdrage geleverd aan het invullen van de taakstellende onderuitputting op artikel 99.

  • 4. De bijdragen aan agentschappen zijn € 9,4 miljoen hoger. De hogere bijdrage aan RWS wordt verklaard door een grotere capaciteitsinzet vanwege de uitwerking van de beleidsdoelstellingen uit het Regeerakkoord op het gebied van het Hoofdwegennet (€ 3,6 miljoen). Daarnaast is een hogere bijdrage aan RVO verstrekt voor de uitvoering van diverse activiteiten uit de Klimaatenvelop 2019, zoals Elektrisch Vervoer en de begeleiding van de tweede tranche van de DKTI-regeling (€ 3,2 miljoen). De hogere bijdragen aan de NEa wordt verklaard door een bijdrage van het ministerie van EZK voor Energie en Transport van € 1 miljoen en voor het uitvoeren van uitgestelde werkzaamheden uit 2018 (€ 0,3 miljoen). Een positief saldo van overige hogere en lagere uitgaven verklaart het resterend saldo ( € 1,3 miljoen).

  • 5. De bijdragen aan mede-overheden zijn € 18,5 miljoen hoger uitgevallen. Enerzijds door een bijdrage aan de drie eilanden van Caribisch Nederland (€ 15,3 miljoen), voor gereserveerde Beheer en Onderhoudmiddelen, een impuls voor Beheer en Onderhoud en een bedrag voor wederopbouw Saba en St Eustatius. Anderzijds door een bijdrage aan verschillende provincies en gemeenten inzake Slimme Laadpleinen (€ 3,2 miljoen).

  • 6. Gewijzigde regelgeving en het besluit tot het tijdelijk administratief verlengen van rijbewijzen voor senioren (Kamerstukken II 2018–2019, 29398, nr. 742), resulteert in additionele bijdragen aan de RDW (€ 1,5 miljoen) en het CBR (€ 1,4 miljoen). Deze extra bijdragen zijn gedekt vanuit het opdrachtenbudget Smart Mobility (€ 1,8 miljoen), Wegverkeersbeleid (€ 0,2 miljoen) en Verkeersveiligheid (€ 0,9 miljoen).

  • 7. De ontvangsten vanuit de Stichting Buisleidingstraat zijn lager dan geraamd. Om deze lagere ontvangsten op te vangen wordt de reservering die hiervoor op het Infrastructuurfonds staat aangesproken (€ 1,7 miljoen). Het restant wordt voornamelijk veroorzaakt door minder ontvangsten uit bestuurlijke boetes.

14.01 Netwerk

14.01.01 Opdrachten

Het Ministerie van IenW heeft uitvoerings- en onderzoeksopdrachten gegeven in het kader van de beleidsterreinen duurzame mobiliteit en opdrachten betreffende diverse onderzoeken op het gebied van verkeer, wegmaatregelen en het verduurzamen van mobiliteit. Daarnaast zijn er uitgaven geweest voor tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15, Smart Mobility zoals de zelfrijdende auto, het kennisplatform tunnelveiligheid, het Programma Aanpak Stikstof, taken in het kader van de wet SWUNG (Samen werken aan de uitvoering van nieuw geluidbeleid). De uitgaven voor de diverse programma’s bestonden o.a. uit onderzoeken, communicatie, monitoring en evaluatie, gedrag- en vraagbeïnvloeding, meerjarenprogramma MIRT en Intelligente Transport Systemen (ITS).

14.01.02 Subsidies

De uitgaven hadden betrekking op subsidies verstrekt voor het fietsbeleid, waaronder de subsidie Fietsersbond en een incidentele subsidie aan Stichting Wandelnet, het Fietsplatform en de Dutch Cycling Embassy. Verder zijn in het kader van de uitvoering van de Duurzame Brandstofvisie voor de transportsector (Kamerstukken II 2015–2016, 30 196, nr. 353) subsidies verstrekt voor technologieontwikkeling en innovatie duurzame mobiliteit en transport.

14.01.03 Bijdragen aan agentschappen

In het kader van het Beleidsondersteuning en Advies (BOA) protocol met RWS waren afspraken gemaakt over beleidsondersteuning en -advisering, die RWS heeft uitvoert in opdracht van de beleids-DG’s. Door middel van de agentschapsbijdrage was capaciteit hiervoor bij RWS gereserveerd. Jaarlijks verstrekt het Ministerie van IenW een opdracht aan de NEa met betrekking tot het register voor biobrandstoffen. Het betreft hier werkzaamheden die door RWS zijn uitgevoerd. Het gaat met name om de uitvoering Infomil (centraal punt voor bundeling en verspreiding van milieu wet- en regelgeving) en om de uitvoering van werkzaamheden en het leveren van expertise op het beleidsterrein duurzame mobiliteit. Een deel van de beleidsuitvoering is uitbesteed aan externe uitvoeringsorganisaties, zoals aan de RVO (uitvoering van subsidieregelingen en ander beleidsondersteunende werkzaamheden).

14.01.04 Bijdragen aan medeoverheden

De bijdragen aan Caribisch Nederland hebben betrekking op beheer en onderhoud van infrastructuur (€ 15,3 miljoen). De overboeking van deze middelen heeft plaatsgevonden door middel van bijzondere uitkeringen op grond van de Wet financiën Openbare Lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

14.01.05 Bijdragen aan internationale organisaties

Het Ministerie van IenW heeft € 0,2 miljoen toegekend aan (inter-)nationale organisaties op grond van internationale verdragen of andere internationale afspraken omtrent financiële bijdragen op het gebied van duurzame mobiliteit.

14.02 Veiligheid

14.02.01 Opdrachten

Onder opdrachten vallen brede verkeersveiligheidsonderwerpen op het gebied van gedrag en voertuig. Gedurende het jaar 2019 zijn onder andere opdrachten verstrekt in het kader van beleidsuitwerking voor kwetsbare en onervaren bestuurders, zoals beginners, ouderen en fietsers. Verder zijn hieruit met name voorlichtingscampagnes uitgevoerd op het gebied van afleiding, drankgebruik achter het stuur en fietsverlichting. Daarnaast zijn er enkele structurele bijdragen zoals de betaling van de gezondheidsraad voor geschiktheidseisen aan bestuurders en aan Euro NCAP. Een aantal opdrachten zijn in 2019 nog niet afgerond en betaald, waardoor de realisatie achterblijft op de begroting.

14.02.02 Subsidies 

In 2019 zijn subsidies verstrekt aan maatschappelijke organisaties Veilig Verkeer Nederland (VVN), Fietsersbond, Team Alert en de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV).

14.02.03 Bijdragen aan agentschappen

In het kader van het Beleidsondersteuning en Advies (BOA) protocol met RWS zijn afspraken gemaakt over beleidsondersteuning en -advisering, die RWS uit heeft uitgevoerd in opdracht van de beleids-DG’s. Door middel van de agentschapsbijdrage is capaciteit hiervoor bij RWS ingezet.

14.02.05 Bijdragen aan internationale organisaties

In 2019 is de contributiebijdrage aan de Europese NCAP (New Car Assesment Programme) voldaan. Om gedragsbeinvloeding te bereiken wordt onder meer het Meerjarenprogramma Campagnes Verkeersveiligheid uitgevoerd.

14.02.06 Bijdrage aan ZBO's en RWT's

Ingevolge de Regeling Maatregelen Rijvaardigheid en Geschiktheid (RMRG) ontvangt het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), een RWT die per 1 januari 2017 is herzien. Vanaf 2017 vindt voor de vorderingenonderzoeken (medisch en rijvaardigheid) nog een gedeeltelijke vergoeding plaats (Kamerstukken II 2016–2017, 29 398, nr. 529). Het resterende bedrag wordt doorberekend aan de burger waarbij het vorderingenonderzoek moet plaatsvinden. Incidentele werkzaamheden voor ZBO en RWT’s komen eveneens ten laste van deze post. Hiervoor vonden incidentele overboekingen plaats vanuit opdrachtenbudgetten.

Garantstelling aan het CBR

Aan het Centraal Bureau voor de afgifte van Rijvaardigheidsbewijzen is in 2019 een garantie verleend van € 4 miljoen voor een nog op te nemen lening in 2020.

Extracomptabele verwijzing naar artikel 12 Hoofdwegennet (bedragen x € 1.000)
   
  

2019

 

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 12 Hoofdwegennet van het Infrastructuurfonds

2.284.718

 

Andere ontvangsten van artikel 12 Hoofdwegennet

115.453

 

Totale uitgaven op artikel 12 Hoofdwegennet

2.400.171

Waarvan

  

12.01

Verkeersmanagement

3.812

12.02

Beheer onderhoud en vervanging

638.953

12.03

Aanleg

551.171

12.04

Geïntegreerde contractvormen/PPS

544.906

12.06

Netwerkgebonden kosten HWN

661.329

12.07

Investeringsruimte

0

Licence