Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

3.7 Art.nr. 11. Studiefinanciering

A. Algemene doelstelling

Het stelsel van studiefinanciering biedt studenten in het hoger onderwijs en in de beroepsopleidende leerweg de financiële mogelijkheden om in Nederland en daarbuiten onderwijs te kunnen volgen.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor de doeltreffende en doelmatige werking van het stelsel van studiefinanciering, zoals geregeld in de Wet studiefinanciering 2000.

Financieren: De Minister financiert het stelsel waarbij de financiële toegankelijkheid is gewaarborgd: er zijn geen onoverkomelijke financiële belemmeringen om te gaan studeren. Tegelijkertijd wordt recht gedaan aan het principe dat studeren ook een investering door de student zelf is. Tevens wordt recht gedaan aan de bijdrage die ouders daaraan kunnen leveren.

Indicatoren/kengetallen

Voor indicatoren/kengetallen over studiefinanciering wordt verwezen naar Onderwijs in Cijfers

Tabel 11.1 Normbedragen studiefinanciering 2019 per maand in euro's

Normbedragen ho

 

Normbedragen mbo/bol

 

Uitwonend

Thuiswonend

Studie-voorschot

 

Uitwonend

Thuiswonend

Basisbeurs

€ 295,63

€ 106,18

n.v.t.

Basisbeurs

€ 273,17

€ 83,70

Aanvullende beurs

€ 283,11

€ 260,96

€ 396,39

Aanvullende beurs

€ 366,50

€ 344,40

Maximaal leenbedrag

€ 303,73

€ 303,73

€ 486,08

Maximaal leenbedrag

€ 182,34

€ 182,34

Collegegeldkrediet

€ 173,58

€ 173,58

€ 173,58

Collegegeldkrediet

n.v.t.

n.v.t.

Totaal

€ 1056,05

€ 844,45

€ 1056,05

Totaal

€ 822,01

€ 610,44

Peildatum 1 september 2019

C. Beleidswijzigingen

Ook in het komende jaar gaat DUO door met een meer persoonsgerichte manier van het innen van schulden. Dat gaat DUO doen door zelf proactief contact te zoeken met studenten en oud-studenten die een substantiële betalingsachterstand hebben of dreigen te krijgen. Medewerkers van DUO zoeken samen met de student en oud-student naar een oplossing voor de ontstane problemen en kunnen een betalingsregeling op maat voorstellen.

D. Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Tabel 11.2 Budgettaire gevolgen van beleid art. 11 (bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Verplichtingen

6.200.225

5.547.637

5.221.098

4.940.462

5.665.703

5.749.571

5.774.741

Totale uitgaven

6.200.225

5.547.637

5.221.098

4.940.462

5.665.703

5.749.571

5.774.741

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

100%

       
               

Inkomensoverdracht

3.595.627

2.664.307

2.137.924

1.608.672

2.098.735

2.090.607

2.111.835

 

Basisbeurs gift (R)

1.210.960

1.084.608

840.285

595.990

409.145

363.934

352.268

 

Aanvullende beurs gift (R)

672.109

664.582

674.557

693.566

707.600

713.727

717.889

 

Reisvoorziening gift (R)

1.631.598

813.756

542.961

232.469

883.214

906.943

929.347

 

Caribisch Nederland gift (R)

3.210

3.210

3.210

3.210

3.210

3.210

3.210

 

Overige uitgaven (R)

77.750

98.151

76.911

83.438

95.566

102.793

109.121

Leningen

2.488.675

2.761.603

2.965.119

3.213.062

3.447.850

3.538.938

3.542.256

 

Basisbeurs prestatiebeurs (NR)

– 707.732

– 792.730

– 608.035

– 392.971

– 202.606

– 146.314

– 158.651

 

Aanvullende beurs prestatiebeurs (NR)

136.424

145.917

115.192

91.006

74.297

60.872

46.974

 

Reisvoorziening (NR)

114.498

118.446

98.339

75.886

72.374

58.767

49.716

 

Rentedragende lening (NR)

2.459.989

2.856.066

2.924.417

2.982.094

3.035.091

3.088.587

3.119.919

 

Collegegeldkrediet (NR)

352.355

363.363

353.529

366.405

371.260

375.746

379.290

 

Leven lang leren krediet (NR)

20.191

35.000

45.000

50.000

50.000

50.000

50.000

 

Overige uitgaven (NR)

112.950

35.541

36.677

40.641

47.434

51.280

55.008

Bijdrage aan agentschappen

115.923

121.727

118.055

118.728

119.118

120.026

120.650

 

Dienst Uitvoering Onderwijs

115.923

121.727

118.055

118.728

119.118

120.026

120.650

Ontvangsten

846.307

885.248

936.149

1.005.775

1.076.894

1.151.569

1.223.241

Ontvangsten (R)

152.773

143.023

139.535

151.271

164.641

176.477

184.893

 

Ontvangen rente (R)

93.903

87.778

89.518

106.466

125.034

141.971

150.468

 

Overige ontvangsten (R)

58.870

55.245

50.017

44.805

39.607

34.506

34.425

Ontvangsten (NR)

693.534

742.225

796.614

854.504

912.253

975.092

1.038.348

 

Terugontvangen hoofdsom (NR)

693.534

742.225

796.614

854.504

912.253

975.092

1.038.348

Toelichting: R = relevant, NR = niet-relevant

Tabel 11.3 Indeling Budgettaire gevolgen van beleid naar Relevant en Niet-relevant (bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

relevante uitgaven:

3.711.550

2.786.034

2.255.979

1.727.400

2.217.853

2.210.633

2.232.485

niet relevante uitgaven:

2.488.675

2.761.603

2.965.119

3.213.062

3.447.850

3.538.938

3.542.256

relevante ontvangsten:

152.773

143.023

139.535

151.271

164.641

176.477

184.893

niet relevante ontvangsten:

693.534

742.225

796.614

854.504

912.253

975.092

1.038.348

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 11 is voor 2020 100 procent juridisch verplicht op basis van de Wet studiefinanciering 2000. Alternatieve aanwending vereist wijziging van wet- en regelgeving. De geraamde DUO-uitgaven zijn volledig benodigd voor de uitvoering van de Wet.

Toelichting:

Zowel voor de uitgaven als de ontvangsten wordt een onderscheid gemaakt tussen relevant en niet-relevant. Relevant betekent: relevant voor het EMU-saldo en daarmee relevant voor het uitgavenplafond. De relevante uitgaven worden hoofdzakelijk gevormd door studiefinanciering die meteen als gift wordt toegekend en uitgekeerde prestatiebeurs die wordt omgezet in een gift (na het behalen van het diploma binnen tien jaar). Onder de niet-relevante uitgaven vallen vooral de prestatiebeursuitgaven (zolang die nog niet is omgezet in een gift) en de rentedragende leningen. Deze uitgaven zijn niet-relevant voor het uitgavenplafond, maar worden wel meegerekend in de EMU-schuld. De relevante ontvangsten worden vooral gevormd door de ontvangen rente op leningen. De niet-relevante ontvangsten betreffen hoofdzakelijk aflossingen op de hoofdsom van de rentedragende leningen.

In tabel 11.2 «Budgettaire gevolgen voor beleid en budgetflexibiliteit» is vanaf dit jaar gekozen voor een verhelderende indeling tussen de instrumenten inkomensoverdracht en leningen. In totaal zijn er vier wijzigingen.

Ten eerste zijn de niet-relevante posten die onder het instrument inkomensoverdracht stonden overgeheveld naar het instrument leningen. Het betreft hier de posten Basisbeurs prestatiebeurs (NR), Aanvullende beurs prestatiebeurs (NR), Reisvoorziening prestatiebeurs (NR) en Overige uitgaven niet-relevant (NR). De prestatiebeurzen worden in eerste instantie als lening toegekend aan de student en omgezet in een gift bij het behalen van een diploma. Het boeken van de niet-relevante posten onder het instrument leningen sluit beter aan op de wijze waarop de prestatiebeurzen aan de studenten worden toegekend. De onderliggende tabellen die een verdere uitsplitsing geven op deze posten worden voortaan ook toegelicht onder het kopje «Leningen».

Ten tweede worden alle relevante uitgaven aan de reisvoorziening gift nu onder hetzelfde budget geboekt. Voorheen waren deze uitgaven apart uitgesplitst naar Reisvoorziening gift (R), Bijdrage studerenden aan OV-contract (R) en Kosten contract OV-bedrijven. De reisvoorziening wordt nu op vergelijkbare manier weergegeven als de basisbeurs en de aanvullende beurs. De uitsplitsing naar deze drie posten is in de onderliggende tabellen weergegeven.

In de derde plaats is de post Rentedragende lening (NR) verder uitgesplitst naar de posten Rentedragende lening (NR) en Leven lang leren krediet (NR). Voorheen werden de uitgaven aan het Leven lang leren krediet volledig onder de post Rentedragende lening (NR) geboekt, nu wordt dit bedrag ook apart weergegeven.

Tot slot zijn de Relevante ontvangsten hoofdsom (R) nu geheel zichtbaar onder de post overige ontvangsten (R). Deze ontvangsten waren voorheen zichtbaar onder de post Ontvangen rente en relevante hoofdsom (R). De rente-inkomsten hebben nu een aparte post Ontvangen rente (R), waardoor nu beter zichtbaar wordt wat de ontvangen rente is. De post die voorheen Kortlopende vorderingen (R) werd genoemd, valt nu onder de post Overige ontvangsten (R) samen met de Relevante ontvangsten hoofdsom (R).

Was

Wordt

• Reisvoorziening gift (R)

• Bijdrage studerenden aan OV-contract (R)

• Kosten contract OV-bedrijven (R)

• Reisvoorziening gift (R)

• Rentedragende lening (NR) inclusief leven lang leren krediet (NR)

• Rentedragende lening (NR) exclusief leven lang leren krediet (NR)

• Leven lang leren krediet (NR)

• Ontvangen rente en relevante hoofdsom (R) inclusief relevante ontvangsten hoofdsom (R)

• Ontvangen Rente (R) exclusief relevante ontvangsten hoofdsom

• Kortlopende vorderingen (R) exclusief relevante ontvangsten hoofdsom (R)

• Overige ontvangsten (R) inclusief ontvangsten van kortlopende vorderingen en inclusief relevante ontvangsten hoofdsom (R)

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Inkomensoverdrachten

Basisbeurs

Sinds het studiejaar 2015/2016 geldt voor nieuwe studenten in het hoger onderwijs het studievoorschot. De basisbeurs in het hoger onderwijs is vervangen door de mogelijkheid om gebruik te maken van een leenvoorziening tegen sociale terugbetaalvoorwaarden. Studenten die voordien zijn ingestroomd, vallen voor hun bachelor of master nog onder het oude stelsel en ontvangen in enkele gevallen nog een basisbeurs. Voor mbo-studenten van achttien jaar en ouder in de beroepsopleidende leerweg is de basisbeurs onveranderd gebleven. Om voor deze groep de financiële toegankelijkheid tot het onderwijs te garanderen, ontvangen zij een bijdrage in de vorm van een basisbeurs. Voor studenten in de bol niveau 1 en 2 is de basisbeurs direct een gift. Studenten in de bol niveau 1 en 2 vallen niet onder het prestatiebeursregime omdat studenten op deze niveaus nog niet over een startkwalificatie beschikken. Voor wie er niet in slaagt een startkwalificatie te halen, wordt het terugbetalen van de prestatiebeurs al snel problematisch. Door het beschikbaar stellen van de basisbeurs in de vorm van een gift, draagt dit bij aan het wegnemen van financiële belemmeringen voor studenten in de bol niveau 1 en 2.

Studenten in de bol niveau 3 en 4 hebben recht op een basisbeurs onder het prestatiebeursregime. Het prestatiebeursregime geeft hen een prikkel om de opleiding binnen 10 jaar na de eerst opgenomen studiefinanciering met succes af te ronden.

Tabel 11.4 Totaal aantal studenten met studiefinanciering (vanaf 2019 afgeronde raming)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Studenten met basisbeurs

290.298

228.900

206.800

203.200

203.800

202.700

200.700

bol

220.603

211.300

202.000

200.600

202.400

202.000

200.700

hbo

64.064

14.700

4.000

2.100

1.100

500

0

wo

5.631

2.900

800

500

300

200

0

Studenten zonder basisbeurs

486.511

545.600

559.200

563.100

566.000

567.700

568.200

bol

8.067

7.800

7.500

7.400

7.500

7.500

7.500

hbo

277.321

324.600

330.600

328.700

326.000

322.700

318.800

wo

201.123

213.200

221.100

227.000

232.500

237.500

241.900

Totaal

776.809

774.500

766.000

766.300

769.800

770.400

768.900

Bron 2018: realisatiegegevens DUO; Bron 2019–2024: ramingsmodel SF

Toelichting:

Deze gegevens laten het verwachte gebruik zien van de regeling. Het aantal studenten met studiefinanciering volgt het aantal voltijds studenten in het ho en de bol, maar ligt lager omdat niet iedere student die ingeschreven is ook daadwerkelijk aanspraak maakt op studiefinanciering.

Naast de groep studenten met een basisbeurs is er een groep die geen aanspraak meer kan maken op de basisbeurs (omdat de maximale duur is verbruikt of omdat ze onder het studievoorschot vallen), maar (nog) wel recht heeft op een lening en eventueel de reisvoorziening en de aanvullende beurs. Als gevolg van de invoering van het studievoorschot vindt een verschuiving plaats van het aantal studenten met een basisbeurs naar het aantal studenten zonder basisbeurs.

De gegevens zijn inclusief aantallen studenten die met een meeneembare studiefinanciering een volledige opleiding in het buitenland volgen.

Tabel 11.5 Uitgaven basisbeurs gift (bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Uitbetaalde basisbeurs gift

88.310

84.989

78.802

77.358

77.069

80.060

79.717

bol

82.292

83.034

78.802

77.358

77.069

80.060

79.717

hbo

3.907

386

0

0

0

0

0

wo

2.111

1.569

0

0

0

0

0

Naar gift omgezette basisbeurs prestatiebeurs

1.122.649

999.619

761.483

518.632

332.076

283.874

272.551

bol

250.183

224.403

219.464

214.456

207.519

210.205

208.582

hbo

537.064

500.023

381.490

186.327

56.245

38.533

33.683

wo

335.402

275.193

160.529

117.849

68.312

35.136

30.286

Totaal

1.210.960

1.084.608

840.285

595.990

409.145

363.934

352.268

Bron 2018: realisatiegegevens DUO; Bron 2019–2024: ramingsmodel SF

Toelichting:

In tabel 11.5 worden de geraamde relevante uitgaven voor de basisbeurs gepresenteerd. De hoogte van de basisbeurs is genormeerd en wordt verstrekt gedurende de nominale studieduur. Als gevolg van de invoering van het studievoorschot dalen de omzettingen van prestatiebeurs naar gift in het ho.

Aanvullende beurs

In de studiefinanciering wordt recht gedaan aan de bijdrage die ouders kunnen leveren aan de opleiding van hun kinderen. Daarom wordt rekening gehouden met een zogenoemde ouderlijke bijdrage. In het geval dat ouders onvoldoende inkomen hebben om die bijdrage te leveren, hebben studenten een extra financiële belemmering te overwinnen. Om deze belemmering weg te nemen wordt aan hen een aanvullende beurs verstrekt die afhankelijk is van het ouderlijk inkomen.

Studenten in de bol niveau 1 en 2 met recht op aanvullende beurs krijgen dit direct als gift, aangezien zij nog geen startkwalificatie hebben bereikt.

Studenten in de bol niveau 3 en 4 en in het ho met recht op aanvullende beurs vallen onder het prestatiebeursregime. De eerste 5 maanden krijgen de studenten in het ho de aanvullende beurs als gift uitgekeerd. Studenten in de bol niveau 3 en 4 krijgen de eerste 12 maanden de aanvullende beurs als gift uitgekeerd. Na deze periode wordt de aanvullende beurs uitgekeerd onder het prestatiebeursregime.

Voor studenten die onder het studievoorschot vallen is de maximale aanvullende beurs hoger dan voor studenten die hier (nog) niet onder vallen.

Tabel 11.6 Totaal aantal studenten met een aanvullende beurs (vanaf 2019 afgeronde raming)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

bol

110.724

107.800

103.000

102.100

102.900

102.600

101.900

hbo

88.466

88.700

87.500

86.500

85.500

84.500

83.300

wo

30.127

31.100

31.900

32.700

33.500

34.200

34.800

Totaal

229.317

227.600

222.400

221.300

221.900

221.300

220.000

Bron 2018: realisatiegegevens DUO; Bron 2019–2024: ramingsmodel SF

Toelichting:

Deze tabel laat het aantal studenten met een aanvullende beurs zien. In de bol wordt relatief vaker een beroep gedaan op de aanvullende beurs dan in het hbo en in het hbo relatief vaker dan in het wo.

Tabel 11.7 Uitgaven aanvullende beurs gift (bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Uitbetaalde aanvullende beurs gift

283.500

286.012

274.872

275.216

275.776

273.760

271.083

bol

228.931

230.500

219.608

219.712

220.490

218.721

216.411

hbo

43.321

43.984

43.417

43.277

42.780

42.276

41.688

wo

11.248

11.528

11.847

12.227

12.506

12.763

12.984

Naar gift omgezette aanvullende beurs prestatiebeurs

388.609

378.570

399.685

418.350

431.824

439.967

446.806

bol

164.215

153.976

154.722

153.886

150.475

147.143

146.292

hbo

164.179

164.249

178.108

192.676

205.227

214.213

219.854

wo

60.215

60.345

66.855

71.788

76.122

78.611

80.660

Totaal

672.109

664.582

674.557

693.566

707.600

713.727

717.889

Bron 2018: realisatiegegevens DUO; Bron 2019–2024: ramingsmodel SF

Toelichting:

In de tabel 11.7 worden de geraamde relevante uitgaven voor de aanvullende beurs gepresenteerd. De hoogte van de aanvullende beurs is genormeerd.

Voor studenten in het hoger onderwijs die niet onder het studievoorschot vallen is de aanvullende beurs naast het inkomen van de ouders onder andere afhankelijk van de woonsituatie van de studerende; thuis- of uitwonend, maximaal respectievelijk € 260,96 of € 283,11 (zie tabel 11.1).

De hoogte van de maximale aanvullende beurs voor studenten die onder het studievoorschot vallen is € 396,39. De woonsituatie van de studerende (thuis- of uitwonend) is dan niet langer bepalend voor de hoogte van de aanvullende beurs.

Het verloop van deze uitgaven is voor een groot deel afhankelijk van de prijsontwikkeling. Daarnaast is de ontwikkeling in het aantal studenten met minder draagkrachtige ouders en de deelname aan het onderwijs hier van invloed, en spelen exogene factoren een rol, zoals de ontwikkeling van de conjunctuur en de daarmee samenhangende inkomensontwikkeling.

Reisvoorziening

Als onderdeel van het stelsel van studiefinanciering, draagt een reisvoorziening bij aan de toegankelijkheid van het onderwijs. Meer in het bijzonder is het doel van de reisvoorziening om studenten te faciliteren in het reizen van huis naar de onderwijsinstelling en van huis naar de stageplaatsen.

Tabel 11.8 Totaal aantal studenten met reisvoorziening (vanaf 2019 afgeronde raming)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Aantal gebruikers van het reisrecht

782.943

779.400

770.600

770.100

771.500

770.900

769.700

bol minderjarig

109.345

108.200

107.000

105.900

103.700

102.100

102.000

bol

215.032

209.200

200.000

198.600

200.400

200.000

198.700

ho

458.566

462.000

463.600

465.600

467.400

468.800

469.000

Aantal RBS

19.314

19.500

19.600

19.700

19.800

19.900

20.000

bol

2.992

2.900

2.800

2.800

2.800

2.800

2.800

ho

16.322

16.600

16.800

16.900

17.000

17.100

17.200

Totaal

802.257

798.900

790.200

789.800

791.300

790.800

789.700

Bron 2018: realisatiegegevens DUO; Bron 2019–2024: ramingsmodel SF

Toelichting:

De reisvoorziening kan in twee vormen worden toegekend: een reisproduct op een persoonlijke ov-chipkaart (week- of weekendabonnement) of een financiële vergoeding voor studenten die studeren in het buitenland (reisvergoeding buitenland studerenden, RBS).

Voltijdstudenten in het ho kunnen gebruik maken van de reisvoorziening voor de duur van de nominale studie en één uitloopjaar. Studenten in de bol kunnen gebruik maken van de reisvoorziening voor de duur van de nominale studie en drie uitloopjaren. Per 1 januari 2017 hebben ook minderjarige studenten in de bol recht op de reisvoorziening.

De reisvoorziening is onderdeel van de prestatiebeurs voor studenten in de bol niveau 3 en 4 en voor studenten in het ho. Voor studenten in de bol niveau 1 en 2 wordt de reisvoorziening direct als gift verstrekt.

Tabel 11.9 Uitgaven reisvoorziening (bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Uitbetaalde reisvoorziening gift

70.219

66.746

67.223

68.055

69.223

70.152

71.252

bol

58.064

59.950

60.180

60.857

61.870

62.646

63.608

ho

12.154

6.796

7.043

7.197

7.353

7.505

7.644

Naar gift omgezette reisvoorziening prestatiebeurs

695.785

666.337

699.828

731.692

747.318

771.306

790.144

bol

199.917

191.015

230.543

263.024

278.245

291.104

296.529

ho

495.868

475.322

469.285

468.668

469.073

480.201

493.615

Bijdrage studerenden aan OV-contract

– 857.909

– 876.723

– 896.097

– 911.816

– 930.546

– 947.322

– 963.682

bol

– 346.466

– 351.675

– 352.388

– 356.448

– 362.997

– 367.842

– 373.429

ho

– 511.442

– 525.048

– 543.709

– 555.368

– 567.549

– 579.480

– 590.253

Kosten contract OV-bedrijven

1.723.502

957.396

672.007

344.538

997.220

1.012.807

1.031.634

Totaal reisvoorziening

1.631.598

813.756

542.961

232.469

883.214

906.943

929.347

Bron 2018: realisatiegegevens DUO; Bron 2019–2024: ramingsmodel SF

Toelichting:

Bij de kosten contract OV-bedrijven is in 2018 een veel hoger bedrag uitgegeven dan in de overige jaren en in 2020 en 2021 een veel lager bedrag dan in de overige jaren. Dit heeft te maken met een aantal kasschuiven. Voor de betaling van het reisproduct aan vervoerbedrijven heeft een kasschuif van 2018 naar 2016 van € 44 miljoen plaatsgevonden. Tevens zorgt een aantal kasschuiven per saldo voor een schuif van € 425 miljoen van 2020 naar 2018 en van € 425 miljoen van 2021 naar 2018. Daarnaast is er een kasschuif van 19,5 miljoen van 2019 naar 2018 en van 50 miljoen van 2020 naar 2019. Als laatste is er een kasschuif van € 200 miljoen van 2021 naar 2020. Contractueel is vastgelegd dat OCW de vergoeding voor de OV-studentenkaart uiterlijk medio januari van het betreffende jaar aan de vervoerbedrijven betaalt. Door de betaling aan de vervoerbedrijven (gedeeltelijk) al aan het eind van het voorafgaande jaar in plaats van aan het begin van het betreffende jaar te doen, kan zonder af te wijken van de afspraken met de vervoerbedrijven een bijdrage worden geleverd aan de optimalisering van de kasritmes van de staat over de jaren heen.

Overige uitgaven

De geraamde overige uitgaven omvatten voornamelijk technische posten, waaronder achterstallige rechten en boekingen tussen relevante en niet-relevante uitgaven en kwijtscheldingen.

Leningen

Onder de niet-relevante uitgaven vallen de uitgaven die niet relevant zijn voor het EMU-saldo, maar wel doorwerken op de EMU-schuld. Het betreft hier de prestatiebeurzen, de rentedragende leningen, het collegegeldkrediet en het leven lang leren krediet.

Basisbeurs

Studenten in de bol niveau 3 en 4 en in het ho hebben recht op een basisbeurs onder het prestatiebeursregime. Sinds het studiejaar 2015/2016 geldt voor nieuwe studenten in het hoger onderwijs het studievoorschot.

Tabel 11.10 Uitgaven basisbeurs prestatiebeurs (bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Uitbetaalde basisbeurs

413.927

285.289

242.528

235.421

234.910

233.680

230.700

bol

238.488

234.355

224.737

223.780

226.551

226.969

226.077

hbo

158.613

41.661

14.464

9.472

6.820

5.477

4.012

wo

16.826

9.273

3.327

2.169

1.539

1.234

611

Naar gift omgezette basisbeurs prestatiebeurs

– 1.122.649

– 999.619

– 756.483

– 518.632

– 312.076

– 238.874

– 232.551

bol

– 250.183

– 224.403

– 219.464

– 214.456

– 207.519

– 210.205

– 208.582

hbo

– 537.064

– 500.023

– 381.490

– 186.327

– 41.245

– 8.533

– 3.683

wo

– 335.402

– 275.193

– 155.529

– 117.849

– 63.312

– 20.136

– 20.286

Naar lening omgezette basisbeurs prestatiebeurs

990

– 78.400

– 94.080

– 109.760

– 125.440

– 141.120

– 156.800

bol

– 2

– 6.400

– 7.680

– 8.960

– 10.240

– 11.520

– 12.800

hbo

152

– 50.000

– 60.000

– 70.000

– 80.000

– 90.000

– 100.000

wo

840

– 22.000

– 26.400

– 30.800

– 35.200

– 39.600

– 44.000

Totaal

– 707.732

– 792.730

– 608.035

– 392.971

– 202.606

– 146.314

– 158.651

Bron 2018: realisatiegegevens DUO; Bron 2019–2024: ramingsmodel SF

Toelichting:

In tabel 11.10 worden de geraamde niet-relevante uitgaven voor de basisbeurs gepresenteerd. Als gevolg van de invoering van het studievoorschot daalt het aantal toekenningen in het hbo en wo vanaf 2015. Met de invoering van het Programma Vernieuwing Studiefinanciering (PVS) vindt de omzetting van prestatiebeurs naar lening op een later moment plaats. Voorheen werd een prestatiebeurs naar lening omgezet als een student gestopt was met de studie. Nu wordt een prestatiebeurs naar lening omgezet als een student uit de diplomatermijn van 10 jaar loopt, zodat er later bij het behalen van een diploma niet alsnog hoeft te worden omgezet en moet worden verrekend met eventueel betaalde termijnen. Dit zorgt ervoor dat er een oplopende trend zit in de omzettingen van prestatiebeurs naar lening, die ook terug te zien is bij de aanvullende beurs en de reisvoorziening.

Aanvullende beurs

Studenten in de bol niveau 3 en 4 en het ho met recht op aanvullende beurs vallen onder het prestatiebeursregime. De eerste 5 maanden krijgen de studenten in het ho de aanvullende beurs als gift uitgekeerd. Studenten in de bol niveau 3 en 4 krijgen de eerste 12 maanden de aanvullende beurs als gift uitgekeerd. Na deze periode wordt de aanvullende beurs uitgekeerd onder het prestatiebeursregime.

Tabel 11.11 Uitgaven aanvullende beurs prestatiebeurs (bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Uitbetaalde aanvullende beurs

524.837

549.487

544.677

543.956

545.521

545.039

542.780

bol

164.272

162.209

155.552

154.892

156.808

157.097

156.480

hbo

262.252

282.811

281.539

278.729

275.790

272.659

268.978

wo

98.313

104.467

107.586

110.335

112.923

115.283

117.322

Naar gift omgezette aanvullende beurs prestatiebeurs

– 388.609

– 378.570

– 399.685

– 418.350

– 431.824

– 439.967

– 446.806

bol

– 164.215

– 153.976

– 154.722

– 153.886

– 150.475

– 147.143

– 146.292

hbo

– 164.179

– 164.249

– 178.108

– 192.676

– 205.227

– 214.213

– 219.854

wo

– 60.215

– 60.345

– 66.855

– 71.788

– 76.122

– 78.611

– 80.660

Naar lening omgezette aanvullende beurs prestatiebeurs

196

– 25.000

– 29.800

– 34.600

– 39.400

– 44.200

– 49.000

bol

– 4

– 10.168

– 12.168

– 14.168

– 16.168

– 18.168

– 20.168

hbo

36

– 10.847

– 12.847

– 14.847

– 16.847

– 18.847

– 20.847

wo

164

– 3.985

– 4.785

– 5.585

– 6.385

– 7.185

– 7.985

Totaal

136.424

145.917

115.192

91.006

74.297

60.872

46.974

Bron 2018: realisatiegegevens DUO; Bron 2019–2024: ramingsmodel SF

Toelichting:

In de tabel 11.11 worden de geraamde niet-relevante uitgaven voor de aanvullende beurs gepresenteerd. Het verloop van deze uitgaven is voor een groot deel afhankelijk van de prijsontwikkeling. Daarnaast is de ontwikkeling in het aantal studenten met minder draagkrachtige ouders en de deelname aan het onderwijs hier van invloed, en spelen exogene factoren een rol, zoals de ontwikkeling van de conjunctuur en de daarmee samenhangende inkomensontwikkeling.

Reisvoorziening

Tabel 11.12 Uitgaven reisvoorziening prestatiebeurs (bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Uitbetaalde reisvoorziening

810.274

812.283

831.167

846.078

863.693

879.573

894.860

bol

292.105

293.800

294.266

297.669

303.256

307.355

312.004

ho

518.169

518.483

536.901

548.409

560.437

572.218

582.856

Naar gift omgezette reisvoorziening prestatiebeurs

– 695.785

– 666.337

– 699.828

– 731.692

– 747.318

– 771.305

– 790.144

bol

– 199.917

– 191.015

– 230.543

– 263.024

– 278.245

– 291.104

– 296.529

ho

– 495.868

– 475.322

– 469.285

– 468.668

– 469.073

– 480.201

– 493.615

Naar lening omgezette reisvoorziening prestatiebeurs

9

– 27.500

– 33.000

– 38.500

– 44.000

– 49.500

– 55.000

bol

0

– 2.500

– 3.000

– 3.500

– 4.000

– 4.500

– 5.000

ho

9

– 25.000

– 30.000

– 35.000

– 40.000

– 45.000

– 50.000

Totaal reisvoorziening

114.498

118.446

98.339

75.886

72.374

58.767

49.716

Bron 2018: realisatiegegevens DUO; Bron 2019–2024: ramingsmodel SF

Toelichting:

In de tabel 11.12 worden de geraamde niet-relevante uitgaven voor de reisvoorziening gepresenteerd.

Tabel 11.13 Niet-relevante uitgaven leenfaciliteit (bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Rentedragende lening

2.459.989

2.856.066

2.924.417

2.982.094

3.035.091

3.088.587

3.119.919

Collegegeldkrediet

352.355

363.363

353.530

366.405

371.260

375.746

379.290

Leven lang leren krediet

20.191

35.000

45.000

50.000

50.000

50.000

50.000

Totaal

2.832.535

3.254.429

3.322.947

3.398.499

3.456.351

3.514.333

3.549.209

Bron 2018: realisatiegegevens DUO; Bron 2019–2024: ramingsmodel SF

Toelichting:

Het totale bedrag dat wordt geleend stijgt jaarlijks vanwege onder andere hogere studentenaantallen en hogere gerealiseerde leningen. Het collegegeldkrediet loopt in 2020 iets terug vanwege de wetsaanpassing collegegeld halvering. Het maximaal aan te vragen collegegeldkrediet voor eerstejaarsstudenten wordt per collegejaar 2020–2021 ook gehalveerd.

Bijdrage aan agentschappen

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

Ontvangsten

Leningen worden terugbetaald naar draagkracht. Wie gelet op zijn of haar inkomen niet kan terugbetalen, hoeft niet of minder terug te betalen. Voor wie bewust leent, is de studielening hiermee een veilig instrument voor de financiering van onderwijs.

Tabel 11.14 Relevante ontvangsten (bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Ontvangen rente

93.903

87.778

89.518

106.466

125.034

141.971

150.468

Overige ontvangsten

58.870

55.245

50.017

44.805

39.607

34.506

34.425

Renteloos voorschot en relevante rentedragende lening

1.197

1.149

1.021

909

811

730

659

Kortlopende vorderingen

57.673

54.096

48.996

43.896

38.796

33.776

33.766

Totaal relevante ontvangsten

152.773

143.023

139.535

151.271

164.641

176.477

184.893

Bron 2018: realisatiegegevens DUO; Bron 2019–2024: ramingsmodel SF

Toelichting:

De relevante ontvangsten bestaan uit verschillende posten, waarvan de ontvangen rente de grootste is. De overige relevante ontvangsten bestaan voor het grootste deel uit kortlopende vorderingen, die ontstaan doordat onterecht ontvangen studiefinanciering wordt teruggevorderd. De relevante rentedragende lening betreft leningen van vóór 1992; het renteloze voorschot betreft voornamelijk studieleningen die zijn verstrekt vóór 1986 en waarover geen rente verschuldigd is.

Tabel 11.15 Niet-relevante ontvangsten (bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Hoofdsom (NR)

693.534

742.225

796.614

854.504

912.253

975.092

1.038.348

Totaal niet-relevante ontvangsten

693.534

742.225

796.614

854.504

912.253

975.092

1.038.348

Bron 2018: realisatiegegevens DUO; Bron 2019–2024: ramingsmodel SF

Toelichting:

De niet-relevante ontvangsten ontstaan door terugbetaling van de hoofdsom op studieleningen. De ontvangsten nemen de komende jaren toe, omdat er in eerdere jaren meer is geleend.

Licence