Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

3.7 Artikel 11. Studiefinanciering

Het stelsel van studiefinanciering biedt studenten in het hoger onderwijs en deelnemers in de beroepsopleidende leerweg de financiële mogelijkheden om in Nederland en daarbuiten onderwijs te kunnen volgen.

De Minister is verantwoordelijk voor de doeltreffende en doelmatige werking van het stelsel van studiefinanciering, zoals geregeld in de Wet studiefinanciering 2000.

Financieren

De Minister financiert het stelsel waarbij de financiële toegankelijkheid is gewaarborgd; er zijn geen onoverkomelijke financiële belemmeringen om te gaan studeren. Tegelijkertijd wordt recht gedaan aan het principe dat studeren ook een investering van de student zelf is. Tevens wordt recht gedaan aan de bijdrage die ouders daaraan kunnen leveren.

Kengetallen

Voor indicatoren/kengetallen over studiefinanciering wordt verwezen naar OCW in Cijfers.

Tabel 47 Normbedragen studiefinanciering 2020 per maand in euro's1

Normbedragen ho

   

Normbedragen mbo/bol

  
 

Uitwonend

Thuiswonend

Studie-voorschot

 

Uitwonend

Thuiswonend

Basisbeurs

€ 300,69

€ 108,00

n.v.t.

Basisbeurs

€ 277,84

€ 85,13

Aanvullende beurs

€ 287,95

€ 265,42

€ 403,17

Aanvullende beurs

€ 373,94

€ 351,46

Maximaal leenbedrag

€ 308,92

€ 308,92

€ 494,39

Maximaal leenbedrag

€ 185,46

€ 185,46

Collegegeldkrediet

€ 178,58

€ 178,58

€ 178,58

Collegegeldkrediet

n.v.t

n.v.t.

Totaal

€ 1.076,14

€ 860,92

€ 1.076,14

Totaal

€ 837,24

€ 622,05

1

Peildatum 1 september 2020

Er zijn voor dit artikel geen beleidswijzigingen voorzien.

Tabel 48 Budgettaire gevolgen van beleid art. 11 (bedragen x € 1.000)
  

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

5.317.390

5.323.744

4.767.938

5.501.405

5.575.672

5.631.684

5.680.018

Totale uitgaven

5.317.390

5.323.744

4.767.938

5.501.405

5.575.672

5.631.684

5.680.018

waarvan juridisch verplicht (%)

  

100%

    
         

Inkomensoverdracht

2.651.162

2.383.397

1.583.740

2.118.641

2.127.278

2.163.098

2.186.211

Basisbeurs gift (R)

1.099.286

861.592

594.397

412.517

371.855

364.850

357.732

Aanvullende beurs gift (R)

 

665.431

691.913

713.061

736.205

749.457

760.098

764.463

Reisvoorziening gift (R)

 

790.046

692.420

27.293

853.376

882.099

907.884

927.882

Caribisch Nederland gift (R)

 

3.340

3.366

3.363

3.374

3.375

3.375

3.375

Overige uitgaven (R)

 

93.059

134.106

245.626

113.169

120.492

126.891

132.759

Leningen

2.543.858

2.811.665

3.051.863

3.256.492

3.320.032

3.336.405

3.356.420

Basisbeurs prestatiebeurs (NR)

 

‒ 760.632

‒ 622.265

‒ 368.918

‒ 202.540

‒ 173.915

‒ 183.793

‒ 175.340

Aanvullende beurs prestatiebeurs (NR)

 

144.946

110.244

89.366

69.590

53.230

36.439

29.262

Reisvoorziening (NR)

 

175.475

130.999

107.360

106.206

92.729

81.792

81.008

Rentedragende lening (NR)

 

2.587.047

2.791.035

2.807.246

2.852.458

2.906.292

2.950.910

2.962.331

Collegegeldkrediet (NR)

 

332.520

327.402

333.365

339.584

345.062

349.410

352.747

Leven lang leren krediet (NR)

 

27.108

36.653

42.771

44.808

46.843

48.876

50.909

Overige uitgaven (NR)

 

37.395

37.597

40.673

46.386

49.791

52.771

55.503

Bijdrage aan agentschappen

122.370

128.682

132.335

126.272

128.362

132.181

137.387

Dienst Uitvoering Onderwijs

 

122.370

128.682

132.335

126.272

128.362

132.181

137.387

Ontvangsten

914.341

945.676

1.005.737

1.062.958

1.112.207

1.168.825

1.227.432

Ontvangsten (R)

119.190

95.705

98.882

99.751

102.795

115.759

129.649

 

Ontvangen rente (R)

76.887

59.204

68.453

75.391

80.480

93.486

107.515

 

Overige ontvangsten (R)

42.303

36.501

30.429

24.360

22.315

22.273

22.134

Ontvangsten (NR)

795.151

849.971

906.855

963.207

1.009.412

1.053.066

1.097.783

 

Terugontvangen lening (NR)

795.151

849.971

906.855

963.207

1.009.412

1.053.066

1.097.783

Tabel 49 Indeling Budgettaire gevolgen van beleid naar Relevant en Niet-relevant (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

relevante uitgaven:

2.773.532

2.512.079

1.716.076

2.244.913

2.255.640

2.295.279

2.323.598

niet relevante uitgaven:

2.543.858

2.811.665

3.051.862

3.256.492

3.320.032

3.336.405

3.356.420

relevante ontvangsten:

119.190

95.705

98.882

99.751

102.795

115.759

129.649

niet relevante ontvangsten:

795.151

849.971

906.855

963.207

1.009.412

1.053.066

1.097.783

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 11 is voor 2021 100 procent juridisch verplicht op basis van de Wet studiefinanciering 2000. Alternatieve aanwending vereist wijziging van wet- en regelgeving. De geraamde uitgaven Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) zijn volledig benodigd voor de uitvoering van de Wet.

Toelichting

Zowel voor de uitgaven als de ontvangsten wordt een onderscheid gemaakt tussen relevant en niet-relevant. Relevant betekent: relevant voor het EMU-saldo en daarmee relevant voor het uitgavenplafond. De relevante uitgaven worden hoofdzakelijk gevormd door studiefinanciering die meteen als gift wordt toegekend en uitgekeerde prestatiebeurs die wordt omgezet in een gift (na het behalen van het diploma binnen tien jaar). Onder de niet-relevante uitgaven vallen vooral de prestatiebeursuitgaven (zolang die nog niet zijn omgezet in een gift) en de rentedragende leningen. Deze uitgaven zijn niet-relevant voor het uitgavenplafond, maar worden wel meegerekend in de EMU-schuld. De relevante ontvangsten worden vooral gevormd door de ontvangen rente op leningen. De niet-relevante ontvangsten betreffen hoofdzakelijk aflossingen op de hoofdsom van de rentedragende leningen.

Inkomensoverdrachten

Basisbeurs

Sinds het studiejaar 2015/2016 geldt voor nieuwe studenten in het hoger onderwijs (ho) het studievoorschot. De basisbeurs in het ho is vervangen door de mogelijkheid om gebruik te maken van een leenvoorziening tegen sociale terugbetaalvoorwaarden. Studenten die voordien zijn ingestroomd, vallen voor hun bachelor of master nog onder het oude stelsel en ontvangen in enkele gevallen nog een basisbeurs. Voor mbo-studenten van achttien jaar en ouder in de beroepsopleidende leerweg (bol) is de basisbeurs onveranderd gebleven. Om voor deze groep de financiële toegankelijkheid tot het onderwijs te garanderen, ontvangen zij een bijdrage in de vorm van een basisbeurs. Voor studenten in de bol niveau 1 en 2 is de basisbeurs direct een gift. Studenten in de bol niveau 1 en 2 vallen niet onder het prestatiebeursregime omdat studenten op deze niveaus nog niet over een startkwalificatie beschikken. Voor wie er niet in slaagt een startkwalificatie te halen, wordt het terugbetalen van de prestatiebeurs al snel problematisch. Door het beschikbaar stellen van de basisbeurs in de vorm van een gift, draagt dit bij aan het wegnemen van financiële belemmeringen voor studenten in de bol niveau 1 en 2.

Studenten in de bol niveau 3 en 4 hebben recht op een basisbeurs onder het prestatiebeursregime. Het prestatiebeursregime geeft hen een prikkel om de opleiding binnen 10 jaar na de eerst opgenomen studiefinanciering met succes af te ronden.

Tabel 50 Totaal aantal studenten met studiefinanciering (vanaf 2020 afgeronde raming)1
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Studenten met basisbeurs

230.111

215.200

210.900

212.700

213.500

213.300

213.900

bol

213.388

210.000

208.300

211.300

212.700

213.300

213.900

hbo

15.235

4.200

2.100

1.100

600

0

0

wo

1.488

1.000

500

300

200

0

0

Studenten zonder basisbeurs

547.147

551.800

558.500

564.000

566.300

565.900

562.980

bol

16.873

16.600

16.500

16.700

16.800

16.900

16.900

hbo

321.903

324.800

323.600

321.700

318.700

314.800

309.351

wo

208.371

210.400

218.400

225.600

230.800

234.200

236.729

Totaal

777.258

767.000

769.400

776.700

779.800

779.200

776.880

1

Bron 2019: realisatiegegevens DUO; Bron 2020 - 2025: ramingsmodel SF

Toelichting

Deze gegevens laten het verwachte gebruik zien van de regeling. Het aantal studenten met studiefinanciering volgt het aantal voltijds studenten in het ho en de bol, maar ligt lager omdat niet iedere student die ingeschreven is ook daadwerkelijk aanspraak maakt op studiefinanciering.

Naast de groep studenten met een basisbeurs is er een groep die geen aanspraak meer kan maken op de basisbeurs (omdat de maximale duur is verbruikt of omdat ze onder het studievoorschot vallen), maar (nog) wel recht heeft op een lening en eventueel de reisvoorziening en de aanvullende beurs. Als gevolg van de invoering van het studievoorschot vond een verschuiving plaats van het aantal studenten met een basisbeurs naar het aantal studenten zonder basisbeurs.

De gegevens zijn inclusief aantallen studenten die met een meeneembare studiefinanciering een volledige opleiding in het buitenland volgen.

Tabel 51 Uitgaven basisbeurs gift (bedragen x € 1.000)1
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Uitbetaalde basisbeurs gift

83.145

89.623

83.471

84.475

88.677

89.654

90.334

bol

80.205

86.746

83.471

84.475

88.677

89.654

90.334

hbo

1.516

1.619

0

0

0

0

0

wo

1.424

1.258

0

0

0

0

0

Naar gift omgezette basisbeurs prestatiebeurs

1.016.141

771.969

510.926

328.042

283.178

275.196

267.398

bol

223.108

210.287

206.750

203.485

209.509

211.227

213.229

hbo

508.966

302.705

186.327

56.245

38.533

33.683

28.783

wo

284.067

258.977

117.849

68.312

35.136

30.286

25.386

Totaal

1.099.286

861.592

594.397

412.517

371.855

364.850

357.732

1

Bron 2019: realisatiegegevens DUO; Bron 2020 - 2025: ramingsmodel SF

Toelichting

In tabel 51 worden de geraamde relevante uitgaven voor de basisbeurs gepresenteerd. De hoogte van de basisbeurs is genormeerd en wordt verstrekt gedurende de nominale studieduur. Als gevolg van de invoering van het studievoorschot dalen de omzettingen van prestatiebeurs naar gift in het ho.

Aanvullende beurs

In de studiefinanciering wordt recht gedaan aan de bijdrage die ouders kunnen leveren aan de opleiding van hun kinderen. Daarom wordt rekening gehouden met een zogenoemde ouderlijke bijdrage. In het geval dat ouders onvoldoende inkomen hebben om die bijdrage te leveren, hebben studenten een extra financiële belemmering. Om deze belemmering weg te nemen wordt aan hen een aanvullende beurs verstrekt die afhankelijk is van het ouderlijk inkomen.

Studenten in de bol niveau 1 en 2 met recht op aanvullende beurs krijgen dit direct als gift, aangezien zij nog geen startkwalificatie hebben bereikt.

Studenten in de bol niveau 3 en 4 en in het ho met recht op aanvullende beurs vallen onder het prestatiebeursregime. De eerste 5 maanden krijgen de studenten in het ho de aanvullende beurs als gift uitgekeerd. Studenten in de bol niveau 3 en 4 krijgen de eerste 12 maanden de aanvullende beurs als gift uitgekeerd. Na deze periode wordt de aanvullende beurs uitgekeerd onder het prestatiebeursregime.

Voor studenten die onder het studievoorschot vallen is de maximale aanvullende beurs hoger dan voor studenten die hier (nog) niet onder vallen.

Tabel 52 Totaal aantal studenten met een aanvullende beurs (vanaf 2020 afgeronde raming)1
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

bol

108.074

106.400

105.400

107.000

107.700

107.900

108.200

hbo

88.969

88.900

88.000

87.200

86.200

85.000

83.600

wo

31.295

32.400

33.100

33.900

34.500

35.000

35.400

Totaal

228.338

227.700

226.500

228.100

228.400

227.900

227.200

1

Bron 2019: realisatiegegevens DUO; Bron 2020 - 2025: ramingsmodel SF

Toelichting

Deze tabel laat het aantal studenten met een aanvullende beurs zien. In de bol wordt vaker een beroep gedaan op de aanvullende beurs dan in het hbo en in het hbo vaker dan in het wo.

Tabel 53 Uitgaven aanvullende beurs gift (bedragen x € 1.000)1
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Uitbetaalde aanvullende beurs gift

282.850

285.177

285.270

290.745

292.105

292.365

292.458

bol

229.322

230.238

230.106

235.205

236.751

237.391

238.030

hbo

41.841

42.603

42.485

42.470

42.032

41.454

40.750

wo

11.687

12.336

12.679

13.070

13.322

13.520

13.678

Naar gift omgezette aanvullende beurs prestatiebeurs

382.581

406.736

427.791

445.460

457.352

467.733

472.005

bol

151.285

141.357

141.155

139.483

137.736

138.360

138.331

hbo

167.652

193.802

209.834

224.404

235.286

242.711

245.127

wo

63.644

71.577

76.802

81.573

84.330

86.662

88.547

Totaal

665.431

691.913

713.061

736.205

749.457

760.098

764.463

1

Bron 2019: realisatiegegevens DUO; Bron 2020 - 2025: ramingsmodel SF

Toelichting

In de tabel 53 worden de geraamde relevante uitgaven voor de aanvullende beurs gepresenteerd. De hoogte van de aanvullende beurs is genormeerd.

Voor studenten in het hoger onderwijs die niet onder het studievoorschot vallen, is de aanvullende beurs naast het inkomen van de ouders onder andere afhankelijk van de woonsituatie van de studerende; thuis- of uitwonend, maximaal respectievelijk € 265,42 of € 287,95 (zie tabel 47).

De hoogte van de maximale aanvullende beurs voor studenten die onder het studievoorschot vallen is € 403,17. De woonsituatie van de studerende (thuis- of uitwonend) is dan niet langer bepalend voor de hoogte van de aanvullende beurs.

Het verloop van deze uitgaven is voor een groot deel afhankelijk van de prijsontwikkeling. Daarnaast is de ontwikkeling in het aantal studenten met minder draagkrachtige ouders en de deelname aan het onderwijs hier van invloed, en spelen exogene factoren een rol, zoals de ontwikkeling van de conjunctuur en de daarmee samenhangende inkomensontwikkeling.

Reisvoorziening

Als onderdeel van het stelsel van studiefinanciering, draagt een reisvoorziening bij aan de toegankelijkheid van het onderwijs. Meer in het bijzonder is het doel van de reisvoorziening om studenten te faciliteren in het reizen van huis naar de onderwijsinstelling en van huis naar de stageplaatsen.

Tabel 54 Totaal aantal studenten met reisvoorziening (vanaf 2020 afgeronde raming)1
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Aantal gebruikers van het reisrecht

792.104

795.000

793.200

796.600

797.800

797.900

798.000

bol minderjarig

111.281

111.900

110.100

108.200

106.900

106.900

108.100

bol

216.548

215.600

213.800

216.900

218.300

218.900

219.600

ho

464.275

467.500

469.300

471.500

472.600

472.100

470.300

Aantal RBS

17.250

16.300

16.400

16.600

16.700

16.700

16.700

bol

2.605

2.400

2.400

2.500

2.500

2.500

2.500

ho

14.645

13.900

14.000

14.100

14.200

14.200

14.200

Totaal

809.354

811.300

809.600

813.200

814.500

814.600

814.700

1

Bron 2019: realisatiegegevens DUO; Bron 2020 - 2025: ramingsmodel SF

Toelichting

De reisvoorziening kan in twee vormen worden toegekend: een reisproduct op een persoonlijke ov-chipkaart (week- of weekendabonnement) of een financiële vergoeding voor studenten die studeren in het buitenland (reisvergoeding buitenland studerenden, RBS).

Voltijdstudenten in het ho kunnen gebruik maken van de reisvoorziening voor de duur van de nominale studie en één uitloopjaar. Studenten in de bol kunnen gebruik maken van de reisvoorziening voor de duur van de nominale studie en drie uitloopjaren. Sinds 1 januari 2017 hebben ook minderjarige studenten in de bol recht op de reisvoorziening.

De reisvoorziening is onderdeel van de prestatiebeurs voor studenten in de bol niveau 3 en 4 en voor studenten in het ho. Voor studenten in de bol niveau 1 en 2 wordt de reisvoorziening direct als gift verstrekt.

Tabel 55 Uitgaven reisvoorziening (bedragen x € 1.000)1
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Uitbetaalde reisvoorziening gift

89.552

92.148

93.227

95.533

97.598

99.832

102.452

bol

79.372

81.381

82.052

83.934

85.594

87.457

89.732

ho

10.179

10.767

11.175

11.600

12.004

12.375

12.720

Naar gift omgezette reisvoorziening prestatiebeurs

654.992

684.566

723.284

739.190

765.354

787.786

805.339

bol

184.301

218.557

255.845

269.320

282.229

289.065

294.076

ho

470.691

466.009

467.439

469.870

483.125

498.721

511.263

Bijdrage studerenden aan OV-contract

‒ 912.229

‒ 945.603

‒ 960.920

‒ 983.437

‒ 1.003.652

‒ 1.022.849

‒ 1.042.207

bol

‒ 378.130

‒ 387.505

‒ 390.818

‒ 400.241

‒ 408.439

‒ 417.371

‒ 428.105

ho

‒ 534.098

‒ 558.098

‒ 570.102

‒ 583.196

‒ 595.213

‒ 605.477

‒ 614.102

Kosten contract OV-bedrijven

957.731

861.308

171.702

1.002.089

1.022.799

1.043.114

1.062.298

Totaal reisvoorziening

790.046

692.420

27.293

853.376

882.099

907.884

927.882

1

Bron 2019: realisatiegegevens DUO; Bron 2020 - 2025: ramingsmodel SF

Toelichting

Bij de kosten contract OV-bedrijven zal in 2021 een veel lager bedrag uitgegeven worden dan in de andere jaren. Dit heeft te maken met verschillende kasschuiven ter hoogte van in totaal € 825,0 miljoen. Het betreft allereerst een kasschuif van € 425,0 miljoen van 2021 naar 2018. Daarnaast zijn er twee kasschuiven van € 200,0 miljoen van 2021 naar 2020. Contractueel is vastgelegd dat het Ministerie van OCW de vergoeding voor de OV-studentenkaart uiterlijk medio januari van het betreffende jaar aan de vervoerbedrijven betaalt. Door de betaling aan de vervoerbedrijven (gedeeltelijk) al aan het eind van het voorafgaande jaar in plaats van aan het begin van het betreffende jaar te doen, kan zonder af te wijken van de afspraken met de vervoerbedrijven een bijdrage worden geleverd aan de optimalisering van de kasritmes van de Staat over de jaren heen.

Overige uitgaven

De geraamde overige uitgaven omvatten voornamelijk technische posten, waaronder achterstallige rechten en boekingen tussen relevante en niet-relevante uitgaven en kwijtscheldingen. De totale kosten voor de tegemoetkoming studenten mbo en ho als gevolg van de coronamaatregelen zijn opgenomen onder de post overige uitgaven, hierdoor vallen 2020 en 2021 hoger uit.

Leningen

Onder de niet-relevante uitgaven vallen de uitgaven die niet relevant zijn voor het EMU-saldo, maar wel doorwerken op de EMU-schuld. Het betreft hier de prestatiebeurzen, de rentedragende leningen, het collegegeldkrediet en het leven lang leren krediet.

Basisbeurs

Studenten in de bol niveau 3 en 4 en in het ho hebben recht op een basisbeurs onder het prestatiebeursregime. Sinds het studiejaar 2015/2016 geldt voor nieuwe studenten in het hoger onderwijs het studievoorschot.

Tabel 56 Uitgaven basisbeurs prestatiebeurs (bedragen x € 1.000)1
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Uitbetaalde basisbeurs

287.270

261.773

251.768

250.942

250.383

248.201

248.858

bol

234.729

239.308

237.611

241.199

242.890

243.482

244.203

hbo

47.396

18.324

11.522

7.924

6.083

4.105

4.034

wo

5.145

4.141

2.635

1.819

1.410

614

621

Naar gift omgezette basisbeurs prestatiebeurs

‒ 1.016.143

‒ 771.969

‒ 510.926

‒ 328.042

‒ 283.178

‒ 275.195

‒ 267.398

bol

‒ 223.110

‒ 210.287

‒ 206.750

‒ 203.485

‒ 209.509

‒ 211.226

‒ 213.229

hbo

‒ 508.966

‒ 302.705

‒ 186.327

‒ 56.245

‒ 38.533

‒ 33.683

‒ 28.783

wo

‒ 284.067

‒ 258.977

‒ 117.849

‒ 68.312

‒ 35.136

‒ 30.286

‒ 25.386

Naar lening omgezette basisbeurs prestatiebeurs

‒ 31.759

‒ 112.070

‒ 109.760

‒ 125.440

‒ 141.120

‒ 156.800

‒ 156.800

bol

‒ 3.348

‒ 9.148

‒ 8.960

‒ 10.240

‒ 11.520

‒ 12.800

‒ 12.800

hbo

‒ 15.119

‒ 71.473

‒ 70.000

‒ 80.000

‒ 90.000

‒ 100.000

‒ 100.000

wo

‒ 13.292

‒ 31.449

‒ 30.800

‒ 35.200

‒ 39.600

‒ 44.000

‒ 44.000

Totaal

‒ 760.632

‒ 622.265

‒ 368.918

‒ 202.540

‒ 173.915

‒ 183.794

‒ 175.340

1

Bron 2019: realisatiegegevens DUO; Bron 2020 - 2025: ramingsmodel SF

Toelichting

In tabel 56 worden de geraamde niet-relevante uitgaven voor de basisbeurs gepresenteerd. Als gevolg van de invoering van het studievoorschot daalde het aantal toekenningen in het hbo en wo vanaf 2015. Met de invoering van het Programma Vernieuwing Studiefinanciering (PVS) vindt de omzetting van prestatiebeurs naar lening op een later moment plaats. Voorheen werd een prestatiebeurs naar lening omgezet als een student gestopt was met de studie. Nu wordt een prestatiebeurs naar lening omgezet als een student uit de diplomatermijn van 10 jaar loopt, zodat er later bij het behalen van een diploma niet alsnog hoeft te worden omgezet en moet worden verrekend met eventueel betaalde termijnen. Dit zorgt ervoor dat er een oplopende trend zit in de omzettingen van prestatiebeurs naar lening, die ook terug te zien is bij de aanvullende beurs en de reisvoorziening.

Aanvullende beurs

Studenten in de bol niveau 3 en 4 en het ho met recht op aanvullende beurs vallen onder het prestatiebeursregime. De eerste 5 maanden krijgen de studenten in het ho de aanvullende beurs als gift uitgekeerd. Studenten in de bol niveau 3 en 4 krijgen de eerste 12 maanden de aanvullende beurs als gift uitgekeerd. Na deze periode wordt de aanvullende beurs uitgekeerd onder het prestatiebeursregime.

Tabel 57 Uitgaven aanvullende beurs prestatiebeurs (bedragen x € 1.000)1
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Uitbetaalde aanvullende beurs

538.180

552.477

551.757

554.449

554.781

553.173

550.267

bol

160.014

160.299

159.220

161.620

162.726

163.191

163.700

hbo

276.478

284.838

282.620

280.460

277.586

273.730

269.003

wo

101.688

107.340

109.917

112.369

114.469

116.252

117.564

Naar gift omgezette aanvullende beurs prestatiebeurs

‒ 382.581

‒ 406.736

‒ 427.791

‒ 445.459

‒ 457.351

‒ 467.733

‒ 472.005

bol

‒ 151.285

‒ 141.357

‒ 141.155

‒ 139.482

‒ 137.735

‒ 138.360

‒ 138.331

hbo

‒ 167.652

‒ 193.802

‒ 209.834

‒ 224.404

‒ 235.286

‒ 242.711

‒ 245.127

wo

‒ 63.644

‒ 71.577

‒ 76.802

‒ 81.573

‒ 84.330

‒ 86.662

‒ 88.547

Naar lening omgezette aanvullende beurs prestatiebeurs

‒ 10.653

‒ 35.497

‒ 34.600

‒ 39.400

‒ 44.200

‒ 49.000

‒ 49.000

bol

‒ 2.058

‒ 14.494

‒ 14.168

‒ 16.168

‒ 18.168

‒ 20.168

‒ 20.168

hbo

‒ 4.536

‒ 15.303

‒ 14.847

‒ 16.847

‒ 18.847

‒ 20.847

‒ 20.847

wo

‒ 4.059

‒ 5.700

‒ 5.585

‒ 6.385

‒ 7.185

‒ 7.985

‒ 7.985

Totaal

144.946

110.244

89.366

69.590

53.230

36.440

29.262

1

Bron 2019: realisatiegegevens DUO; Bron 2020 - 2025: ramingsmodel SF

Toelichting

In tabel 57 worden de geraamde niet-relevante uitgaven voor de aanvullende beurs gepresenteerd. Het verloop van deze uitgaven is voor een groot deel afhankelijk van de prijsontwikkeling. Daarnaast is de ontwikkeling in het aantal studenten met minder draagkrachtige ouders en de deelname aan het onderwijs hier van invloed, en spelen exogene factoren een rol, zoals de ontwikkeling van de conjunctuur en de daarmee samenhangende inkomensontwikkeling.

Reisvoorziening

Tabel 58 Uitgaven reisvoorziening prestatiebeurs (bedragen x € 1.000)1
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Uitbetaalde reisvoorziening

843.509

854.874

869.144

889.396

907.583

924.578

941.347

bol

302.056

306.576

309.223

316.779

323.327

330.407

338.876

ho

541.453

548.298

559.921

572.617

584.256

594.171

602.471

Naar gift omgezette reisvoorziening prestatiebeurs

‒ 654.992

‒ 684.566

‒ 723.284

‒ 739.190

‒ 765.354

‒ 787.786

‒ 805.339

bol

‒ 184.301

‒ 218.557

‒ 255.845

‒ 269.320

‒ 282.229

‒ 289.065

‒ 294.076

ho

‒ 470.691

‒ 466.009

‒ 467.439

‒ 469.870

‒ 483.125

‒ 498.721

‒ 511.263

Naar lening omgezette reisvoorziening prestatiebeurs

‒ 13.042

‒ 39.309

‒ 38.500

‒ 44.000

‒ 49.500

‒ 55.000

‒ 55.000

bol

‒ 1.514

‒ 3.573

‒ 3.500

‒ 4.000

‒ 4.500

‒ 5.000

‒ 5.000

ho

‒ 11.527

‒ 35.736

‒ 35.000

‒ 40.000

‒ 45.000

‒ 50.000

‒ 50.000

Totaal reisvoorziening

175.475

130.999

107.360

106.206

92.729

81.792

81.008

1

Bron 2019: realisatiegegevens DUO; Bron 2020 - 2025: ramingsmodel SF

Toelichting

In tabel 58 worden de geraamde niet-relevante uitgaven voor de reisvoorziening gepresenteerd.

Tabel 59 Niet-relevante uitgaven leenfaciliteit (bedragen x € 1.000)1
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Rentedragende lening

2.587.047

2.791.035

2.807.246

2.852.458

2.906.292

2.950.910

2.962.331

Collegegeldkrediet

332.520

327.402

333.365

339.584

345.062

349.410

352.747

Leven lang leren krediet

27.108

36.653

42.771

44.808

46.843

48.876

50.909

Totaal

2.946.677

3.155.090

3.183.382

3.236.848

3.298.197

3.349.196

3.365.989

1

Bron 2019: realisatiegegevens DUO; Bron 2020 - 2025: ramingsmodel SF

Toelichting

Het totale bedrag dat wordt geleend stijgt jaarlijks vanwege onder andere hogere studentenaantallen en hogere gerealiseerde leningen. Het collegegeldkrediet loopt in 2020 iets terug vanwege de wetsaanpassing collegegeld halvering. Het maximaal aan te vragen collegegeldkrediet voor eerstejaarsstudenten is per collegejaar 2020-2021 ook gehalveerd.

Bijdrage aan agentschappen

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

Ontvangsten

Leningen worden terugbetaald naar draagkracht. Wie gelet op zijn of haar inkomen niet kan terugbetalen, hoeft niet of minder terug te betalen. Voor wie bewust leent, is de studielening hiermee een veilig instrument voor de financiering van onderwijs.

Tabel 60 Relevante ontvangsten (bedragen x € 1.000)1
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Ontvangen rente

76.887

59.204

68.453

75.391

80.480

93.486

107.515

Overige ontvangsten

42.303

36.501

30.429

24.360

22.315

22.273

22.134

Renteloos voorschot en relevante

1.212

1.155

1.083

1.014

969

927

788

rentedragende lening

Kortlopende vorderingen

41.091

35.346

29.346

23.346

21.346

21.346

21.346

Totaal relevante ontvangsten

119.190

95.705

98.882

99.751

102.795

115.759

129.649

1

Bron 2019: realisatiegegevens DUO; Bron 2020 - 2025: ramingsmodel SF

Toelichting

De relevante ontvangsten bestaan uit verschillende posten, waarvan de ontvangen rente de grootste is. De overige relevante ontvangsten bestaan voor het grootste deel uit kortlopende vorderingen, die ontstaan doordat onterecht ontvangen studiefinanciering wordt teruggevorderd. De relevante rentedragende lening betreft leningen van vóór 1992; het renteloze voorschot betreft voornamelijk studieleningen die zijn verstrekt vóór 1986 en waarover geen rente verschuldigd is.

De niet-relevante ontvangsten ontstaan door terugbetaling van de hoofdsom op studieleningen. De ontvangsten nemen de komende jaren toe, omdat er in eerdere jaren meer is geleend.

Licence