Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

Artikel 7 Kinderopvang

De overheid biedt financiële ondersteuning aan werkende ouders voor kinderopvang en bevordert de kwaliteit van kinderopvang.

De overheid hecht aan goede, veilige en financieel toegankelijke kinderopvang, zodat ouders arbeid en zorg kunnen combineren. Voor de bevordering van de arbeidsparticipatie is het belangrijk dat ouders van jonge kinderen actief blijven op de arbeidsmarkt. Bovendien zorgt goede kinderopvang er ook voor dat kinderen worden gestimuleerd in hun ontwikkeling. De kinderopvangtoeslag houdt formele kinderopvang betaalbaar voor ouders. Om de kwaliteit van kinderopvang te bevorderen heeft de overheid in de Wet kinderopvang (Wko) vastgesteld aan welke eisen de kinderopvangvoorzieningen moeten voldoen. De GGD houdt hier, in opdracht van gemeenten, toezicht op. Daarnaast steunt de Minister via subsidies projecten die de (informatie)positie van ouders versterken. Dit om te zorgen dat ouders hun kind naar een kinderopvangvoorziening kunnen brengen die veilig en van goede kwaliteit is. De kinderopvangondernemers zijn verantwoordelijk voor het goed functioneren van de kinderopvang. Gastouderbureaus en gastouders zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van gastouderopvang. Ouders hebben een eigen verantwoordelijkheid bij de keuze voor een kinderopvangvoorziening en kunnen hun invloed onder andere via de oudercommissies uitoefenen.

De Minister regisseert met wet- en regelgeving het stelsel, financiert met de kinderopvangtoeslag (KOT) het gebruik van kinderopvang en stimuleert met subsidies de (informatie)positie van ouders. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • het vaststellen van de hoogte van de kinderopvangtoeslag en de voorwaarden waaronder deze wordt toegekend;

  • het ter beschikking stellen van middelen aan gemeenten via het Gemeentefonds ter financiering van toezicht en handhaving op de kinderopvang;

  • het borgen van de kwaliteit van toezicht en handhaving;

  • het verstrekken van middelen ten behoeve van de kinderopvang en voor- en naschoolse voorzieningen in Caribisch Nederland in het kader van het programma BES(t) 4 kids;

  • het bevorderen van de kwaliteit en veiligheid van de kinderopvang.

De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering van de KOT door het directoraat-generaal Toeslagen.

Verzamelwet kinderopvang

Het kabinet gaat de Wet kinderopvang op enkele punten aanpassen. Zo wordt het recht op kinderopvangtoeslag uitgebreid voor huishoudens waarin de ene partner werkt en de andere partner een permanente Wlz-indicatie heeft. De reden hiervoor is dat deze partner niet kan werken en vaak – vanwege de eigen zorgbehoefte – ook niet in staat is om voor de kinderen te zorgen. Daarnaast wordt de werkloosheidstermijn van de kinderopvangtoeslag voor zwangere vrouwen verlengd. Als de vrouw werkloos raakt rondom de uitgerekende datum van bevalling, houdt het huishouden langer recht op kinderopvangtoeslag. De beoogde inwerkingtredingsdatum is 1 januari 2021.

Proportioneel vaststellen

Voorheen hadden ouders geen recht op kinderopvangtoeslag als zij niet de volledige eigen bijdrage hadden betaald. Met het wetsvoorstel Proportioneel vaststellen van de kinderopvangtoeslag wordt in 2021 geregeld dat een ouder voortaan recht heeft op kinderopvangtoeslag naar rato van het bedrag aan kosten dat de ouder tijdig heeft betaald aan de kinderopvangorganisatie. Er wordt reeds uitvoering gegeven aan proportioneel vaststellen door Toeslagen. Hiervoor is eind vorig jaar een Verzamelbesluit Toeslagen geslagen, met terugwerkende kracht naar 23 oktober 2019 (Stcrt. 2019, 70486). Met het wetsvoorstel wordt proportioneel vaststellen van de kinderopvangtoeslag ook expliciet in de Wet kinderopvang geregeld.

Indexeren inkomensgrenzen kinderopvangtoeslag

De toetsingsinkomens van de inkomensgroepen worden in 2021 eenmalig met 0,60%-punt minder geïndexeerd dan bij volledige indexering het geval zou zijn geweest (Kamerstukken II 2019/20, 31 322, nr. 412). Deze indexering leidt tot een beperkte besparing op de kinderopvangtoeslag. Hiermee kunnen enkele maatregelen die het huidige toeslagenstelsel verbeteren worden gedekt. Deze maatregelen zijn in de kabinetsreactie op het advies van de Commissie Uitvoering Toeslagen (onder leiding van mr. J.P.H. Donner) en in de kabinetsreactie op het IBO Toeslagen aangekondigd (Kamerstukken II 2019/20, 31 066, nr. 613 en Kamerstukken II 2019/20, 31 066, nr. 624). Het gaat daarbij bijvoorbeeld om het uitbreiden van de hardheidsclausule in de Awir en het verhogen van het drempelbedrag voor kleine nabetalingen en terugvorderingen.

Verbeteringen kinderopvangtoeslag

Het kabinet wil grote geldschulden, mede door terugvorderingen bij de kinderopvangtoeslag, voorkomen en voert daarom verbeteringen door binnen het huidige stelsel van de kinderopvangtoeslag. In het verbetertraject kinderopvangtoeslag werken het ministerie van SZW en de Belastingdienst gezamenlijk aan dit pakket van maatregelen (Kamerstukken II 2019/20, 31 322 nr. 406, Kamerstukken II 2019/20, 31 322 nr. 414). Het terugdringen van het aantal terugvorderingen door het verbeteren van de dienstverlening richting ouders staat hierbij hoog in het vaandel. Hiervoor is in 2020 onder andere gestart met maandelijkse gegevenslevering door kinderopvangorganisaties aan Toeslagen. Vanaf 2021 worden ouders ook door Toeslagen geïnformeerd als er verschillen zijn geconstateerd met de gegevens op basis waarvan ouders maandelijks toeslag ontvangen. Daarnaast zal het kabinet blijvend kijken naar aanvullende maatregelen om de kinderopvangtoeslag toegankelijker en begrijpelijker te maken, met als doel om hoge terugvorderingen terug te dringen.

Naast het verbetertraject kinderopvangtoeslag worden naar aanleiding van de kabinetsreacties op de Interdepartementale Beleidsonderzoeken (IBO) Deeltijdwerk en Toeslagen door middel van een Scenariostudie Vormgeving Kindervoorzieningen diverse scenario's uitgewerkt voor het vormgeven van een toekomstig stelsel van kindvoorzieningen. Daarbij wordt ook gekeken naar alternatieven voor kinderopvangtoeslag.

Verruiming koppeling gewerkte uren

Het kabinet gaat de koppeling gewerkte uren (KGU) verruimen voor de BSO. Ouders hebben voor de BSO recht op kinderopvangtoeslag voor maximaal 70% van het aantal gewerkte uren van de minst werkende partner. Dit percentage is lager dan voor de dagopvang (140%), omdat ervan uitgegaan wordt dat de gewerkte uren deels samenvallen met de schooluren. Dat is niet altijd het geval, bijvoorbeeld bij ouders die in de avond/nacht of het weekend werken. Om dit knelpunt weg te nemen zal het kabinet daarom per 2022 de KGU voor de BSO op gelijke hoogte brengen met de KGU voor dagopvang. De verwachte extra structurele uitgaven van € 20 miljoen worden gedekt met een maatregel binnen de kinderopvangtoeslag.

Ouderparticipatiecrèches

Met het wetsvoorstel worden ouderparticipatiecrèches (opc’s) geformaliseerd waarmee een afspraak in het regeerakkoord wordt nagekomen (Kamerstukken II 2017/18, 34 700, nr. 34). Opc’s worden als kindercentrum onder de Wet kinderopvang (Wko) gebracht. Twee kwaliteitseisen – de opleidingseis voor beroepskrachten en het vastegezichtencriterium ‑ uit de Wko zullen voor opc’s niet gelden. Daarvoor in de plaats moeten de opc’s aan alternatieve kwaliteitseisen voldoen. De inwerkingtreding staat gepland voor 1 juli 2021.

Verbetering kwaliteit en toegankelijkheid van kinderopvang in Caribisch Nederland

In het voorjaar van 2021 zal het wetsvoorstel Kinderopvang Caribisch Nederland aan de Tweede Kamer worden aangeboden. Met de wetgeving wordt in samenwerking met alle partijen een stelsel voor kwalitatief goede, veilige, betaalbare kinderopvang en buitenschoolse voorzieningen in Caribisch Nederland structureel verankerd. In 2021 zal, voorafgaand aan de invoering van de wet in 2022, een aantal voorbereidende activiteiten worden uitgevoerd. In samenwerking met de Openbare Lichamen zal de uitvoeringsorganisatie worden ingericht. Ook zal het programma BES(t) 4 kids worden voortgezet. Het betreft onder andere het aanbieden van opleidingen aan personeel, verbeteren van de arbeidsvoorwaarden in de kinderopvang en het verstrekken van zogenaamde kindplaatssubsidies aan ouders waarvoor de kinderopvang te duur is.

Tabel 70 Tabel Budgettaire gevolgen van beleid artikel 7 (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

3.366.289

3.898.110

3.550.009

3.538.760

3.537.286

3.572.182

3.632.239

        

Uitgaven

3.366.184

3.898.110

3.550.009

3.538.760

3.537.286

3.572.182

3.632.239

waarvan juridisch verplicht

  

99,1%

    
        

Inkomensoverdrachten

3.353.362

3.871.531

3.515.295

3.514.630

3.517.156

3.551.332

3.612.420

Kinderopvangtoeslag

3.353.362

3.543.961

3.513.295

3.514.630

3.517.156

3.551.332

3.612.420

Tegemoetkomingsregeling eigen bijdrage

0

327.570

2.000

0

0

0

0

Subsidies (regelingen)

1.697

2.084

2.050

2.050

2.050

2.800

2.800

Kinderopvang

1.693

1.884

1.850

1.850

1.850

2.600

2.600

Subsidies Caribisch Nederland

0

200

200

200

200

200

200

Versterking vaardigheden

4

0

0

0

0

0

0

Opdrachten

3.493

6.732

22.803

13.703

9.703

9.703

9.703

Opdrachten Caribisch Nederland

67

2.213

18.227

9.127

5.127

5.127

5.127

Overige opdrachten

3.426

4.519

4.576

4.576

4.576

4.576

4.576

Bijdrage aan agentschappen

7.632

9.849

9.861

8.377

8.377

8.347

7.316

DUO

7.631

9.849

9.861

8.377

8.377

8.347

7.316

Justis

1

0

0

0

0

0

0

Bijdrage aan medeoverheden

0

7.914

0

0

0

0

0

Versterking Kinderopvang Samenwerking BES(t) 4 kids CN

0

7.914

0

0

0

0

0

        

Ontvangsten

1.522.517

1.523.268

1.546.276

1.556.470

1.569.913

1.585.622

1.601.069

Werkgeversbijdrage kinderopvang

1.257.158

1.280.298

1.279.633

1.285.965

1.300.641

1.314.760

1.327.653

Ontvangsten overig

265.359

242.970

266.643

270.505

269.272

270.862

273.416

Budgetflexibiliteit

Inkomensoverdrachten:

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en daarom voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten kinderopvangtoeslag.

Subsidies:

De subsidies zijn voor 51% juridisch verplicht. Het gaat daarbij hoofdzakelijk om subsidies gericht op de bevordering van de kwaliteit van kinderopvang, de versterking van de positie van ouders, op het toezicht en de sectorondersteuning in het kader van de Wet Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang (IKK), en voor een arbeidsmarktcampagne.

Opdrachten:

De opdrachten zijn voor 10% juridisch verplicht. De juridisch verplichte uitgaven betreffen onder andere kosten voor toezicht en onderzoek.

Bijdrage aan agentschappen:

De bijdrage aan agentschappen is nog niet juridisch verplicht maar wel bestuurlijk gebonden. Het betreft middelen voor DUO voor het beheer, onderhoud en ontwikkeling van het Landelijk Register Kinderopvang (LRK), het Personenregister Kinderopvang (PRK) en het Register Buitenlandse Kinderopvang (RBK).

Inkomensoverdrachten

Kinderopvangtoeslag (KOT)

Ouders die betaalde arbeid verrichten en ouders die tot een doelgroep behoren zoals omschreven in de Wko, ontvangen een inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van kinderopvang: de kinderopvangtoeslag. Hierbij geldt de voorwaarde dat zij hun kinderen naar een kinderopvanginstelling of gastouder brengen die voldoet aan de eisen van de Wko en daarom geregistreerd is in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK). De KOT wordt uitgevoerd door het directoraat-generaal Toeslagen van het Ministerie van Financiën. DUO verzorgt de inschrijving in het register buitenlandse kinderopvang en de SVB is verantwoordelijk voor de uitbetaling van de aanvulling op de KOT in het buitenland.

Wie komt er voor in aanmerking?

  • Ouders die arbeid en zorg voor kinderen combineren en beide werken (werknemers en zelfstandigen);

  • Alleenstaande ouders die arbeid en zorg voor kinderen combineren (werknemers en zelfstandigen);

  • Doelgroepouders, bijvoorbeeld ouders die studeren of deelnemen aan een traject om weer aan het werk te komen.

Hoe hoog is de kinderopvangtoeslag?

De hoogte van de kinderopvangtoeslag is van een aantal aspecten afhankelijk:

  • Hoogte van het toetsingsinkomen van de ouder(s);

  • Hoogte van de betaalde uurprijs, tot aan de maximum uurprijs;

  • De opvangsoort: dagopvang, buitenschoolse opvang en gastouderopvang kennen een verschillende maximum uurprijs waarvoor ouders een toeslag kunnen ontvangen;

  • Het kind waar de opvang betrekking op heeft: voor het eerste kind geldt een andere toeslag dan voor tweede en volgende kinderen;

  • Het aantal gewerkte uren door de ouder die de minste uren per jaar werkt dan wel de periode waarin een traject naar werk gevolgd wordt;

  • Het aantal uren dat gebruik wordt gemaakt van een kinderopvangvoorziening.

Budgettaire ontwikkelingen

Het gebruik van kinderopvang (en daarmee ook de uitgaven) neemt in 2021 naar verwachting af als gevolg van de verslechtering van de conjunctuur wegens de coronacrisis. In latere jaren trekt de conjunctuur naar verwachting weer geleidelijk aan. Hierdoor nemen het gebruik en de uitgaven kinderopvangtoeslag vanaf 2022 meerjarig toe.

In de meerjarenraming wordt rekening gehouden met de invoering van het betaald ouderschapsverlof in 2022 (zie ook Beleidswijzigingen artikel 6). Dit heeft een beperkt neerwaarts effect op het gebruik van kinderopvang, en daarmee ook de uitgaven kinderopvangtoeslag.

Beleidsrelevante kerncijfers

In 2019 en de eerste maanden van 2020 is het gebruik van kinderopvang verder gestegen. Door de verslechtering van de conjunctuur wegens de coronacrisis slaat deze stijging naar verwachting om in een daling. Gerekend over het hele jaar neemt het aantal kinderen dat naar de opvang gaat in 2020 nog toe ten opzichte van 2019, met name bij de buitenschoolse opvang. In 2021 neemt dit aantal af als gevolg van genoemde conjunctuurverslechtering.

Het aantal uren per kind stijgt in 2020 bij zowel de dagopvang als de buitenschoolse opvang en blijft vervolgens vrijwel stabiel in 2021.

Tabel 71 Kerncijfers gebruik kinderopvang (jaargemiddelden)
 

Realisatie 20191

Raming 2020

Raming 2021

Aantal huishoudens dat gebruik maakt van kinderopvangtoeslag (x 1.000)

553

562

554

    

Aantal kinderen met kinderopvangtoeslag (x 1.000)

   

0-12 jaar

827

840

828

0-4 jaar (dagopvang)

391

394

387

4-12 jaar (buitenschoolse opvang)

436

446

441

    

Deelname kinderen met kinderopvangtoeslag (%)

   

0-12 jaar

38

39

38

0-4 jaar (dagopvang)

57

57

56

4-12 jaar (buitenschoolse opvang)

30

30

30

    

Aantal uren per kind per maand

   

0-12 jaar

59,2

60,0

59,9

0-4 jaar (dagopvang)

82,6

84,3

84,2

4-12 jaar (buitenschoolse opvang)

38,1

38,6

38,5

    

Gebruik kinderopvangtoeslag naar verzamelinkomen (aantal kinderen met kinderopvangtoeslag x 1.000)

   

Tot 130% Wml

75

74

73

130% Wml tot 1 1/2 x modaal

182

184

181

1 1/2 x modaal tot 3 x modaal

440

449

444

3 x modaal en hoger

130

132

130

    

Aantal uren per kind met kinderopvangtoeslag

   

Tot 130% Wml

77

79

79

130% Wml tot 1 1/2 x modaal

57

57

57

1 1/2 x modaal tot 3 x modaal

55

56

56

3 x modaal en hoger

65

65

65

Bron: SZW-berekeningen op basis van informatie van CBS (bevolkingsprognose voor berekening deelname) en Toeslagen.

1

De realisatiecijfers van 2019 zijn gebaseerd op de opgaven van aanvragers die nog kunnen wijzigen als gevolg van het definitief vaststellen van inkomen en gebruik.

Tabel 72 Kerncijfers kinderopvang bijdragen sectoren en ouders
 

Realisatie 20191

Raming 2020

Raming 2021

Bijdragen sectoren (in %)

   

Collectief

72

72

72

 

waarvan Overheid

43

44

44

 

waarvan Werkgevers

29

28

28

Ouders

28

28

28

    

Wettelijke maximum uurprijs (in €)2

   

Dagopvang

8,02

8,17

8,46

Buitenschoolse opvang

6,89

7,02

7,27

Gastouderopvang

6,15

6,27

6,49

    

Gemiddelde tarieven van kinderopvanginstellingen (in €)3

   

Dagopvang

7,95

8,22

8,51

Buitenschoolse opvang

7,32

7,46

7,72

Gastouderopvang

6,09

6,22

6,44

    

Ouderbijdrage eerste kind in € per uur voor gezinsinkomen4

   

130% Wml

0,35

0,36

0,37

1 1/2 x modaal

1,60

1,63

1,68

3 x modaal

4,70

4,79

4,96

    

Ouderbijdrage volgend kind in € per uur voor gezinsinkomen4

   

130% Wml

0,34

0,35

0,36

1 1/2 x modaal

0,47

0,47

0,49

3 x modaal

1,19

1,22

1,26

Bron: SZW-berekeningen op basis van informatie van Toeslagen.

1

De realisatiecijfers van 2019 zijn gebaseerd op de opgaven van aanvragers die nog kunnen wijzigen als gevolg van het definitief vaststellen van inkomen en gebruik.

2

De maximum uurprijzen betreffen de vastgestelde maximum uurprijzen (en niet een raming).

3

De raming is opgesteld in prijzen 2020. Echter, het geraamde gemiddelde tarief 2021 is, evenals de wettelijke maximumuurprijs 2021 weergegeven op prijsniveau 2021. De cijfers over de gemiddelde uurprijs zijn gebaseerd op de uurprijzen die de ouders aan Toeslagen doorgeven. Het betreft de gemiddelde uurprijzen, waarbij gewogen is naar gebruik. Ter illustratie: de uurprijs van gebruikers die 60 opvanguren afnemen weegt drie keer zo zwaar mee bij bepaling van het gemiddelde als de uurprijs van gebruikers die 20 opvanguren afnemen.

4

Kosten van kinderopvang per uur voor ouders, gebaseerd op de maximum uurprijzen en de toeslag die ouders ontvangen.

Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO

In 2020 is een vergoeding verstrekt aan ouders met kinderopvangtoeslag die in de periode waarin kinderopvang wegens de kabinetsmaatregelen rondom corona gesloten was, hun eigen bijdrage hebben doorbetaald. De vergoeding heeft betrekking op de periode 16 maart tot en met 7 juni 2020 en wordt uitgekeerd door de SVB.

De tijdelijke regeling gaat in 2020 naar verwachting gepaard met € 328 miljoen aan uitgaven. Als gevolg van afhandeling van bezwaar en beroep zijn er ook in 2021 nog beperkte uitgaven.

Subsidies

Voor 2021 is € 2,1 miljoen beschikbaar voor subsidies. Het betreft subsidies voor projecten gericht op verbetering van de kwaliteit van kinderopvang, ondersteuning van de ouders en ondersteuning van de sector. Er wordt een bijdrage verleend aan de campagne ter bevordering van de beroepstrots van kinderopvangmedewerkers en het versterken van de beeldvorming over het werken in de kinderopvang. Ook wordt een bijdrage verleend in het kader van de professionalisering van de sector (Expertisecentrum Kinderopvang) en het inzicht verschaffen in de kostprijs van kinderopvang.

Opdrachten

Voor 2021 is € 22,8 miljoen beschikbaar voor opdrachten. Het budget voor opdrachten wordt onder andere besteed aan de kosten voor toezicht door de GGD GHOR en diverse onderzoeksprojecten.

Daarnaast wordt het opdrachtenbudget ingezet voor het verstrekken van middelen voor kinderopvang en voor- en naschoolse opvang in Caribisch Nederland in het kader van het programma BES(t) 4 kids. In het kader van artikel 92 lid 2 sub c Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba worden middelen aan de openbare lichamen verstrekt. Met deze bijzondere uitkering kunnen de openbare lichamen op de eilanden de activiteiten van het programma BES(t) 4 kids financieren. Bonaire ontvangt in 2021 maximaal € 10,7 miljoen, Sint Eustatius maximaal € 3,7 miljoen en Saba maximaal € 2,3 miljoen.

Bijdrage aan agentschappen

Voor 2021 is € 9,9 miljoen beschikbaar voor de bijdragen aan agentschappen. Het betreft voornamelijk middelen gereserveerd voor de kosten voor DUO voor het beheer van het Landelijk Register Kinderopvang en het Personenregister Kinderopvang.

Ontvangsten

De ontvangsten zijn opgebouwd uit twee componenten: de werkgeversbijdrage kinderopvang en de ontvangsten overig.

De werkgeversbijdrage kinderopvang betreft een vast percentage (0,5%) van de geraamde totale loonsom. In 2021 liggen loonsom en werkgeversbijdrage kinderopvang op het niveau van 2020. In latere jaren neemt de loonsom licht toe en daarmee ook de werkgeversbijdrage kinderopvang.

De ontvangsten overig betreffen grotendeels ontvangsten uit terugvorderingen van kinderopvangtoeslag over eerdere jaren. Door de stijging van de uitgaven in eerdere jaren nemen de ontvangsten in 2021 nog toe. Daarnaast zijn er in 2021 hogere ontvangsten vanwege het hervatten van de dwanginvorderingen, die in 2020 tijdelijk waren opgeschort wegens de coronacrisis.

Het aantal gewerkte uren per week is bij zowel vrouwen in het algemeen als bij moeders met jonge kinderen toegenomen.

Tabel 73 Ontwikkeling in gewerkte uren van vrouwen en moeders met jonge kinderen (gemiddelde binnen de groep vrouwen met een baan van meer dan 1 uur, jaarcijfers)
 

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Vrouwen 15 tot 75 jaar

 

25,9

26,1

26,3

Moeders met jonge kinderen (0-11 jaar)

 

26,4

26,6

26,8

Bron: CBS, Enquête Beroepsbevolking (EBB).

De netto arbeidsparticipatie van ouders is in 2018 en 2019 in alle categorieën gestegen.

Tabel 74 Netto arbeidsparticipatie (%)
 

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Totaal mannen en vrouwen 15 tot 75 jaar

66,7

67,8

68,8

    

Moeders (lid van ouderpaar)

78,5

79,0

80,4

Vaders (lid van ouderpaar)

91,2

91,7

92,1

    

Alleenstaande moeders

63,1

65,9

66,2

Alleenstaande vaders

73,8

76,6

80,4

    

Moeders met jonge kinderen (0-11)

77,2

77,8

79,4

Vaders met jonge kinderen (0-11)

93,5

94,0

94,2

Bron: CBS, Enquête Beroepsbevolking (EBB).

Licence