Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

Beleidsartikel 4 Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

De doelstelling bij artikel 4 is om in het kader van het klimaatbeleid in internationaal verband bij te dragen aan het realiseren van de doelen van de klimaatovereenkomst van Parijs en, in Europees verband, het realiseren van een netto-reductie van broeikasgassen in 2030 van ten minste 55% ten opzichte van 1990 en klimaatneutraliteit in 2050.

Nationaal worden de doelen uit de Klimaatwet nagestreefd:

  • een reductie van de emissies van broeikasgassen van 49% in 2030 ten opzichte van 1990

  • een reductie van de emissies van broeikasgassen met 95% in 2050 ten opzichte van 1990

  • een volledige CO2-neutrale elektriciteitsproductie in 2050.

Figuur 9 Uitstoot broeikasgassen Nederland in mld CO2-equivalenten

Bron CBS. De cijfers voor 2020 zijn voorlopige cijfers.

In het kader van het energiebeleid werken we toe naar een CO2-arme energievoorziening die veilig, betrouwbaar en betaalbaar is, op zodanige wijze dat economische kansen worden verzilverd en energie in het ruimtelijk beleid is geïntegreerd. De belangrijkste maatschappelijke uitdagingen waarop gefocust wordt zijn de klimaat- en energietransitie en de goede technische en veilige invulling van de afbouw van de winning uit het Groningenveld.

Volgens de Klimaatwet moet het kabinet elke vijf jaar een Klimaatplan vaststellen waarin staat op welke manier de gestelde doelen worden gerealiseerd. Uitvoering van de afspraken uit het Klimaatakkoord is hier onderdeel van. De maatregelen die het kabinet neemt vormen een samenhangend pakket dat door verschillende partijen in verschillende sectoren wordt uitgevoerd. De maatregelen zijn er onder andere op gericht om CO2-reducerende technieken verder uit te rollen en rendabel te maken, knelpunten die een transitie naar een CO2-arme economie in de weg staan op te lossen en regionale en lokale samenwerking en participatie rond de transitie te versterken. Voor de kortere termijn stuurt het kabinet daarnaast nog op het realiseren van de doelstelling van 16% duurzame energie in 2023, die nog voortvloeit uit het Energieakkoord.

Om deze doelstellingen te bereiken zet EZK een mix van normerende en beprijzingsinstrumenten en subsidies in, maar ook niet-financiële instrumenten zoals het transitiegericht maken van energieregelgeving om de werking van de energiemarkt te verbeteren.

Om uitvoering te geven aan het Urgendavonnis moet Nederland in 2020 en de jaren daarna de CO2-uitstoot met minimaal 25% reduceren ten opzichte van 1990. Hiertoe heeft het kabinet de afgelopen jaren op verschillende momenten maatregelen aangekondigd.

De doelstelling voor het aandeel hernieuwbare energie van 14% is in Nederland in 2020 niet gehaald met alleen binnenlandse productie. Het kabinet blijft maximaal inzetten op een groter nationaal aandeel hernieuwbare energie om zo de doelstelling van 16% voor 2023 te behalen.

In oktober 2020 presenteerde het kabinet de eerste Klimaatnota met daarin een appreciatie van de voortgang van het klimaatbeleid en de prioriteiten voor het aankomende jaar. Deze kabinetsappreciatie is gebaseerd op de Klimaat- en Energieverkenning 2020 van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en de Monitor Klimaatbeleid. In oktober 2021 publiceert het kabinet de volgende Klimaatnota. De verhoging van de Europese ambitie voor 2030 van ten minste 40% reductie van broeikasgassen ten opzichte van 1990 naar netto tenminste 55%, zal ook effect hebben op de klimaatopgave in Nederland. Het kabinet heeft de Studiegroep Invulling Klimaatopgave Green Deal gevraagd de gevolgen van de Europese ophoging voor Nederland in kaart te brengen, zodat een volgend kabinet dit kan gebruiken voor het vaststellen van aanvullende klimaatafspraken.

De Minister van EZK is op basis van de Klimaatwet verantwoordelijk voor het nationale klimaatbeleid en de inhoudelijke lijn voor de nationale inbreng in de ontwikkeling van het Europese en het mondiale klimaatbeleid.

De Minister van EZK is verder op grond van de Elektriciteitswet 1998, de Gaswet, de Warmtewet en de Mijnbouwwet verantwoordelijk voor het energiebeleid. Hieruit vloeien de volgende verantwoordelijkheden voort.

Klimaatbeleid

Regisseren

  • Regisseren van het nationale klimaatbeleid op basis van de nationale doelen en de werkwijze zoals deze is vastgelegd in de Klimaatwet, met het oog op het door Nederland nakomen van de (onder andere) in United Nations Framework Convention on Climate Change (UNFCCC) en EU-verband gemaakte afspraken over het reduceren van CO2- en overige broeikasgasemissies. Hieronder valt ook het emissiehandelssysteem, waarin CO2-emissierechten worden toegewezen en geveild.

  • De regie op de internationale aspecten van het klimaatbeleid, inclusief het politieke optreden en de vertegenwoordiging in de betreffende internationale gremia. Daaronder vallen onder andere de Europese Transport- en Milieuraad en relevante VN-bijeenkomsten.

(Doen)Uitvoeren

  • De coördinatie van de Nederlandse inzet in internationaal kader bij de vaststelling van normen en plafonds, de vertaling daarvan naar Nederlandse wet- en regelgeving en de verdeling van doelstellingen over sectoren en milieuthema’s. De doelen en normen hebben betrekking op het reduceren van CO2-emissies, op de productie en de inzet van duurzame biobrandstoffen, op de mondiale uitfasering van ozonlaagafbrekende stoffen en van gefluorideerde broeikasgassen en op de handel in CO2-emissierechten (Emissions Trading System/ETS).

  • De opdracht aan de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) voor het handelssysteem in CO2-emissierechten, waaronder het toewijzen en doen veilen van CO2-emissierechten. Ook de registratie van hernieuwbare energie voor het verkeer en de rapportage hierover ter controle van de duurzaamheid en de CO2-prestatie en het toezicht op de bijstook van duurzame biomassa bij energiecentrales zijn hier onderdeel van.

Stimuleren

Om de klimaatdoelen te behalen worden maatschappelijke partners proactief betrokken. De Minister van EZK stimuleert het in stand houden, aangaan en organiseren van allianties met en tussen bedrijven, branches, overheden, burgers en kennisorganisaties rondom de doelen uit de Overeenkomst van Parijs, het Klimaatakkoord en het Energieakkoord.

Energiebeleid

Regisseren

  • Het regisseren van de realisatie van grote energieinfrastructuur-projecten die onder de Rijkscoördinatieregeling (RCR) vallen; dit betekent als projectminister, samen met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), verantwoordelijk voor de ruimtelijke inpassing van energieprojecten en voor de coördinatie van benodigde vergunningen.

  • Het versneld uitrollen van windenergie op zee richting 2030 en verder.

  • Het actief participeren in Europese en internationale netwerken ten behoeve van energy governance, kennis brengen naar en leren van andere landen en instellingen, inclusief de bijdrage aan het internationale oliecrisisbeleid.

  • Het creëren van randvoorwaarden waardoor de energievoorziening internationaal kan concurreren en het verdienpotentieel van de energiesector in relatie tot de energietransitie ten volle wordt benut.

  • Het creëren van randvoorwaarden voor een doelmatige, veilige en verantwoorde energietransitie, inclusief winning van onze bodemschatten.

  • Het bieden van mogelijkheden aan, en het faciliteren van, lokale duurzame energie-initiatieven.

  • Het coördineren van het energiebesparingsbeleid via de verschillende vakministers.

  • Het creëren van randvoorwaarden voor de ontwikkeling van innovatie-ecosystemen;.

  • Het uitvoeren van de vergunningverlening voor de mijnbouw.

  • Het creëren van randvoorwaarden voor een goede nucleaire (kennis)infrastructuur en veilige uraniumverrijking, met inbegrip van de taken die hierover zijn opgenomen in internationale verdragen, met het oog op de bewaking en beveiliging van de hierbij betrokken kennis en technologie.

Financieren

Het voeren van het financieel instrumentarium op de beleidsterreinen hernieuwbare energie, energiebesparing, energie-infrastructuur, mijnbouwklimaat en klimaat- en energie-innovatie, gericht op het realiseren van CO2-reductie en een goed werkend energiesysteem.

Stimuleren

  • Het vergroten van het aandeel hernieuwbare energie conform afspraken Energieakkoord respectievelijk Klimaatakkoord en de Richtlijn Hernieuwbare Energie (RED).

  • Het stimuleren van energiebesparing(conform afspraken Energieakkoord respectievelijk Klimaatakkoord en de Europese Energie-Efficiency Richtlijn (EED).

  • Het stimuleren van de ontwikkeling en gebruik van klimaat- en energie-innovaties.

  • Het stimuleren van de verdergaande reductie van CO2-uitstoot van en energiebesparing bij energiebedrijven en industrie.

  • Het stimuleren van goed werkende nationale en Europese energiemarkten met een adequate infrastructuur en bijbehorende wetgeving.

  • Het stimuleren van de transitie naar een schone, betrouwbare, veilige en betaalbare energievoorziening.

De voortgang van het Klimaatbeleid wordt gemonitord in de Monitor Klimaatbeleid en (vanaf 2021) in het bijbehorend online dashboard. Hieronder is een selectie van relevante indicatoren opgenomen die specifiek relevant zijn in relatie tot de EZK-begroting. Sommige zijn ook te vinden in de Monitor Klimaatbeleid, andere zijn uit andere bronnen afkomstig.

Tabel 29 Prestatie-indicatoren behorend bij Klimaat- en energiebeleid

Prestatie-indicatoren

2016

2017

2018

2019

20201

Ambitie 2030

Bron

Reductie van de emissies van broeikasgassen t.o.v. 1990

11,7%

12,6%

15,1%

18,0%

25,4%2

49%

CBS, KEV2020

Emissies ETS-sectoren (Mton CO2-eq)

93,9

91,4

87,4

83,7

n.n.b.

n.v.t.

RIVM3

Emissies niet-ETS-sectoren (Mton CO2-eq)

99,7

99,7

99,4

97,0

n.n.b.

n.v.t.

RIVM3

Aandeel duurzame energie (% van het totale energieverbruik)

6,00%

6,60%

7,40%

8,70%

10-11,6%

27%

KEV2020

Prestatie-indicatoren elektriciteit

       

Gerealiseerd vermogen hernieuwbare elektriciteit op land (wind en zon-pv in MW)

5.435

6.156

8.044

10.704

14.313

n.v.t.

CBS, KEV20204

Gerealiseerd vermogen hernieuwbare elektriciteit op zee (MW)

957

957

957

957

2.500

n.v.t.

CBS, KEV20204

Gerealiseerd vermogen in waterstofprojecten uit elektrolyse (MW)

geen data

geen data

1,1

1,1

1,1

n.v.t.

Monitor Klimaatbeleid 2020

Prestatie-indicatoren industrie

       

Cumulatieve vermeden CO₂ vanaf 2015 door procesefficiëntie (in tonnen)

1.007.183

1.830.466

2.560.195

3.215.997

n.n.b.

n.v.t.

Monitor Klimaatbeleid 20205

Gerealiseerde cumulatieve energiebesparing van EIA en MJA/MEE (PJ)

21,1

37,4

53,5

53,5

n.n.b.

n.v.t.

Monitor Klimaatbeleid 20205

Toegekende duurzame investeringen in de industrie via EIA en MIA-Vamil (bedragen in €1000)

224.746

275.428

422.999

275.635

n.n.b.

n.v.t.

Monitor Klimaatbeleid 20205

Groengasproductie in relatie tot de productie van elektriciteit en warmte uit biomassa (PJ)

2,62

3,1

3,38

n.n.b.

n.n.b.

n.v.t.

Monitor Klimaatbeleid 2020

Prestatie-indicatoren gebouwde omgeving

       

Aandeel warmtepompen in verwarming woning

geen data

2,4%

2,6%

3,6%

n.n.b.

n.v.t.

Monitor Klimaatbeleid 2020, warmtemonitor 20196

Gemiddeld aardgasgebruik van huishoudens en diensten (GJ/woning)

geen data

40,1

39,9

geen data

n.n.b.

n.v.t.

Monitor Klimaatbeleid 20207

Verdeling geregistreerde woningen met energielabel A of B

30%

31%

32%

33%

n.n.b.

n.v.t.

Monitor Klimaatbeleid 20207

Aantal gebouwen in utiliteitsbouw met energielabel A+, A of B (nog maar 82% heeft nog geen geregistreerd energielabel)

geen data

23.379

geen data

geen data

66.268

n.v.t.

Monitor Klimaatbeleid 20207

1

Alle cijfers die genoemd worden voor 2020 zijn voorlopig. De realisatie in 2020 van de indicatoren die gebaseerd zijn op de Klimaatmonitor is pas in november 2021 beschikbaar (KEV2021). Ook de cijfers van het RIVM over 2020 zijn nog niet beschikbaar.

2

In het vonnis van de Urgenda-zaak is uitgesproken dat de Staat 25% CO₂-reductie in 2020 ten opzichte van 1990 moet realiseren.

3

RIVM. Emissieregistratie.nl, Emissies, ETS versus niet-ETS.

4

CBS (2020) Hernieuwbare elektriciteit: productie en vermogen (Statline).

5

RVO.nl (2020) interne cijfers MIA/VAMIL/EIA/SDE+ en ISDE regelingen.

6

RVO.nl (2020) Energielabelregistratie.

7

PBL (2020) Klimaat- en Energieverkenning, bewerking RVO.nl.

Voor het aandeel duurzame energieproductie is een ambitie geformuleerd voor 2020 (14%) en 2023 (16%).

De gerealiseerde hernieuwbare elektriciteit op land betreft waterkracht, wind op land, zon en biomassa voor elektriciteit.

Meer informatie is te vinden bij de NEa (o.a. voor het klimaatbeleid en het Emissions Trading System). Overige informatieve links zijn: EBN, PBL (feiten en cijfers over energie en energievoorziening), CBS (Energiebalans: aanbod, omzetting en verbruik), RVO.nl (publicaties en documenten inzake duurzame energieproductie), energieopwek.nl (online benadering van dagelijks opgewekte duurzame energie).

Tabel 30 Kengetallen in afgelopen jaren verstrekte subsidies (bedragen x € 1.000)

Kengetallen

2016

2017

2018

2019

2020

Bron

1. Aantal energieprojecten dat subsidie ontvangt op basis van MEP, SDE of SDE+

12.681

13.495

15.597

19.034

23.627

RVO.nl

waarvan aantal windparken op land

377

322

416

513

617

 

waarvan aantal windparken op zee

5

4

4

3

8

 

waarvan aantal zon-PV projecten

11.907

12.730

14.715

18.025

22.483

 

waarvan aantal biomassa-projecten

355

397

410

430

445

 

waarvan aantal overige (covergisting, wkk, geothermie e.d.)

37

42

52

63

74

 

2. Bedrag verstrekte garanties garantieregeling aardwarmte

27.675

11.050

0

0

0

RVO.nl

Aantal verstrekte garanties garantieregeling aardwarmte

4

1

0

0

0

 

3. Bedrag uitgekochte woningen op basis van uitkoopregeling

0

24.380

20.988

15.978

8.968

RVO.nl

Aantal uitgekochte woningen op basis van uitkoopregeling

01

64

56

44

24

 

4. Aantal gesubsidieerde projecten op basis van de Tenderregeling Energie-innovatie

99

105

230

128

71

RVO.nl

5. Aantal gesubsidieerde projecten op basis van de DEI/DEI+

23

22

15

87

50

RVO.nl

6. Aantal gesubsidieerde projecten op basis van de HER

27

26

21

18

6

RVO.nl

7. Aantal deelnemende bedrijven bij TKI

1.200

1.400

1.800

2.100

2.350

RVO.nl

8. Concentratiegraad in de retailsector elektriciteit - HHI

1.992

1.822

1.951

2.021

1.918

ACM

9. Concentratiegraad in de retailsector elektriciteit - C3

75%

72%

74%

75%

72%

ACM

10. Concentratiegraad in de retailsector gas - HHI

1.895

1.821

1.949

1.949

1.941

ACM

11. Concentratiegraad in de retailsector gas - C3

74%

72%

74%

72%

73%

ACM

12. Elektriciteitsstoringen in minuten per jaar

21

24

27

20

21

ACM

13. Ontwikkeling kostprijs hernieuwbare Wind op Land (EUR/MWh)

86

79

67

68

51

Monitor Klimaatbeleid 20202

14. Ontwikkeling kostprijs Zon-PV (EUR/MWh)

128

125

110

95

80

Monitor Klimaatbeleid 20202

1

Regeling is pas vanaf 2017 ingegaan.

2

PBL (2020) Eindadvies basisbedragen SDE++ 2020.

Kengetal HHI en C3

De C3 is het gezamenlijk marktaandeel van de drie grootste leveranciers. De mate van concentratie op de kleinverbruikersmarkt voor elektriciteit en gas vormt een indicatie voor de concurrentie op die markten. Een indicator hiervoor is de Herfindahl-Hirschman Index (HHI). Een markt met een HHI onder de 1.800 punten wordt gezien als een competitieve markt en een markt met een index tussen de 1.800 en 8.000 punten wordt gezien als een geconcentreerde markt. Het is vele jaren beleid van het ministerie geweest om de concentratiegraad te verlagen en dat beleid is nu geëffectueerd, zodat er geen actief beleid meer op gevoerd wordt. Wel wordt de concentratiegraad nog jaarlijks door ACM gemonitord.

Beleidswijzigingen Klimaatbeleid

Uitvoering Klimaatakkoord

Het kabinet is samen met alle partijen die betrokken zijn bij het Klimaatakkoord inmiddels twee jaar bezig met de uitvoering ervan. De grote inspanningen die zijn en worden gepleegd door alle partijen leiden er nog niet toe dat het 2030-broeikasgasreductiedoel van 49% binnen bereik is. Hier ligt een aantal factoren aan ten grondslag die buiten de invloedsfeer van het Klimaatakkoord liggen, waaronder een lage gasprijs. Er zullen de komende jaren daarom forse extra stappen gezet moeten worden. 2022 zal in dit teken staan. Enerzijds zal het volgende kabinet nationaal invulling willen geven aan de opgehoogde Europese 2030-doelstelling van ten minste 55% CO2-reductie. Anderzijds zal het volgende kabinet ook zijn eigen ambities willen vertalen in aanvullend beleid. Om hierop voorbereid te zijn heeft een onafhankelijke ambtelijke studiegroep onder leiding van Laura van Geest hiertoe beleidsopties in kaart gebracht.

Het kabinet heeft besloten om € 6,8 mld extra te investeren in klimaatmaatregelen, bovenop het bestaande klimaatbeleid. Een deel hiervan is nodig voor de uitvoering van het Klimaatakkoord. Het pakket is met name bedoeld om uitvoering te geven aan het Urgenda-vonnis en het realiseren van de klimaatdoelstellingen voor 2030 en 2050. Met dit pakket doet het kabinet recht aan de urgente klimaatopgave, gegeven haar demissionaire status. Bijna het volledige bedrag zal aanvankelijk worden gereserveerd op de Aanvullende Post bij het Ministerie van Financiën en zal later - onder voorwaarde van een bestedingsplan – worden overgeheveld naar de diverse departementale begrotingen.

Impuls onderzoek windenergie op zee

De huidige routekaart windenergie op zee is gericht op circa 11 GW aan capaciteit op zee in 2030. Het kabinet verkent mogelijkheden tot verhogen van de ambitie naar 21 GW aan capaciteit op zee om de Europese klimaatdoelstelling van 55% CO2-reductie in 2030 en de verduurzamings-opgave in de industrie te halen. Om de optie tot versnellen van windenergie op zee tot 21 GW in 2030 voor het volgend kabinet open te houden, heeft het kabinet besloten om extra middelen beschikbaar te stellen. Voor de verhoging van de ambitie met 10 GW is namelijk veel onderzoek nodig om de uitrol en aanlanding van windenergie op zee te realiseren binnen ecologische randvoorwaarden en in balans met ander gebruikers van en ruimteclaims op de Noordzee. Het gaat dan vooral om (locatie)onderzoeken: ecologie, geotechnisch onderzoek naar de bodemcondities en onderzoek naar windsnelheden, morfologie en archeologie. Voor deze onderzoeken is een additioneel bedrag van € 150 mln op de begroting gereserveerd. Het volgend kabinet beslist uiteindelijk over de hoogte van de aanvullende ambities voor windenergie op zee.

Europese Klimaatdoelen

De Europese Unie heeft eind december 2020 een opgehoogd netto klimaatdoel van ten minste 55% CO2-reductie in 2030 ten opzichte van 1990 aangenomen en deze doelstelling begin 2021 in de Europese Klimaatwet verankerd. In juli heeft de Commissie het Fit-for-55%-pakket gepresenteerd , bestaande uit een groot aantal voorstellen om nieuwe en bestaande klimaat- en energieregelgeving in lijn te brengen met de opgehoogde emissiereductiedoelen voor 2030 en 2050. Het gaat hier onder meer om voorstellen voor herziening van het Emissiehandelssysteem (ETS), de Effort Sharing Regulation (ESR), de verordening voor landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF), de richtlijnen inzake energie-efficiëntie (EED) en hernieuwbare energie (RED), richtlijnen voor CO2-eisen van voertuigen, de richtlijn energiebelasting (ETD) en een Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM). In het laatste kwartaal van 2021 volgen voorstellen voor de Energy Performance of Buildings Directive (EPBD), wetgeving voor methaanemissies en de herziening van het derde gaspakket (de interne gasmarkt en waterstof, ook wel het decarbonisatiepakket genoemd). EZK zal zich inzetten dat dit «Fit for 55%»-pakket op een kosteneffectieve manier wordt vormgegeven, waarbij zowel de EU als Nederland optimaal gepositioneerd zijn om het 2030-doel als tussenstop naar klimaatneutraliteit in 2050 te kunnen realiseren. Alle sectoren zullen een bijdrage moeten leveren aan het overkoepelende doel, conform de integrale aanpak van de Europese Green Deal. Primair zet het kabinet in op aanscherping van het emissiehandelssysteem (ETS) en een sterker bronbeleid, zoals strengere EU-normen voor CO2-emissies van voertuigen.

Uitvoering Urgenda-vonnis

Op 24 april 2020 heeft het kabinet aanvullende maatregelen gepresenteerd om uitvoering te geven aan het Urgenda-vonnis om in 2020 en de jaren daarna de CO2-uitstoot terug te brengen met 25% ten opzichte van 1990 (Kamerstuk 32 813, nr. 496). De resultaten uit de KEV2020 lieten zien dat de onzekerheidsbandbreedte over de emissies de komende jaren fors is, waarmee het onzeker blijft of 25% emissiereductie gerealiseerd kan worden. Op 9 december 2020 heeft het kabinet hiertoe nog enkele aanvullende maatregelen aangekondigd, waaronder het verbeteren van de naleving van de energiebesparingsplicht en de verbrede inzet op de handhaving van sterk gefluoreerde broeikasgassen (Kamerstuk 32 813, nr. 644 ). De maatregelen gericht op het terugdringen van de CO2-uitstoot bij kolencentrales zullen in 2021 ook nog een aanvullende reductie tot gevolg hebben.

Beleidswijzigingen Energiebeleid

Regionale Energiestrategieën

Overal in Nederland zijn gemeenten, provincies en waterschappen aan de slag met het opstellen van Regionale Energiestrategieën (RES'en). Via de RES’en wordt gewerkt aan 35 TWh aan duurzame energieopwekking op land via wind of zon in 2030. Deze plannen moeten draagvlak hebben en passen in het landschap en binnen de capaciteit van het elektriciteitsnetwerk in 2030. Tevens wordt de bovengemeentelijke vraag en aanbod van de warmtebronnen in beeld gebracht. Op 1 juli 2021 hebben de 30 RES regio’s hun RES 1.0 opgeleverd. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) komt eind 2021 met een analyse van de RES’en 1.0.

Met de oplevering van de RES 1.0 komen we in de uitvoerende fase van het RES-proces. Hierin werken de RES’en van plannen op hoofdlijnen naar steeds concretere plannen, zodat op 1 januari 2025 alle te realiseren projecten planologisch zijn vergund en deze in aanmerking kunnen komen voor subsidiëring vanuit de SDE++. In de uitvoeringsfase zal onder meer aandacht zijn voor de verankering van de RES’en 1.0 in de instrumenten van de Omgevingswet. Ook de ingezette participatieprocessen zullen dan een vervolg krijgen. Het Rijk (BZK, EZK) speelt hierin een rol als een actieve, gecommitteerde partner in het RES-proces. Dit doet het Rijk niet alleen vanuit de borging van de afspraken uit het Klimaatakkoord, maar ook vanuit zijn verantwoordelijkheden en bevoegdheden in het klimaat- en energiebeleid, de betrouwbaarheid, veiligheid en betaalbaarheid van het energiesysteem, de inzet van Rijksgronden en -vastgoed en de borging van nationale belangen en ruimtelijke uitgangspunten voor de RES.

Door een volgend kabinet, in samenspraak met de decentrale overheden, wordt een besluit genomen over de continuering van het Nationaal Programma (NP) RES.

CCS

De toepassing van CO2-afvang, -transport en -opslag (CCS) is een belangrijke (overgangs)technologie in de verduurzaming van de in Nederland gevestigde industrie en is essentieel voor Nederland om haar CO2-reductiedoelstelling voor 2030 te behalen. Om daadwerkelijk in 2030 een significante bijdrage te kunnen leveren, is tijdige ontwikkeling van de infrastructuur voor transport en opslag van CO2 van groot belang. Met de ontwikkeling van het Porthos-project spelen de deelnemingen EBN, Gasunie en Havenbedrijf Rotterdam (HbR) een cruciale rol in de totstandkoming van het eerste grootschalige CCS-project in Nederland. Het afgelopen jaar zijn er belangrijke vorderingen gemaakt in dit project. Er is SDE++-subsidie toegekend en de RCR-procedure is gestart. Naar verwachting zal het project in 2022 zijn finale investeringsbeslissing nemen, waarna in 2024 gestart kan worden met de daadwerkelijke opslag van 2,5 Mton CO2 per jaar. De komende tijd zal de SDE++ een cruciale rol blijven spelen in de realisatie van verdere uitrol van CCS. Verschillende marktpartijen hebben hun interesse getoond in de verdere ontwikkeling van CCS in Nederland. Het Rijk ziet er hierbij op toe dat de publieke belangen van veiligheid, ruimtelijke inpassing en tijdige realisatie geborgd worden en blijven. EBN zal een rol toegewezen krijgen in de opslag van CO2, naast de commerciële operators. De hiervoor benodigde wetswijziging zal worden voorbereid. De ondersteuning van haalbaarheidsstudies, innovatie en kennisontwikkeling door onder andere de Topsector Energie-regelingen blijft gehandhaafd, net als de internationale samenwerking om zo kennisoverdracht tussen landen en projecten te bevorderen.

Schadeafhandeling

Op 8 juli 2019 (Kamerstuk 32 849, nr. 188) is de Tweede Kamer geïnformeerd over het streven om te komen tot een landelijke aanpak voor afhandeling van mijnbouwschade buiten het Groningenveld en de gasopslag Norg. Sinds 1 juli 2020 is de onafhankelijke Commissie Mijnbouwschade (hierna: Commissie) operationeel geworden. De Commissie ontzorgt schademelders door de omvang van de schade te onderzoeken en te bepalen of de schade is veroorzaakt door bodembeweging als gevolg van mijnbouw. Op dit moment adviseert de Commissie over de schadegevallen ten gevolge van olie- en gaswinning buiten het Groninger gasveld. Vanaf 1 november 2021 zal de Commissie zich ook gaan bezighouden met de schadegevallen als gevolg van bodembeweging door de zoutwinning. In de toekomst zullen ook de sectoren geothermie en de voormalige steenkolenwinning aan het werkpakket van de Commissie worden toegevoegd.

Warmtewet

Collectieve warmtebronnen en -netten spelen naar verwachting op de korte termijn al een belangrijke rol in het behalen van de 2030-doelstellingen. Het wetsvoorstel Collectieve Warmtevoorziening beoogt de groei en verduurzaming van collectieve warmtesystemen in de gebouwde omgeving te faciliteren en vormt zo een belangrijk fundament voor de energietransitie (Kamerstuk 30 196, nr. 566). Het wetsvoorstel is samen te vatten in vier pijlers: marktordening, tariefregulering, duurzaamheid en leveringszekerheid (Kamerstuk 30 196, nr. 694, nr. 704 en nr. 743). Het voornemen is het wetsvoorstel in 2022 bij de Tweede Kamer in te dienen.

Uitwerking landenspecifieke aanbevelingen (motie Schouw)

De Europese Commissie heeft in 2020 een landenspecifieke aanbeveling gedaan om investeringen toe te spitsen op de groene en digitale transitie, onder andere op de ontwikkeling van duurzame infrastructuur en het schoon en efficiënt opwekken en gebruiken van energie. Het kabinet erkent in zijn reactie dat een ambitieus klimaat- en energiebeleid en digitaliseringsbeleid essentieel is voor het toekomstige verdienvermogen van Nederland (brief van 5 juni 2020, Kamerstuk 21 501-20, nr. 1558). De ontwikkeling van duurzame infrastructuur is de inzet van het Programma Energiehoofdstructuur, waarin een nieuwe ruimtelijke planning van het energiesysteem wordt opgezet. Voor de ontwikkeling van het efficiënt opwekken van energie is de SDE+ in 2020 verbreed van hernieuwbare energieproductie naar CO2-reductie: de SDE++. Ook voor maatregelen die kosteneffectief bijdragen aan CO2-reductie, maar die op dit moment niet onder de SDE++ vallen, wordt nog onderzocht of en hoe deze het beste ondersteund kunnen worden. De Kamer zal hierover geïnformeerd worden.

De Europese Commissie heeft in 2021 vooralsnog geen landenspecifieke aanbevelingen gedaan voor het beleid op het gebied van klimaat en energie.

Tabel 31 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 4 (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

9.775.219

6.589.345

6.148.822

701.738

605.065

601.467

609.589

        

Uitgaven

3.674.944

3.867.604

4.160.218

4.479.832

4.495.323

4.312.587

4.212.852

        

Subsidies (regelingen)

2.160.036

3.505.419

3.785.347

4.116.604

4.174.624

3.994.307

3.909.449

Missiegedraven Onderzoek Ontwikkeling en Innovatie (MOOI)

40.675

55.437

60.135

58.524

54.015

48.735

43.700

Hernieuwbare Energietransitie (HER+)

38.427

32.426

42.140

45.540

42.000

25.540

 

Energie-efficiëntie

3.260

2.050

2.368

2.368

2.368

2.368

2.368

Green Deals

141

2.370

500

500

500

500

500

Demonstratieregeling Klimaat- en Energie-innovatie (DEI+)

33.605

52.715

75.963

55.143

49.369

38.856

45.576

Subsidieregeling Duurzame Scheepsbouw (SDS)

2.834

3.372

7.075

5.296

1.696

1.696

1.696

Projecten Klimaat en Energieakkoord

1.612

1.977

3.981

4.106

4.360

4.360

4.360

MEP

429

0

0

0

0

0

0

SDE

587.388

623.000

687.400

648.200

559.800

515.500

492.500

SDE+

1.192.654

1.859.096

2.585.508

3.077.956

3.117.976

2.819.219

2.634.347

SDE++

0

471.000

68.000

55.000

171.000

396.000

538.000

Aardwarmte

15.000

15.000

17.500

17.500

25.000

0

0

ISDE-regeling

101.383

130.250

130.000

100.000

100.000

100.000

100.000

Compensatie Energie-intensieve bedrijven (ETS)

110.083

179.542

0

0

0

0

0

Carbon Capture and Storage (CCS)

6.285

5.206

4.080

4.680

6.480

5.480

5.480

Subidieregeling Energiebesparing en duurzame energie sportaccommodaties (EDS)

32

0

0

0

0

0

0

Hoge Flux Reactor

7.451

6.401

6.401

6.401

5.401

5.401

5.401

Elektrisch rijden

0

5

0

0

0

0

0

Caribisch Nederland

14.460

24.661

4.144

4.144

4.144

4.144

4.144

Overige subsidies

4.014

37.101

50.000

0

0

0

0

Opschalingsinstrument waterstof

0

0

4.000

18.150

15.130

9.080

12.500

Maatregelen voor CO2-reductie

303

0

0

0

0

0

0

Subsidieregeling Coöperatieve Energieopwekking (SCE)

0

418

10.519

13.096

15.385

17.428

18.877

Subsidie ondersteuning verduurzaming mkb

0

3.392

25.633

0

0

0

0

        

Leningen

4.000

5.000

61.400

46.500

10.000

9.000

0

Lening EBN

4.000

5.000

61.400

9.000

10.000

9.000

0

Lening Gasunie

0

0

0

37.500

0

0

0

        

Garanties

4.475

0

0

0

0

0

0

Verliesdeclaratie aardwarmte

4.475

0

0

0

0

0

0

        

Opdrachten

20.845

14.767

17.753

17.542

11.692

11.767

11.767

Onderzoek mijnbouwbodembeweging

1.938

3.117

1.986

1.570

1.570

1.570

1.570

SodM onderzoek

1.059

1.425

2.425

2.500

2.500

2.500

2.500

Uitvoeringsagenda Klimaat

203

542

623

623

623

623

623

Klimaat mondiaal

275

737

335

385

385

385

385

Onderzoek en opdrachten

17.370

8.946

12.384

12.464

6.614

6.689

6.689

        

Bijdrage aan agentschappen

84.148

95.514

74.735

80.174

80.093

77.172

71.867

Bijdrage aan RVO.nl

71.171

77.148

58.046

61.619

61.619

61.619

59.659

Bijdrage aan Agentschap Telecom

397

987

4.103

6.347

6.266

3.345

 

Bijdrage aan NEa

8.766

7.806

7.536

7.151

7.151

7.151

7.151

Bijdrage aan KNMI

1.437

2.045

1.264

1.271

1.271

1.271

1.271

Bijdrage aan NVWA

703

886

886

886

886

886

886

Bijdrage aan RIVM

 

35

1.600

1.600

1.600

1.600

1.600

Bijdrage aan RWS

1.674

6.607

1.300

1.300

1.300

1.300

1.300

        

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

128.307

130.257

142.417

142.217

142.284

142.284

141.712

Doorsluis COVA-heffing

94.845

95.600

111.000

111.000

111.000

111.000

111.000

TNO kerndepartement

32.547

32.930

29.690

29.490

29.404

29.404

28.832

TNO-SodM

915

1.727

1.727

1.727

1.880

1.880

1.880

        

Bijdrage aan medeoverheden

8.971

12.600

1.340

0

0

0

0

Uitkoopregeling

8.971

12.600

1.340

0

0

0

0

        

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

10.446

36.940

10.893

10.462

10.297

11.724

11.724

Bijdrage aan Nuclear Research Group (NRG)

9.207

34.001

8.259

7.628

7.377

8.804

8.804

Internationale contributies

1.239

1.972

1.624

1.624

1.624

1.624

1.624

PBL Rekenmeesterfunctie

0

967

1.010

1.210

1.296

1.296

1.296

        

Stortingen begrotingsreserve

1.253.716

67.107

66.333

66.333

66.333

66.333

66.333

Storting in begrotingsreserve duurzame energie en klimaattransitie

1.253.716

66.333

66.333

66.333

66.333

66.333

66.333

Storting in begrotingsreserve aardwarmte

0

774

0

0

0

0

0

        
        

Ontvangsten

3.738.266

4.353.325

3.720.277

4.276.577

4.410.277

4.256.277

3.906.277

Ontvangsten COVA

94.845

95.600

111.000

111.000

111.000

111.000

111.000

Opbrengst heffing ODE (SDE++)

2.542.250

2.648.000

2.692.000

2.838.300

3.062.000

3.198.000

2.983.000

Ontvangsten zoutwinning

2.391

2.511

2.511

2.511

2.511

2.511

2.511

Onttrekking reserve duurzame energie en klimaattransitie

236.020

687.971

4.186

454.186

404.186

154.186

304.186

ETS-ontvangsten

441.408

900.000

900.000

860.000

820.000

780.000

490.000

Onttrekking begrotingsreserve maatregelen voor CO2-reductie

395.210

0

0

0

0

0

0

Diverse ontvangsten

26.142

19.243

10.580

10.580

10.580

10.580

15.580

Tabel 32 Uitsplitsing verplichtingen (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

9.775.219

6.589.345

6.148.822

701.738

605.065

601.467

609.589

waarvan garantieverplichtingen

0

66.600

44.200

44.200

0

0

0

waarvan overige verplichtingen

9.775.219

6.522.745

6.104.622

657.538

605.065

601.467

609.589

Budgetflexibiliteit

Het percentage juridisch verplicht (het deel van het beschikbare uitgavenbudget waarop al juridische verplichtingen rusten) is 85%.

Subsidies: Van het totale subsidiebudget is 84% juridisch verplicht. Dit percentage is hoog als gevolg van uitfinanciering van tot en met 2021 aangegane verplichtingen, met name langlopende uitbetalingen op reeds afgegeven beschikkingen in het kader van de SDE, verplichtingen die in 2011 tot en met 2020 zijn aangegaan voor de SDE+ en verplichtingen die in 2021 aangegaan worden voor de SDE++. Omdat het resterende budget van de duurzame energieregelingen in de begrotingsreserve duurzame energie en klimaattransitie gestort zal worden, is het subsidiebudget weinig flexibel.

Leningen: Van het voor leningen beschikbare budget in 2022 is 100% juridisch verplicht. Het betreft hier de uitbetaling van de eerder aan EBN verstrekte leningen om deelname aan aardwarmteprojecten en het Porthos-project in de Rotterdamse haven mogelijk te maken. In 2021 zal naar verwachting aan de Gasunie een lening verstrekt worden voor het realiseren van de WarmtelinQ, het warmtenet tussen de Rotterdamse haven en Delft, Rijswijk en Den Haag. Deze lening zal, als alles volgens plan verloopt, echter pas in 2023 tot uitbetaling komen: dit bedrag is dan ook juridisch verplicht.

Opdrachten: Van het opdrachtenbudget is 20% juridisch verplicht. Het betreft uitfinanciering van in voorgaande jaren verstrekte opdrachten, met name voor projecten op het gebied van mijnbouw/bodembeweging, energie- en klimaatonderzoek en ter ondersteuning van de uitvoering van de Rijkscoördinatieregeling (RCR). Het resterende budget is voor een groot deel bestuurlijk gebonden, onder meer door de afspraken die zijn gemaakt over het Kennisprogramma Effecten Mijnbouw (KEM), de wettelijke taken van EZK op het gebied van de RCR en de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (WABO) en de verplichting planschade als gevolg van energieprojecten te vergoeden.

Bijdragen aan agentschappen: Het budget betreft de financiering van de opdracht 2022 aan RVO.nl, NVWA, het KNMI, AT, de NEa, het RIVM en RWS en is 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s: Op dit onderdeel is sprake van zeer beperkte budgetflexibiliteit, 96% van het budget is juridisch verplicht is. Deze beperkte budgetflexibiliteit vloeit vooral voort uit de doorsluis naar de Stichting COVA van de COVA-heffing op aardolieproducten, bedoeld voor het dekken van de kosten van het aanhouden van strategische olievoorraden. Deze verplichting is gebaseerd op de Wet voorraadvorming aardolieproducten 2012. Daarnaast wordt de bijdrage aan TNO (energie-, klimaat- en mijnbouwonderzoek) uit dit budget bekostigd.

Bijdragen aan medeoverheden: Het budget betreft de bijdrage van EZK aan de kosten van uitkoop van woningen die loodrecht onder hoogspanningslijnen staan. De regeling is per 1 januari 2017 opengesteld en wordt door de betrokken gemeenten uitgevoerd. Het budget is daarmee niet juridisch verplicht, maar zeer beperkt flexibel, aangezien het kabinet naar de betrokken huiseigenaren heeft aangegeven dat de uitkoopregeling een looptijd van vijf jaar kent en het budget beschikbaar moet blijven om na-ijlende declaraties van gemeenten te kunnen financieren.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties: Van het beschikbare budget voor (inter)nationale organisaties is 50% juridisch verplicht, vooral door de bijdrage aan NRG ten behoeve van nucleaire activiteiten. Daarnaast worden uit dit onderdeel de jaarlijkse contributies aan internationale klimaat- en energieorganisaties en de rekenmeesterfunctie van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) gefinancierd. Dit betekent dat er op dit onderdeel sprake is van enige budgetflexibiliteit, zij het beperkt op de korte termijn.

Storting in begrotingsreseves: Het voor stortingen in de reserves beschikbare budget is 100% juridisch verplicht. Bij de reserve duurzame energie en klimaattransitie gaat het in 2021 tot en met 2026 om de terugstorting in de reserve van in totaal € 398 mln die in de periode 2015 tot en met 2020 tijdelijk aan de reserve was onttrokken.

Subsidies

Missiegedreven Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie (MOOI)

De Missiegedreven Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie (MOOI) regeling ondersteunt integrale innovatieve oplossingen die wezenlijk bijdragen aan het realiseren van de doelen uit het Klimaatakkoord. De MOOI stimuleert een brede samenwerking van bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en overheden die samen een consortium kunnen vormen en actief worden uitgedaagd om eindgebruikers, ontwikkelaars en vernieuwers en uitdagers uit het MKB te betrekken. Op die manier hebben innovaties een grotere kans op succes. De MOOI richt zich op de thema’s 'Wind op zee', 'Hernieuwbare energie op land', «Gebouwde omgeving» en 'Industrie'. De Meerjarige Missiegedreven Innovatie Programma’s (MMIP's) van de Topsector Energie beschrijven de innovatieopgaven van deze klimaatdoelen en vormen de basis voor de inhoud van de MOOI-regeling. In 2020 is de MOOI-regeling voor het eerst breed opengesteld, mede met een bijdrage vanuit het Ministerie van BZK. In 2022 is een nieuwe openstelling voorzien. De MOOI-regeling is grotendeels in de plaats gekomen van de aparte TSE-subsidiemodules om zo meer focus te leggen op de ontwikkeling van integrale innovatieve concepten en bredere benodigde samenwerkingsverbanden gericht op CO2-reductie. Er zijn echter nog enkele andere TSE-subsidiemodules waarin kleinere innovatieve projecten gefaciliteerd kunnen worden voor de gebouwde omgeving, de industrie, op het gebied van systeemintegratie en brandstoffen. Hiervoor is een jaarlijkse openstelling mogelijk.

Hernieuwbare Energietransitie (HER+)

De subsidie Hernieuwbare Energietransitie (HER+) heeft als doel om de klimaat- en energiedoelstellingen tegen minder kosten te realiseren door innovatieve projecten. De innovaties uit de projecten moeten leiden tot een besparing op de toekomstige uitgaven aan subsidies voor de Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie en klimaattransitie (SDE++). De regeling werkt daarom als een soort voorportaal van de SDE++ en wordt gefinancierd uit een afgezonderd deel van de SDE-middelen. De regeling is inmiddels verbreed van hernieuwbare energieproductie naar CO2-reductie in lijn met de SDE++. Ook in 2022 is openstelling van de HER+ voorzien.

Energie-efficiëntie

EZK financiert projecten ter realisatie van het Uitvoeringsprogramma Energiebesparing. Het Uitvoeringsprogramma is gericht op de realisatie van CO2-reductie en het behalen van de energiebesparingsdoelen in het Klimaatakkoord.

Green Deals

Green Deals zijn gericht op het ruimte geven aan vernieuwende initiatieven uit de samenleving om de transitie naar een duurzame economie te versnellen. De Green Deal aanpak is sinds 2011 een onderdeel van het groene groei beleid van het kabinet. Zij hebben een bijdrage geleverd aan de realisatie van de ambities in het Energieakkoord. Green Deals kunnen een waardevolle bijdrage leveren aan de innovatie, opschaling en uitrol van de afspraken in het Klimaatakkoord. De onderwerpen van deze energiedeals zijn zeer divers, variërend van participatie van de omgeving, kennisdeling, technische en juridische verkenningen in relatie tot duurzame energieprojecten, veiligheidsaspecten, energiebesparing, warmtenetten, aardwarmte tot elektrisch vervoer. Green Deals zijn grotendeels budgetneutraal: er is jaarlijks een kleine hoeveelheid procesgeld (€ 0,5 mln per jaar) beschikbaar om initiatieven verder te brengen. Een compleet overzicht van Green Deals is te vinden op: http://www.greendeals.nl/.

Demonstratieregeling Klimaat- en Energie-innovatie (DEI+)

De Demonstratieregeling Energie- en Klimaatinnovatie (DEI+) komt voort uit het Energieakkoord en is vanaf 2019 in lijn gebracht met het Klimaatakkoord. De DEI+ is gericht op de commercialisering van pilot- en demonstratieprojecten van klimaat- en energie-innovaties die een bijdrage kunnen leveren aan Nederlandse CO2-reductieopgaven. Flexibilisering van het energiesysteem, omgevingsveiligheid en optimale ruimtelijke benutting van het energielandschap horen daar ook bij. Het Ministerie van BZK maakt tevens gebruik van de DEI+-regeling voor het faciliteren van zijn beleidsterreinen op het gebied van de gebouwde omgeving. Vanuit de openstelling van de DEI+ in 2022 worden daarnaast demonstratieprojecten gefaciliteerd op het gebied van waterstof, CCUS en geavanceerde biobrandstoffen.

Subsidieregeling Duurzame Scheepsbouw (SDS)

Bij amendement (Kamerstuk 34 550 XIII, nr. 117 en Kamerstuk 37 775 XIII, nr. 113) heeft de Tweede Kamer gevraagd om de instelling van een Subsidieregeling Duurzame Scheepsbouw (SDS) die tot doel heeft innovatieve manieren om de scheepsbouw te verduurzamen te stimuleren. Op basis van de tussentijdse evaluatie (Kamerstuk 35 000 XIII, nr. 83) zijn middelen gereserveerd om deze regeling tot en met 2022 open te stellen voor een bedrag van € 4,6 mln per jaar.

Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE)

De regeling Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE) is de opvolger van de regeling Milieukwaliteit van de Elektriciteitsproductie (MEP). De SDE is een exploitatiesubsidie die het verschil vergoedt tussen de kostprijs van hernieuwbare energie en de marktprijs (de onrendabele top) voor projecten op het gebied van hernieuwbaar gas en hernieuwbare elektriciteit. Met ingang van 2013 is de SDE omgevormd en aangepast tot de SDE+. De voor 2022 en verder geraamde budgetten betreffen de uitfinanciering van verplichtingen die in het verleden in het kader van de SDE zijn aangegaan.

Stimulering Duurzame Energieproductie+ (SDE+)

In het Energieakkoord voor duurzame energie is afgesproken dat Nederland in 2020 een aandeel van 14% hernieuwbare energieproductie zou moeten hebben. Verder is afgesproken dat dit aandeel in 2023 16% zal zijn. Het belangrijkste instrument dat het kabinet heeft om dit te realiseren is de SDE+. De SDE+ richt zich op de opties hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas en hernieuwbare warmte en subsidieert het verschil tussen de kostprijs van hernieuwbare energie en de marktprijs, de zogenaamde onrendabele top.

In 2022 is binnen het SDE+-budget is voor de realisatie van 21GW windenergie op zee tot en met 2030 een bedrag van € 150 mln gereserveerd. Hiermee wordt de voorbereiding, inpassing en uitvoering door het Rijk van de uitrol van wind op zee mogelijk gemaakt. Met de middelen in 2022 worden met name (locatie)onderzoeken gefinancierd: geotechnisch onderzoek naar de bodemcondities en onderzoek naar windsnelheden, morfologie, archeologie en ecologie.

Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++)

Met ingang van de najaarsronde 2020 is de SDE+ omgevormd tot de SDE++, zodat naast hernieuwbare energieproductie ook CO₂-reducerende technologieën in aanmerking komen voor subsidie. Doordat in de SDE++ (net als in de SDE+) goedkopere projecten voorrang hebben bij het verkrijgen van subsidie en er concurrentie is tussen verschillende vormen van CO₂-reducerende technologieën, zal op de meest kosteneffectieve wijze de reductie van CO₂ worden gestimuleerd. De totale uitgaven zijn afhankelijk van de beschikbare projecten en de ontwikkeling van de ETS- en de energieprijs. Voor de SDE++ geldt dat de openstelling 2021 (€ 5 mld) pas in 2022 verplicht zal worden: hiermee is in het beschikbare verplichtingenbudget voor 2022 rekening gehouden. Voor de openstelling van de SDE++ in 2022 wordt opnieuw uitgegaan van een openstelling van € 5 mld: zodra hier een definitief besluit over genomen is zal het hiervoor benodigde verplichtingenbudget in de begroting 2023 worden opgenomen, aangezien ook deze openstelling pas in het jaar volgend op de openstelling tot verplichting zal komen. In het budget voor 2022 wordt opnieuw uitgegaan van een subsidieloze tender Windenergie op Zee.

Met ingang van de begroting 2022 worden de kasuitgaven van SDE+ en de SDE++ los van elkaar gepresenteerd in de begroting,

Inclusief de middelen uit de begrotingsreserve duurzame energie en klimaattransitie is er in de meerjarencijfers in de periode 2021-2032  € 45,4 mld beschikbaar voor uitgaven voor de SDE, de SDE+, de SDE++, de HER+ en de ISDE, alsmede voor de uitvoeringskosten van deze duurzame energietransitieregelingen. Deze beschikbare middelen zijn gebaseerd op:

  • de bij het Energieakkoord gemaakte raming van de benodigde kasmiddelen voor de doelstellingen van 14% duurzame energie in 2020 en 16% in 2023;

  • de middelen die in het kader van het Klimaatakkoord meerjarig zijn toegevoegd;

  • de middelen die na 2022 conform de afspraak in de startnota van het kabinet Rutte-III meerjarig uit de begrotingsreserve duurzame energie aan het SDE+-budget zijn toegevoegd.

Tabel 33 Beschikbare middelen en kasuitloop duurzame energietransitieregelingen (bedragen x € 1 mln)

Beschikbare middelen

MEP

SDE

SDE+

SDE++

HER+

ISDE

Uitvoeringskosten RVO.nl

Totaal

Meerjarencijfers 2021 t/m 20321

0

4.810

31.717

4.927

188

1.260

317

43.219

Begrotingsreserve duurzame energie en klimaattransitie per 1-1-2021

73

731

3.369

    

4.173

Geplande meerjarige stortingen in begrotingsreserve

 

398

     

398

Geplande meerjarige onttrekkingen aan begrotingsreserve

  

‒ 2.434

    

‒ 2.434

Totaal beschikbaar (incl. Klimaatakkoord) 2021-2032

73

5.939

32.652

4.927

188

1.260

317

45.356

Totaal openstaande juridische verplichtingen over periode 2021-2032 per 01/01/2021

4

5.390

41.089

 

61

92

38

46.674

1

Budget SDE+ is inclusief toevoeging van € 1,7 mld uit de begrotingsreserve duurzame energie en klimaattransitie.

De in totaal beschikbare € 45,4 mld (inclusief de middelen in de begrotingsreserve duurzame energie) is volgens bovenstaand overzicht volledig juridisch verplicht. Maar omdat lang niet alle juridische verplichtingen (geheel) tot betaling zullen komen, zal bij de huidige inzichten € 34,3 mld nodig zijn voor uitgaven in de periode 2021-2032 op verplichtingen die tot en met 31 december 2020 zijn aangegaan. De resterende € 11,1 mld is nodig voor de subsidieverleningen die in 2021 zijn en worden afgegeven en om in de periode 2022-2030 nieuwe subsidiebeschikkingen te kunnen afgeven via de SDE++, de HER+ en de ISDE en om de uitvoeringskosten van RVO.nl te dekken.

Tabel 34 Budget duurzame energietransitieregelingen per jaar (bedragen x € 1 mln)

Beschikbare middelen (x € 1 mln)

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

2032

Totaal

MEP

            

0

SDE

623

687

648

560

516

493

473

449

274

83

5

 

4.810

SDE+

1.859

2.586

3.078

3.118

2.819

2.634

2.616

2.431

2.562

2.772

2.650

2.593

31.717

SDE++

471

68

55

171

396

538

538

538

538

538

538

538

4.927

HER+

32

42

46

42

26

       

188

ISDE

130

130

100

100

100

100

100

100

100

100

100

100

1.260

Uitvoeringskosten RVO.nl

38

27

27

27

27

25

25

25

25

25

25

25

317

Totaal budget regelingen

3.154

3.540

3.953

4.017

3.883

3.790

3.751

3.543

3.498

3.517

3.318

3.256

43.219

              

Stand reserve duurzame energie en klimaattransitie ultimo 2020

4.173

           

4.173

Storting in reserve

66

66

66

66

66

66

      

398

Onttrekking reserve

‒ 688

‒ 4

‒ 454

‒ 404

‒ 154

‒ 304

‒ 304

‒ 104

‒ 4

‒ 4

‒ 4

‒ 4

‒ 2.434

Saldo stortingen en onttrekkingen per jaar

‒ 622

62

‒ 388

‒ 338

‒ 88

‒ 238

‒ 304

‒ 104

‒ 4

‒ 4

‒ 4

‒ 4

‒ 2.036

Stand reserve duurzame energie en klimaattransitie ultimo 2032

            

2.137

Stand reserve ultimo

3.551

3.613

3.225

2.888

2.800

2.562

2.258

2.154

2.149

2.145

2.141

2.137

45.356

Figuur 10 Beschikbare middelen en geraamde kasuitloop duurzame energietransitieregelingen (bedragen x € 1 mln)

1

Onder de post overig vallen naast de kolenmaatregelen in het kader van Urgenda en de statistische overdracht naar Denemarken ook de uitvoeringskosten van RVO.

2

Kasmiddelen zijn inclusief toevoeging van € 1,7 mld uit de begrotingsreserve duurzame energie en klimaattransitie in de periode 2023-2028.

De geraamde kasuitloop in de figuur van de SDE, SDE+ en SDE++ gaat niet uit van het maximaal uit te keren bedrag aan subsidies, maar is een realistische inschatting van de verwachte kasuitloop van de afgegeven beschikkingen op basis van de verwachte intrekking van beschikkingen, van de vertraging van energieprojecten en van de ontwikkeling van de basisbedragen van de SDE+ en SDE++ in de toekomst. Budgetten die niet tot besteding komen worden in de begrotingsreserve duurzame energie en klimaattransitie gestort, zodat deze middelen beschikbaar blijven voor de subsidiëring van toekomstige duurzame energietransitieprojecten. Indien de beschikbare kasmiddelen onvoldoende zijn (zoals in 2021) zal er budget aan de reserve worden onttrokken om de tekorten te dekken.

Aardwarmte

Vanuit de Klimaatenveloppe 2018 is voor de jaren 2018 en 2019 € 36 mln beschikbaar gekomen voor een project van EBN (SCAN) om in samenwerking met TNO de ondergrond in Nederland in kaart te brengen, zodat inzicht verkregen kan worden in het volledige potentieel van aardwarmte in Nederland. Om het project de komende jaren voort te kunnen zetten is daarnaast in de jaren 2020 tot en met 2024 vanuit het SDE+-budget in totaal € 90 mln beschikbaar gesteld.

InvesteringsSubsidie Duurzame Energie (ISDE)

De Investeringssubsidie duurzame energie (ISDE) betreft een tegemoetkoming bij de aankoop van zonneboilers en warmtepompen. Deze regeling is beschikbaar voor zowel particulieren als zakelijke gebruikers. Zoals aangekondigd in de Kamerbrief over het Klimaatakkoord zal de ISDE-regeling worden verlengd tot 2030. Vanaf 2021 richt de regeling zich naast investeringen in warmtepompen en zonneboilers ook op investeringen in de isolatie van woningen. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat de ISDE jaarlijks voor € 100 mln wordt opengesteld. Bij amendement (Kamerstuk 35 300 XIII, nr. 16) is daarnaast in totaal € 100 mln, verdeeld over de jaren 2020 tot en met 2022, uit de begrotingsreserve duurzame energie en klimaattransitie toegevoegd aan het ISDE-budget ten behoeve van investeringssubsidies op het gebied van duurzame energie voor het MKB. 

Subsidieregeling indirecte emissiekosten ETS

Door de introductie van het Europese Emissiehandelssysteem (ETS) werd de CO2-prijs door de elektriciteitsproducenten aan de elektriciteitsgroot-gebruikers doorberekend. Elektriciteitsgrootgebruikers die internationaal concurreren konden in veel gevallen die CO2-kosten (ook wel indirecte kosten genoemd) niet doorberekenen, omdat de concurrenten buiten de EU die kosten niet hebben. Naast verstoring van het gelijke speelveld zou dit leiden tot een CO2-weglekrisico (het verplaatsen van bedrijven met veel directe of indirecte CO2-uitstoot naar landen waar de uitstoot van CO2 geen prijs heeft). Voor de compensatie van de indirecte kosten door het ETS was tot en met 2021 budget beschikbaar op artikel 4 van de EZK-begroting.

In het Klimaatakkoord is aangegeven dat de regeling (over de ETS-periode tot en met 2020) afloopt. Mede gelet op de budgettaire omvang is het aan het nieuwe kabinet om een besluit te nemen over een eventuele voortzetting van de regeling. Vooruitlopend op dit definitieve besluit is besloten om de regeling vooralsnog met 1 jaar te verlengen. Hiertoe is in 2022 budget beschikbaar op artikel 2 van de EZK begroting.

Carbon Capture and Storage (CCS)

De afvang en opslag van CO2 (CCS) wordt gezien als een onmisbare transitietechnologie in de mix van maatregelen om kosteneffectief CO2-uitstoot te reduceren in bepaalde industriële sectoren. Om CCS breed toe te kunnen passen is het belangrijk om in te zetten op (internationaal) onderzoek, grootschalige demonstratieprojecten, realiseren van kostenreductie en het wegnemen van belemmeringen. Om internationaal onderzoek naar CO2-afvang, -transport en -opslag te bevorderen, neemt Nederland deel aan het Europese onderzoeksprogramma ACT (Accelerating CCS Technologies). EZK heeft voor ACT I (2017-2020) ruim € 4 mln aan onderzoeksbudget beschikbaar gesteld en voor ACT II (2019-2022) € 4,5 mln. Voor ACT III (2021-2024) zal Nederland opnieuw een bijdrage leveren van € 4 mln. Nederlandse onderzoeksinstellingen en bedrijven werken hierin samen met organisaties uit Europa en Noord-Amerika. Daarnaast levert het Ministerie van EZK in 2021 een bijdrage van € 4 mln aan het ERA-net deel in het Clean Energy Transition Partnership.

Hoge Flux Reactor (HFR)

De HFR in Petten is eigendom van de Europese Commissie en wordt geëxploiteerd door de Nuclear Research and consultancy Group (NRG). De exploitatie van de HFR wordt ondersteund door een reeks aanvullende onderzoeksprogramma’s. De voor de HFR opgenomen middelen betreffen de Nederlandse bijdrage aan het «Aanvullend Programma» van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (JRC) van de Europese Commissie, dat in de HFR wordt uitgevoerd. Het voornaamste doel van het aanvullend onderzoeksprogramma van de HFR is een constante en betrouwbare neutronenflux voor experimentele doeleinden te leveren.

Caribisch Nederland

De energievoorziening op de eilanden van Caribisch Nederland kent schaalnadelen, anderzijds zijn er zeer goede mogelijkheden voor elektriciteitsproductie met wind en zon. Het Ministerie van EZK zet in op kostprijsverlaging door introductie van duurzame elektriciteitsproductie en op andere ondersteuning van de elektriciteitsbedrijven op Caribisch Nederland. In het kader van het corona-herstelpakket zijn de netbeheertarieven op Caribisch Nederland in 2020 en 2021 naar 0 teruggebracht.

Overige subsidies

Het voor 2021 en 2022 beschikbare budget betreft vooral het subsidiedeel van de WarmtelinQ, het warmtetransportnet dat door Gasunie aangelegd wordt tussen de Rotterdamse haven en Delft/Den Haag/Leiden. Daarnaast gaat het om betalingen ten behoeve van het Expertisecentrum Warmte (ECW), waarmee onder andere gemeenten in staat gesteld worden extern advies in te winnen voor de Transitievisie Warmte.

Opschalingsinstrument waterstof

In de kabinetsvisie waterstof (Kamerstuk 32 813, nr. 485) onderstreept het kabinet het belang van de opschaling van waterstof voor het behalen van de klimaatdoelen en het creëren van nieuw, duurzaam verdienvermogen. Daarbij is een bedrag van € 252,1 mln gereserveerd voor de eerste fase opschaling van de productie van duurzame waterstof door middel van elektrolyse. Dit budget zal naar verwachting in 2022 toegekend worden met een tenderregeling gericht op elektrolyseprojecten tussen de 0,5 en 50 MW. De opschaling moet leiden tot een significante kostprijsreductie, zodat elektrolyse richting 2030 op kostprijs kan concurreren met alternatieven voor CO2-reductie.

Subsidieregeling Coöperatieve Energieopwekking (SCE)

Met de postcoderoosregeling konden leden van een coöperatie tot en met 2020 een energiebelastingkorting krijgen op hun energienota voor lokaal en duurzaam opgewekte elektriciteit, waardoor inwoners van een wijk of dorp met elkaar op een financieel rendabele manier aan de slag konden met lokaal opgewekte duurzame energie. De postcoderoosregeling was een fiscale regeling en wordt vanaf 2021 vervangen door een subsidieregeling (Kamerstuk 31 239, nr. 318): de Subsidieregeling Coöperatieve Energieopwekking (SCE).

Subsidie ondersteuning verduurzaming MKB

Dit betreft een subsidie voor mkb’ers met een laag energieverbruik voor maatregelen gericht op energiebesparing en vermindering van CO₂-uitstoot van bedrijfspanden en bedrijfsprocessen. Er kan subsidie worden aangevraagd voor de kosten van professioneel advies en ondersteuning bij het nemen van dergelijke maatregelen. De subsidie wordt in overeenstemming met het Ministerie van BZK ontwikkeld en is een uitwerking van de voornemens in de Kamerbrieven MKB-impacttoets Klimaatakkoord (EZK, Kamerstuk 32 637, nr. 423) en Ontwikkelingen verduurzaming bestaande utiliteitsbouw (BZK, Kamerstuk 30 196, nr. 716).

Leningen

EBN

Op 21 maart 2019 (Kamerstuk 31 239, nr. 298) is de Tweede Kamer geïnformeerd over de financiële deelname van Energie Bedrijf Nederland (EBN) in aardwarmteprojecten. Om deze taak de komende jaren invulling te geven is cumulatief € 48 mln als lening aan EBN verstrekt. Daarnaast is aan EBN in 2020 een lening verstrekt, zodat EBN vreemd vermogen kan aantrekken en daarmee deel kan nemen aan het Porthos-project in de Rotterdamse haven. De door EBN verkregen rendementen op aardwarmteprojecten en het Porthos-project zullen worden gebruikt om de beide leningen af te lossen.

Gasunie

In september 2019 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de ontwikkelingen rondom de WarmtelinQ, een warmtetransportnet in Zuid-Holland (Kamerstuk 30 196, nr. 676). Hierdoor kunnen op termijn woningen in onder anderen de gemeenten Den Haag, Leiden en Delft en mogelijk ook glastuinbouw in de regio Zuid-Holland voorzien worden van (rest)warmte afkomstig van industriële partijen in de Rotterdamse haven. Gasunie is voornemens om dit warmtetransportnet aan te leggen van Rotterdam tot Den Haag (WarmtelinQ). Daarnaast wordt beoogd om een aftakking vanaf Rijswijk naar de regio Leiden te realiseren (WarmtelinQ+), waarvoor ook capaciteit op de WarmtelinQ gebruikt wordt. Bij een positieve investeringsbeslissing ten aanzien van de WarmtelinQ, die wordt voorzien in 2021, zal een lening van € 37,5 mln worden verstrekt om Gasunie in staat te stellen ook deze aftakking te realiseren. De lening zal worden uitbetaald wanneer door Gasunie een finale investeringsbeslis-sing is genomen voor WarmtelinQ+, naar verwachting in 2023.

Garanties

Aardwarmte

Aardwarmte betreft het winnen van warmte uit diepe aardlagen. Het potentieel van aardwarmte is 15 petajoule (PJ) in 2030. Het ontbreken van een (betaalbare) verzekering is een belangrijk knelpunt voor de toepassing van aardwarmte. De garantieregeling aardwarmte heeft als doel het afdekken van het risico dat het boren van putten voor de toepassing van aardwarmte niet succesvol is. Omdat dit risico in de markt (nog) niet verzekerbaar is, dekt de overheid dit risico af door middel van het verlenen van garanties aan marktpartijen die hiervoor een kostendekkende premie betalen. De uitgaven betreffen uitgekeerde dan wel uit te keren verliesdeclaraties: voor 2022 worden vooralsnog geen verliesdeclaraties geraamd.

Opdrachten

Onderzoek mijnbouw-bodembeweging

Dit budget betreft voor het grootste deel onderzoek binnen het Kennisprogramma Effecten Mijnbouw (KEM) en (onderzoeks)opdrachten van de Technische commissie bodembeweging (Tcbb) en de Mijnraad gerelateerd aan de aardbevingsproblematiek in Groningen de na-ijlende effecten van de voormalige steenkolenwinning in Limburg. Ook worden uit dit budget adviezen bekostigd in het kader van de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (WABO).

SodM onderzoek

Het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) heeft op basis van haar onafhankelijke positie een eigen budget om onderzoek in het kader van het Kennisprogramma Effecten Mijnbouw (KEM) uit te kunnen voeren.

Uitvoeringsagenda Klimaat

Vanuit dit budget worden uitvoerings- en onderzoeksopdrachten voor de ontwikkeling van de klimaatagenda, inclusief onderzoek naar veiligheidsrisico’s en risicoperceptie van de klimaatmaatregelen, gefinancierd.

Klimaat mondiaal

Dit budget is bedoeld om kosten rondom mondiale klimaatprojecten, zoals de jaarlijkse Conference of Parties (COP) klimaatbijeenkomst, te financieren.

Overige onderzoeken en opdrachten

Dit betreft kleinere onderzoeksopdrachten die dienen ter ondersteuning van het klimaat- en energiebeleid en die veelal gericht zijn op beantwoording van één specifieke vraag. Ook worden diverse uitgaven ter uitvoering van de Rijkscoördinatieregeling (RCR) uit dit budget bekostigd, zoals het ondersteunen van Rijksinpassingsplannen, opstellen MER-adviezen ten aanzien van kavelbesluiten, het opstellen en uitvoeren van communicatieplannen, het inschakelen van gebiedscoördinatoren en planschadeadviseurs en het doen van planschade-uitkeringen. Het RCR-budget is ook bedoeld om de visie uit de Kamerbrief «Samen energieprojecten realiseren: visie op omgevingsmanagement» en vervolgbrieven (Kamerstuk 31 239, nr. 211, Kamerstuk 31 239, nr. 254) binnen de RCR vorm te geven. Het budget wordt ook aangewend om pilots, ondersteuning en training op het gebied van omgevingsmanagement binnen RCR-projecten (wind, zon, hoogspanning, mijnbouw) te organiseren.

Bijdrage aan agentschappen

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl)

Dit budget betreft vooral de kosten van uitvoering door RVO.nl van energiesubsidieregelingen, waaronder de innovatieregelingen (DEI+, MOOI, HER+), de ISDE en Stimulering Duurzame Energieproductie/Energietransitie (SDE/SDE+/SDE++). Voor een deel heeft het budget betrekking op voorbereidende en uitvoerende werkzaamheden van RVO.nl op het gebied van het klimaat- en energiebeleid naar aanleiding van het Klimaatakkoord.

Agentschap Telecom (AT)

Medio 2019 is afgesproken dat de huidige fiscale salderingsregeling niet wordt opgevolgd met een subsidie-instrument, zoals in het Regeerakkoord stond, maar een fiscale regeling blijft die wordt uitgefaseerd door middel van een geleidelijke afbouw (Kamerstuk 31 239, nr. 305). Voor een geleidelijke afbouw van salderen is het noodzakelijk dat burgers en bedrijven vanaf 1 januari 2023 beschikken over een meetinrichting die afname en invoeding apart kan meten. Agentschap Telecom is verantwoordelijk voor de handhaving van deze verplichting.

Nederlandse Emissieautoriteit (NEa)

Met ingang van 2018 verstrekt het Ministerie van EZK een jaarlijkse opdracht aan de NEa voor de uitvoering van alle werkzaamheden in het kader van de emissiehandel, waaronder de voorbereidingen voor de vierde handelsperiode, voor het register voor biobrandstoffen en voor het toezicht op de bijstook van biomassa bij elektriciteitscentrales. Daarnaast wordt aan de NEa opdracht verstrekt voor de handhaving van en advisering over de CO2-minimumprijs voor elektriciteitsproductie.

Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI)

De werkzaamheden die het KNMI voor het Ministerie van EZK uitvoert betreffen vooral de advisering en ondersteuning van de uitvoering van het mijnbouw-, klimaat- en energiebeleid. De werkzaamheden zijn onder te verdelen in monitoring van seismiciteit (veelvuldigheid en hevigheid waarmee op een bepaalde plaats aardbevingen voorkomen) van de gaswinning en overige mijnbouwactiviteiten, kennisontwikkeling en advisering over aan mijnbouw gerelateerde risico’s en communicatie en informatievoorziening. Daarnaast verricht het KNMI in internationaal verband diverse werkzaamheden in het kader van klimaatonderzoek voor verschillende internationale gremia, waaronder het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC).

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)

NVWA voert het toezicht uit op de naleving van de Wet Implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie. De werkzaamheden van NVWA in dat kader betreffen het uitvoeren van inspecties en producttesten, het onderhouden van internationale contacten, interventies bij niet-naleving, het volgen van marktontwikkelingen en het geven van voorlichting.

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)

De bijdrage vanuit het Ministerie van EZK betreft de uitvoering van twee kennisopdrachten voor de Emissieregistratie (vaststelling van een dataset met eenduidige emissiegegevens) en voor het Montreal Protocol (uitvoering van studies en monitoringsactiviteiten als lid van het Scientific Assessment Panel van het Montreal Protocol). Er zal op dit instrument geen realisatie plaatsvinden, omdat het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) als coördinerend opdrachtgever voor het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat optreedt en de beschikbare budgetten naar de coördinerende opdrachtgever worden overgeheveld gedurende het uitvoeringsjaar.

Rijkswaterstaat (RWS)

De werkzaamheden van RWS richten zich op de uitvoering van Infomil (centraal punt voor bundeling en verspreiding van milieuwet- en regelgeving) en de uitvoering van werkzaamheden en het leveren van expertise op het beleidsterrein klimaat (onder andere het faciliteren van kennisdeling onder medeoverheden en het uitvoeren van wettelijke taken rondom ozonlaagafbrekende stoffen en gefluoreerde broeikasgassen).

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Doorsluis heffing Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten (COVA)

Het crisisbeleid gericht op de olievoorzieningszekerheid dient verstoringen in de olieaanvoer op te vangen. De Stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten (COVA) en het oliebedrijfsleven houden in opdracht van EZK strategische olievoorraden aan in lijn met wat hierover geregeld is in de Wet voorraadvorming aardolieproducten (Wva 2012). De uitgavenreeks op de EZK-begroting betreft de doorsluis van de ontvangen voorraadheffingen naar de COVA. De voorraadheffing is een heffing ingesteld op aan accijns van minerale oliën onderworpen aardolieproducten. De heffing bedraagt momenteel € 8,– per 1.000 liter benzine, diesel, LPG en andere (motor)brandstoffen en wordt door de Minister van Financiën geheven en ingevorderd door de Belastingdienst. De Minister van EZK keert de opbrengst van de heffing uit aan de stichting COVA ter dekking van de operationele kosten en financieringslasten van de COVA.

TNO Kerndepartement

Dit betreft een bijdrage vanuit het Ministerie van EZK aan de Adviesgroep Economische Zaken van TNO (TNO-AGE) voor de adviestaak voortvloeiend uit de Mijnbouwwet en Mijnbouwregeling. De adviserende taak ligt op het vlak van het opsporen en winnen van delfstoffen (olie, gas en steenzout) en aardwarmte en van het opslaan van stoffen in de (diepe) ondergrond van Nederland. Daarnaast wordt uit dit budget het toegepaste duurzame energieonderzoek gefinancierd dat met ingang van 2018 van ECN is overgegaan naar TNO.

TNO SodM

Dit betreft eveneens de adviestaak van TNO-AGE voortvloeiend uit de Mijnbouwwet en de Mijnbouwregeling, maar dan de bijdrage vanuit het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM).

Bijdragen aan medeoverheden

Uitkoopregeling

Woningen die loodrecht onder de hoogspanningslijnen staan van 220kV- en 380kV-verbindingen en 110kV- en 150kV-verbindingen buiten de bevolkingskernen, komen sinds 1 januari 2017 in aanmerking voor uitkoop. Het Rijk heeft in de periode 2017-2021 € 140 mln beschikbaar gesteld voor een vrijwillige uitkoopregeling onder de voorwaarde dat de betrokken gemeenten zorgen dat door herbestemming de woonfunctie van het betreffende pand wordt gewijzigd. De regeling is samen met de betrokken gemeenten uitgewerkt en heeft een looptijd van vijf jaar (Stcrt. 2016, 68302): 2021 is daarmee het laatste jaar dat huiseigenaren een beroep op de regeling kunnen doen. De regeling wordt door de betrokken gemeenten uitgevoerd. In samenhang hiermee heeft het Rijk per 1 januari 2019 wettelijk mogelijk gemaakt dat op verzoek van een gemeente en/of provincie bestaande hoogspanningslijnen van 50, 110 en 150 kV binnen bevolkingskernen onder de grond gebracht kunnen worden (verkabelen) of dat de tracés kunnen worden verplaatst.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Nuclear Research and consultancy Group (NRG)

De Nuclear Research and consultancy Group is onderdeel van de Stichting NRG en vormt samen met de Stichting Voorbereiding Pallas-reactor (PALLAS) een personele unie. NRG voert onderzoeksactiviteiten uit op het gebied van onder meer de nucleaire veiligheid, radioactief afval en stralingsbescherming. Centraal daarbij staat de ontwikkeling van kennis, producten en processen voor veilige toepassing van nucleaire technologie voor energie, milieu en gezondheid.

Internationale contributies

Nederland kiest voor een actieve participatie in met name de internationale netwerken van het Internationaal Energieagentschap (IEA, kennissamenwerking en oliecrisisbeleid), het International Renewable Energy Agency (IRENA, hernieuwbare energie), Clean Energy Ministerial (CEM, uitrol van bestaande duurzame energie-technologie), Mission Innovation (vergroten van inzet op energie-innovatie) en het Energy Charter (investeringsbescherming en energietransit). De contributies volgen uit internationale verplichtingen. Daarnaast ontvangt het Clingendael International Energy Programme jaarlijks € 50.000 subsidie voor het uitvoeren van publieke activiteiten ter ondersteuning van de maatschappelijke discussie over internationale ontwikkelingen in de energiesector. Daarnaast versterken internationale klimaatcontributies de internationale positie van Nederland in het wereldwijde klimaatdebat. Deze contributies gaan onder andere naar het United Nations Framework Convention on Climate Change (UNFCCC), het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC), het Montrealprotocol, het verdrag van Wenen en de OESO.

PBL Rekenmeesterfunctie

Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) ontvangt een jaarlijkse bijdrage om als Rekenmeester een drietal taken uit te kunnen voeren:

  • Kerntaken rekenmeester energie- en klimaatbeleid (KEV, beleidsdoorrekeningen, inbreng (Europese en internationale) rapportages, modelontwikkeling en -onderhoud)

  • Beleidsondersteuning

  • Ondersteuning SDE+/SDE++

Zie ook het Convenant Rekenmeesterfunctie 2021-2025.

Stortingen in reserves

Voor de stortingen in de verschillende reserves wordt verwezen naar wat hierover is opgenomen onder ‘toelichting op de begrotingsreserves’.

Toelichting op de ontvangsten

COVA

Deze ontvangsten betreffen ontvangsten uit hoofde van de voorraadheffing COVA, zoals toegelicht bij de uitgavenpost «Doorsluis heffing COVA».

Opbrengst heffing ODE (SDE+/SDE++)

Het uitgaveninstrument voor de SDE+-subsidie is tegelijkertijd ingesteld met een opslag op de energierekening, de Opslag Duurzame energie- en klimaattransitie (ODE). Deze opslag is in 2013 ingevoerd en de bijbehorende ontvangsten stijgen naar de huidige inzichten in de raming licht van € 2,65 mld in 2021 naar € 2,7 mld in 2022.

Bij het aanpassen van de lastenverdeling in de ODE van 50/50 naar een 33/67 lastenverdeling tussen huishoudens en bedrijven is afgesproken de belastingvermindering in de energiebelasting (EB) te verhogen, namelijk met € 55 (excl. btw) in 2020 geleidelijk oplopend naar € 78 (excl. btw) in 2030. Deze oploop van de belastingvermindering volgt de oploop van de SDE+(+)-kasuitgaven, waardoor in 2020 een bedrag van € 2.411 mln en in 2030 een bedrag van € 3.411 mln middels de ODE gedekt dient te worden. De totale (bruto) ODE-opbrengst is hierdoor gelijk aan de ex-ante geraamde SDE+(+)-kasuitgaven plus een additioneel budget ten behoeve van een verhoging van de belastingvermindering in de EB. De belastingvermindering komt echter uitsluitend ten laste van de EB. Hierdoor is de totale ODE-opbrengst in de financiële verantwoording structureel hoger dan de SDE+(+)-kasuitgaven.

Tabel 35 ODE-opbrengsten 2017 ‒ 2030 (bedragen x € 1 mln)

Jaar

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

2028

2029

2030

Bruto ODE opbrengsten1

635

1.033

1.632

2.851

3.131

3.183

3.356

3.621

3.782

3.527

3.512

3.536

3.815

4.035

Teruggaaf via verhoogde belastingvermindering in de EB2

   

‒ 440

‒ 483

‒ 491

‒ 518

‒ 559

‒ 584

‒ 544

‒ 542

‒ 546

‒ 589

‒ 624

Netto ODE opbrengsten3

   

2.411

2.648

2.692

2.838

3.062

3.198

2.983

2.970

2.990

3.226

3.411

1

Voor de jaren 2017 t/m 2019 is voor de bruto ODE opbrengsten uitgegaan van realisatiecijfers van het CBS. Voor de jaren 2020 t/m 2022 is uitgegaan van de ingeboekte ODE opbrengsten. Omdat de ODE-tarieven voor deze jaren reeds zijn vastgesteld is het mogelijk dat de gerealiseerde ODE opbrengsten op termijn lager uitvallen dan ingeboekt als gevolg van verdere grondslagerosie. Voor de jaren 2023-2030 zijn nog geen ODE-tarieven vastgesteld en zijn de bij het regeerakkoord vastgestelde kasuitgaven van de SDE++ gepresenteerd. Vanwege de oploop in de SDE-kasuitgaven en de verwachte grondslagerosie is in de huidige systematiek een verhoging van de ODE-tarieven na 2022 nodig om de verwachte uitgaven te dekken.

2

Deze opbrengsten verhogen de ODE taakstelling, maar worden teruggesluisd door het geleidelijk verhogen van de belastingvermindering in de EB. Dit om per saldo de 33/67 lastenverdeling tussen huishoudens en het bedrijfsleven te kunnen realiseren. Deze bedragen zijn tot stand gekomen op basis van de belastingsleutels van 2020.

3

De verwachte opbrengsten, en dus de verwachte kasuitgaven van de SDE++, zijn ex ante geraamd aan het begin van de huidige kabinetsperiode. De gerealiseerde ontvangsten vallen naar verwachting lager uit dan deze raming als gevolg van grondslagerosie. Grondslagerosie houdt in dat de basis (de grondslag) waarover belasting wordt betaald kleiner wordt: door energiebesparing neemt het belast verbruik van aardgas en elektriciteit naar verwachting af.

De ruimte voor de uitgaven en de geraamde inkomsten waren oorspronkelijk aan elkaar gelijk. In bijgaande tabel is de relatie tussen uitgaven voor de SDE+/SDE++ en ODE-ontvangsten verduidelijkt.

Tabel 36 Opbrengst heffing ODE (SDE+) (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand SDE+/SDE++ Ontwerpbegroting 2022

2.330.096

2.653.508

3.132.956

3.288.976

3.215.219

3.172.347

Stand ODE Ontwerpbegroting 2021

2.648.000

2.692.000

2.838.300

3.062.000

3.198.000

2.983.000

Verschil tussen SDE+/SDE++ en ODE

‒ 317.904

‒ 38.492

294.656

226.976

17.219

189.347

       

Verklaring:

      

Dekking uitvoeringskosten RVO.nl en NEa t.b.v. energieregelingen

‒ 19.051

‒ 17.608

‒ 17.608

‒ 17.608

‒ 17.608

‒ 15.648

Financiering Hernieuwbare Energietransitie (HER+)

‒ 32.426

‒ 42.140

‒ 45.540

‒ 42.000

‒ 25.540

0

Financiering InvesteringsSubsidie Duurzame Energie ( ISDE)

‒ 106.250

‒ 130.000

‒ 100.000

‒ 100.000

‒ 100.000

‒ 100.000

Geplande onttrekking aan reserve duurzame energie en klimaattransitie ten behoeve van de SDE+

447.891

 

450.000

400.000

150.000

300.000

Budgetoverheveling van/naar andere departementen

‒ 26.307

44

44

44

44

44

Overboeking naar diensten/org.onderdelen EZK (o.a. TNO, NEa, ACM)

‒ 1.165

‒ 780

‒ 780

‒ 780

‒ 780

‒ 780

Kasschuif van 2019 naar 2020, 2021 en 2022

10.800

14.300

    

Kasschuif ISDE-middelen van 2020 naar 2021 en 2022

30.000

30.000

    

Overheveling budget van MEP en SDE naar SDE+

87.831

45.000

50.000

45.000

40.000

35.000

Bijdrage EZK kosten scheepvaartveiligheid als gevolg van Wind op Zee

‒ 14.227

‒ 16.408

‒ 23.960

‒ 32.680

‒ 28.897

‒ 29.269

Bijdrage aan SCAN-programma EBN

‒ 15.000

‒ 17.500

‒ 17.500

‒ 25.000

  

Bijdrage aan lening EBN t.b.v. Porthos-project

 

‒ 53.400

    

Toevoeging uit algemene middelen voor WOZ-onderzoek in 2022

 

150.000

    

Bijdrage EZK aan generale beeld 2021

‒ 680.000

     

Totaal verklaard

‒ 317.904

‒ 38.492

294.656

226.976

17.219

189.347

Ontvangsten zoutwinning

Deze ontvangsten betreffen opbrengsten uit afgegeven concessies voor de winning van steenzout.

Onttrekking begrotingsreserve duurzame energie en klimaattransitie

De onttrekking aan de reserve in 2021 (totaal € 688 mln) is opgebouwd uit de volgende onderdelen:

  • de onttrekking van € 235,7 mln ter financiering van aanvullende maatregelen om tot CO2-reductie te komen.

  • de onttrekking van € 448 mln om enerzijds de tekorten op de uitfinanciering van de SDE en, SDE+ te dekken (als gevolg van de lage energieprijzen moet er meer subsidie uitgekeerd worden), anderzijds om de nadeelcompensatie van de sluiting van een kolencentrale te financieren.

  • de onttrekking van € 4,4 mln om de kasgevolgen van de ophoging van het budget van de Subsidieregeling Coöperatieve Energieopwekking (SCE) met € 63 mln naar € 100 mln (amendement-Sienot) te dekken.

Conform de afspraak in de Startnota van het kabinet Rutte-III dat de middelen in de reserve bij het afsluiten van het Klimaatakkoord toegevoegd zullen worden aan de voor de SDE+ beschikbare middelen, zal vanaf 2023 tot en met 2028 in totaal € 1,7 mld aan de reserve worden onttrokken. Daarnaast zal een jaarlijks bedrag van € 4,2 mln onttrokken worden om de eerder genoemde kasgevolgen van de ophoging van de SCE met € 63 mln tot en met 2035 te dekken.

ETS-ontvangsten

De opgenomen ontvangsten betreffen de geraamde opbrengsten van de verkoop van CO2-emissierechten, als onderdeel van het Europese Emissions Trading System (EU ETS). De geraamde ontvangsten zijn gebaseerd op het aantal te veilen ETS-rechten en de prijs per recht.

Tabel 37 ETS-ontvangsten
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

P1

49,81

55,04

55,72

56,33

56,94

57,55

Q

17.982.338

16.337.537

15.466.986

14.631.601

13.704.686

8.429.129

PxQ (€ mln)2

896

899

862

824

780

485

1

Getallen in de tabel zijn gebaseerd op stand 8 juli 2021, met de toen geldende forward-prijzen.

2

De ETS-ontvangsten zijn een resultante van de ontwikkeling van de ETS-prijs (P) en het aanbod van ETS-rechten (Q). De scherpe daling in 2026 is te verklaren door het vanaf dan scherp dalende uitstootplafond, wat er voor zorgt dat er vanaf dat jaar aanzienlijk minder rechten zullen worden geveild.

Diverse ontvangsten

Deze ontvangsten hebben voor een deel betrekking op doorberekening van kosten, aan initiatiefnemers van energieprojecten, die het Ministerie van EZK maakt in het kader van de Rijkscoördinatieregeling (RCR). Daarnaast worden ook de door het ministerie betaalde planschade-uitkeringen verhaald op deze initiatiefnemers. Ook de door RVO.nl terugontvangen subsidievoorschotten worden ten gunste van dit budget begroot.

Toelichting op de begrotingsreserves

Tabel 38 Stand begrotingsreserves per 31 december 2020 (bedragen x € 1.000)
  

Waarvan juridisch verplicht

Begrotingsreserve duurzame energie en klimaattransitie

4.172.783

100%

Begrotingsreserve Aardwarmte

17.499

100%

Begrotingsreserve ECN verstrekte leningen

6.600

0%

Duurzame energie

De begrotingsreserve voor duurzame energie is bestemd voor onbesteed gebleven middelen als gevolg van vertraging bij of het niet doorgaan van projecten waaraan subsidie is toegekend op basis van de MEP, de SDE, de SDE+, de SDE++, de HER+ of de ISDE. Via de reserve blijven deze middelen ook in de toekomst beschikbaar voor het stimuleren van hernieuwbare energieproductie en het bevorderen van CO2-reductie. De afspraken over en de werking van de begrotingsreserve duurzame energie en klimaattransitie zijn het meest recent toegelicht in de volgende stukken:

  • Kamerstuk 31 865, nr. 79: Brief van Minister van EZ van 25 maart 2016 inzake het behouden van de middelen van de reserve;

  • Kamerstuk 31 239, nr. 218: Brief van Minister van EZ van 1 juli 2016 inzake voor- en nadelen fondsvorming en specificaties begrotingsreserve duurzame energie, waaronder een toelichting op het aandeel «juridisch verplicht».

Tabel 39 Specificatie van begrotingsreserve duurzame energie en klimaattransitie (bedragen x € 1 mln)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Totaal

MEP (algemene middelen)

23

16

2

0

34

‒ 2

0

0

73

SDE (algemene middelen)

143

220

297

191

63

16

91

107

1.129

Tijdelijke onttrekking (MEP/SDE)

  

‒ 20

‒ 77

‒ 77

‒ 73

‒ 78

‒ 73

‒ 398

Onttrekking reserve t.b.v. ophoging ISDE-MKB (amendement-Mulder)

       

‒ 100

‒ 100

Onttrekking reserve t.b.v. financiering Urgenda 2.0-pakket

       

‒ 63

‒ 63

SDE+ (ODE gefinancierd)

59

134

204

282

281

523

903

1.146

3.532

Totaal

225

369

483

396

301

465

916

1.018

4.173

Eind 2020 bedraagt de stand van de reserve € 4.173 mln. Daarvan is 100% juridisch verplicht. Bij de huidige inzichten is de in de meerjarencijfers beschikbare uitgavenruimte voorlopig toereikend voor de kasuitloop van de afgegeven beschikkingen. Naar de huidige inzichten, onder meer gebaseerd op de meerjarenramingen van RVO.nl (de uitvoerder van de SDE++), zal de begrotingsreserve duurzame energie en klimaattransitie in 2021 afnemen met € 622 mln (saldo storting en onttrekking).

Tabel 40 Overzicht geraamd verloop begrotingsreserve duurzame energie en klimaattransitie (bedragen x € 1.000)

Stand per 1/1/2021

Verwachte toevoegingen 2021

Verwachte onttrekkingen 2021

Verwachte stand per 1/1/2022

Verwachte toevoegingen 2022

Verwachte onttrekkingen 2022

Verwachte stand per 31/12/2022

4.172.783

66.333

‒ 687.971

3.551.145

66.333

‒ 4.186

3.613.292

Voor 2022 wordt een onttrekking aan de reserve geraamd van € 4,2 mln. Deze onttrekking heeft betrekking op de financiering van de kasuitgaven die het gevolg zijn van het amendement-Sienot over € 63 mln extra budget voor de Subsidieregeling Coöperatieve Energieopwekking (SCE, zie bij Ontvangsten).

Met de brief van 25 maart 2016 (Kamerstuk 31 865, nr. 79, blz. 2) is uiteengezet dat een nieuw kabinet de in de begrotingsreserve opgebouwde middelen kan overboeken naar de begroting en de meerjarencijfers op basis van de dan actuele inzichten. In 2021 en 2022 is rekening gehouden met de eerste terugstortingen van jaarlijks € 66,3 mln als compensatie van in totaal € 398 mln die in de jaren 2015 tot en met 2020 tijdelijk aan de reserve was onttrokken. In de jaren 2023 tot en met 2028 is verder rekening gehouden met een onttrekking uit de begrotingsreserve en overboeking naar het SDE+-budget van in totaal € 1,7 mld. Van de € 3,55 mld die naar verwachting eind 2021 in de begrotingsreserve beschikbaar is zal dan eind 2032 nog ruim € 2,14 mld resteren. Deze € 2,14 mld kan gezien worden als een buffer om eventuele tegenvallers in de ontwikkeling van de energieprijs (en daarmee hogere subsidie-uitkeringen) in de periode 2021-2030 op te kunnen vangen. Zie tabel 34 voor het overzicht van alle geplande stortingen in en onttrekkingen aan de reserve.

Aardwarmte

De begrotingsreserve voor de garantieregeling Aardwarmte is bedoeld om het budget voor het mogelijk uitbetalen van verliesdeclaraties meerjarig in te kunnen zetten en een eventuele mismatch in de tijd tussen inkomsten (premies) en uitgaven (verliesdeclaraties) op te vangen. Om gebruik te kunnen maken van de garantieregeling Aardwarmte betalen marktpartijen een kostendekkende premie aan de uitvoerder van de regeling (RVO.nl) die wordt gestort in de begrotingsreserve. Het uitstaande bedrag aan garanties bedroeg per 1 januari 2021 € 12,6 mln. Uit het toetsingskader van de garantieregeling aardwarmte blijkt dat, rekening houdend met het risicoprofiel van de aardwarmtegaranties (tussen de 1,4% kans op volledige en 7,6% op gedeeltelijke mislukking), de huidige omvang van de begrotingsreserve samen met de over de verstrekte garanties te ontvangen provisies (7%) benodigd is om ook in 2022 een garantieplafond van € 66,6 mln mogelijk te maken. Gelet op de uitstaande garanties en het genoemde risicoprofiel is de gehele reserve benodigd om mogelijke verliesdeclaraties op te kunnen vangen en is daarmee voor 100% inflexibel.

Omdat aardwarmte/geothermie ook in het Klimaatakkoord een belangrijke rol speelt, is de verwachting dat de komende jaren een toenemend beroep op de garantieregeling zal worden gedaan. Dit zal enerzijds leiden tot hogere premie-inkomsten (stortingen), anderzijds tot hogere uitgaven aan verliesdeclaraties (onttrekkingen). Wat dit per saldo voor gevolgen zal hebben voor de omvang van de reserve is nu nog niet te voorzien.

Voor meer informatie over de ontwikkeling van de garanties en het verloop van de reserve wordt verwezen naar het overzicht van de risicoregelingen in het hoofdstuk Beleidsagenda van deze begroting.

Tabel 41 Overzicht geraamd verloop begrotingsreserve Aardwarmte (bedragen x € 1.000)

Stand per 1/1/2021

Verwachte toevoegingen 2021

Verwachte onttrekkingen 2021

Verwachte stand per 1/1/2022

Verwachte toevoegingen 2022

Verwachte onttrekkingen 2022

Verwachte stand per 31/12/2022

17.499

774

‒ 69

18.204

0

‒ 80

18.124

Risicopremie ECN/NRG

De middelen in de begrotingsreserve risicopremie ECN/NRG zullen worden aangesproken als NRG – al dan niet tijdelijk – (gedeeltelijk) niet kan voldoen aan de terugbetalingsverplichtingen volgens de afgesloten leningsovereenkomst. Deze reserve betreft uitsluitend een zekerstelling binnen de rijksbegroting. Derden kunnen geen beroep op deze middelen doen en daarmee zijn de middelen op deze reserve niet juridisch verplicht.

Tabel 42 Overzicht geraamd verloop begrotingsreserve ECN (bedragen x € 1.000)

Stand per 1/1/2021

Verwachte toevoegingen 2021

Verwachte onttrekkingen 2021

Verwachte stand per 1/1/2022

Verwachte toevoegingen 2022

Verwachte onttrekkingen 2022

Verwachte stand per 31/12/2022

6.600

0

0

6.600

0

0

6.600

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage ‘Fiscale regelingen’ in de Miljoenennota. De fiscale regeling die niet in onderstaande tabel is opgenomen, maar wel op dit beleidsartikel betrekking hebben, is de EB Verlaagd tarief openbare laadpalen.

Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota ‘Toelichting op de fiscale regelingen’.

Tabel 43 Fiscale regelingen 2019–2021, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (bedragen x € 1 mln)1
 

2020

2021

2022

Energie-investeringsaftrek (EIA)

145

149

149

EB Teruggaaf energie-intensieve industrie2

9

0

0

EB Salderingsregeling

303

330

355

EB Vrijstellingen voor energie-intensieve processen

116

135

139

EB Stadsverwarmingsregeling

67

71

74

EB Inputvrijstelling voor elektriciteitsopwekking

687

729

741

Inputvrijstelling kolenbelasting voor elektriciteitsopwekking

86

86

84

Inputvrijstelling kolenbelasting voor duaal verbruik

25

26

26

1

[-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

2

EB = Energiebelasting

Overzicht maatregelen in het kader van het Klimaatakkoord

Conform de motie Leegte (Kamerstuk 30 196, nr. 278) is onderstaand een totaaloverzicht opgenomen van alle maatregelen van alle ministeries ten behoeve van het Klimaatakkoord, inclusief die gericht zijn op de uitvoering van het Urgenda-vonnis. De maatregelen zijn gegroepeerd op basis van de sectorindeling van het Klimaatakkoord waaraan de maatregelen het meest direct bijdragen. Sommige maatregelen dragen echter ook bij aan andere sectoren.

In de begrotingen van Infrastructuur en Waterstaat (IenW), Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) zijn verwijzingen naar dit totaaloverzicht opgenomen. De betreffende maatregelen die op deze begrotingen staan zijn in onderstaand overzicht opgenomen. Achter de maatregelen in dit overzicht wordt aangegeven op welke begroting en beleidsartikel de maatregelen feitelijk staan.

De budgettaire gevolgen van het Klimaatakkoord zijn opgenomen in het Klimaatakkoord (Kamerstuk 32 813, nr. 348). De fiscale maatregelen zijn, met uitzondering van de Energie-InvesteringsAftrek (EIA) en de MIA/VAMIL voor zover dat een Urgenda-maatregel betreft, niet meegenomen in dit overzicht en worden ook niet apart vermeld in de begroting van Financiën (IX).

Het kabinet heeft besloten om € 6,8 mld extra te investeren in klimaatmaatregelen, bovenop het bestaande klimaatbeleid. Een deel hiervan is nodig voor de uitvoering van het Klimaatakkoord. Bijna het volledige bedrag zal aanvankelijk worden gereserveerd op de Aanvullende Post bij het Ministerie van Financiën en zal later - onder voorwaarde van een bestedingsplan – worden overgeheveld naar de diverse departementale begrotingen. Zodra dit is gebeurd zullen de bedragen aan onderstaand overzicht worden toegevoegd.

Tabel 44 Overzicht maatregelen in het kader van het Klimaatakkoord (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

ELEKTRICITEIT

3.278.681

3.320.077

3.752.623

4.146.417

4.202.503

4.054.236

3.963.998

MEP (EZK, art. 4)

429

0

0

0

0

0

0

SDE (EZK. art. 4)

587.388

623.000

687.400

648.200

559.800

515.500

492.500

SDE+ incl. flankerend beleid en Net op Zee (EZK, art.4)

1.192.654

1.859.096

2.585.508

3.077.956

3.117.976

2.819.219

2.634.347

SDE++ (EZK, art. 4)

0

471.000

68.000

55.000

171.000

396.000

538.000

Subsidieregeling Coöperatieve Energieopwekking (EZK, art. 4)

0

418

10.519

13.096

15.385

17.428

18.877

Storting in begrotingsreserve duurzame energie (EZK, art. 4)

1.253.716

66.333

66.333

66.333

66.333

66.333

66.333

InvesteringsSubsidie Duurzame Energie (EZK, art.4)

101.383

130.250

130.000

100.000

100.000

100.000

100.000

Missiegedreven Onderzoek Ontwikkeling en Innovatie (MOOI) (EZK, art. 4)

40.675

55.437

60.135

58.524

54.015

48.735

43.700

Demonstratieregeling Klimaat en Energie-innovatie (DEI+) (EZK, art. 4)

33.605

52.715

75.963

55.143

49.369

38.856

45.576

Hernieuwbare Energietransitie (HER+) (EZK, art. 4)

38.427

32.426

42.140

45.540

42.000

25.540

0

Maatregelen CO2-reductie (EZK, art. 4)

303

0

0

0

0

0

0

Retourpremie koel- en vrieskasten (IenW, art. 21)

0

1.000

0

0

0

0

0

Bijdrage RVO.nl uitvoeringslasten MEP/SDE/SDE+/SDE++/ISDE/HER+ (EZK, art. 4)

30.101

28.402

26.625

26.625

26.625

26.625

24.665

        

INDUSTRIE

153.927

276.018

236.579

140.224

146.889

125.985

113.780

Compensatie indirecte kosten ETS (EZK, art. 2)

0

0

81.600

0

0

0

0

Compensatie indirecte kosten ETS (EZK, art. 4)

110.083

179.542

0

0

0

0

0

Verduurzaming industrie (EZK, art. 2)

4.844

15.104

23.936

45.744

60.429

72.725

78.700

Urgenda en industrie (EZK, art. 2)

9.982

34.983

35.300

43.150

36.350

10.200

2.100

Infrastructuur Duurzame Industrie (PIDI. EZK, art. 2)

0

10.460

13.500

13.500

13.500

13.500

0

Opschalingsinstrument waterstof (EZK, art. 4)

0

0

4.000

18.150

15.130

9.080

12.500

Stimulering van CO2-reducerende maatregelen Circulaire Economie en Recycling en biobase kunsstoffen en textile(IenW, art. 21 via DEI+)

17.733

7.523

10.763

0

0

0

0

Chemische recycling (IenW, art. 21)

0

2.700

0

0

0

0

0

Circulaire maatregelen in de Grond, Weg en Waterbouw (IenW, art. 21)

0

7.500

0

0

0

0

0

Maatregelen in de Grond- Weg- en Waterbouw (GWW) (IenW, art. 21)

1.000

2.000

2.000

3.000

3.000

3.000

3.000

Ketenaanpak (IenW, art. 21)

3.000

3.000

3.000

5.000

5.000

5.000

5.000

Klimaatneutraal en circulair inkopen en aanbesteden (IenW, art. 21)

1.000

2.000

2.000

3.000

3.000

3.000

3.000

Kunststof- en textielrecycling (IenW, art. 21)

0

3.000

3.000

4.000

4.000

4.000

4.000

Ophoging budget subsidieregeling circulaire ketenprojecten (IenW, art. 21)

0

3.000

0

0

0

0

0

CCS, leningdeel (EZK, art. 4)

0

0

53.400

0

0

0

0

CCS, subsidiedeel (EZK, art. 4)

6.285

5.206

4.080

4.680

6.480

5.480

5.480

        

GEBOUWDE OMGEVING

430.278

357.701

400.686

229.218

174.409

162.533

161.075

Aardwarmte (SCAN-programma EBN) (EZK, art. 4)

15.000

15.000

17.500

17.500

25.000

0

0

Expertisecentrum Warmte (EZK, art. 4)

4.012

2.101

0

0

0

0

0

WarmtelinQ, subsidiedeel (EZK, art. 4)

0

35.000

50.000

0

0

0

0

WarmtelinQ, leningdeel (EZK, art. 4)

0

0

0

37.500

0

0

0

Storting in begrotingsreserve aardwarmte (EZK, art. 4)

0

774

0

0

0

0

0

Garantieregeling Aardwarmte (EZK, art. 4)

4.475

0

0

0

0

0

0

Bijdragen aan agentschappen (BZK, art. 4)

6.336

3.982

5.012

682

523

523

523

Energiebesparing huursector STEP (BZK, art. 4)

101.506

35.800

18.951

0

0

0

0

Energietransitie en duurzaamheid (Subsidies en opdrachten) (BZK, art. 4)

15.701

13.415

10.598

8.275

8.152

2.700

6.552

Uitvoeringskosten medeoverheden lokale energietransitie en RES aanpak (BZK art. 4)

  

72.500

    

Energiebesparing Koopsector SEEH (BZK, art. 4)

2.490

15.500

4.990

810

3.400

800

1.500

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken Innovatieprogamma CO2 (BZK art. 4)

0

38

9.135

11.201

13.584

13.760

30.000

GF aardgasvrije wijken (PAW) (BZK, art. 4)

0

0

55.000

0

0

0

0

Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen (SAH) (BZK, art. 4)

28.796

21.000

26.000

32.500

20.000

28.000

38.000

Renovatieversneller klimaatakkoord (BZK, art. 4)

0

0

9.000

18.750

29.750

39.750

0

Verduurzaming en ontzorging maatschappelijk vastgoed (BZK, art. 4)

8.000

15.317

0

0

0

0

0

Subsidieregeling energiebesparing eigen huis (SEEH+) en Programma reductie energieverbruik (PRE) (BZK, art. 4)

146.898

77.400

7.800

4.600

0

0

0

Programma reductie energieverbruik (PRE) (BZK, art. 4)( koop en huur)

30.064

94.974

0

0

0

0

0

Warmtefonds (BZK, art. 4)

67.000

27.400

114.200

97.400

74.000

77.000

77.000

Reservering opschaling aardgasvrije wijken1

0

0

0

0

0

0

7.500

        

MOBILITEIT

86.513

124.797

122.775

184.316

184.526

144.596

80.456

Subsidieregeling Duurzame Scheepsbouw (EZK, art. 4)

2.834

3.372

7.075

5.296

1.696

1.696

1.696

Demonstratieregeling Klimaattechnologie - Klimaatenveloppe 2019 (IenW, art. 14)

13.700

8.000

0

0

0

0

0

Laadinfrastructuur - Klimaatenveloppe 2019 (IenW, art. 14)

15.000

0

0

0

0

0

0

Duurzame energiedragers zero-emissiebussen (IenW, art. 14)

2.146

2.900

11.700

14.200

14.700

12.200

12.200

Duurzame energiedragers tankinfra (IenW, art. 14)

1.140

3.500

5.000

6.500

8.700

5.000

5.000

Duurzame logistiek (IenW, art. 14)

4.885

13.000

15.000

20.000

20.000

15.000

15.000

Verduurzaming personenmobiliteit (IenW, art. 14)

7.800

10.000

10.000

11.000

11.500

10.000

10.000

Klimaatakkoord: Elektrisch Vervoer (IenW, art. 14)

3.699

6.000

6.000

6.000

6.940

6.820

0

Klimaatakkoord: nieuwe elektrische auto's (IenW, art. 14)

7.261

18.250

9.000

24.870

41.750

46.750

0

Klimaatakkoord: 2e hands elektrische auto's (IenW, art. 14)

6.168

15.000

9.000

32.750

37.750

2.750

2.750

Klimaatakkoord: Bestel en Vracht (IenW, art. 14)

120

17.300

25.000

38.700

41.490

44.380

33.810

Aanvulling klimaatakkoord: Fietsparkeren (IenW, art. 13)

0

25.000

25.000

25.000

0

0

0

Maatregelen in de Grond-Weg- en Waterbouw (IenW, art. 21)

16.500

0

0

0

0

0

0

Campagne veilige, zuinige, stille banden op spanning (IenW, art. 14)

514

775

0

0

0

0

0

Campagne het nieuwe rijden (IenW, art. 14)

200

1.700

0

0

0

0

0

Versterken overige gedragsmaatregelen, monitoring en evaluatie (IenW, art. 14)

2.046

0

0

0

0

0

0

Bijdrage RWS (IenW, art. 21)

2.500

0

0

0

0

0

0

        

LANDBOUW EN LANDGEBRUIK

147.341

194.724

165.255

91.193

88.705

124.758

113.133

Innovatieagenda Energie (LNV, art. 21)

5.761

12.095

8.503

11.788

11.909

11.909

14.909

Marktintroductie energie innovaties (MEI) (LNV, art. 21)

3.764

6.039

5.889

5.789

5.539

5.539

5.539

Energie-efficiency glastuinbouw (EG) (LNV, art. 21)

9.367

22.737

16.275

17.275

18.356

27.854

52.561

Subsidieregeling sanering varkenshouderijen (LNV, art. 21)

25.137

41.863

3.000

0

0

0

0

Subsidieregeling brongerichte verduurzaming stal- en managementmaatregelen (LNV, art. 21)

2.049

13.748

15.853

19.820

18.518

51.637

10.000

Geïntegreerde aanpak methaan en ammoniak via voer- en dierspoor (LNV, art. 21) pilots en demo's en randvoorwaarden voor verdienmodel klimaatvriendelijke producten2

12.355

2.034

7.580

8.678

8.609

8.805

8.805

Bodem (bodemkoolstof) en klimaatadaptatie (LNV, art. 21)

1.378

3.599

4.428

3.036

1.917

2.017

1.092

Kunstmestvervanging (LNV, art. 21)3

0

500

3.000

6.000

6.000

5.500

11.000

Advisering ondernemers ikv kringlooplandbouw (LNV, art. 21) en tegengaan voedselverspilling (LNV, art. 21)4

5.235

4.109

4.227

4.227

4.227

4.227

4.227

Versterken bomen, bos, natuur (LNV, art. 22)

6.000

6.000

6.000

6.000

6.000

3.500

3.500

Aanpak veenweideproblematiek en impuls veenweidegebieden (LNV, art. 22)

76.295

62.000

10.500

8.580

7.630

3.770

1.500

Minder intensief landgebruik veehouderijen nabij Natura 2000-gebieden (LNV, art. 22)

0

20.000

80.000

0

0

0

0

        

SECTOROVERSTIJGENDE EN OVERIGE MAATREGELEN

242.831

305.124

346.001

320.368

320.368

290.368

290.368

MJA3 / MEE / Uitvoeringsprogramma Energiebesparing (EZK, art. 4)

2.249

1.860

2.368

2.368

2.368

2.368

2.368

EIA (FIN, fiscaal)

145.000

149.000

149.000

149.000

149.000

149.000

149.000

MKB-vouchers (EZK, art. 4)

0

3.392

25.633

0

0

0

0

MIA/VAMIL (fiscaal, FIN)

90.000

139.000

169.000

169.000

169.000

139.000

139.000

Uitvoeringskosten voor RVO.nl voor de ophoging van de MIA en de VAMIL (IenW, art. 21)

300

0

0

0

0

0

0

Verbetering en optimalisatie industriele wasproces van plastic verpakkingen (IenW, art. 21)

0

1.872

0

0

0

0

0

Subsidieregeling Energiebesparing en duurzame energie sportaccommodaties (EZK, art. 4)

32

0

0

0

0

0

0

Bijdrage RVO.nl uitvoeringslasten Energieakkoord/Klimaatakkoord (EZK, art. 4)

5.250

10.000

0

0

0

0

0

        

Totaal

4.339.571

4.578.441

5.023.919

5.111.736

5.117.400

4.902.476

4.722.810

1

het bedrag staat nog op de Aanvullende Post bij het ministerie van Financiën.

2

De enveloppegelden voor Integrale aanpak methaan en ammoniak, brongerichte maatregelen pilots en demo's en randvoorwaarden voor verdienmodellen klimaatvriendelijke producten zijn samengevoegd binnen één begrotingsinstrument. De budgetten voor 2021 en verder voor klimaat op dit instrument - gecorrigeerd voor stikstofmiddelen voor extra uren weidegang - zijn weergegeven op stand julibrief 2021; 2020 betreft hoofdzakelijk realisatie middels overboekingen naar andere (kennis- en innovatie-)instrumenten. Ook voor 2021 en 2022 zijn overboekingen verwerkt in het kader van de uitvoering van bestedingenplannen, waardoor het budget lager is. Bij de realisatie zullen telkens de gerealiseerde overboekingen worden weergegeven naast de belasting van het begrotingsinstrument om een goed beeld te geven van de uitgaven.

3

Het betreft hier klimaat- en stikstofmiddelen.

4

Reguliere LNV-middelen, die bijvoorbeeld ook al voor het Voedingscentrum waren bestemd, zijn ook in de reeks opgenomen. Dit omdat bij het desbetreffende begrotingsinstrument ook met reguliere uitgaven onder andere verspilling wordt tegengegaan.

Licence