Base description which applies to whole site

Beleidsartikel 4 Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering

De doelstelling bij artikel 4 is om in het kader van het klimaatbeleid in internationaal verband bij te dragen aan het realiseren van de doelen van de klimaatovereenkomst van Parijs en, in Europees verband, het beperken van de uitstoot van broeikasgassen in 2030 met minstens 40% ten opzichte van 1990. Samen met andere lidstaten streven naar een ambitieuzer klimaatbeleid; klimaatneutraliteit in 2050 in de EU en daarvan afgeleid een reductiedoel van 55% voor 2030.

Nationaal worden de doelen uit de Klimaatwet nagestreefd:

  • een reductie van de emissies van broeikasgassen van 49% in 2030 ten opzichte van 1990

  • een reductie van de emissies van broeikasgassen met 95% in 2050 ten opzichte van 1990

  • een volledige CO2-neutrale elektriciteitsproductie in 2050.

In het kader van het energiebeleid werken we toe naar een CO2-arme energievoorziening die veilig, betrouwbaar en betaalbaar is, op zodanige wijze dat economische kansen worden verzilverd en energie in het ruimtelijk beleid is geïntegreerd. De belangrijkste maatschappelijke uitdagingen waarop gefocust wordt zijn de klimaat- en energietransitie en de goede technische en veilige invulling van de afbouw van de gaswinning uit het Groningenveld.

Op de korte termijn stuurt het kabinet op de energiedoelstellingen, zoals overeengekomen in het Energieakkoord: 14% duurzame energie in 2020 en 16% in 2023; gemiddeld 1,5% energiebesparing per jaar en 100 PJ in 2020; creëren van ten minste 15.000 voltijdsbanen. De inzet voor 2030 en verder is gericht op de totstandkoming en uitvoering van de afspraken uit het Klimaatakkoord en het Klimaatplan, in lijn met de doelen uit de Klimaatwet. In het Klimaatplan worden de maatregelen benoemd om de doelstellingen uit de Klimaatwet te bereiken. Een belangrijk deel van deze maatregelen komt voort uit het Klimaatakkoord. De maatregelen vormen een samenhangend pakket dat door verschillende partijen in verschillende sectoren wordt uitgevoerd. De maatregelen zijn er onder andere op gericht om CO2-reducerende technieken verder uit te rollen en rendabel te maken, knelpunten die een transitie naar een CO2-arme economie in de weg staan op te lossen en regionale en lokale samenwerking en participatie rond de transitie te versterken.

Om deze doelstellingen te bereiken zet EZK financiële instrumenten in zoals subsidies en garanties, maar ook niet-financiële instrumenten zoals het stroomlijnen van energieregelgeving om de werking van de energiemarkt te verbeteren, de regeldruk te verminderen en efficiënter toezicht mogelijk te maken.

In de kamerbrief met betrekking tot het Lentepakket Europees Semester 2019 heeft het kabinet gereageerd op de landspecifieke aanbevelingen 2019 van de Europese Commissie (Kamerstuk 21 501-20, nr. 1467). Als onderdeel van de investeringsaanbeveling beveelt de Commissie aan om het investeringsbeleid meer te focussen op investeringen in hernieuwbare energie, energie-efficiëntie en het terugdringen van de emissie van broeikasgassen. De Commissie constateert daarbij dat Nederland op koers ligt om het doel voor broeikasgasreductie in de non-ETS sectoren in 2020 te halen. Ook stelt de Commissie dat het doel voor hernieuwbare energie in 2020 waarschijnlijk niet gehaald wordt zonder aanvullende maatregelen. Het kabinet staat voor een ambitieus klimaat- en energiebeleid. Het kabinet blijft inzetten op het realiseren van de doelen uit het Energieakkoord. Daarnaast worden maatregelen genomen om in 2030 49% broeikasgasreductie te realiseren ten opzichte van 1990. Hiervoor heeft het kabinet in het Regeerakkoord aanvullende middelen beschikbaar gesteld onder andere via de SDE+ en de Klimaatenvelop. Daarnaast heeft het kabinet bij Najaarsnota 2018 nog € 500 mln beschikbaar gesteld om de klimaatdoelen voor 2030 te halen.

Op het gebied van het klimaatbeleid regisseert de Minister van EZK, op basis van de Klimaatwet, het nationale klimaatbeleid en de inhoudelijke lijn voor de nationale inbreng in de ontwikkeling van het Europese en het mondiale klimaatbeleid.

De Minister van EZK is verder op grond van de Elektriciteitswet 1998, de Gaswet en de Mijnbouwwet verantwoordelijk voor het energiebeleid. Hieruit vloeien de volgende verantwoordelijkheden voort:

Klimaatbeleid

Regisseren

  • Regisseren van het nationale klimaatbeleid op basis van de nationale doelen en de werkwijze zoals deze is vastgelegd in de Klimaatwet, met het oog op het door Nederland nakomen van de (onder andere) in United Nations Framework Convention on Climate Change (UNFCCC) en EU-verband gemaakte afspraken over het reduceren van CO2 en overige broeikasgasemissies. Hieronder valt ook het emissiehandelssysteem, waarin CO2-emissierechten worden toegewezen en geveild.

  • De regie op de internationale aspecten van het klimaatbeleid, inclusief het politieke optreden en de vertegenwoordiging in de betreffende internationale gremia. Daaronder vallen onder andere de Europese Transport- en Milieuraad en relevante VN-bijeenkomsten.

(Doen)Uitvoeren

  • De coördinatie van de Nederlandse inzet in internationaal kader bij de vaststelling van normen en plafonds, de vertaling daarvan naar Nederlandse wet- en regelgeving en de verdeling van doelstellingen over sectoren en milieuthema’s. De doelen en normen hebben betrekking op het reduceren van CO2-emissies van motorvoertuigen, op brandstofkwaliteit, op de productie en de inzet van duurzame biobrandstoffen, op de mondiale uitfasering van ozonlaagafbrekende stoffen en van gefluorideerde broeikasgassen en op de handel in CO2-emissierechten (Emissions Trading System/ETS).

  • De opdracht aan de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) voor het handelssysteem in CO2-emissierechten, waaronder het toewijzen en doen veilen van CO2-emissierechten. Ook de registratie van hernieuwbare energie voor het verkeer en de rapportage hierover ter controle van de duurzaamheid en de CO2-prestatie en het toezicht op de bijstook van duurzame biomassa bij energiecentrales zijn hier onderdeel van.

Stimuleren

Om de klimaatdoelen te behalen worden maatschappelijke partners proactief betrokken. De Minister van EZK stimuleert het in stand houden, aangaan en organiseren van allianties met en tussen bedrijven, branches, overheden, burgers en kennisorganisaties rondom de doelen uit de Overeenkomst van Parijs, het Klimaatakkoord en het Energieakkoord.

Energiebeleid

Regisseren

  • Het regisseren van de realisatie van grote energie-infrastructuurprojecten die onder de Rijkscoördinatieregeling (RCR) vallen; dit betekent als projectminister, samen met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), verantwoordelijk voor de ruimtelijke inpassing van projecten en voor de coördinatie van benodigde vergunningen;

  • Het versneld uitrollen van windenergie op zee richting 2030 en verder;

  • Het actief participeren in Europese en internationale netwerken ten behoeve van energy governance, kennis brengen naar en leren van andere landen en instellingen;

  • Het creëren van randvoorwaarden waardoor de energievoorziening internationaal kan concurreren en het verdienpotentieel van de energiesector in relatie tot de energietransitie ten volle wordt benut;

  • Het creëren van randvoorwaarden voor een doelmatige, veilige en verantwoorde winning van onze bodemschatten;

  • Het bieden van mogelijkheden aan, en het faciliteren van, lokale duurzame energie-initiatieven;

  • Het coördineren van het energiebesparingsbeleid via de verschillende vakministers;

  • Het creëren van randvoorwaarden voor de ontwikkeling van innovatie-ecosystemen;

  • Het uitvoeren van de vergunningverlening voor de mijnbouw;

  • Het creëren van randvoorwaarden voor een goede nucleaire (kennis)infrastructuur en veilige uraniumverrijking, met inbegrip van de taken die hierover zijn opgenomen in internationale verdragen, met het oog op de bewaking en beveiliging van de hierbij betrokken kennis en technologie.

Financieren

Het voeren van het financieel instrumentarium op de beleidsterreinen hernieuwbare energie, energiebesparing, mijnbouwklimaat en klimaat- en energie-innovatie gericht op het realiseren van CO2-reductie en een goed werkend energiesysteem.

Stimuleren

  • Het vergroten van het aandeel hernieuwbare energie (conform afspraken Energieakkoord resp. Klimaatakkoord en de Richtlijn Hernieuwbare Energie (RED));

  • Het stimuleren van energiebesparing (conform afspraken Energieakkoord resp. Klimaatakkoord en de Europese Energie-Efficiency Richtlijn (EED)).

  • Het stimuleren van de ontwikkeling en gebruik van klimaat- en energie-innovaties;

  • Het stimuleren van de verdergaande reductie van CO2-uitstoot van en energiebesparing bij energiebedrijven en industrie;

  • Het stimuleren van een goed werkende Europese energiemarkt met een adequate infrastructuur en bijbehorende wetgeving;

  • Het stimuleren van de transitie naar een duurzame en betrouwbare energievoorziening, inclusief de bijdrage aan het internationale oliecrisisbeleid.

De in dit jaarverslag opgenomen prestatie-indicatoren zijn afkomstig uit de Monitor Klimaatbeleid. Voor een totaaloverzicht verwijzen wij naar deze Monitor (Kamerstuk 32 813, nr. 609). De Monitor is een onderdeel van de borgingcyclus zoals vastgelegd in de Klimaatwet en het Klimaatplan:

  • Met de Klimaatnota, de Monitor klimaatbeleid en de KEV geeft het kabinet jaarlijks een actueel inzicht in de voortgang van het klimaatbeleid en de realisatie van het doelbereik. Dit kan eventueel leiden tot bijsturen van de uitvoering van afspraken door partijen.

  • Vijf jaar na vaststelling van het Klimaatplan vindt een herijking van de opgave (en daarmee een herziening van het Klimaatplan) plaats. Hiervoor zal in 2024 een integrale doorlichting van het klimaatbeleid worden uitgevoerd.

Tabel 24 Prestatie-indicatoren klimaat- en energiebeleid
 

2015

2016

2017

2018

2019

20201

Ambitie 2020

Bron

Algemene Prestatie-indicator

        

Emissies ETS-sectoren

94,1

93,9

91,4

87,4

83,7

n.n.b.

n.v.t.

RIVM

Emissies niet-ETS-sectoren

99,1

99,7

99,7

99,4

97,4

n.n.b.

n.v.t.

RIVM

Reductie van de emissies van broeikasgassen t.o.v. 1990

11,6%

11,7%

12,6%

15,1%

18,0%

n.n.b.

n.v.t.

RIVM, KEV2020

Aandeel hernieuwbare energie

5,70%

6,00%

6,60%

7,40%

8,70%

n.n.b.

14%

KEV2020

         

Prestatie-indicatoren Elektriciteit

        

Gerealiseerde vermogen windenergie op zee in MW

357

957

957

957

957

n.n.b.

2023: 4.450 MW 2030: 11.000 MW

Klimaatmonitor 20202

Gerealiseerd vermogen wind op land en zon-PV in MW

4.560

5.435

6.156

7.958

10.430

n.n.b.

2020: 6000 MW voor Wind op Land (voor Zon-PV is er geen doelstelling)

Klimaatmonitor 20202

Gerealisieerd vermogen in waterstofprojecten uit elektrolyse in MW

   

1,1

1,1

n.n.b.

n.v.t.

Klimaatmonitor 20203

Concentratiegraad in de retailsector elektriciteit - HHI

2.152

1.992

1.822

1.951

2.021

1.918

n.v.t.

ACM

Concentratiegraad in de retailsector elektriciteit -C3

79%

75%

72%

74%

75%

72%

n.v.t.

ACM

Concentratiegraad in de retailsector gas - HHI

2.052

1.895

1.821

1.949

1.949

1.941

n.v.t.

ACM

Concentratiegraad in de retailsector gas - C3

77%

74%

72%

74%

72%

73%

n.v.t.

ACM

Elektriciteitsstoringen in minuten per jaar

33

21

24

27

20

21

n.v.t.

ACM

Ontwikkeling kostprijs hernieuwbare Wind op Land EUR/MWh

91

86

79

67

68

51

59

Klimaatmonitor 20204

Ontwikkeling kostprijs Zon-PV EUR/MWh

141

128

125

110

95

80

83

Klimaatmonitor 20204

         

Prestatie-indicatoren Industrie

        

Cumulatieve vermeden CO₂ vanaf 2015 door procesefficientie-maatregelen uit MJA/MEE in kton)

605.983

1.007.183

1.830.466

2.560.195

3.215.997

n.n.b.

n.v.t.

Klimaatmonitor 20205

Gerealiseerde cumulatieve energiebesparing van EIA en MJA/MEE (in PJ)

11,4

21,1

37,4

53,5

53,5

n.n.b.

n.v.t.

Klimaatmonitor 20205

Toegekende duurzame investeringen in de industrie via EIA en MIA-Vamil (bedragen in € 1.000)

387.821

224.746

275.438

422.999

275.635

n.n.b.

n.v.t.

Klimaatmonitor 20205

Groengasproductie in relatie tot de productie van elektriciteit en warmte uit biomassam (in PJ)

2,52

2,62

3,10

3,38

n.n.b.

n.n.b.

n.v.t.

Klimaatmonitor 2020

         

Prestatie-indicatoren Gebouwde Omgeving

        

Aandeel warmtepompen in verwarming woning (%)

geen data

geen data

2,4

2,6

3,6

n.n.b.

n.v.t.

Klimaatmonitor 2020; warmtemonitor 20196

Gemiddelde aardgasgebruik van huishoudens en diensten (per woning, in GJ)

40,1

geen data

40,1

39,9

geen data

n.n.b.

n.v.t.

Klimaatmonitor 20207

Verdeling geregistreerde woningen met energielabel A of B (%)

geen data

30%

31%

32%

33%

n.n.b.

n.v.t.

Klimaatmonitor 20206

Aantal gebouwen in Utiliteitsbouw met energielabel A+, A of B

geen data

geen data

23.379

geen data

geen data

66.268

n.v.t.

Klimaatmonitor 20206

1

De realisatie in 2020 van de indicatoren die gebaseerd zijn op de Klimaatmonitor is pas in november 2021 beschikbaar (KEV2021). Ook de cijfers van het RIVM over 2020 zijn nog niet beschikbaar.

2

CBS (2020) Hernieuwbare elekticiteit: productie en vermogen (Statline).

3

RVO.nl (2020) Interne cijfers topsector Energie, Topconsortia Kennis en Innovatie (TKI) Nieuw Gas (2020) interne cijfers, Gasunie (2020) interne cijfers.

4

PBL (2020) Eindadvies basisbedragen SDE++ 2020.

5

RVO.nl (2020) interne cijfers MIA/VAMIL/EIA/SDE+ en ISDE regelingen.

6

RVO.nl (2020) Energielabelregistratie.

7

PBL (2020) Klimaat- en Energieverkenning, bewerking RVO.nl.

Tabel 25 Uitstoot broeikasgassen1 (mld CO2-equivalenten)
 

1990

2004

2018

2019

Raming 2030

Industrie

87,0

68,9

57,2

56,7

53,1

Energiebedrijven

39,6

54,9

45,2

42,3

18,8

Verkeer en vervoer

32,3

39,6

35,6

35,2

31,6

Landbouw

32,9

26,0

26,9

26,4

24,5

Gebouwde omgeving

29,9

31,1

24,4

23,3

18,6

Totaal

221,7

220,5

189,3

183,9

146,6

1

Bron: KEV2020.

Kengetal HHI en C3

De C3 is het gezamenlijk marktaandeel van de drie grootste leveranciers. De mate van concentratie op de kleinverbruikersmarkt voor elektriciteit en gas vormt een indicatie voor de concurrentie op die markten. Een indicator hiervoor is de Herfindahl-Hirschman Index (HHI). Een markt met een HHI onder de 1.800 punten wordt gezien als een competitieve markt en een markt met een index tussen de 1.800 en 8.000 punten wordt gezien als een geconcentreerde markt. Het is vele jaren beleid van het ministerie geweest om de concentratiegraad te verlagen en dat beleid is nu geëffectueerd, zodat er geen actief beleid meer op gevoerd wordt. Wel wordt de concentratiegraad nog jaarlijks door ACM gemonitord.

Figuur 4 Kengetal: Elektriciteitsstoringen in minuten per jaar

Bron: Netbeheer Nederland

Beleidsconclusies Klimaatbeleid

In oktober 2020 bleek op basis van de Klimaat- en Energieverkenning (KEV) 2020 dat het huidige beleid nog onvoldoende is om het doel voor 2030 van CO2-reductie te realiseren. Het kabinet heeft zodoende, met partijen, de uitvoering van de bestaande afspraken geïntensiveerd. Tevens zijn in 2020 reeds extra uitgaven gepland of naar voren gehaald om de klimaatopgave te versnellen. Dit laat onverlet dat er extra maatregelen nodig zullen zijn. De ambtelijke studiegroep Klimaatopgave Green Deal, onder leiding van Laura van Geest, heeft hiertoe handelingsperspectieven uitgewerkt die door het volgende kabinet gebruikt kunnen worden bij de invulling van de additionele CO2-reductieopgave.

Uitvoering Klimaatakkoord

In 2020 is de eerste Klimaatnota door het kabinet aan het parlement aangeboden op basis van de Klimaatwet. De Klimaatnota bevat de appreciatie van het kabinet op de voortgang van het klimaatbeleid en schetst de prioriteiten voor het aankomende jaar. Tevens is voor de eerste maal de monitor klimaatbeleid aan de Kamer aangeboden. De Monitor Klimaatbeleid is een (jaarlijkse) bijlage bij de Klimaatnota die (i) de hoofdlijnen bevat van de voortgang over het afgelopen jaar van beleid en afspraken, en (ii) aan de hand van kernindicatoren ontwikkelingen beschrijft omtrent (rand)voorwaarden, (gedrags)veranderingen en beleidsrelevante resultaten.

2020 was het eerste jaar van de uitvoering van het Klimaatakkoord. De cijfers van de KEV2020 geven voor 2030 een prognose van 34% emissiereductie ten opzichte van 1990, met een bandbreedte van 30-40%. Dat is ver verwijderd van het doel van ‒ 49%. Hier is een aantal redenen voor:

  • Een aantal belangrijke maatregelen was nog niet voldoende ver uitgewerkt, om al door PBL meegenomen te worden in de KEV 2020 (bijvoorbeeld industrieheffing, maatregelen gebouwde omgeving).

  • De daling van de gasprijs sinds het Klimaatakkoord zorgt voor extra uitstoot in Nederland.

  • Ten opzichte van het Klimaatakkoord is sprake van statistische bijstellingen, dit leidt tot een tegenvaller van 3 Mton extra uitstoot.

Urgenda

Om uitvoering te geven aan het Urgenda-vonnis heeft het kabinet op 24 april 2020 een set aanvullende maatregelen aangekondigd waarmee zowel op de korte termijn, alsook in de jaren na 2020 extra CO2-reductie wordt gerealiseerd (Kamerstuk 32 813, nr. 496). Zo kiest het kabinet, in aanvulling op de wet verbod op kolen bij elektriciteitsproductie (uitfasering kolenstroom uiterlijk in 2030), ervoor om een forse CO2-reductie te realiseren door de komende jaren het aantal draaiuren van kolencentrales fors terug te dringen. In aanvulling daarop is een call for proposals opengesteld om één van de drie moderne kolencentrales in Nederland de mogelijkheid te geven om vrijwillig te sluiten met behulp van een subsidie (Kamerstuk 32 813, nr. 568).

Daarnaast worden in de andere sectoren aanvullende maatregelen getroffen. Dit betreffen onder andere gerichte maatregelen in de industrie, op basis van vrijwilligheid, bijvoorbeeld op het gebied van lachgasreductie. Ondernemers en huishoudens worden gestimuleerd om zelf reductiemaatregelen te nemen die ook in hun eigen portemonnee iets opleveren. Bij de uitwerking van maatregelen is ook dankbaar gekeken naar de voorstellen voor aanvullende maatregelen die aangedragen zijn door Stichting Urgenda en betrokken stakeholders.

De KEV2020 laat zien dat de klimaatopgave voor 2030 is gegroeid, mede als gevolg van factoren die buiten de invloedsfeer van het kabinet liggen, met als belangrijke exogene ontwikkeling de doorwerking van de daling van de gasprijs die zorgt voor extra uitstoot in Nederland. Deze exogene ontwikkelingen hebben ook invloed op de prognose voor 2020 en de jaren erna en daarmee op de uitvoering van het Urgenda-vonnis. Daarmee blijft de onzekerheid over de bandbreedte rond de emissies de komende jaren fors (zie bij Uitvoering Klimaatakkoord) en blijft onzekerheid bestaan of de komende jaren een CO2-emissiereductie van 25% gerealiseerd wordt. Het PBL heeft in zijn ramingen echter nog niet alle door het kabinet aangekondigde maatregelen kunnen meenemen.

Op 9 december 2020 heeft het kabinet in reactie op de resultaten uit de KEV2020 enkele aanvullende maatregelen aangekondigd die het kabinet treft (Kamerstuk 32 813, nr. 658). Het kabinet vindt het van belang om deze inzet te plegen om - gezien de forse onzekerheidsbandbreedte over de emissies de komende jaren - te laten zien dat het alles op alles zet om ook de komende jaren de CO2-emissie met 25% terug te brengen ten opzichte van 1990, voortvloeiend uit het Urgenda-vonnis.

Europese klimaatdoelen

In de Europese Raad van december 2020 heeft de Europese Unie overeenstemming bereikt over het vaststellen van een netto klimaatdoel van ten minste 55% in 2030 ten opzichte van 1990. Het Ministerie van EZK heeft zich hier succesvol voor ingezet. De Europese Unie heeft haar opgehoogde doel voor 2030 als haar National Determined Contribution in het kader van het Parijsakkoord bij UNFCCC ingediend.

Zowel het reeds eerder vastgestelde doel dat de EU in 2050 klimaatneutraal zal zijn in lijn met het Parijsakkoord als dit opgehoogde doel voor 2030 zijn in een gemeenschappelijk standpunt van de Milieuraad van december 2020 vastgelegd. Daarnaast heeft de Europese Raad van juli 2020, mede op aandringen van Nederland, afgesproken dat ten minste 30% van alle middelen uit het Europese Herstelfonds en Meerjarig Financieel Kader aan klimaat besteed dienen te worden.

Beleidsconclusies energiebeleid

Energieakkoord

In het Energieakkoord is afgesproken om in 2020 14% van onze energiebehoefte op te wekken uit duurzame energiebronnen. In 2023 moet dit 16% zijn. Om het 2020-doel voor hernieuwbare energie (14%) te behalen, is in de kabinetsreactie op de KEV2019 een aanvullend maatregelenpakket aangekondigd. Om het resterende tekort te dichten heeft het kabinet in het voorjaar van 2020, als onderdeel van de bredere energiesamenwerking met Denemarken, een overeenkomst gesloten voor statistische overdracht. Volgens de Europese Commissie is dit een goed voorbeeld van een samenwerkingsverband in de Europese energietransitie dat ook goed past bij de Europese Waterstof en Systeemintegratie Strategieën. Het kabinet houdt onverminderd vast aan het realiseren van 16% hernieuwbare energie in 2023.

Verbreding van de SDE+ (SDE++)

Op 14 januari jl. is de Tweede Kamer geïnformeerd over het verloop van de eerste openstelling van de SDE++ in 2020 (Kamerstuk 31 239, nr. 328). In het Regeerakkoord van het kabinet Rutte-III is aangekondigd dat de SDE+ verbreed zou worden met als doel om naast hernieuwbare energie ook andere CO₂-reducerende technieken te ondersteunen. Hiertoe zijn verschillende nieuwe technieken aan de SDE+ toegevoegd, waaronder de afvang en opslag van CO₂, elektrische boilers en de benutting van restwarmte. Op deze wijze levert de SDE++ een belangrijke bijdrage aan het kosteneffectief realiseren van het streven van het kabinet naar 49% CO2-reductie in 2030 ten opzichte van 1990. Van 24 november 2020 tot 17 december 2020 heeft de eerste openstelling van de SDE++ plaatsgevonden. De eerste resultaten van de SDE++ 2020 wijzen op een goed verloop van de eerste openstellingsronde. In het voorjaar van 2020 heeft nog een extra openstellingsronde van de SDE+ plaatsgevonden, dit met het oog op de stimulering van hernieuwbare energie en het realiseren van het doel van 14% hernieuwbare energie in 2020. Van het totaal aantal aanvragen zijn 7.012 projecten positief beschikt met een bijbehorend verplichtingenbudget van ca. € 3,3 mld (Kamerstuk 31 239, nr. 326). Verder is de Wet Opslag Duurzame Energie en Klimaattransitie (ODEK) zowel door de Tweede als Eerste Kamer behandeld en per 1 januari 2021 in werking getreden.

Geothermie

In 2020 is verder gewerkt aan de uitvoering van de beleidsbrief geothermie (Kamerstuk 31 239, nr. 282) en is een traject ingezet om in kaart te brengen wat nodig is om de groei van geothermie ook op de langere termijn te bestendigen. De aanpassing van de Mijnbouwwet en -regelgeving specifiek voor aardwarmte heeft enige vertraging opgelopen, maar zal naar verwachting 1 oktober 2021 in werking treden. Daarin wordt ook de deelname van EBN in aardwarmteprojecten wettelijk geregeld (Kamerstuk 32 239, nr. 298). De in 2019 gestarte seismische campagne om de kennis van de ondergrond voor geothermie te vergroten is in 2020, ondanks de COVID-perikelen, succesvol en met goede resultaten voortgezet. De verworven seismische data zijn van hoge kwaliteit en vergroten daardoor de kennis van de ondergrond in deze gebieden aanzienlijk.

Wind op Zee

Met de bekendmaking van de winnaar van de tender voor windenergiegebied Hollandse Kust Noord op 29 juli 2020 is het vijfde en laatste windenergiegebied uit de oorspronkelijke routekaart windenergie op zee 2023 (doelstellingen Energieakkoord) vergund. Net als de voorgaande twee tenders betrof dit een tender zonder subsidie. Dit jaar is tevens de oogsttijd van de routekaart windenergie op zee 2023 aangebroken. De eerste windenergiegebieden (Borssele 1 tot en met 5, totaal 1,4 GW) produceren sinds 2020 duurzame stroom.

Op 14 oktober 2020 is de nota van wijziging (Kamerstuk 35 092, nr. 11) voor het voorstel van de Wijziging van de Wet windenergie op zee (ondersteunen opgave windenergie op zee) ingediend. Deze wijziging voegt de mogelijkheid toe om een langere vergunningsduur van maximaal 40 jaar vanaf het begin te kunnen toekennen, wat bijdraagt aan een positieve businesscase van windparken op zee.

Helaas is vanwege de uitspraak van 29 mei 2019 van de Raad van State over het Programma Aanpak Stikstof (PAS) de publicatie van het ontwerpkavelbesluit voor Hollandse Kust (west) vertraagd. Het ontwerpbesluit is nu voorzien voor het eerste kwartaal van 2021 en het definitieve besluit voor het tweede kwartaal van 2021. Dit zal naar verwachting noch resulteren in een vertraging van de tender Hollandse Kust (west), noch in een vertraging van de verdere uitrol van wind op zee.

Tenslotte worden in de publicatie en appreciatie van de Noordzee Energie Outlook (Kamerstuk 32 813, nr. 646) van 4 december 2020 concrete maatregelen en voorbereidingen uiteengezet om de verdere uitrol van wind op zee na 2030 en een extra opgave daarvoor mogelijk te maken.

Energiebesparing

2020 was het laatste jaar van de energiebesparingsconvenanten MJA3 en MEE (Meerjarenafspraken Energie-Efficiëntie). De Kamer is in 2020 geïnformeerd (Kamerstuk 30 196, nr. 734) over de resultaten over monitoringsjaar 2019 en zal in 2021 geïnformeerd worden over 2020. De prognose voor het Addendum op het MEE-convenant was met 8,852 PJ in 2020 iets onder het beoogde 9 PJ doel. Vanwege corona is het Addendum een jaar verlengd tot eind 2021 (Kamerstuk 30 196, nr 740). Hiermee wordt het behalen van de 9 PJ afspraak beter binnen bereik gebracht. Bedrijven die hun besparingsopgave onvoldoende hebben ingevuld hebben een factuur ontvangen. Deze bedrijven kunnen ervoor kiezen hun betaling uit te stellen indien ze verwachten in 2021 alsnog hun besparingsopgave te halen.

Samen met brancheverenigingen en het bevoegd gezag zijn bedrijven succesvol aangezet om extra energie te besparen. Zo is in 2020 de regeling Versterkte Uitvoering Energiebesparing en Informatieplicht (VUE) van start gegaan. Voor de informatieplicht energiebesparing loopt hierdoor het aantal rapportages op. Ook is extra capaciteit voor het bevoegd gezag ingekocht, bijvoorbeeld voor bedrijfsbezoeken. Vanwege de coronacrisis is de inzet van deze capaciteit echter wel vertraagd.

Regionale Energiestrategieën (RES)

In 2020 hebben de 30 energieregio’s allen volgens plan hun concept-RES opgeleverd. De RES’en zijn de regionale plannen over de manier waarop de doelen uit het Klimaatakkoord voor duurzame energie moeten worden gehaald. Het doel van de RES’en is de opwek van minimaal 35 TWh aan duurzame energie (wind, zon) op land in 2030. Uit analyses van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) blijkt dat de potentiële opwek van de concept-RES’en valt binnen een bandbreedte 31,2 tot 45,7 TWh, met een middenwaarde van 38,2 TWh. De 35 TWh lijkt dus haalbaar, maar de realisatie is uitdagend en zal nog heel wat inspanning vergen.

Ondersteuning door het Rijk vindt voornamelijk plaats via het Nationaal Programma (NP) RES. Het grootste vraagstuk is de optimalisatie tussen betaalbaarheid, draagvlak, ruimtelijke ontwikkeling en systeemefficiëntie (Kamerstuk 32 813, nr. 613). Het RES-proces staat volop in het teken van het vinden van knelpunten en belemmeringen en in gezamenlijkheid tussen het Rijk, decentrale overheden, de netbeheerders, marktpartijen en coöperaties zoeken naar oplossingen en kansen. Hierdoor is het beleid continu in ontwikkeling. Op 1 juli 2021 moeten de regio’s hun RES 1.0 opleveren.

CCS

In 2020 zijn er grote vorderingen gemaakt bij de verschillende CCS-projecten. De SDE++ is opengesteld voor CCS-projecten, waarvoor ook een zevental aanvragen zijn ingediend.

Gezamenlijk met de voortgang die gemaakt is in de ruimtelijke inpassing, zijn binnen het Porthos-project in de Rotterdamse haven grote stappen voorwaarts gezet. In 2020 heeft EZK aan EBN instemming verleend om onder de Mijnbouwwet het Porthos-project te ontwikkelen en uit te voeren en heeft EZK aan EBN een lening verstrekt om haar aandeel in het Porthos-project mee te kunnen financieren. Daarnaast heeft het Porthos-project ook een grote Europese subsidie uit het Connecting Europe Facility toegezegd gekregen. Ook het CCS-project bij IJmuiden, Athos, heeft subsidie ontvangen vanuit nationale en Europese subsidieregelingen voor het uitvoeren van haalbaarheidsstudies.

Waterstof

De kabinetsvisie waterstof is in het voorjaar van 2020 naar de Tweede Kamer gestuurd. Deze visie bevat een beleidsagenda voor het realiseren van de randvoorwaarden voor de introductie van waterstof als energiedrager in het energiesysteem en de economie. Op deze wijze is in 2020 een goede basis gelegd voor het ontwikkelen van beleid: dit is in lijn met het beoogde resultaat voor 2020. De belangrijkste onderwerpen in deze beleidsagenda zijn wet- en regelgeving en financieel instrumentarium. De uitvoering verloopt volgens plan.

Salderen

Het wetsvoorstel dat regelt dat de salderingsregeling stapsgewijs zal worden afgebouwd van 1 januari 2023 tot 1 januari 2031, is in 2019 ter consultatie aangeboden (Kamerstuk 31 239, nr. 305). Een verslag van de reacties op de consultatie is vastgesteld op 30 september 2020. De binnengekomen reacties hebben geleid tot verbeteringen in het wetsvoorstel, dat op 8 oktober 2020 aan de Tweede Kamer is gestuurd (Kamerstuk 35 594, nr. 2). Naar aanleiding van het wetsvoorstel heeft de Tweede Kamer op 23 november schriftelijke vragen gesteld (Kamerstuk 35 594, nr. 5), waarop begin 2021 een antwoord komt.

Energie-innovatieregelingen

In 2020 is het energie-innovatie instrumentarium nog meer in lijn gebracht met het missiegedreven innovatiebeleid, daarmee voortbouwend op de ingeslagen weg in 2019 (Kamerstuk 33 009, nr. 70 en nr. 81 en nr. 82). Concreet is de Topsector Energie subsidiemodule Missiegedreven Onderzoek en Ontwikkeling Innovatie (MOOI) breed opengesteld voor de sectoren ’Elektriciteit’, ‘Gebouwde omgeving’ en ‘Industrie’. De MOOI bundelt een groot deel van het instrumentarium van de Topsector Energie in één brede missiegedreven subsidiemodule gericht op het faciliteren van brede interdisciplinaire consortia voor integrale oplossingen die bijdragen aan het klimaatakkoord. Om focus en massa te creëren is budget van 2021 naar 2020 gehaald en wordt de MOOI eens per twee jaar opengesteld.

De Hernieuwbare Energieregeling (HER) is in 2020 verbreed naar de regeling Hernieuwbare Energietransitie (HER+), zodat alle CO2-reducerende categorieën uit de SDE++ ook op innovatievlak ondersteund kunnen worden in de HER+.

De Demonstratieregeling Klimaat- en Energie-innovatie (DEI+) is in 2020 in zijn geheel opengesteld voor meerjarige pilots- en demonstratieprojecten op het gebied van klimaat en energie. Hiermee zijn conform plan de benodigde stappen gezet. Ondanks de coronapandemie is 2020 tevens een zeer succesvol jaar geweest als het gaat om aantal aanvragen en kwalificerende projecten. Over de gehele breedte van het energie-innovatie instrumentarium zijn er meer kwalificerende projecten ingediend dan er aan budget beschikbaar was. Voor de HER+ en voor de MOOI (onderdeel Gebouwde omgeving dat vanuit het Ministerie van BZK wordt gefinancierd) heeft dit tot additionele publicatie van subsidiebudget geleid.

Energie Investeringsaftrek (EIA)

In 2020 is de Energielijst van de EIA conform de eerdere planning succesvol aangepast. Voor een aantal technieken zijn de eisen aangescherpt in lijn met de laatste technologische ontwikkeling. Daarnaast is er een aantal maatregelen die zich hebben doorontwikkeld tot mainstream-techniek van de lijst verwijderd. Hiermee worden, in lijn met het advies van het PBL, het welvaartsverlies en het aantal freeriders zoveel mogelijk beperkt.

Het aantal aanvragen in 2020 bedraagt naar verwachting ongeveer 16.000. Dat is circa 3.000 minder dan in 2019. Een definitief beeld is bekend na afloop van het eerste kwartaal van 2021.

Mijnbouwwet

Op 17 december 2020 heeft de Tweede Kamer het wetsvoorstel tot wijziging van de Mijnbouwwet (Kamerstuk 35 462, nr. 10) aangenomen. De wijzigingen betreffen een aanvulling, verduidelijking en actualisering van de bepalingen over het verwijderen en hergebruiken van mijnbouwwerken en een veralgemenisering en verhoging van de investeringsaftrek tot 40% voor investeringen die ten goede komen aan de opsporing en winning van aardolie en aardgas. Nu het wetsvoorstel op 26 januari 2021 ook is aangenomen door de Eerste Kamer zal het naar verwachting op 1 juli 2021 in werking treden. De bepalingen over de investeringsaftrek treden eerder in werking, zodat deze met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2020 kunnen worden toegepast op zee.

Sinds 1 juli 2020 kunnen burgers en kleine bedrijven mogelijke schade aan gebouwen door opslag of winning van olie en gas uit kleine velden melden bij de onafhankelijke Commissie Mijnbouwschade. De Commissie Mijnbouwschade ontzorgt de schademelder door te onderzoeken wat de oorzaak en omvang van de schade is. Daarmee neemt de Commissie Mijnbouwschade de bewijslast van de schademelder over. In totaal heeft de Commissie Mijnbouwschade in 2020 38 schademeldingen in behandeling genomen. Het Ministerie van EZK is in gesprek met mijnbouwondernemingen en eventuele rechtsopvolgers hiervan om de Commissie Mijnbouwschade ook te laten adviseren over zoutwinning, aardwarmte en voormalige steenkolenwinning.

Europese Dossiers (energie)

De Europese Commissie heeft met de publicatie van de Green Deal grote ambities voor de energietransitie neergelegd. Op het terrein van waterstof en windenergie op zee heeft de Europese Raad conclusies aangenomen. Onder het Duitse voorzitterschap zijn conclusies vastgesteld over energiesysteemintegratie.

Met Denemarken is een Memorandum of Understanding (MoU) ondertekend, waarin de domeinen en wijze van samenwerking op verschillende klimaat- en energieonderwerpen vastgelegd worden. Het gaat hierbij om het vastleggen van bestaande samenwerking op bijvoorbeeld het gebied van warmte: het uitwisselen van informatie over decarbonisatie van warmtenetten, regulering en het bereiken van publieke steun voor warmteprojecten. Ook zijn nieuwe samenwerkingsgebieden zoals handel in waterstof opgenomen.

Tabel 26 Budgettaire gevolgen van beleidsartikel 4 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting1

Verschil

 

2016

2017

2018

2019

2020

2020

2020

Verplichtingen

17.514.501

8.618.677

11.778.791

10.752.857

9.775.219

10.797.624

‒ 1.022.405

        

Uitgaven

1.824.624

1.887.248

2.875.719

2.925.027

3.674.944

3.771.790

‒ 96.846

        

Subsidies

1.148.125

1.257.653

1.412.704

1.664.641

2.160.036

3.510.444

‒ 1.350.408

Missiegedraven Onderzoek Ontwikkeling en Innovatie (MOOI)

38.935

38.791

63.400

57.589

40.675

35.244

5.431

Hernieuwbare Energietransitie (HER+)

31.497

30.934

30.665

26.535

38.427

48.040

‒ 9.613

Energie-efficiency

16.190

7.098

7.092

3.281

3.260

2.368

892

Green Deals

2.660

4.997

3.903

118

141

500

‒ 359

Demonstratieregeling Klimaat- en Energie-innovatie (DEI+)

19.329

21.931

28.193

42.139

33.605

66.806

‒ 33.201

Subsidieregeling Duurzame Scheepsbouw (SDS)

  

860

1.392

2.834

4.900

‒ 2.066

Projecten Klimaat en Energieakkoord

562

733

3.628

1.708

1.612

0

1.612

MEP

288.426

149.960

25.492

1.515

429

0

429

SDE

443.837

552.127

615.295

559.025

587.388

699.167

‒ 111.779

SDE+

187.446

321.514

486.646

706.742

1.192.654

2.322.649

‒ 1.129.995

Bijdrage aan ECN

40.000

    

0

0

Aardwarmte

  

21.000

20.000

15.000

0

15.000

ISDE-regeling

18.018

50.927

69.864

84.368

101.383

200.000

‒ 98.617

Compensatie Energie-intensieve bedrijven (ETS)

45.008

53.477

36.895

40.313

110.083

105.595

4.488

Carbon Capture and Storage (CCS)

171

865

1.438

6.586

6.285

4.080

2.205

Subidieregeling Energiebesparing en duurzame energie sportaccommodaties (EDS)

5.822

6.170

7.809

36

32

0

32

Hoge Flux Reactor

 

14.500

7.250

7.250

7.451

7.651

‒ 200

Elektrisch rijden

844

538

232

42

 

0

0

Caribisch Nederland

8.472

574

3.042

6.791

14.460

4.944

9.516

Overige subsidies

908

2.517

0

16.711

4.014

6.000

‒ 1.986

Maatregelen voor CO2-reductie

   

82.500

303

2.500

‒ 2.197

        

Leningen

0

9.000

19.840

3.000

4.000

4.000

0

Lening Pallas

 

9.000

19.840

  

0

0

Lening EBN

   

3.000

4.000

4.000

0

        

Garanties

1.230

0

1.019

0

4.475

0

4.475

Verliesdeclaratie aardwarmte

1.230

 

1.019

0

4.475

0

4.475

        

Opdrachten

13.029

9.188

9.053

6.718

20.845

11.499

9.346

Onderzoek mijnbouwbodembeweging

2.614

2.123

2.410

1.937

1.938

1.916

22

SodM onderzoek

  

879

 

1.059

1.925

‒ 866

Joint Implementation

5

434

 

1.368

 

0

0

Uitvoeringsagenda Klimaat

  

373

288

203

823

‒ 620

Klimaat mondiaal

  

92

120

275

369

‒ 94

Onderzoek en opdrachten

10.410

6.631

5.299

3.005

17.370

6.466

10.904

        

Bijdrage aan agentschappen

46.026

52.877

65.341

75.957

84.148

62.421

21.727

Bijdrage aan RVO.nl

44.400

51.050

56.675

66.634

71.171

50.498

20.673

Bijdrage aan Agentschap Telecom

    

397

0

397

Bijdrage aan Nea

  

5.594

5.962

8.766

7.194

1.572

Bijdrage aan KNMI

950

1.114

1.147

1.419

1.437

1.143

294

Bijdrage aan NVWA

676

713

721

703

703

841

‒ 138

Bijdrage aan RIVM

     

1.513

‒ 1.513

Bijdrage aan RWS

  

1.204

1.239

1.674

1.232

442

        

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

113.356

116.403

150.348

142.831

128.307

141.955

‒ 13.648

Doorsluis COVA-heffing

108.179

110.263

110.760

110.088

94.845

111.000

‒ 16.155

TNO kerndepartement

  

37.809

31.637

32.547

29.166

3.381

TNO-SodM

5.177

6.140

1.779

1.106

915

1.789

‒ 874

        

Bijdrage aan medeoverheden

0

24.380

20.988

15.978

8.971

23.602

‒ 14.631

Uitkoopregeling

 

24.380

20.988

15.978

8.971

23.602

‒ 14.631

        

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

28.785

39.095

158.686

10.800

10.446

13.169

‒ 2.723

Nuclear Research Group (NRG)

27.982

38.519

158.040

9.008

9.207

11.675

‒ 2.468

Internationale contributies

803

576

646

1.792

1.239

1.494

‒ 255

        

Stortingen begrotingsreserves

474.073

378.652

1.037.740

1.005.102

1.253.716

4.700

1.249.016

Storting in begrotingsreserve duurzame energie

473.061

377.819

537.740

993.682

1.253.716

 

1.253.716

Storting begrotingsreserve maatregelen voor CO2-reductie

  

500.000

11.000

  

0

Storting in begrotingsreserve aardwarmte

1.012

833

 

420

 

4.700

‒ 4.700

        

Ontvangsten

2.546.908

3.202.936

3.201.275

2.390.399

3.738.266

3.487.161

251.105

Ontvangsten COVA

108.179

110.264

110.760

110.088

94.845

111.000

‒ 16.155

Opbrengst heffing ODE (SDE+)

421.036

626.953

1.033.046

1.631.970

2.542.250

2.411.000

131.250

Aardgasbaten

1.926.754

2.373.989

1.461.955

  

0

0

Ontvangsten zoutwinning

2.510

2.525

2.599

2.399

2.391

2.511

‒ 120

Onttrekking reserve Duurzame Energie

77.000

77.000

73.000

78.000

236.020

173.000

63.020

ETS-ontvangsten

  

504.215

440.136

441.408

450.000

‒ 8.592

Onttrekking begrotingsreserve maatregelen voor CO2-reductie

   

115.790

395.210

324.450

70.760

Diverse ontvangsten

11.429

12.205

15.700

12.016

26.142

15.200

10.942

1

Stand inclusief amendementen, moties en NvW.

Tabel 27 Uitsplitsing verplichtingen (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting1

Verschil

 

2016

2017

2018

2019

2020

2020

2020

Verplichtingen

17.514.501

8.618.677

11.778.791

10.752.857

9.775.219

10.797.624

‒ 1.022.405

waarvan garantieverplichtingen

28.900

11.050

0

0

0

66.600

‒ 66.600

waarvan overige verplichtingen

17.485.601

8.607.627

11.778.791

10.752.857

9.775.219

10.731.024

‒ 955.805

1

Stand inclusief amendementen, moties en NvW.

Verplichtingen

Garantieregeling aardwarmte

Voor de garantieregeling aardwarmte zijn in 2020 geen garantieverplichtingen afgegeven, zodat het garantieplafond in zijn geheel niet is benut.

Overige verplichtingen

Het lagere bedrag aan verplichtingen (- € 923,6 mln) heeft een aantal oorzaken. De belangrijkste hiervan zijn:

  • Op het subsidieplafond van de SDE+ is in 2020 € 2.248 mln minder verplicht dan oorspronkelijk begroot.

  • Op de ISDE is bijna € 96 mln niet verplicht, vooral doordat alle middelen voor het MKB-deel in de ISDE doorgeschoven zijn naar 2021 en 2022.

  • Op het budget voor Missiegedreven Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie (MOOI) is in 2020 voor bijna € 18 mln minder verplichtingen aangegaan dan oorspronkelijk begroot.

  • Ook op de HER+ is in 2020 zo'n € 19 mln minder verplicht dan oorspronkelijk begroot.

  • Aan de COVA is in 2020 voor ruim € 16 mln minder COVA-heffing doorgesluisd dan begroot.

  • Op de Uitkoopregeling voor womingen die loodrecht onder hoogspanningslijnen staan is bijna € 15 mln minder aan beschikkingen afgegeven dan begroot.

Naast deze verlagingen was er sprake van een aantal verhogingen:

  • De ongebruikte middelen voor de MEP, SDE, SDE+, HER en ISDE zijn in de reserve duurzame energie gestort. Omdat elke storting in een reserve ook een verplichting is, is de verplichtingenrealisatie met € 1.254 mln verhoogd.

  • Ten behoeve van het verstrekken van een lening aan EBN voor deelname aan het Porthos-project is het verplichtingenbudget met € 53,4 mln opgehoogd.

  • Om het SCAN-programma (onderzoek naar mogelijkheden geothermie in de ondergrond) ook voor de jaren 2020 t/m 2024 voort te kunnen zetten, is het verplichtingenbudget met € 90 mln opgehoogd.

Uitgaven

Subsidies

Missiegedreven Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie (MOOI)

In de loop van 2020 zijn aan het MOOI-budget voor (per saldo) circa € 7 mln extra middelen toegevoegd door overheveling vanuit artikel 2 van de EZK-begroting en vanuit de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). Uiteindelijk is hierdoor ruim € 5,4 mln meer uitgegeven dan oorspronkelijk was begroot.

Hernieuwbare Energietransitie (HER+)

Door vertraging en uitval van projecten zijn de kasuitgaven op de regeling Hernieuwbare Energietransitie (HER+) € 9,6 mln lager uitgevallen. Op de openstelling van de HER+ zijn daarnaast in 2020 voor ruim € 19 mln minder verplichtingen aangegaan dan geraamd, dit heeft bijgedragen aan deze lagere kasrealisatie. De niet-gebruikte middelen zijn in de begrotingsreserve Duurzame Energie gestort.

Demonstratieregeling Klimaat- en Energie-innovatie (DEI+)

De realisatie op de DEI+ is ruim € 33 mln lager dan begroot. Een groot deel van het vrijvallende budget is gebruikt om de laboratoriuminfrastructuur van TNO te versterken en om een bijdrage te leveren aan een tweetal calls van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) en twee programma's binnen de Nationale Wetenschapsagenda (NWA). De hiermee gemoeide bedragen zijn overgeheveld naar resp. artikel 2 van de EZK-begroting en naar de begroting van het Ministerie van OCW.

SDE/ SDE+

Bij de SDE en SDE+ zijn de uitgaven € 1.242 mln lager uitgevallen dan de in de begroting beschikbare middelen. Dit is voor een belangrijk deel toe te schrijven aan een tragere realisatie van de subsidiabele productie dan was voorzien bij het opstellen van de ramingen in 2013. De bij de SDE+ uitgevallen productie zal voor een groot deel in latere jaren alsnog worden gerealiseerd en gesubsidieerd via dezelfde of vervangende projecten. De niet-gebruikte middelen zijn in de begrotingsreserve Duurzame Energie gestort.

Aardwarmte

Voor een voortzetting van het SCAN-programma (Seismische Campagne Aardwarmte Nederland) van EBN was in de Ontwerpbegroting nog geen budget beschikbaar. Daarom is bij Voorjaarsnota 2020 voor de periode 2020-2025 € 90 mln vanuit het SDE+-budget overgeheveld naar het SCAN-programma. Hierop is in 2020 een eerste betaling gedaan van € 15 mln.

ISDE-regeling

De uitgaven op de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) zijn bijna € 99 mln lager uitgevallen dan oorspronkelijk begroot. Deels was dit voorzien, zodat al bij Voorjaarsnota 2020 € 60 mln van de voor het MKB beschikbare € 100 mln (amendement-Mulder) naar 2021 en 2022 is geschoven. Maar ook de resterende € 40 mln van deze middelen zijn, door vertraging in de beoordeling door RVO.nl van subsidieaanvragen, niet meer in 2020 verplicht en betaald, hoewel dat wel in de planning zat. De gehele onderuitputting op de ISDE is in de reserve Duurzame energie gestort.

Compensatie Energie-intensieve bedrijven (ETS)

Voor de compensatie van de indirecte kosten bij elektriciteitsgrootgebruikers in het kader van het Europees emissiehandelssysteem (ETS) zijn er iets meer goedgekeurde aanvragen geweest dan dat er bij het openstellen van de regeling was geraamd.

Caribisch Nederland

De overschrijding van het budget voor Caribisch Nederland met € 9,5 mln heeft twee oorzaken:

  • Om de gevolgen van de coronacrisis voor de eilandbewoners van Saba, Sint-Eustatius en Bonaire te verlichten hebben de elektriciteitsbedrijven van deze eilanden een aanvullende subsidie ontvangen van bij elkaar € 5,1 mln om de netbeheertarieven voor de bewoners naar 0 te kunnen brengen.

  • De overige € 4,4 mln is besteed aan noodmaatregelen om de energievoorziening op Bonaire op gang te houden als de olieleverantie vanuit de (Venezolaanse) olieterminal Bopec onverhoopt zou stoppen.

Garanties

Garantieregeling aardwarmte

De overschrijding met € 4,5 mln van het budget is het gevolg van het onvoorzien uitkeren van een verliesdeclaratie aan een initiatiefnemer van een aardwarmteproject. Het hiervoor benodigde budget is aan de reserve aardwarmte onttrokken (zie bij reserves).

Opdrachten

Onderzoek en opdrachten

De hogere uitgaven (€ 10,9 mln) zijn veroorzaakt door een schikking die getroffen is met een energiemaatschappij over een procedure die deze maatschappij had aangespannen tegen het Ministerie van EZK. De procedure betrof de schade die deze energiemaatschappij had geleden als gevolg van de liberalisering van de elektriciteitsproductiemarkt.

Bijdragen aan agentschappen

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

De bijdrage aan RVO.nl is € 20,7 mln hoger uitgevallen, dit heeft verschillende oorzaken. Er is voor € 6,1 mln budget toegevoegd voor de uitvoeringskosten die gemoeid zijn met de besteding van de DEI+, de Subsidieregeling Duurzame Scheepsbouw (SDS) en de SDE+-regeling. Daarnaast is de loon- en prijsbijstelling 2020 aan het budget toegevoegd en heeft een terugbetaling (€ 6,35 mln) door RVO.nl van te veel bevoorschotte uitvoeringskosten 2019 plaatsgevonden, waarmee het budget voor 2020 is opgehoogd. Ook is € 1,7 mln vanuit artikel 2 toegevoegd om de uitvoeringskosten van de industrie-tenders binnen de DEI+ en de MOOI te dekken. Het Ministerie van BZK heeft ook € 1,4 mln aan het RVO-budget toegevoegd voor de uitvoering van de overgehevelde budgetten voor de MOOI en de tenders aardgasloze wijken en gebouwde omgeving binnen de DEI+ en als bijdrage aan het programma Versterking Informatievoorziening Energietransitie (VIVET). Tenslotte is € 4,3 mln vanuit de prijsmeevaller op de SDE toegevoegd om de uitvoeringskosten van RVO.nl voor het Klimaatakkoord te dekken.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Doorsluis COVA-heffing

Als gevolg van de coronacrisis is het aardolieverbruik in 2020 omlaag gegaan, waardoor er minder aan COVA-heffing is binnengekomen dan geraamd (zie bij ontvangsten). Er is dus ook minder geld € 16,2 mln) doorgesluisd naar de Stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten (COVA) die de strategische olievoorraden in Nederland beheert.

Bijdragen aan medeoverheden

Uitkoopregeling

In 2020 zijn voor € 14,6 mln minder aanvragen ingediend dan geraamd in het kader van de uitkoopregeling voor huiseigenaren met woningen die loodrecht onder een hoogspanningsverbinding staan.

Stortingen in begrotingsreserves

Storting in begrotingsreserve duurzame energie

De hierboven genoemde onderuitputting op de HER+ (€ 9,6 mln), de SDE/SDE+ (1.242 mln) en de ISDE (€ 99 mln) is in de begrotingsreserve Duurzame Energie gestort. Het verschil met de daadwerkelijke storting van € 1.254 mln wordt verklaard doordat gedurende 2020 bijna € 36 mln aan SDE+-budget is overgeheveld naar andere overheidsdiensten en departementen als flankerend beleid voor de SDE+, zoals uitvoerings-, monitorings- en toezichtskosten en bijdragen om obstakels voor SDE+-projecten weg te nemen. Daarnaast heeft een verplichtingen- en kasschuif van € 60 mln plaatsgevonden op de ISDE-midelen naar 2021 en 2022. Voor een specificatie van deze uitgaven wordt verwezen naar tabel "Verschil tussen Ontwerpbegroting en Najaarsnota". Zie ook de toelichting bij de reserves.

Tabel 28 Begroting/realisatie instrumenten begrotingsreserve Duurzame Energie (bedragen x € 1.000)
 

Ontwerpbegroting

Najaarsnota

Realisatie

Verschil

MEP

0

591

429

‒ 162

SDE

699.167

694.867

587.388

‒ 107.479

SDE+

2.322.649

1.098.885

1.192.654

93.769

Waarvan SDE+-regeling

2.225.349

947.533

1.045.531

97.998

Waarvan flankerend beleid SDE+

300

46.268

42.039

‒ 4.229

Waarvan TenneT aanleg net op zee

97.000

105.084

105.084

0

HER+

48.040

37.740

38.427

687

ISDE

200.000

120.000

101.383

‒ 18.617

Storting in reserve DE

0

1.221.914

1.253.716

31.802

Totaal

3.269.856

3.173.997

3.173.997

0

De realisatie op de instrumenten die gelinkt zijn aan de begrotingsreserve Duurzame Energie was in 2020 € 95,9 mln lager dan oorspronkelijk begroot. Dit verschil is te verklaren doordat diverse uitgaven voor het flankerende beleid SDE+ vanuit het SDE+-budget zijn overgeheveld naar andere departementen of naar uitvoerende diensten en door een kasschuif van ISDE-middelen van 2020 naar 2021 en 2022.

In onderstaande tabel is weergegeven welke uitgaven aan flankerend beleid in 2020 tot een budgetoverheveling en daarmee tot een lagere realisatie op het artikel hebben geleid. Ook wordt de kasschuif op de ISDE-middelen hier genoemd.

Tabel 29 Verschil tussen Ontwerpbegroting en Najaarsnota is € 95.859 (bedragen x € 1.000)

Overgeheveld naar Defensie: bijdrage zon op daken Defensiegebouwen

‒ 3.600

Overgeheveld naar IenW: kosten RWS voor Wind op zee

‒ 2.770

Overgeheveld naar IenW: bijdrage EZK aan kosten scheepvaartveiligheid

‒ 5.799

Overgeheveld naar SCAN-programma EBN

‒ 15.000

Overgeheveld naar NEa: dekking kosten toezicht bijstook biomassa

‒ 320

Overgeheveld naar IenW: kosten SDE++ PBL

‒ 750

Overgeheveld naar RVO.nl: extra uitvoeringskosten SDE+, ISDE, RED

‒ 3.320

Overgeheveld naar RVO.nl: uitvoeringskosten Klimaatakkoord

‒ 4.300

Kasschuif ISDE-middelen van 2020 naar 2021 en 2022

‒ 60.000

Totaal per saldo overgeheveld vanuit SDE+-domein

‒ 95.859

Storting in begrotingsreserve aardwarmte

Bij de ontwerpbegroting 2020 werd nog verwacht dat er een bedrag van € 4,7 mln aan provisies ontvangen zou worden die in de begrotingsreserve aardwarmte gestort zou worden. Omdat er in 2020 geen nieuwe garanties zijn verstrekt zijn er echter geen provisie-inkomsten, zodat de gehele storting niet is gerealiseerd.

Ontvangsten

Ontvangsten COVA

Zie voor de achtergebleven COVA-heffingen hierboven onder "Doorsluis COVA-heffing".

Opbrengst heffing ODE (SDE+)

De inkomsten uit de opslag duurzame energie- en klimaattransitie (ODE) zijn € 131,3 mln (5,4%) hoger dan geraamd. Onderliggend zijn er twee tegengestelde effecten. In 2020 is er voor het eerst een lastenverdeling van 1/3 huishoudens en 2/3 bedrijven toegepast bij de ODE. Voorheen was de verdeling 1/2 huishoudens en 1/2 bedrijven. Om deze nieuwe lastenverdeling te realiseren is de heffingskorting in de energiebelasting (op elektriciteit) opgehoogd. Bij de geraamde ODE opbrengst van € 2.411 mln is rekening gehouden met het «ODE»-deel van de heffingskorting. De heffingskorting is echter volledig ten laste van de energiebelasting (op elektriciteit) en niet gedeeltelijk ten laste van de ODE gebracht. Hierdoor zijn de ODE-ontvangsten hoger dan geraamd en valt de opbrengst van de energiebelasting over 2020 lager uit.

Daarnaast is er door de Coronapandemie naar verwachting minder elektriciteit en gas verbruikt dan geraamd, hierdoor daalt de ODE-opbrengst. Per saldo is het resultaat van deze twee tegengestelde effecten dat de gerealiseerde ODE- opbrengst € 133,9 mln hoger is dan geraamd.

Onttrekking begrotingsreserve duurzame energie

Als bijdrage aan de financiering van het Urgenda 2.0-maatregelenpakket van het kabinet is bij Voorjaarsnota een additioneel bedrag van € 63 mln aan de reserve Duurzame energie onttrokken.

ETS-Ontvangsten

De ETS-ontvangsten zijn in 2020 iets lager (€ 8,6 mln) uitgevallen dan geraamd. De raming van ETS veilingopbrengsten is intrinsiek onzeker door schommelingen in de ETS-prijs en onzekerheid over de precieze veilingvolumes. Zo heeft de ETS-prijs in 2020 een kort dieptepunt gehad van € 17 per ton in maart en lag deze eind december ruim boven de € 30 per ton. Een afwijking van € 8,6 mln ligt ruim binnen de onzekerheidsbandbreedte.

Onttrekking begrotingsreserve maatregelen CO2-reductie

De onttrekking aan de begrotingsreserve maatregelen voor CO2-reductie is bij Voorjaarsnota opgehoogd met de in 2019 door BZK, LNV en B&I naar EZK teruggestorte Urgenda-middelen (€ 66,2 mln). Deze middelen zijn in 2019 niet aan de reserve onttrokken, maar dit is in 2020 alsnog gedaan. De middelen zijn 1-op-1 overgeheveld naar artikel 2 van de EZK-begroting, de LNV-begroting en de BZK-begroting. Ook het hierna resterende saldo van € 4,6 mln is aan de reserve onttrokken en vloeit terug naar de algemene middelen. Zie ook hieronder bij de toelichting op de begrotingsreserves.

Diverse ontvangsten

De ontvangstenraming voor de post Diverse ontvangsten is gedurende 2020 opgehoogd omdat zowel RVO.nl als de NEa de in 2019 te veel bevoorschotte uitvoeringskosten hebben teruggestort naar het Ministerie van EZK.

Toelichting op de begrotingsreserves

Tabel 30 Stand begrotingsreserves per 31 december 2020 (bedragen x € 1.000)
  

Waarvan juridisch verplicht

Begrotingsreserve Aardwarmte

17.499

100%

Begrotingsreserve Duurzame Energie

4.172.783

100%

Begrotingsreserve aan NRG verstrekte leningen

6.600

0%

Begrotingsreserve maatregelen CO2-reductie

0

0%

Tabel 31 Begrotingsreserve Aardwarmte (bedragen x € 1.000)

Stand 1/1/2020

21.974

+ Storting

 

– Onttrekking

‒ 4.475

Stand per 31/12/2020

17.499

De begrotingsreserve voor de garantieregeling Aardwarmte is bedoeld om het budget voor deze regeling meerjarig in te kunnen zetten en een eventuele mismatch in de tijd tussen inkomsten en uitgaven op te vangen. Om gebruik te kunnen maken van de garantieregeling Aardwarmte betalen marktpartijen een premie aan de uitvoerder van de regeling (RVO.nl) die wordt gestort in de begrotingsreserve. In 2020 is voor een bedrag van € 4,5 mln aan nieuwe verliesdeclaraties op basis van de garantieregeling bij RVO.nl ingediend. Omdat er geen nieuwe garanties zijn afgegeven, zijn er geen bedragen aan provisies ontvangen.

Uit het toetsingskader van de garantieregeling Aardwarmte blijkt dat, gelet op het risicoprofiel van de aardwarmtegaranties (tussen de 1,4% kans op volledige en 7,6% op gedeeltelijke mislukking), de huidige omvang van de begrotingsreserve samen met de over de verstrekte garanties te ontvangen provisies (7%) benodigd is om de komende jaren een gemiddeld garantieplafond van € 66,6 mln per jaar mogelijk te maken. Gelet op de uitstaande garanties en het genoemde risicoprofiel is de gehele reserve benodigd om mogelijke verliesdeclaraties op te kunnen vangen en is daarmee voor 100% juridisch verplicht.

Tabel 32 Begrotingsreserve Duurzame Energie (bedragen x € 1.000)

Stand 1/1/2020

3.155.087

+ Storting

1.253.716

– Onttrekking

‒ 236.020

Stand per 31/12/2020

4.172.783

De begrotingsreserve Duurzame Energie is bestemd voor onbesteed gebleven middelen als gevolg van vertraging bij projecten waaraan reeds subsidie is toegekend en reeds verplichte projecten die niet tot uitvoering komen en door andere projecten moeten worden vervangen met het oog op het bereiken van de doelstelling voor duurzame energieproductie of CO2-reductie. Het gaat hier om middelen ten behoeve van de MEP, SDE, SDE+, ISDE en de HER. Via de begrotingsreserve blijven de middelen beschikbaar tot het moment dat ze alsnog zullen worden uitbetaald. In 2020 is € 1.253,7 mln in de reserve gestort en € 236 mln aan de reserve onttrokken.

Tabel 33 Specificatie stortingen/onttrekkingen begrotingsreserve Duurzame Energie (bedragen x € 1 mln)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Totaal

Juridisch verplicht

MEP (algemene middelen)

23

16

2

 

34

‒ 2

0

0

73

100%

SDE (algemene middelen)

143

220

297

191

63

16

91

108

1.128

100%

Tijdelijke onttrekking (algemene middelen)

  

‒ 20

‒ 77

‒ 77

‒ 73

‒ 78

‒ 73

‒ 398

100%

Onttrekking reserve t.b.v. ophoging ISDE-MKB (amendement Mulder)

       

‒ 100

‒ 100

100%

Onttrekking reserve t.b.v. financiering Urgenda 2.0-pakket

       

‒ 63

‒ 63

100%

SDE+ (ODE gefinancierd)

59

134

204

282

281

523

903

1.146

3.532

100%

Totaal

225

370

483

396

301

464

916

1.018

4.173

100%

Eind 2020 bedraagt de stand van de reserve € 4.172,8 mln. Daarvan is 100% juridisch verplicht. Bij de huidige inzichten is de in de meerjarencijfers beschikbare uitgavenruimte voorlopig toereikend voor de kasuitloop van de afgegeven beschikkingen. Naar de huidige inzichten zal de begrotingsreserve Duurzame Energie in 2021 afnemen (indicatief: ‒ € 1.700 mln).

Tabel 34 Ontwikkeling begrotingsreserve Duurzame Energie (bedragen x € 1 mln)

Stand 1/1/2021

4.172,8

– Geplande onttrekking 2021-2035 (ophoging budget postcoderoosregeling/motie-Sienot)

‒ 63,0

– Geplande onttrekking 2021 (financiering Urgenda 2.0)

‒ 236,7

– Geplande onttrekking 2023-2028 (toevoeging aan SDE+-budget)

‒ 1.700,0

+ Geplande storting 2021-2026 (terugboeken tijdelijke onttrekking 2015-2020)

398,0

Resterend voor SDE/SDE+-beschikkingen

2.571,1

Tabel 35 Begrotingsreserve aan NRG verstrekte leningen (bedragen x € 1.000)

Stand 1/1/2020

6.600

+ Storting

 

– Onttrekking

 

Stand per 31/12/2020

6.600

De middelen in de begrotingsreserve risicopremie NRG zullen worden aangesproken als NRG – al dan niet tijdelijk – (gedeeltelijk) niet kan voldoen aan de terugbetalingsverplichtingen volgens de in 2014 afgesloten leningsovereenkomst. De lening heeft een looptijd tot 1 juli 2023.

Deze reserve betreft uitsluitend een zekerstelling binnen de rijksbegroting. Derden kunnen geen beroep op deze middelen doen en daarmee zijn de middelen op deze reserve niet juridisch verplicht.

Tabel 36 Begrotingsreserve maatregelen CO2-reductie (bedragen x € 1.000)

Stand 1/1/2020

395.210

+ Storting

 

– Onttrekking

‒ 395.210

Stand per 31/12/2020

0

Om tegemoet te komen aan het Urgenda-vonnis heeft het kabinet additionele maatregelen genomen om aanvullende CO2-reductie te realiseren. Omdat de aard, omvang en timing van de aanvullende maatregelen in 2018 nog onzeker waren, heeft het kabinet besloten deze maatregelen via een tijdelijke begrotingsreserve met een omvang van € 500 mln financieel mogelijk te maken. Ook LNV, IenW en BZK kunnen een beroep doen op deze reserve voor CO2-reducerende maatregelen. De in de begrotingsreserve beschikbare middelen zijn in 2019 met Incidentele Suppletoire Begrotingen (ISB’s) aan de begrotingen van de vier betrokken departementen toegevoegd. In 2020 is hiertoe de gehele reserve leeg geboekt, zodat ultimo 2020 er geen middelen in de reserve meer beschikbaar zijn.

Tabel 37 Overzicht maatregelen1 ten behoeve van het Energieakkoord, het Klimaatakkoord en CO2-reducerende maatregelen (uitvoering van het Urgenda-vonnis) (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Begroting 2020

Verschil

ENERGIEBESPARING

       

MJA3 / MEE (EZK, art. 4)

4.242

3.053

3.799

3.281

3.260

2.368

892

EIA (FIN, fiscaal)

147.000

124.000

157.000

125.0002

137.0002

147.000

‒ 10.000

Compensatie indirecte kosten ETS (EZK, art. 4)

45.008

53.477

36.895

40.313

110.083

105.595

4.488

Subsidieregeling Energiebesparing en duurzame energie sportaccommodaties (EZK, art. 4)

5.822

6.170

7.809

36

32

0

32

Aardwarmte (SCAN-programma EBN) (EZK, art. 4)

  

21.000

20.000

15.000

0

15.000

Overige subsidies (Warmterotonde, Expertisecentrum Warmte) (EZK, ar.t 4)

   

16.711

4.014

6.000

‒ 1.986

Demo Schoon en Zuinig (LNV, art. 11)

1

    

0

0

Innovatieagenda Energie (LNV, art. 11)

1.096

1.102

3.010

5.956

3.2613

15.898

‒ 12.637

Marktintroductie energie innovaties (MEI) (LNV, art. 11)

3.537

3.290

4.471

3.131

3.764

5.789

‒ 2.025

Energie-efficieency glastuinbouw (LNV, art. 11)

6.124

3.984

4.233

8.421

9.367

30.900

‒ 21.533

Wet Milieubeheer energiebesparing (IenW, art. 19)

1.066

2.141

   

0

0

Revolverend fonds EGO (BZK, art. 4)

35.000

 

25.000

  

0

0

Nationaal Energiebespaarfonds (NEF) (BZK, art. 4)

   

18.000

 

0

0

Bijdragen aan agentschappen (BZK, art. 4)

6.132

3.847

3.761

5.813

6.336

4.500

1.836

Energiebesparing huursector (BZK, art.4)

 

816

105.676

134.309

101.656

139.000

‒ 37.344

Beleidsprogramma Energiebesparing (Subsidies en opdrachten) (BZK, art. 4)

4.000

6.500

6.923

  

0

0

Energietransitie en duurzaamheid (Subsidies en opdrachten) (BZK, art. 4)

  

3.935

8.090

15.701

39.023

‒ 23.322

Revolverend fonds Energiebesparing verhuurders (BZK, art. 4)

  

2.640

  

0

0

Energiebesparing Koopsector (BZK, art. 4)

7.383

39.900

3.348

3.664

2.490

3.000

‒ 510

Fonds Duurzaam Funderingsherstel (BZK, art. 4)

 

20.000

   

0

0

Bijdrage aan andere begrotings-hoofdstukken Innovatieprogamma CO2 (BZK art. 4)

    

4

23.600

‒ 23.600

GF aardgasvrije wijken (PAW) (BZK, art. 4)

    

80.585

68.700

11.885

Regionale energiestrategie (RES) Gemeentefonds (BZK, art. 4)

     

2.000

‒ 2.000

Regionale energiestrategie (RES) Data en Monitoring (BZK, art. 4)

     

500

‒ 500

Stimuleringsregeling aardgas-vrije huurwoningen (SAH) (BZK, art. 4)

    

28.796

48.800

‒ 20.004

Ontzorging maatschappelijk vastgoed (bijdrage aan medeoverheden) (BZK, art. 4)

    

8.000

8.000

0

Warmtefonds (BZK, art. 4)

    

67.000

67.000

0

        

HERNIEUWBARE ENERGIE

       

MEP (EZK, art. 4)

288.426

149.960

25.492

1.515

429

0

429

SDE/SDE+, incl. flankerend beleid en Net op zee (EZK, art.4)

614.493

873.641

1.101.941

1.265.767

1.780.042

3.021.816

‒ 1.241.774

Storting in begrotingsreserve Duurzame Energie (EZK, art. 4)

473.061

377.819

537.740

993.682

1.253.716

 

1.253.716

Storting in begrotingsreserve Garantieregeling Aardwarmte (EZK, art. 4)

1.012

833

 

420

 

4.700

‒ 4.700

InvesteringsSubsidie Duurzame Energie (EZK, art.4)

18.018

50.927

69.864

84.368

101.383

200.000

‒ 98.617

        

ENERGIE-INNOVATIE

      

0

Verduurzaming industrie (EZK, art. 2)

   

12.588

4.8445

61.400

‒ 56.556

Missiegedraven Onderzoek Ontwikkeling en Innovatie (MOOI) (EZK, art. 4)

38.915

38.791

63.400

57.589

40.675

35.244

5.431

Demonstratieregeling Klimaat- en Energie-innovatie (DEI+) (EZK, art. 4)

19.330

21.931

28.193

42.139

33.605

66.806

‒ 33.201

Subsidieregeling Duurzame Scheepsbouw (EZK, art. 4)

  

860

1.392

32

0

32

Hernieuwbare Energietransitie (HER+) (EZK, art. 4)

31.497

30.934

27.957

26.535

38.427

48.040

‒ 9.613

       

0

MOBILITEIT

      

0

Elektrisch rijden (EZK, art. 4)

844

538

232

42

 

0

0

Elektrisch rijden (IenW, art. 19)

  

800

0

 

800

‒ 800

Elektrisch rijden (IenW, art. 21)

  

1.861

0

  

0

Elektrisch rijden (IenW, art. 14)

   

1.498

800

 

800

Lean and Green Personal Mobility (IenW, art. 14)

216

 

0

0

  

0

Meerjaren bewustwordingscampagne «Hopper» (IenW, art. 14)

  

35

0

  

0

Organisatiekosten Green Deal Autodelen (IenW, art. 14)

54

20

67

30

50

50

0

Campagne veilige, zuinige, stille banden op spanning (IenW, art. 19)

98

13

2.000

0

  

0

Nationale benchmark duurzame mobiliteit (IenW, art. 14)

  

42

42

  

0

Diverse beleidsonderzoeken duurzame mobiliteit (IenW, art. 14)

  

50

50

50

50

0

Werkgeversaanpak mobiliteit (IenW, art. 14)

36

 

50

54

100

100

0

Klimaatenveloppe 2019 (IenW, art. 14)

   

16.823

13.700

 

13.700

Laadinfrastructuur - Klimaatenveloppe 2019 (IenW, art. 14)

    

15.000

 

15.000

Duurzame energiedragers zero-emissiebussen (IenW, art. 14)

    

2.146

10.000

‒ 7.854

Duurzame energiedragers tankinfra (IenW, art. 14)

    

1.140

5.000

‒ 3.860

Duurzame logistiek (IenW, art. 14)

    

4.835

15.000

‒ 10.165

Verduurzaming personenmobiliteit (IenW, art. 14)

    

7.800

10.000

‒ 2.200

Klimaatakkoord: Elektrisch Vervoer (IenW, art. 14)

    

2.899

 

2.899

Klimaatakkoord: nieuwe elektrische auto's (IenW, art. 14)

    

7.261

 

7.261

Klimaatakkoord: 2e hands elektrische auto's (IenW, art. 14)

    

6.168

 

6.168

Klimaatakkoord: Bestel en Vracht (IenW, art. 14)

    

120

 

120

        

URGENDA-MAATREGELEN

       

Urgenda en industrie (EZK, art. 2)

   

386

9.983

21.000

‒ 11.017

Maatregelen CO2-reductie (EZK, art. 4)

   

82.500

3036

2.500

‒ 2.197

Storting begrotingsreserve maatregelen voor CO2-reductie (EZK, art. 4)

   

11.000

 

0

0

Subsidieregeling energiebesparing eigen huis (SEEH+) en Programma reductie energieverbruik (PRE) (BZK, art. 4)

   

3.285

146.898

148.000

‒ 1.102

Subsidieregeling sanering varkenshouderijen (LNV, art. 11)

     

60.000

‒ 60.000

Stimulering van Recycling en biobased kunststoffen en textiel en circulaire economie (IenW, art. 21, via DEI+)

   

1.409

16.0337

44.500

‒ 28.467

Uitvoeringkosten voor RVO.nl voor de ophoging van de MIA en de VAMIL (IenW, art. 21)

    

300

300

0

Maatregelen in de Grond-Weg- en Waterbouw (IenW, art. 21)

   

1.000

16.5008

15.500

1.000

Campagne veilige, zuinige, stille banden op spanning (IenW, art. 14)

   

836

464

1.000

‒ 536

Campagne het nieuwe rijden (IenW, art. 14)

   

0

200

1.400

‒ 1.200

Versterken overige gedragsmaatregelen, monitoring en evaluatie (IenW, art. 14)

   

54

1.946

1.050

896

        

OVERIGE

       

Bijdrage RVO.nl uitvoeringslasten Energieakkoord (EZK, art. 4)

5.200

6.263

5.434

4.987

5.250

0

5.250

Bijdrage RVO.nl uitvoeringslasten MEP/SDE/SDE+/ISDE/HER (EZK, art. 4)

13.118

19.178

19.840

20.971

30.101

22.792

7.309

Uitvoeringskosten Revolverend Fonds Energiebesparing Verhuurders (RVO.nl) (BZK, art. 4)

88

61

8

  

0

0

1

De cijfers van de Ministeries van LNV, IenW, BZK en Financiën zijn afkomstig van de desbetreffende departementen.

2

Voorlopige cijfers van RVO.nl.

3

Naast deze realisatie is een deel van het budget overgeheveld naar andere begrotingsonderdelen voor bijvoorbeeld klimaatonderzoek.

4

Voor het innovatieprogramma zijn de middelen voor MOOI en DEI overgeboekt naar EZK.

5

Een belangrijk deel van de uitgaven voor verduurzaming Industrie verloopt uiteindelijk via artikel 4. van de EZK begroting (via bijvoorbeeld de DEI+ en de TSE regeling). Hiertoe zijn de middelen dus overgeheveld van artikel 2 naar artikel 4.

6

€ 2,5 mln overgeheveld naar RWS.

7

Het beschikbare Urgendabudget voor de DEI+ subsidieregeling was begroot op € 44,5 mln, waarvan € 21,5 mln bestemd voor recycling en biobased kunststoffen en textiel en € 23,0 mln voor Co-reducerende maatregelen CE. Gedurende het jaar is het budget voor € 1,6 mln opgehoogd vanuit onderuitputting op de DEI+-regeling in 2019 en voor € 4,7 mln vanuit beschikbare MIA/VAMIL middelen. Het totale beschikbare budget op de DEI+ subsidieregeling in 2020 telde op tot € 50,8 mln. De realisatie in 2020 op de DEI+ subsidieregeling was € 17,7 mln, inclusief uitvoeringskosten. Uiteindelijk resteert een onderuitputting van € 33,1 mln, waarvan bij de tweede suppletoire begroting € 24,0 mln is aangemeld en doorgeschoven naar 2021. Dit brengt de onderuitputting bij Slotwet op € 9,1 mln.

8

Budget is opgehoogd met onderuitputting 2019 (€ 1,0 mln) en het totale budget is volledig tot besteding gekomen.

Licence