Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

3.4 Artikel 16 Openbaar Vervoer en Spoor

Om ervoor te zorgen dat reizigers veilig, betrouwbaar en betaalbaar kunnen reizen van A naar B ontwikkelt, beheert en stuurt IenW de benutting van de hoofdspoorweginfrastructuur aan en stelt zij decentrale overheden in staat het Openbaar Vervoer buiten de hoofdspoorweginfrastructuur hiertoe te ontwikkelen, te beheren en te benutten. Daarbij zorgt IenW tegelijkertijd dat verladers van goederen over het spoor de trein in toenemende mate als een aantrekkelijke vervoersoptie beschouwen.

IenW zet in op een hoofdspoorweginfrastructuur en Openbaar Vervoer dat bijdraagt aan de economische en ruimtelijke ontwikkeling van Nederland, aan het behalen van de milieunormen en de sociale functie van het Openbaar Vervoer. Om deze doelen, die ook beschreven staan in de Lange Termijn Spooragenda deel 2 (Kamerstukken II 2013-2014, 29 984, nr. 474), te behalen werkt IenW samen met medeoverheden, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.

(Doen) Uitvoeren

De Minister is verantwoordelijk voor een robuust mobiliteitssysteem van sterke verbindingen, sterke modaliteiten, voorspelbare reistijden en goede bereikbaarheid (zie ook artikel 14 Wegen en Verkeersveiligheid). Voor het Openbaar Vervoer en Spoor betekent dit dat de Minister zorgt voor:

  • Een concessie voor het vervoer over het hoofdrailnet (NS) waarin het aanbod van het reizigersvervoer op het hoofdrailnet is vastgelegd.

  • De uitvoering van het beheer, onderhoud en vervanging van railinfrastructuur, verkeersleiding, capaciteitsmanagement en het oplossen van veiligheidsknelpunten door ProRail onder aansturing van IenW (via de beheerconcessie). Deze activiteiten zijn terug te vinden op het Infrastructuurfonds (artikel 13).

  • De besluitvorming over en uitvoering van investeringen in de hoofdspoorweginfrastructuur (incl. stations) in relatie tot gebiedsontwikkeling. Aanlegprojecten worden in het MIRT vastgelegd. De middelen worden beschikbaar gesteld via het Infrastructuurfonds.

  • Een bijdrage aan de financiering (via het Provinciefonds of de BDU) van het gedecentraliseerde Openbaar Vervoer.

  • Een concessie voor de Waddenveren (met uitzondering van Texel).

  • De financiering (via het Infrastructuurfonds) van het programma Beter Benutten Decentraal Spoor.

  • Het vormgeven (in saneringsplannen) en uitvoeren van de aanpak van hoge geluidsbelastingen langs het hoofdrailnet door middel van het Meerjarenprogramma geluidsanering (MJPG).

  • Om onder meer de veiligheid verder te verhogen wordt het European Railway Traffic Management System (ERTMS) ingevoerd.

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving van het beleid inzake openbaar vervoer (per trein, bus, tram, metro, taxi en waddenveren), waaronder het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving. IenW zorgt voor veilige infrastructuur en optimaal gebruik daarvan via wet- en regelgeving, aansturing van ProRail en NS in het beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur en stations en afspraken met decentrale overheden, het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Uitvoering vindt plaats door middel van samenwerking in de gehele ov-keten en de gehele goederenketen. Het beleid stimuleert en faciliteert deze samenwerking.

Deze regierol wordt ingevuld door:

  • Regelgeving en afspraken over voorzieningen- en kwaliteitsniveaus bij infrastructuur in het kader van veiligheid, betrouwbaarheid, doorstroming en duurzaamheid.

  • Regelgeving en afspraken over concessieoverstijgende onderwerpen waar het voor de reiziger van belang is dat zaken uniform geregeld worden, ongeacht de vervoerder of concessie (zoals sociale veiligheid, toegankelijkheid, ov-chipkaart, taxivervoer en ov-data).

  • Regelgeving en afspraken over de benutting van de ov-infrastructuur en de ordening van de ov-markt. Hierbij worden de aanbevelingen van de parlementaire enquête Fyra betrokken.

  • Het stimuleren van de samenwerking in de gehele ov-keten en de spoorgoederenvervoerketen, door het organiseren van platforms en tafels.

  • De inzet van de Beleidsimpuls railveiligheid (Kamerstukken II 2015-2016, 29 893, nr. 204), waarin de prioriteiten in de veiligheidsaanpak voor de komende jaren zijn benoemd, zoals het Landelijke Verbeterprogramma Overwegen, het programma niet-actief beveiligde overwegen (nabo), het STS-verbeterprogramma (reductie stop tonend sein passages), suïcidepreventie en externe veiligheid langs het spoor en bij emplacementen.

Ten slotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en Toezicht).

Indicatoren en kengetalen

In november 2018 is de beleidsdoorlichting van beleidsartikel 16: Openbaar Vervoer en Spoor afgerond.28 Conform De Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek (RPE) is onderzoek gedaan naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid. In het kader van deze beleidsdoorlichting zijn de indicatoren op artikel 16 aangepast.

Tabel 25 Indicator: spoorveiligheid (naar risicodrager)

Indicator

2015

2016

2017

2018

2019*

Aantal Stop-tonend-seinpassages

100

100

105

137

142

waarvan gevaarpunt bereikt

27

39

36

26

32

Aanrijdingen op overwegen

n.b.

26

30

32

44

Aantal dodelijke slachtoffers bij aanrijdingen op overwegen

n.b.

4

6

14

n.b.

Aantal spoorsuïcides

223

221

215

194

220

Totaal aantal treinkilometers

156 mld.

158 mld.

160 mld.

164 mld.

165 mld.

Toelichting

Hierboven staan de indicatoren voor spoorveiligheid zoals worden gehanteerd op basis van de Beleidsimpuls Railveiligheid. Over de indicatoren wordt jaarlijks gerapporteerd op basis van het Jaarverslag Spoorveiligheid, opgesteld door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Hierin worden de indicatoren in samenhang met de achterliggende veiligheidsrisico’s nader toegelicht. In bovenstaande tabel is voor de belangrijkste spoorveiligheidsindicatoren aangegeven wat de stand van zaken eind 2018 was op basis van de indicatoren. De stand van zaken 2019 komt in oktober 2020 beschikbaar.

Voor meer indicatoren op het thema spoorveiligheid geeft de website https://prestaties.prorail.nl/veiligheid/ van ProRail de laatste inzichten.

Tabel 26 Kengetal: Klanttevredenheid regionaal openbaar vervoer
 

2018

2019

Totaaloordeel1

7,7

7,8

Veiligheid1

8,1

8,2

Snelheid1

7,4

7,6

Gemak1

7,4

7,6

Comfort1

7,9

8

Beleving1

7,2

7,4

Personeelsmonitor

n.b.

n.b.

Toelichting

De ov-klantenbarometer is het klanttevredenheidsonderzoek voor het openbaar vervoer. De ov- klantenbarometer 2018 is geheel vernieuwd ten opzichte van de vorige edities. Omdat de meetmethodiek is aangepast, zijn er geen vergelijkbare gegevens van voor 2018 bekend.

De onderwerpen zijn clusters, waarin de volgende zaken zijn meegenomen:

  • Veiligheid: veiligheid rit, algemeen, halte/station.

  • Snelheid: frequentie, overstaptijd, reissnelheid, punctualiteit.

  • Gemak: gebruiksgemak ov-kaart, vervoersbewijs kopen, info halte, informatie rit, info vertragingen.

  • Comfort: klimaat, instappen, zitplaats, overlast, rijstijl.

  • Beleving: inrichting, netheid, klantvriendelijkheid, geluid

  • Personeelsmonitor: Sociale veiligheid medewerkers. De personeelsmonitor wordt tweejaarlijks onderzocht en gepubliceerd.

Voor meer indicatoren op het thema ov-keten geeft de website https://www.staatvanhetov.nl/ van het CROW inzicht.

Tabel 27 Indicator: Punctualiteit en goederenvervoer
 

2015

2016

2017

2018

2019

Treinpunctualiteit Reizigersverkeer1

89,5%

89,4%

90,5%

91,5%

91,9%

Treinpunctualiteit Goederenvervoer1

80,0%

73,7%

74,7%

74,0%

74,0%

Impactvolle storingen op de infrastructuur1

n.b.

n.b.

628

542

435

Vervoerd ladinggewicht per spoor (in miljoen ton)2

41,72

42,62

41,19

41,58

41,33

Aantal ov-chipkaart transacties3

2,3 mld.

2,5 mld.

2,5 mld.

2,7 mld.

2,8 mld.

Aantal instappers regionale treinen4

49,1 mln

48,9 mln.

52,1 mln.

51,7 mln.

n.b.

Aantal instappers NS5

2,38 mln.

2,47 mln.

2,51 mln.

2,57 mln.

n.b.

Toelichting

Bovenstaande cijfers geven inzicht in de punctualiteit van het spoorsysteem, het aantal impactvolle storingen en de aantallen goederen en reizigers die over het spoor vervoerd worden.

Voor meer indicatoren op het thema punctualiteit geeft de website https://prestaties.prorail.nl/ van ProRail de laatste inzichten.

In het regeerakkoord heeft het kabinet afgesproken om ProRail B.V. om te vormen tot zbo, waarbij het streven is geweest om dat per 1 januari 2021 te realiseren. Mede door de bijzondere omstandigheden gerelateerd aan de coronacrisis is er druk komen te staan op het tijdspad van het wetgevingstraject en zal in plaats daarvan toegewerkt worden naar 1 juli 2021. De omvorming tot zbo is een principiële keuze: ProRail voert een publieke taak uit die vrijwel volledig wordt bekostigd met publiek geld en daar hoort publieke sturing en verantwoording bij. De omvorming zorgt voor een duidelijkere verhouding tussen de minister en infrastructuurbeheerder, een meer eenvoudige en integrale sturing- en verantwoording en een informatiepositie die past bij de publieke taak. Een publieke positionering van ProRail ondersteunt de benodigde samenwerking tussen beleid en uitvoering die nodig is om de uitdagingen op het terrein van spoor en mobiliteit het hoofd te bieden (Kamerstuk II 35 396, nr. 2 en nr. 3).

In 2020 zijn de hoofdlijnen van het integrale besluit over de marktordening op het spoor na 2024 aan de Tweede Kamer gestuurd. In 2021 en verder worden de hoofdlijnen van het marktordeningsbesluit uitgewerkt en uitgevoerd. Voor de vervoerconcessie wordt eerst een beleidsvoornemen tot concessieverlening opgesteld en later een programma van eisen. Er wordt gewerkt aan de decentralisatie van de sprinterdienst op het traject Zwolle-Leeuwarden en voor mogelijke toekomstige decentralisaties wordt er een uitgangspuntenkader opgesteld. Met een marktverkenning wordt daarnaast onderzocht welke internationale verbindingen onder open toegang tot stand kunnen komen. Met een Stationsagenda wordt toegewerkt naar een meer integrale afweging van publieke (en andere) belangen op stations. En er wordt gewerkt aan de toekomstbestendigheid van het spoorsysteem, onder meer door het onderzoeken van systeemtaken en het borgen van sturing en coördinatie.

Voor de toekomstige ontwikkeling van het openbaar vervoer werkt het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat samen met de decentrale overheden en OV-sector aan de uitwerking van het Toekomstbeeld OV. Het Toekomstbeeld OV is een onderlegger om ontwikkeling en voorstellen op het gebied van openbaar vervoer te toetsen. Daarnaast geeft het richting in de acties die gezamenlijk met decentrale overheden en sectorpartijen in gang worden gezet om het openbaar vervoer te verbeteren, zoals het delen van data en verder verduurzamen. Eind 2020 wordt met de ontwikkelagenda Toekomstbeeld OV 2040 een nadere uitwerking gegeven van de in het voorjaar van 2019 vastgestelde contouren (Bijlage bij Kamerstuk II 23 645, nr. 685). De ontwikkelagenda bevat keuzes en ambities voor het openbaar vervoer richting 2040. Naast een overzicht van mogelijke ingrepen op het spoor, is ook een gedragen ambitie voor de gewenste kwaliteit van OV-knooppunten in Nederland hier onderdeel van. In 2021 kunnen stappen gezet worden in de verdere doorvertaling van deze agenda in projectvoorstellen. Dit gaat bijvoorbeeld over het opstellen van afspraken met ProRail, vervoerders, provincies en gemeenten over de ontwikkeling van OV-knooppunten. Vanuit het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat zal daarbij aandacht gevraagd worden voor de landelijke samenhang en zorgvuldige afweging.

Tot slot heeft de Europese Commissie (EC) 2021 aangewezen als 'Europees Jaar van het Spoor’ om de verwezenlijking van de Europese Green Deal-doelstellingen voor vervoer te ondersteunen. In dit kader zal in 2021 besluitvorming plaatsvinden in vervolg op de Green Deal-ambities uit 2019 met betrekking tot de modal shift van weg naar binnenvaart en naar spoorgoederenvervoer en internationaal personenvervoer per spoor.

Tabel 28 Tabel Budgettaire gevolgen van beleid art. 16 (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

30.714

1.518.243

29.606

22.591

21.452

9.933

10.114

        

Uitgaven

31.659

1.523.198

28.309

27.527

24.252

10.613

10.364

Waarvan juridisch verplicht

  

93%

    
        

1 Spoor

31.659

35.198

28.309

27.527

24.252

10.613

10.364

Opdrachten

5.953

6.966

5.426

5.797

6.133

6.112

5.900

- Aanst. NS & ProRail

696

1.275

228

464

807

807

557

- ACM

 

1.526

1.550

1.574

1.598

1.622

 

- OV & Stations (S)

1.781

1.138

1.426

1.345

2.022

1.979

3.640

- Overige opdrachten

3.476

3.027

2.222

2.414

1.706

1.704

1.703

Subsidies

21.951

20.780

19.483

18.327

14.712

1.094

1.094

‒ 3e spoor Duitsland

1.331

3.000

2.938

3.000

1.000

  

- Maatregelen Spoorgoederenvervoer

14.521

14.956

15.161

13.940

12.618

  

- NS IC Dordrecht - Breda

760

1.440

     

- Overige subsidies

5.339

1.384

1.384

1.387

1.094

1.094

1.094

Bijdrage aan agentschappen

964

921

869

872

876

876

876

- Waarvan bijdrage aan RWS

919

832

823

826

830

830

830

- Waarvan bijdrage aan KNMI

45

46

46

46

46

46

46

- Overige bijdrage aan agentschappen

0

43

0

0

0

0

0

Bijdrage aan medeoverheden

2.719

2.429

2.429

2.429

2.429

2.429

2.392

- CLU Betuwe en HSL

2.719

2.429

2.429

2.429

2.429

2.429

2.392

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

72

102

102

102

102

102

102

Leningen

0

4.000

0

0

0

0

0

        

2 Maatregelenpakket OVS

0

1.488.000

0

0

0

0

0

Beschikbaarheidsvergoeding OV-sector

0

1.488.000

0

0

0

0

0

        

Ontvangsten

249

4.750

0

0

0

0

0

Extracomptabele verwijzingen
Tabel 29 Extracomptabele verwijzing naar artikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 13 Spoorwegen

1.703.876

1.630.645

1.720.554

1.764.490

1.481.228

Andere ontvangsten van artikel 13 Spoorwegen

198.538

208.458

213.339

216.430

329.108

Totale uitgaven op artikel 13 Spoorwegen

1.902.414

1.839.103

1.933.893

1.980.920

1.810.336

waarvan

      

13.02

Beheer onderhoud en vervanging

1.474.916

1.276.995

1.358.844

1.397.711

1.315.840

13.03

Aanleg

262.627

395.284

406.630

411.742

322.857

13.04

Geïntegreerde contractvormen/PPS

164.871

166.824

168.419

171.467

171.639

       
Tabel 30 Extracomptabele verwijzing naar artikel 14 Regionaal, lokale infrastructuur van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 14 Regionaal, lokale infrastructuur

84.083

90.007

33.232

34.351

40.962

Andere ontvangsten van artikel 14 Regionaal, lokale infrastructuur

     

Totale uitgaven op artikel 14 Regionaal, lokale infrastructuur

84.083

90.007

33.232

34.351

40.962

waarvan

      

14.01

Grote regionaal/lokale projecten

84.082

42.531

33.232

34.351

40.962

14.03

RSP-ZZL: Pakket Bereikbaarheid

1

47.476

   
       
Tabel 31 Extracomptabele verwijzing naar artikel 17.02 Betuweroute, 17.03 HSL-Zuid en 17.10 PHS van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 17.02 Betuweroute, 17.03 HSL-Zuid en 17.10 PHS

127.988

304.151

340.847

325.490

609.935

Andere ontvangsten van artikel 17.02 Betuweroute, 17.03 HSL-Zuid en 17.10 PHS

64.739

71.235

57.494

174.928

83.439

Totale uitgaven op artikel 17.02 Betuweroute, 17.03 HSL-Zuid en 17.10 PHS

192.727

375.386

398.341

500.418

693.374

waarvan

      

17.02

Betuweroute

     

17.03

Hogesnelheidstrein-Zuid

3.116

    

17.07

ERMTS

49.033

147.758

134.596

148.059

280.237

17.10

Programma Hoogfrequent Spoorvervoer

140.578

227.628

263.745

352.359

413.137

Tabel 32 Extracomptabele verwijzing naar artikel 20.05 Investeringsruimte toebedeeld naar modaliteit van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 20.05 Investeringsruimte toebedeeld naar modaliteit

  

49

  

Andere ontvangsten van artikel 20.05 Investeringsruimte toebedeeld naar modaliteit

     

Totale uitgaven op artikel 20.05 Investeringsruimte toebedeeld naar modaliteit

  

49

  

waarvan

      

20.05.1

Investeringsruimte Spoorwegen

  

49

  
       
Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage ‘Fiscale regelingen’ in de Miljoenennota. Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota ‘Toelichting op de fiscale regelingen’.

Tabel 33 Fiscale regelingen 2019–2021, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)
 

2019

2020

2021

BPM Teruggaaf taxi’s en openbaar vervoer2

136

MRB Vrijstelling taxi’s en openbaar vervoer3

53

53

55

Reisaftrek OV

8

4

7

Budgetflexibiliteit

16.01 OV en Spoor

De uitgaven voor subsidies, de agentschapsbijdrage aan RWS, de bijdragen aan medeoverheden en de bijdragen aan (inter-)nationale organisaties zijn volledig juridisch verplicht. De subsidies hebben een tijdshorizon. De agentschapsbijdrage, de bijdrage aan medeoverheden en de bijdragen aan (inter-)nationale organisaties hebben een structureel karakter. Van het opdrachtenbudget is circa de helft juridisch verplicht op grond van lopende verplichtingen. Het betreft hier onder andere de bijdrage aan de Autoriteit Consument en Markt (ACM), uitgaven voor de OV-begeleiderskaart, de continue screening van de taxibranche en de uitbesteding van SWUNG1-taken. Het niet-juridisch verplichte deel van dit artikel wordt aangewend voor uitvoering van taken die voortvloeien uit de werkagenda van het NOVB inzake de OV-chipkaart, het stimuleren van het beschikbaar stellen van (actuele) brongegevens voor reisinformatiediensten in het kader van het project Nationale Data Openbaar Vervoer en het uitvoeren van activiteiten ter ondersteuning van het beheer van en vervoer over het spoor via concessies en de uitvoering van de Lange Termijn Spooragenda. Ook wordt bijgedragen aan de toegankelijkheid van het openbaar vervoer en aan uitgaven om een gelijk speelveld te creëren in het openbaar vervoer.

1 Spoor

Opdrachten

Dit betreffen voornamelijk (lopende) opdrachten voor de implementatie van de OV-chipkaart, monitoring sociale veiligheid, het stimuleren van het beschikbaar stellen van (actuele) brongegevens voor reisinformatiediensten in het kader van het project Nationale Data Openbaar Vervoer (NDOV), de beheer- en vervoerconcessie, de uitbesteding van SCHWUNG1-taken, het onderzoek naar verplaatsingen in Nederland (OVIN) en aanpassingen in de spoorwegwetgeving. Ook wordt bijgedragen aan de toegankelijkheid van het openbaar vervoer en aan uitgaven om een gelijk speelveld te creëren in het openbaar vervoer.

Autoriteit Consument en Markt (ACM)

Daarnaast maakt de jaarlijkse vergoeding aan de Autoriteit Consument en Markt (ACM) onderdeel uit van deze middelen, wat een vergoeding is voor haar werk op het gebied van spoor zoals de Vervoerkamer. De Vervoerkamer reguleert de relatie tussen de beheerders en de gebruikers van het spoor.

Subsidies

Maatregelen spoorgoederenvervoer

Tijdelijke subsidieregeling spoorgoederenvervoer voor bijzondere omleidingskosten: deze regeling heeft tot doel de marktpositie van het spoorgoederenvervoer ten opzichte van het meer vervuilende goederenvervoer over de weg te behouden gedurende de periode dat de Betuweroute door de aanleg van een derde spoor in Duitsland tussen Emmerich en Oberhausen verminderd beschikbaar is en spoorwegondernemingen daardoor geconfronteerd worden met extra kosten door omleiding. Voor de jaren 2016 tot en met 2020 bedraagt het subsidieplafond € 13 miljoen inclusief de uitvoeringskosten.

In de tabel Budgettaire gevolgen van beleid bij dit beleidsartikel is een bedrag van € 14,9 miljoen aan subsidieverplichtingen voor het jaar 2020 opgenomen. Dit bedrag is onderdeel van het maatregelenpakket spoorgoederenvervoer om het transport van goederen over het spoor goedkoper te maken, door spoorgoederenvervoerders een gedeeltelijke compensatie van de gebruiksvergoeding te verlenen. Doel van deze Tijdelijke subsidieregeling stimulering goederenvervoer per spoor is het verbeteren van de positie van goederenvervoerders. Deze subsidies worden verstrekt aan de goederenvervoerders. Voor de gedeeltelijke compensatie is een bedrag van maximaal € 70 miljoen gereserveerd voor een periode van vijf jaar (2019 tot en met 2023).

Bijdrage aan agentschappen

RWS beleidsondersteuning- en advisering

Met Rijkswaterstaat zijn afspraken gemaakt over beleidsondersteuning en -advisering. Dit zijn taken die Rijkswaterstaat uitvoert in opdracht van de beleidsdirectoraten van IenW. Door middel van de agentschapsbijdrage wordt capaciteit hiervoor bij het agentschap gereserveerd.

KNMI informatievoorziening

Met het KNMI zijn afspraken gemaakt over informatievoorziening, bijvoorbeeld rondom winterse omstandigheden, die van belang zijn voor de veiligheid van het vervoer over het spoor.

Bijdrage aan medeoverheden

Dit betreft een jaarlijkse bijdrage voor de Complete Lijn Uitschakeling (waarbij bijvoorbeeld bij een incident een tracé als geheel wordt uitgeschakeld) en de inzet van de 25kV Spanningstester (CLU+) op de Betuweroute en HSL in het kader van de daartoe gesloten overeenkomst met de betrokken Veiligheidsregio’s.

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

Dit betreft een bijdrage aan de Organisation pour les Transports Internationaux Ferroviaires (OTIF). Deze internationale organisatie richt zich vooral op het creëren van een uniform rechtssysteem voor het vervoer van passagiers en vracht per rails.

2 Beschikbaarheidsvergoeding OV-sector

Dit betreft een beschikbaarheidsvergoeding voor het openbaar vervoer. De vergoeding is bestemd voor al het openbaar vervoer onder een concessie (gebiedsconcessie, lijnconcessie en lijnovereenkomst) in Nederland.

28

Licence